Belbus nek omgedraaid met hubtaxi
Geplaatst op: 2 april 2018 Hoort bij: De actuele wereld, Hoogkerk 3 reacties
Maakte de laatste jaren een paar keer gebruik van de LijnBelbus tussen transferium Hoogkerk en station Zuidhorn. Deze sneed niet alleen de flinke omweg over de stad Groningen af, zodat de reis nog niet de helft van de tijd kostte, maar bleek ook steeds gratis: er maakten zo weinig mensen gebruik van deze dienst, dat er in plaats van een busje steeds een taxi zonder afleesapparatuur voor OV-kaarten werd gestuurd, waarvan de chauffeurs ook nog eens contante betaling weigerden!
Maar nu is daar een stokje voor gestoken. Onze lijnbelbus naar Zuidhorn wordt namelijk vervangen door een ‘hubtaxi’. Deze brengt je een principe alleen maar naar het dichtstbijzijnde vervoersknooppunt, dus het transferium Hoogkerk, zodat je vandaar af alsnog die omweg over de stad moet nemen, wil je in Zuidhorn belanden. Voor de kilometer naar de hub kost die taxi € 2,65. Mocht de daaropvolgende omweg naar het oordeel van het vervoersbedrijf toch te lang zijn, dan kan de hubtaxi je naar de plaats van bestemming in Zuidhorn brengen voor € 14,77.
U begrijpt: het prijsverschil tussen hubtaxi en de ‘belbus’ is van dien aard, dat er zeer zelden iemand gebruik van die hubtaxi zal gaan maken. Een op zich aardige dienst is daarmee effectief de nek omgedraaid, zonder dat de ov-regelaars daarop aangekeken kunnen worden.
Mij maakt het verder niet zoveel uit, ik doe die 13 kilometer naar Zuidhorn voortaan wel per fiets. Onlangs zat er echter ook een hoogbejaarde man in de ‘belbus’ die met de nieuwe regeling behoorlijk gedupeerd wordt. Hij woont in het winkelloze Enumatil en doet twee maal per week zijn boodschappen bij de AH in Hoogkerk met de belbus. In plaats van (meestal) gratis heen en weer, is hij nu ruim 40 euro per week kwijt aan dezelfde dienstverlening. Ik denk niet dat ‘m dat wordt en hoop dat hij iemand in de buurt kan vinden, die hem voortaan naar de supermarkt wil brengen, hetzij in Oostwold, hetzij in Hoogkerk.
Ommetje Stad
Geplaatst op: 1 april 2018 Hoort bij: Hoogkerk 3 reactiesVerbrande scooter, Zuiderweg Hoogkerk. Zijn eigenaar kwam net de deur uitlopen en maakte zich als zodanig kenbaar. Ik vroeg hem of het met of zonder zijn bewilliging was gebeurd. Zonder. Op mijn vraag of hij wist wie het gedaan had: “Ze lieten natuurlijk geen naamkaartje achter”:

Napoleon met babyface bij Klinkhamer in de Herestraat:

Aan de Energieweg – afgaande op dit bord dacht ik aan een soort rariteitenkabinet, maar volgens de website heeft dat didactische intenties:

Het fietspad langs het Hoendiep blijkt ter hoogte van de UT Delfiaweg een eindje verlegd, dit om een opstelstrook voor rechtsafslaand autoverkeer te kunnen creëren:

De nieuwe afslag leidt naar een nieuw crematorium, in korte tijd het tweede bij Hoogkerk dat straks dus tussen twee vuren in ligt. Was benieuwd of de fietsers straks voorrang houden op het afslaande verkeer. Maar dat zal wel niet.
Ommetje Nietap
Geplaatst op: 31 maart 2018 Hoort bij: Drenthe, Onlanden, Westerkwartier 2 reactiesHaantje bij kinderboerderij Minerva heeft het hoogste woord:

Matsloot, verderop betrok helaas de lucht:

Aangevreten zwanenmossel op slootwal Matsloot:

Els bij het Leekstermeer:

Paartje buizerds in weiland bij de Groeve, tussen Sandebuur en Foxwolde:

Op het ooievaarsnest aldaar werd driftig geklepperd. Jammer genoeg hielden ze ermee op toen ik naderde:

Leutingewolde – obsoleet melkstation:

Geheimschrift der natuur in omgevallen boom:

