Ommetje Glimmen

De hangende keuken van Eelderwolde:

Heldere keuze voorbij de Schelfhorst:

Vennebroek, Paterswolde:

Uitgelicht pril eikenloof:

Kale grond bij de Eskampenweg, Eelde:

Windvaan met timmergereedschap (hamer, zaag en schaaf), Eelde:

A-weg, Glimmen:

Bij het monumentje voor Anda Kerkhoven zat een gezinnetje luidkeels te ginnegappen. Dat wil zeggen: pa keek lijdzaam toe hoe moeder, puberdochter en vriendin van puberdochter elkaar bij het monumentje kiekten met allerlei schaterlachend commentaar. Toen ik eraan kwam en ze zagen hoe ik keek, waren ze snel weg, een beetje beschaamd:

Blauwgras op de dijk langs het Winschoterdiep bij Waterhuizen:

Links de Stoker en de Brander bij het voetbalstadion, meer op de voorgrond de biovergisters van de Groninger Milieudienst bij het Winschoterdiep:

Baggerbakken bij de Gideonweg:

De helft van de HL Wicherstraat die er nog staat, na de kaalslag van de andere helft:


Rondje Boerakker

Fazant op de Onlanderdijk, Onlanden:

Het Waal onder Roderwolde:

Boomsingel van eiken bij de Waalborg, Roderwolde:

Dezelfde boomsingel vanuit een andere hoek:

Gekandelaberde bomen bij de kerk van Roderwolde:

In blad schietende eiken, Foxwolde:

Lentevreugd, Foxwolde:

Overweldigend luchtje:

Schuur bij het Schilligepad tussen Tolbert en Boerakker:

Bij de Dijkweg nog geen bloeiende meidoorns. Ook geen buizerdnest dit jaar. Wel een nieuw slag rundvee in het natuurgebiedje:

Ik studeer voor koeienfotograaf:

Dodenherdenking op de Poffert:


Naam Harry is uit, ook in de VS

Terwijl de voornaam Harry in het Nederland van de jaren 50 nog won aan populariteit, was hij in de VS al aan een vrije val begonnen:

Trending zou hij nooit meer worden. Maar we koesteren de exclusiviteit.

Bron: How trending is your babyname?

 


Obergum – Stad

Haantje bij de kerk van Obergum:

Bemoste, beschadigde en onleesbaar geworden grafsteen achter de kerk van Obergum:

Gekandelaberde bomen, Bellingweer:

Veulen, Alingahuizem:

Haas in de zon, Hekkum:

Druistige paarden, Paddepoel:

Het ene moment jagen ze als gekken door hun weiland, een moment later grazen ze vredig zij aan zij:

Paddepoel, bij het crematorium:


Avondloeister

(Blaarkop bij Leegkerk.)


Een Rottumer predikant blikt terug

“Niet spoedig zal ik vergeten het uitzicht dat ik had van het kerkhof af in mijn eerste gemeente. ’t Lag op een hooge, oude terp, zooals zoovele dorpen in Groningen. En dan zag ik de wijde, vlakke velden, de groote boerderijen met de boomen rondom, de stoere zadeldaktorens van vele kerken, tot ver weg, en hoorde ik over die stille avondvelden de carillonklanken komen uit den ouden toren van Middelstum…”

Aldus ds. Marius Nicolaas Wisse Smit (1903-1980), later nogal een carrière-predikant, die in zijn jonge jaren echter drie jaar lang, van 1930 tot 1933, hervormd predikant was van de kleine gemeente Rottum en Stitswerd. Smit had voor zijn betrekking hier alleen gewerkt als hulppredikant van een evangelisatie in Emmen. Mogelijk waren de ervaringen daar van invloed op zijn Noord-Groninger waarnemingen. In elk geval schreef hij enkele jaren later een essay over zijn tijd in Groningen, waarin hij de verhouding tussen de Noord-Groningers en de hier ooit zo dominante hervormde kerk onderzoekt.

Allereerst komen in dat stuk enkele vooroordelen tegen de Noord-Groninger aan bod. Die was meestal kort van stof, bepaald niet geneigd tot lyriek, en wars van pluimstrijkerij. Met zijn geslotenheid beschermde hij zijn gevoeligheid. Zijn nuchterheid stond vooral voor zakelijkheid. Een Groninger was materialistisch en mocht zich graag verbeteren, ook qua gezag en macht. Van geld moest je in zijn ogen vooral meer geld zien te maken.