Die boom ligt aan de Toutenburgsingel onder Nietap en is geheel hol:

Baggelveld, Ter Heyl:

Schuur op de Pasop:

Zingende spreeuw op schoorsteen tegenover Tante Til in Enumatil:

In het Zijlhuis van “Oostwoldemer polderzijl”
Geplaatst op: 28 maart 2018 Hoort bij: Geschiedenis 2 reacties
De Dollard met de Oude Geut (rechtsboven), de Oostwolderpolder met zijn zijl en Zijlhuis (midden) en Midwolda, Oostwold, Finsterwolde en Beerta (onder) op de Neue Geographische Special Charte, die de Hollandse kapitein W. Camp tussen 1798 en 1802 maakte van Oost-Friesland en omgeving.
Tegenwoordig kent iedereen het Zielhoes van Noordpolderzijl, maar de Oostwolderpolder heeft vanaf 1772 ook zoiets gehad bij zijn zijl of uitwateringssluis. Maakt u kennis met de eerste bewoners van het Zijlhuis hier: Johannes Brunius en de zijnen.
Voor Wipko Hindriks was vrijdag de dertiende echt een ongeluksdag, Op die dag trof haar een “harde slag”, zo maakte ze in 1805 via de Ommelander Courant bekend:
“Myn geliefde Man JOHANNES A. BRUNIUS, als Sylwaarder van Oostwolmer-Polder, is na een langdurige sukkeling, in den ouderdom van ruim 64 Jaren door den Dood van myne zyde weggerukt…”
Bijna zestien jaar hadden ze samengeleefd “in een gelukkige Echt” –
“Nu laat hy my met zeven Kinderen, maar wetende dat wy hem eenmaal moeten volgen. — Hy heeft zyn Ampt en Post byna 39 Jaren met groot genoegen, dog niet zonder moeite bediend, hopende dat zyn Werk nu is God te loven.”
Wipko, die meestal Wupke werd genoemd, was des te meer bedroefd, omdat ze haar ziekelijke man niet eens had durven vertellen hoe zijn oudste zoon, de schipper Abraham Brunius (33), op 14 augustus bij Noorwegen voor de ogen van zijn vrouw
“door een stootwind (…) in de Baren der Zee is gevallen en niet weer gezien is, en daarom zyn Lichaam aan het Gedierte der Wateren moeste overlaten; maar hopende dat zyn Ziel in de Haven des Hemels is aangeland; vertrouwende, dat God ons beide bedroefde Weduwen meer kan vertroosten, dan wy van Hem kunnen afsmeken.” (1)
Naast vroom, was Wupkes rouwadvertentie vrij lang. Meestal werden zulke kennisgevingen ook door beter gesitueerden geplaatst. Je zou daarom bijna gaan denken dat de weduwe Brunius in goede doen was. Maar was dat wel zo?
Brunius’ afkomst
Bij zijn dood was Johannes Brunius dus ruim 64 jaar oud, zodat hij in 1741 zal zijn geboren. Dat was waarschijnlijk in Nieuw-Beerta, waar zijn vader Abraham Brunius fungeerde als zijlwaarder van de pas ingedijkte Stadspolder. Abraham woonde eerder jarenlang in de Stad en trouwde daar ook in 1733, maar kwam oorspronkelijk van Wybelsum bij Emden. Zijn vader Johannes Brunius, een bevindelijk man, was daar hervormd predikant geweest. (2)
Abraham Brunius beurde zijn eerste traktement als zijlwaarder van de Stadspolder nog van de Stad. Vanaf 1743 moesten de polderboeren dat salaris betalen, terwijl Abraham bovendien een stuk dijk en uiterdijksland (kwelder) van de Stad kon pachten. Toen het stadsbestuur deze grond in 1757 aan iemand anders ging verhuren, raakte Abrahams huishouden “in een seer deplorabele toestand”. Hij had geen voer meer voor zijn beesten en was te arm om hooi te kopen. Uit mededogen gaf het stadsbestuur hem voortaan 15 gulden per jaar, maar met de 60 gulden die hij jaarlijks van de boeren ontving, vormde dit absoluut geen vetpot. Wellicht had Abraham nog andere inkomsten, bijvoorbeeld uit een kroegje in zijn zijlwaarderswoning. (3)