“Blijft een huishoudster ergens uit liefde, terwijl haar elders ƒ 150 meer per jaar wordt geboden, dan vindt het dorp dit wel mooi, maar eigenlijk vreemd en het zal zich in de vraag verdiepen of zij misschien een spaarbankboekje heeft. (…)

En bedankt een dominee voor een beroep naar een plaats, waar het traktement ƒ 1000 „dikker” is, dan gaat dit tegen den werkelijkheidszin, tegen de zakelijkheid van den Noord-Groninger in. Hij vindt het vanzelfsprekend dat ook een dominee „zich verbetert”, als hem daartoe de gelegenheid geboden wordt.”

Zakelijkheid, geldzucht en ambitie beheersten ook de onderlinge verhoudingen tussen boeren, arbeiders en middenstand, aldus ds. Smit. Enkele veelbesproken uitzonderlingen daargelaten, bestonden er geen affectieve banden tussen boeren en arbeiders. Zonder verklaarde partijgangers te zijn, stemden de arbeiders rood. De boer had ook liever cocksiaansche arbeiders aan het werk, want gereformeerden brachten nog eerbied op voor het gezag.

Maar deze voorkeur had niets te maken met een levensbeschouwelijk standpunt. Verreweg de meeste boeren gingen zelf niet meer naar de kerk, wat voor kerk dan ook. De dominee mocht heus wel bij ze op visite komen, maar absoluut niet op visitatie. Dan konden ze vrijblijvend meningen uitwisselen, zonder dat er een boodschap ter sprake kwam. Want

“…zoodra hij de boodschap hoort klinken, sluit hij zich af. Hij wil desnoods hooren wat de dominee over God denkt, beslist niet wat God over den Noord-Groninger boer denkt.”

Die boer bad niet meer. Hij voelde zich onafhankelijk. De kunstmest was zijn God. De kerk was in zijn ogen best wel  een nuttige instelling, maar voor anderen, die dat helemaal zelf moesten weten. Beter dat mensen de Bijbel lazen dan een revolver pakten. De boeren lieten hun kinderen al niet meer dopen, die gingen ook niet naar de catechisatie.

In de gemeenten rond Rottum en Stitswerd was er in die jaren onder de arbeiders al vrij veel bewuste onkerkelijkheid. Zo’n kwart van de mensen vulde bij de Volkstelling in dat ze nergens meer bij hoorden. Toch had de kerk bij zulke arbeiders nog een voet tussen de deur, als ze dominee tenminste een “nuvere kerel” vonden, wat afhing van zijn luisterbereidheid, en zijn neiging om ze, als ze tegenslag hadden, iets van hun pacht kwijt te schelden. Maar zulke arbeiders bonden zich verder niet. Het lag ze voorin de mond bestorven dat de kerk, net als Jezus, moest opkomen voor de armen en verdrukten. De kerk moest de boeren maar eens flink de waarheid zeggen. Zoals het er voorstond waren de boeren bezorgder voor hun paarden dan voor hun arbeiders.

Net zomin als de boer liet de arbeider zijn kinderen nog dopen. Als die naar catechisatie wilden, moesten ze dat zelf maar weten. Hij zou ze nergens toe dwingen, je wist vooraf ook niet met wie ze gingen trouwen. Maar als dominee op ziekenbezoek kwam, dan werd diens “meeleven” zeer op prijs gesteld. En bij begrafenissen van onkerkelijke arbeiders vroegen ze dominee ook nog steeds om te komen spreken.

“Al is ’t gesprek in ’t arbeidersgezin bewogener dan met de boerenfamilie: practisch leven ook zij niet kerkelijk mee en in hun critiek kastijden zij de kerk in hun gekrenkt vertrouwen. Eigenlijk is er onder deze arbeiders geen die van onze kerk nog werkelijk veel verwacht. Hun liefde en hun hoop hebben zij van haar afgetrokken en hun verwachting hebben zij gesteld op andere bewegingen.”

Onder de dorpsmiddenstand waren er relatief nog veel kerkgangers, maar ook nogal eens vanwege de klandizie van de kerk, die met de bijbehorende verenigingen, de zondagschool en de diaconie best veel te spenderen had. Zulke en meer bezielde middenstanders vormden dan met een deel van de arbeiders de meelevende gemeente.

En passant schetst Smit een beeld van hoe het er in Rottum qua kerkgang aan toeging:

“In dit onkerkelijke dorp, met pl.m. tweehonderddertig Hervormden, stond de kerk net even buiten het dorp. Zondags preekte ik dan voor gemiddeld vijf en dertig menschen. Een enkele avonddienst bracht zestig in het kerkgebouw, meerdere ochtend- en middagdiensten vijf en twintig. De mannen zaten links, de vrouwen rechts. Behalve de mannenbroeders uit den kerkeraad en één kerkvoogd, die vlak bij den preekstoel zaten, zaten er in de kerk nog vier mannen, door sterven tot twee teruggebracht, als trouwe kerkgangers aan de linkerzijde. De anderen waren vrouwen. Hun aller leeftijd was tusschen de veertig tot tachtig jaar. Als de jeugdige orgeltrapper zijn moeder niet verving, was er geen jeugd, tenzij er doopelingen waren.”

Stitswerd was veel kerkelijker dan Rottum. Verder wisselde het beeld in de omgeving nogal. In de meeste gemeenten kwam er weinig jeugd in de kerk, maar er waren ook gemeenten waar die jeugd nog steeds in de kerkbanken zat. Ouderen lieten geregeld verstek gaan wegens familiebezoek. In dorpen waar de onkerkelijkheid dominant was geworden, bleven mensen ook uit de kerk weg vanwege de spot die ze ten deel viel.

Bron: M.N.W. Smit, ‘Onder Noord-Groningers’ in: S.F.H.J Berkelbach van der Sprenkel e.a., Kerke-werk. Beschrijvingen van den arbeid der hervormde kerk in stad en land (Nijkerk 1938) 16-30.


De gebrandschilderde ramen van de WEEVA

Dankzij een tweet van Pauline Broekema ontdek ik dat ik een serie foto’s, gemaakt in 2007 van de gebrandschilderde ramen in het Martinihotel, hier nooit geplaatst heb. Tijd om dit alsnog te doen!

Oorspronkelijk stond op deze lokatie aan het Groninger Zuiderdiep de Volksgaarkeuken, een laag gebouw uit 1871. In 1930 werd dit gemoderniseerd en hernoemd tot het Woon- en Eethuis voor Allen, onder Groningers beter bekend onder zijn  afkorting WEEVA. Volgens een van de ruiten werden de ramen geplaatst bij het 70-jarige bestaan van deze “inrichting”. Dat jubileum zal slaan op de Volksgaarkeuken – de ramen dateren derhalve uit 1941. Verder is er heel weinig documentatie over te vinden, zelfs de maker is onbekend, iets wat mogelijk samenhangt met de tijd dat ze vervaardigd werden. Ze hebben als onderwerp de manier waarop voedsel tot stand komt en met een portie onwelwillendheid zou je kunnen zeggen dat er een bloed- en bodemgeest uit spreekt. Aan bod komen fruitteelt, akkerbouw, jacht en visserij – merkwaardigerwijze ontbreekt echter de veehouderij. Of zouden die ramen verdwenen zijn?

Fruit – appels plukken:

Fruit – het wegbrengen van appels:

Fruit – peren plukken:

Fruit – peren wegbrengen:

Fruit – druiven, perziken, appels en een enkele peer, schenkkan en kaas:

Hetzelfde fruit, nu met een pompoen en een ham:

Groente – kolen:

Groente – wortels:

Groente – kolen, wortels, prei, uien, tomaten en knoflook:

Akkerbouw – ploegen:

Akkerbouw – eggen:

Akkerbouw – zaaien:

Akkerbouw – zichten:

Akkerbouw – aardappels poten:

Akkerbouw – aardappels rooien:

Jacht:

Jacht – opvliegende eenden:

Jacht – gevogelte:

Jacht – edelherten:

Visserij:


Hoe Geert Perton soldaat werd

Onlangs werd ik op een middag naar de studiezaal geroepen, want meneer Wortelboer had iets voor me gevonden. Het bleek te gaan om het contract van plaatsvervanging dat mijn overgrootvader in 1886 afsloot.