De zijlwaardersinstructie van 1772
In elk geval wist Abrahams zoon Johannes van huis uit wat hem te doen stond, toen de grondeigenaars van de Oostwolderpolder hem op 18 maart 1772 benoemden tot zijlwaarder van de gloednieuwe “Oostwoldemer polderzijl”. Die dag tekende hij hun instructie, die tekst en uitleg gaf over zijn taken en inkomsten. (4)
Volgens dit reglement moest Johannes “op alles wat tot de zijl behoort goede agt nemen, dat daaraan niets beschadigt of verlustigt wordt”. Mocht er toch iets zoekraken, dan diende hij dat “aanstonds” te melden bij de dijkrichters die namens de eigenaars en beklemde meiers het polderbestuur vormden.
Dag en nacht moest Johannes voor de opkomende vloed de vloeddeuren aan de zeekant van de zijl dichtzetten en bij eb de ebdeuren aan de landkant van de zijl openen, zodat “de landen door het water niet worden benadeelt”. Het spuien bij eb mocht echter alleen als er een overmaat aan binnenwater was – de watergang die binnendijks naar de zijl voerde, moest dus bevaarbaar blijven.
De zijlwaarder mocht niet toestaan dat er schepen aanlegden aan de binnen- en de buitenvleugels van de zijl. Ze moesten dus afstand houden tot het metselwerk. Ook mochten ze verderop niet aanschurken tegen de houten beschoeiingen, of zo gaan liggen dat er water opgestuwd werd.
Verder moest de zijlwaarder ervoor waken dat er iets in de zijl gegooid werd en dat drijvend vuil zich vastzette. Bij “ijsdrift” diende hij te voorkomen dat de zijl verstopt raakte, door met bijlen de zware ijsschotsen te breken. Bij “storm en hoge vloeden” was het zijn taak goed op te letten of er ook schade ontstond aan zijl of polderdijk, en om die met hulp van anderen zo veel mogelijk “af te weeren”.
Vanwege eventuele verzakkingen was het opstapelen van zware materialen als baksteen en hout binnen 2 roeden (ruim 8 meter) van de zijl en dijk verboden. Aan de zijlwaarder om dit verbod te handhaven. Als passerende schepen of houtvlotten enige schade aanrichtten, moest de zijlwaarder dat meteen rapporteren bij de zijlrichters en dan ook de namen van de schuldigen noemen.
“Om het canaal of Oude Geut na buiten open te houden”, lagen er weerskanten van de zijl “spueitpompen” (spuikokers) in de dijk met schotten aan de buitenkant. De zijlwaarder moest deze kleppen tijdig openzetten tegen dichtslibbing en dan zoveel water doorlaten “als tot spoelinge nodig is”. Hij diende hiervan echter af te zien als het buitenkanaal diep genoeg was, want anders zouden de buitendijkse spuisloten met waterplanten kunnen dichtgroeien. Als buitendijks kwelderland vanuit zee overstroomde, diende hij de spuikokers zodra het eb was te openen tegen de vorming van “rijtten” (slenken) door het afgaand getij.
Vooral in de droge “slijkmaanden” met een tekort aan binnenwater hoopte zich veel slib op in het buitenkanaal. Zijlwaarder Brunius moest dat dan op diepte houden, door de zijldeuren en spuikokers bij lage eb open te zetten en door tegelijkertijd de kanaalbodem te “ploegen”. De hiertoe gewenste waterstanden waren gerelateerd aan de slagbalken onder de eb- en de vloeddeuren. Het buitenkanaal was bijvoorbeeld pas op diepte, als er bij eb drie voet (bijna een meter) water boven de buitenslagbalk stond. De zijlwaarder moest zorgvuldig omgaan met de scheepjes, de ploeg en het andere gereedschap dat bij de zijl hoorde en mocht dit materieel niet voor andere doeleinden gebruiken.