Over die Geert Perton (1864-1949) heb ik hier al eens verteld dat hij zelf van de militaire dienstplicht vrijgesteld was wegens broederdienst, en dat hij als remplaçant de plaats innam van iemand die ingeloot was maar niet in dienst wilde. Ooit heb ik wel gezocht naar hun contract van plaatsvervanging, maar dat niet kunnen vinden. Je zoekt zoiets ook niet gauw bij een stad-Groninger notaris als de dominante contractpartner uit De Marne en de andere partner uit het Oldambt komt. Maar nu kwam het contract dus toch tevoorschijn, dankzij Wortelboer.

Wortelboer had bij zijn archiefonderzoek al veel van zulke contracten onder ogen gehad – volgens hem was het op zich niet zo héél bijzonder. Inderdaad bleken de bepalingen zo algemeen, dat de stadse notaris kon volstaan met een voorbedrukt formulier, waarop hij de benodigde gegevens handmatig invulde.

Omdat geen van beide contractpartners meerderjarig was, werden zij vertegenwoordigd door afgezanten van de ouderlijke macht. In het geval van Geerts vader was dat de zaakwaarnemer Jacob Wetsema uit Scheemda en wat betreft de boerenzoon Pieter Bouma uit Ulrum ging het om diens voogd, een boer uit Hornhuizen. Bemiddelaar Wetsema, oorspronkelijk uit Winsum, had een zuster in Ulrum wonen – zo was het contact waarschijnlijk ontstaan. Beide partijen kwamen dan overeen dat Geert, in de overeenkomst schoenmaker genoemd, als Pieters plaatsvervanger zou dienen door het vervullen van diens militaire dienstplicht. Hiermee verdiende Geert 350 gulden (anderhalf maal het jaarinkomen van een Oldambtster landarbeider), hem na zijn afzwaaien te voldoen op 1 mei 1889, dus ruim drie jaar na het ingaan van het contract. Opmerkelijk is nog, dat Geert deze overeenkomst tekende als G.E. Perton, terwijl hij officieel alleen als Geert Perton te boek stond. Blijkbaar was de vroegere gewoonte om zich met een patroniem (zoonvadernaam) aan te duiden, in zijn geval nogal hardnekkig.

Geerts astma vormde geen reden om hem medisch af te keuren. Ook vormde zijn strafblad geen beletsel. En dus verving hij de Ulrumer boerenzoon daadwerkelijk, en wel bij het eerste regiment veldartillerie, waarvan de kanonnen natuurlijk nog door paarden werden voortgetrokken. Later zou hij zich zijn Utrechtse diensttijd met genoegen herinneren: “’s Mörgns as deur’n opengong’ng frensd’n peerd’n aal”. In die herinnering manifesteerde zich de landarbeiderszoon, die hij was.

Inderdaad moet Geert zijn remplaçantenvergoeding op 1 mei 1889 hebben ontvangen. Drie weken later trouwde hij immers met Antje Tuin, mijn overgrootmoeder, waarna ze zich vestigden in Oostwold.

Bron:
RHC Groninger Archieven, Toegang 1869 (archief notaris R.A. Quintus, Groningen) inv.nr. 617, akte 1886-115 (22 april 1886).


Ommetje Obergum

Moest nog naar Winsum om een boek op te halen. Het was redelijk fietsweer, alleen trok het al gauw dicht.

Kleiwerd:

De brug van Dorkwerd ging pal voor mijn neus dicht en omhoog:

Vlagvertoon in de Westerstraat, Obergum:

Lezend meisje op blinde muur van het pand in Obergum waar de stichting Kinderboek Cultuurbezit haar (openbare) bibliotheek heeft:

Opgeheven brug bij Winsum:

Schaphalsterzijl, schuur met bord van het reeds lang verdwenen waterschap Hunsingo

De boot van Koos lijkt er nog te liggen:

Saaksum – graftrommel op de laatste rustplaats van een geliefde dorpspedagoog:

Saaksum, vlagvertoon i.v.m. hardloperij:

Een mooi ding aan het dorpshuis van Oldehove:

Tussen Oldehove en Ezinge – hardloperij:

Fransumer Voorwerk:


Grofsmid was de Mozes van Oostwold (2)

Nortonpomp Oostwold

Het hok met de Nortonpomp in Oostwold. Foto met dank aan Daniel Oudman.