Reconstructie, door de auteur op basis van HisGs, van het Zijlhuis en zijn nabije omgeving in de periode dat Brunius hier zijlwaarder was.
Naast 200 gulden traktement, kreeg hij de beschikking over een vrije woning – in de stukken doorgaans het Zijlhuis genoemd. Johannes Brunius had het materieel zo veel beter voor elkaar dan zijn vader op de Stadspolder. Wel gebood het reglement hem “ordentelijk” om te gaan met de woning. Afgezien van moedwillig gebroken glazen, betaalden de zijlrichters echter alle reparaties. Het reglement gaf Brunius bovendien de vrijheid om in het Zijlhuis “herberge te houden”. Tot slot stipuleerde het nog uitdrukkelijk, dat hij de zijlrichters moest gehoorzamen, zo niet dan dreigde correctie en eventueel schorsing.
De zijlrichters
Er kwam dus meer bij het zijlwaarderschap kijken dan je zou vermoeden. Op dezelfde dag dat de poldereigenaren deze instructie vaststelden en door Brunius lieten tekenen, namen ze een bestuursreglement voor de zijlrichters aan. (5) Ook hieruit zijn enkele artikelen van belang voor de zijlwaardersfunctie. Zo hielden de zijlrichters jaarlijks op de tweede woensdag van april hun rekendag voor de ingelanden in het Zijlhuis. Meteen daarna kwamen ze daar bovendien bijeen om alle noodzakelijke reparaties aan zijl, dijken, scheepjes, ploeg en Zijlhuis te regelen.
Zoals hierboven al bleek, waren de zijlrichters de superieuren van de zijlwaarder. Gehoorzaamde hij ze niet of ging hij zijn boekje te buiten, dan konden ze hem voorlopig vervangen. Binnen veertien dagen moesten de ingelanden dan definitief besluiten over ontslag.
De zijlrichters kregen een bescheiden vergoeding voor hun werk, maar daar stond tegenover dat ze geen reiskosten en verteringen mochten declareren. Net als de ingelanden moesten ze de consumpties in het Zijlhuis dus zelf betalen. Uiteraard vormden de bijeenkomsten van zijlrichters en ingelanden een aardige inkomstenbron voor de zijlwaarder als herbergier.
Johannes Brunius en zijn gezin
In mei 1772 trokken de pasgetrouwde Johannes Brunius en zijn eerste vrouw Elisabeth in het pas gebouwde Zijlhuis vlakbij de zijl en de Oude Geut. De poldereigenaren hadden even voor de indijking van 1769 voor deze uitwateringslokatie gekozen, omdat een kanaal naar de Fiemel ze te duur werd. (6) Op deze wat eenzaam lijkende plek kreeg het echtpaar Brunius zes kinderen: Abraham (1772), Willem (1773), Grietje (1776), Lukas (1778), Klaas (1780) en Helena (1785). Drie daarvan werden begraven in respectievelijk 1775 , 1781 en 1783. Helaas kennen we hun namen niet, want die zijn niet genoteerd. (7) In september 1785 overleed ook “Jan Bruinjes zijn vrouw”. (8)
Vier jaar later hertrouwde de zijlwaarder met de “Wupke Hinderks”, die hem in 1805 zou overleven.(9) Zij kregen er nog zes kinderen bij: Hindrik (1790), Anje (1792), Meindert (1795), Grietje (1797), Fybe (1800) en Willemina (1803). Van dit zestal werden er twee begraven in 1795 en 1796, weer zonder naam. In 1803 overleed bovendien de voorzoon Willem en in 1805 bleef oudste zoon Abraham op zee. Van de 12 kinderen uit Brunius’ beide huwelijken leefden er toen dus nog maar 5. Toch maakt Wupkes rouwadvertentie gewag van 7 kinderen. Waarschijnlijk had ook zij dan nog voorkinderen uit een eerder huwelijk. In elk geval bleef verdriet het echtpaar Brunius niet bespaard in hun kinderrijke zijlwaardershuis.
In het diaconieboek van Oostwold staan af en toe de geldsommetjes die individuele doopvaders bij de doopdiensten in het doopbekken deponeerden. Schonk Johannes Brunius in 1785 bij de doop van Helena een “sestehalf” of onbeknibbelde schelling (5,5 stuiver) aan de armen van Oostwold, dat deed hij ook bij de doop van Meindert (1795) en Grietje (1797). Bij Anje legde Brunius een volle schelling (6 stuivers) in de schaal. Een sestehalf of een schelling was destijds in het Oldambt typisch de doopgift van een kleine middenstander. (10) Kennelijk vond Brunius zich tot die stand behoren.
De boedelinventaris van 1789
Hierop sluit de boedelinventaris aan, die in 1789 werd opgemaakt, even voordat Brunius hertrouwde. (11) Deze telt slechts drie pagina’s en noemt geen vastgoed – Brunius’ gezin bewoonde immers gratis het Zijlhuis. Aan levende have bevat de lijst 2 koeien, 3 kalveren, 3 schapen, een ram en 2 zwijnen, maar geen paard, laat staan een rijtuig. Brunius liep dus alles af. Het Zijlhuisinterieur was weinig opvallend, op de twee geweren, de piek en de sabel na. Waarschijnlijk moesten deze wapens zorgen voor een veiligheidsgevoel op de wat eenzame plek. De 6 kroespullen en de 2 jenevermaten zullen in de herberg zijn gebruikt. Verder beschikte het gezin over enig landbouwgerei en 3 kerkboeken. Ruim de helft van de schuld was aan de brouwer (zo’n 160 gulden) en de jeneverstoker (87 gulden). De lasten overtroffen de baten met 50 gulden. Echt indrukwekkend is de inventaris niet bepaald, Brunius’ boedel doet armoedig aan.
In de zijlrichtersrekeningen
Kon de zijlwaarder zijn talrijk gezin goed onderhouden? Het lijkt erop van wel. Naast de 200 gulden traktement en de vrije woning, betaalde het polderbestuur ook het heerdstedengeld (een belasting) en tuinhuur voor Brunius. Dat scheelde hem toch zeker een tientje in het jaar. Verder bevatten de zijlrichtersrekeningen vrijwel jaarlijks kleine uitgaven aan Brunius. (12) Meestal staat er niet bij waarvoor het was, maar in 1790 betrof het kostgeld voor de timmerlui die de zijldeuren