Natuurlijk moet je een mooi verhaal niet kapotchecken, maar ergens kwam het gedicht dat mijn zegsman declameerde me bekend voor. Ik kon het dus niet laten en ging op zoek.

En zo bleek, dat het poeem over Frans Kant en de Nortonpomp van Oostwold ook staat in een ‘Noorder Rondblik’ uit 1980 en in een verzameling dorpsgeschiedenissen door Abel Blokzijl uit 2006 (p.14-16). Beide bronnen geven het pomp-opschrift met minieme variaties. De versie uit de Noorder Rondblik luidt:

“Gelijk eens Mozes met zijn staf
Zijn volk uit rotsen water gaf,
Zoo bracht Frans Kant ter goeder stond,
Hier kost’lijk water uit den grond.
Wat vroeger boren niet vermocht
Heeft nu Frans Kant voor ons gewrocht.”

Verder verschilt de bijkomende informatie enigszins, bijvoorbeeld voor wat betreft de locatie van de pomp. In de Noorder Rondblik, een regionale cultuurrubriek van het Nieuwsblad van het Noorden, komt de oud-Oostwolder Edzo de Groot aan het woord, die zich afvraagt waarom de Nortonpomp “aan de Huningaweg, naast het perceel van mevrouw De Groot—Baas (vroeger rijksveldwachter Welbergen)” moest verdwijnen:

“Aan die pomp, destijds een overvloedige bron in hete droge zomermaanden, ingebouwd in een houten huisje, hing een ijzeren nap, stevig vastgeklonken met een ketting; voor de voorbijganger een pauzeteken om even de dorst te lessen.”

Volgens Blokzijl stond de pomp tegenover de pastorie, vlakbij de ingang van het kerkhof. Hij meent dat ze werd geslagen door de gemeente Midwolda, waarbij zelfs op 70 meter diepte nog geen wel van geschikt grondwater was gevonden. Daarom beschouwde men het project als mislukt en kwam er een dop op de buis. Totdat de lokale grofsmid Frans Kant de grond huurde en die dop er weer vanaf draaide. Het water spoot er uit en dat werd het gesprek van de dag in Oostwold. Waarop de gemeente het water liet onderzoeken – het bleek van puike kwaliteit en zeer geschikt voor consumptie. Vanaf die dag had Oostwold dus in tijden van droogte goed drinkwater. Wat Blokzijl, anders dan mijn zegsman, echter niet vermeldt is dat de gemeente het houten bord liet overschilderen.

Voor ik nog verder in de historie duik, eerst maar even de summiere biografie van de hoofdfiguur. Dat deze Frans Kant werkelijk grofsmid te Oostwold is geweest, bewijzen de burgerlijke standsakten met zijn naam. Hij werd in 1862 geboren in Oostwold als zoon van de smid Lammert Kant, trouwde, zelf smid geworden, op zijn 33ste, kreeg met zijn vrouw een hele serie kinderen, waarvan er enkele jong stierven, en kwam zelf uit de tijd in 1931. De historie moet zich dus voor dat sterfjaar hebben afgespeeld. Misschien in de jaren twintig?

Nee, ze is nog ouder, zo blijkt uit de krantendatabank Delpher. Op 27 april 1907 berichtte het Nieuwsblad van het Noorden:

“OOSTWOLD (O) 25 April. Voor eenige jaren sloeg hier iemand uit Leeuwarden een Nortonpomp circa 570 voet in den grond, maar daar het water onbruikbaar was, staakte men het werk maar liet de buis zitten. Een onzer smeden kwam dezer dagen op ’t idee het ding eens weer te probeeren en men pompte, pompte 2½ dag en heeft nog volop water. De heer Van Dam, apotheker te O. Pekela, die het drinkwater onderzocht, verklaarde het voor uitstekend drinkwater. Gelukkig Oostwold !”

De grondwaterwel waar de pomp op aansloeg zat dus op bijna 168 meter, nog veel dieper dan de 70 meter die Abel Blokzijl noemt. De rest van het verhaal komt overeen met de overleveringen. Uit een bericht van eind september 1907, bijna vijf maanden later, blijkt wie het bord met het gedicht op de pomp bevestigde:

“OOSTWOLD 23 Sept. Dankzij ’t werken van onzen smid Kant hebben wij hier een Nortonpomp gekregen, die ons dezen zomer voor watergebrek heeft behoed. De kerkeraad heeft gemeend niet beter het véle goede, door K. gedaan, te kunnen beloonen, dan door ’t aanbrengen van ’n gedenkplaat aan de pomp waarop een passend gedichtje.”

Het was derhalve niet een anonieme spotvogel, zoals mijn zegsman wilde, maar het hervormd consistorie, dat hiermee zijn dankbaarheid wilde betonen. Zodat het overschilderen op last van het gemeentebestuur ook minder waarschijnlijk is, temeer daar de Nortonpomp op notabel hervormd initiatief geslagen blijkt te zijn. In oktober 1908 bezocht namelijk een Zweedse hoogleraar, Hjalmar Nilsson, de Oostwolderpolder en omgeving, waarbij zijn rondleiders hem ook de Nortonpomp toonden:

“Dat onze kerkvoogden voor eenige jaren in een werkelijk bestaande behoefte wilden voorzien, bewees deze dag het bezoek aan onze bekende Nortonpomp, die bijna 600 voet diep is. Reusachtig is de hoeveelheid water, die zij in dezen drogen tijd elken dag maar weer met volle stroomen opgeeft. Deze datum is vanwege het kerkbestuur het aantal emmersvol, dat uit de pomp werd gehaald, geteld door onzen doodgraver, die den geheelen dag als ’n politieagent op den weg flaneerde. De man kreeg het respectabel aantal van ruim 500 om ± 6 uur des avonds.

Bij deze gelegenheid kreeg de dorpssmid nog eens een pluim:

“Een eeresaluut zij bij dezen nog aan Frans Kant gebracht, die ons die weldaad heeft bewezen, want zonder hem, zouden we ook hier, evenals andere jaren te strijden hebben tegen watergebrek. En nu – volop van het heerlijkste bronwater.”

Dat de Nortonpomp er op initiatief van de hervormde kerkvoogdij van Oostwold kwam, wordt ook aangetoond door wat raadsverslagen uit 1938 en 1939, die melden dat die kerkvoogdij de burgerlijke gemeente Midwolda verzocht om een jaarlijkse subsidie voor het onderhoud. Op voorstel van B&W stelde de raad toen zonder hoofdelijke stemming een bedrag van 25 gulden per jaar vast.

Helaas lijkt het archief van de hervormde gemeente Oostwold poter, zodat niet is na te gaan hoeveel de kerkvoogdij betaalde voor aanleg en onderhoud van de pomp. Een Nortonpomp in Zuidhorn, in 1911 te slaan tot een diepte van 60, 65 meter, moest die gemeente echter 1600 gulden kosten bij gebleken succes, en ruim 300 gulden aan materiaal en arbeidsloon als de zaak mislukte. Gezien het feit dat de pomp in Oostwold bijna drie maal zo diep kwam, terwijl de arbeidslonen flink zullen toenemen bij een grotere diepgang, moet de pomp in Oostwold minstens drie maal zoveel hebben gekost, dus 900 gulden bij de aanvankelijke mislukking. Of de Leeuwarder firma die het werk uitvoerde na het later gebleken succes nog wat extra beurde, blijft een open vraag.

De pomp in Zuidhorn moest volgens de raming vooraf zo’n 25.000 liter zuiver drinkwater per uur kunnen leveren. De hierboven gemelde 500 volle emmers op een oktoberdag in 1908 te Oostwold vallen daarbij in het niet. Ook de vergelijking met een Nortonpomp op het oosteind van Midwolda, geslagen in 1913, valt negatief uit voor Oostwold. De Midwoldiger pomp, reikend tot slechts 42 meter diepte, had een capaciteit van 12.000 liter per uur. Ook daar werd overigens de waterkwaliteit gecontroleerd door apotheker Van Dam uit Oude Pekela, die haar uitstekend bevond. Bij de pomp van oost-Midwolda kwam er nog een “ontijzeringstoestel”, “zoodat het water ook voor de wasch gebruikt zal kunnen worden”.