Uitgaven van het polderbestuur voor en aan zijlwaarder Brunius in de jaarrekening over 1790. Archief Oostwolderpolder, inv.nr. 19.
maakten, naast het uitgraven en weer bedekken van een duiker, het “dijkpeilen” en anderhalve kroes jenever, terwijl het in 1794 en 1795 ging om geld dat Brunius voorschoot voor de “zijlboll” (= het bolschip), en verdiende met het “brouwen” (breeuwen) van dezelfde “bolle“. Hoewel de polderbestuurders geen reiskosten en verteringen mochten declareren, deden ze dat na verloop van tijd toch – daarom is niet uit te sluiten dat er consumpties schuilgaan achter ongespecificeerde uitgaven.
Bussen, schapen, vogels
Als tapper had Brunius een diaconiebus in zijn zijlwaardershuis hangen. Doorgaans noteerden de diakenen alleen een totaal-opbrengst van hun buslichtingsdag bij de kerspelhoreca, maar in 1774, 1780 en 1789 splitsten ze uit wat op elk van de drie lokaties tevoorschijn kwam. (13) In 1774 en 1780 leverde de diaconiebus in het Zijlhuis de in grootte tweede opbrengst op en in 1789 bleek het de grootste opbrengst. Niet slecht voor een herberg ver buiten het dorp. Midden op het traject Oostwold- Oostwolderhamrik zal menige passant zich hebben gelaafd en een duit in de armbus hebben gemikt.
Maar dat er nou veel te beleven viel, nee. Zo waren er geen vastgoedveilingen in het Zijlhuis. Soms liep er een schaap of lam in andermans land. Dat ging dan naar een schutstal en werd eventueel verkocht in het Zijlhuis. In 1779 graasde andermans vee of paard wederrechtelijk in land dat Brunius pachtte. Het schutgeld, een dukaton (ruim 3 gulden), schonk hij aan de diaconie. (14) In 1791 vond er in het Zijlhuis bovendien een verloting van een melkvaars plaats, terwijl Brunius van 1802 tot 1804 papegaaischieterijen organiseerde, waarbij de deelnemers een blikken vogel in onderdelen van een hoge paal moesten afschieten. Omdat Brunius hiervoor in kranten adverteerde, kan daar flink wat volk op afgekomen zijn. (15)
Na Brunius’ dood
Op vrijdag de dertiende september 1805 overleed de zijlwaarder dus na een “langdurige sukkeling”. Het diaconale bekken bij zijn begrafenis bracht bijna 8 gulden op, voor een kleine middenstander een bijzonder hoog bedrag. (16) Dat kan gekomen zijn doordat polderboeren de begrafenis bijwoonden, en/of door een vrij grote belangstelling