De Midwoldiger pomp was gemeentelijk, anders dan die van Oostwold. Ook elders in de gemeente Midwolda kwamen pompen tot stand op particulier initiatief. Zo willigde de gemeenteraad in 1929 een verzoek van H. Hagenus en anderen in, om een Nortonpomp aan de Klinkerweg in Oostwold te plaatsen. Deze verrees op een perceeltje van de gemeente op de hoek van de Klinkerweg en de weg naar Kromme Elleboog en bediende daarmee waarschijnlijk ook de Kanariebuurt, een corporatief nieuwbouwbuurtje bij de Dwarsstraat en MIddenweg onder Finsterwolde. Een soortgelijk verzoek van de bewoners van Niesoord werd in 1938 echter afgewezen.

Zoals gezegd was de pomp in Oostwold in 1980 verdwenen. Via de ‘Noorder Rondblik’ vroeg Edzo de Groot destijds om een foto van het opschrift. In 1990 kreeg de vereniging Dorpsbelangen Oostwold 500 gulden van de Heidemij voor een reconstructie. Volgens Abel Blokzijl kwam deze er in 1997, waarbij het houten bord is vervangen door een bord van metaal.

NB: De opmerking over de Kanariebuurt is toegevoegd op 14.1.2024.


Grofsmid was de Mozes van Oostwold (1)

Hoorde vandaag een kostelijke anekdote uit de mond van een Oldambtster boer die op zijn ouwe dag in de Achterhoek beland is.

Volgens hem speelde het verhaal voor de oorlog in Oostwold en had hij de gewraakte tekst als jongen nog gezien. Deze tekst ging over de Nortonpomp, die in Oostwold geslagen was. “In die tijd was er nog geen TV”, aldus mijn zegsman, “en moest men zelf nog plezier maken”. En hij declameerde een gedicht, dat op een bord stond, dat aan die Oostwoldiger Nortonpomp vastzat. Het ging over de “dorpsgek” Frans Kant en diens rol bij het op gang helpen van de bewuste pomp:

“Gelijk eens Mozes met zijn staf
Zijn volk uit rotsen water gaf
Zo bracht Frans Kant te goeder stond
Hier kost’lijk water uit den grond
Wat velen zochten en geen vermocht
Dat heeft Frans Kant voor ons gewrocht”

Volgens mijn zegsman vond deze Frans Kant het maar wat heerlijk om zo bewierookt te worden:

“Hij deed alsof hij die pomp zelf had geslagen, maar dat had-ie niet. Toen die pomp was geslagen kwam er een hele poos geen water uit. Frans Kant gaf hem een slinger, en toen kwam er wèl water uit. Het was een heel gedicht, dat bord was wel een meter hoog.”

Mijn zegsman kwam op het gedicht, nadat ik het orthodoxe karakter van Oostwold en Midwolda ter sprake had gebracht. Volgens hem had het “christelijke gemeentebestuur van Midwolda” bezwaar tegen de vergelijking van Frans Kant met Mozes gemaakt:

“Ze gaven de schilder orders om het over te schilderen. Naderhand stond alleen nog heel pietluttige lettertjes Nortonpomp op dat bord.”

Natuurlijk moet je een mooi verhaal nooit kapotchecken, maar…

Voor het vervolg zie hier.


Rondje Westerkwartier

Haan van kinderboerderij Minerva, Hoogkerk:

De boerenboomgaard op Westpoort:

Jubilate:

Lettelbert:

Achtererf op de Hondehoek, Midwolde:

Bij het Wilgepad, voorbij Boerakker:

De bermen zijn nog veel verder benut voor deze survivaltoestanden:

Grote pol dotterbloemen, De Jouwer:

Antiek bordje Vogelreservaat met op een kar gemonteerde pompjes waarmee koeien water uit een sloot kunnen halen:

Rustende koeien bij Kuzemer:

Blaarkoppen van het biologisch melkveebedrijf ‘ande NieDijk‘, Enumatil:

Geheel met raapzaad bedekte slootwal bij Nieuwbrug:


Wind mee vanaf de Eemshaven

De kerk van Oosternieland, badend in pril groen:

Gewelfafsluiting met bloemmotief:

Overzicht vanaf de orgelbeun:

Op het achterliggende kerkhof. In het hoge deel, vooraan, liggen grafstenen uit de achttiende eeuw, waarvan ik vermoed dat die uit de kerk afkomstig zijn:

Zoals deze van de koopman Abel Isebrandts van de Zijldijk, die slechts 27 jaar oud mocht worden:

De kerk gezien vanaf het kerkhof:

Bij het koor:

Van dit gebouwtje in de buurtschap bij de Paapstil heb ik de indruk dat het een voormalige woning is, die in de negentiende eeuw verbouwd werd tot ‘hut’ of bijschuur. In de vroegere voorgevel, nu achtergevel, zit een gevelsteentje uit 1752:

Bij Paapstil ook deze bollenvelden:

Andere kant op:

Door het tele-effect zie je mooi de welvingen van vroegere percelen:

Het kerkje van Oldenzijl:

Hoekje in Eppenhuizen:

De Elemaheerd aan de Kantsterweg:

Hoekje in Kantens:

Hier en daar vee in de wei, zoals tussen Onderdendam en Winsum:

De weem van Wetsinge van de achterkant:

Tussen Wetsinge en Hekkum deze tulpen in de berm:

Hier zie je drie waterlopen. Tussen de twee sloten rechts lag vroeger de Hunze:

Schapen op de dijk bij Hekkum:


Rondkoekeloeren in de Eemshaven

Sinds kort heeft de Eemshaven het noordelijkste treinstation van Nederland. Daar moest ik dus maar eens heen.

Op het andere perron, dat van de trein naar Delfzijl, zit zowaar de cultheld Kale Bas:

Een padvindersmeisje maakte een handstand in de trein:

Station Eemshaven. Er stapten zo’n twintig, dertig mensen uit op dit nieuwe eindpunt van de lijn. Een flink deel beklom de dijk, maakte een foto en stapte meteen weer de trein in:

Het was ook vrij fris, maar ik wilde toch even naar het puntje van die strekdam:

Opvallend was, dat alleen fietsers dat deden, met mij twee anderen, op gepaste afstand van elkaar. Op zich was het hier vrij saai:

Een van de anderen merkte op dat dit lands’ end (zie oranje ster) het noordelijkste puntje van Nederland is, maar dat blijkt bij nader inzien onjuist – alleen al de bocht van de Borkumkade ligt noordelijker:

Bovendien heb je ook nog Rottumeroog en -plaat, die zonder meer noordelijker liggen..

Op de weg terug wat meer gelet op het Eemshavenlandschap:

Assemblagebedrijf voor windmolens:

Heen zat in de oostelijke oksel van de strekdam een Chinees paar  met hun twee zoontjes. Op de terugweg viel het ouderpaar nergens meer te zien, alleen de jochies waren er nog:

Begon me al zorgen te maken, tot de moeder met wat eten over de dijk kwam.

Die oksels van de strekdam zou ik overigens vol willen gooien met strandzand. En op langere termijn zou ik op het puntje van de strekdam een toren willen hebben, gemaakt uit de staander van een booreiland, met een langzaam ronddraaiend platform erbovenop met een visrestaurant. Om het publiek erheen te brengen zou een smalspoorlijntje wellicht iets zijn. Of anders een monorail.

De afvaartplek van de veerboot naar het Duitse Waddeneiland Borkum. Deze wordt vooral door Duitsers gebruikt – op het parkeerterrein zie je vrijwel uitsluitend Noord-Duitse nummerborden:

De afvaartplek vanuit een andere hoek:

Land’s  End met Deens offshorebevoorradingsschip:

Alles is hier huge, zoals die gele buizen (waarvan er een vast wel bruikbaar is voor mijn toren):

En deze zeekabelhaspel (die liggend hergebruikt kan worden voor mijn visrestaurant):

Of deze vlucht of propellor voor een windturbine:

Hier en daar zit er nog best veel kleur in zo’n haven:


Waar het Eelderdiep ’t Stadspark doorkruist

Het eerste tuiltje dotterbloemen op de oever:

Dagpauwoog streek steeds weer neer op modder:

Prille esdoorn:

Bloesem en nog kale takken: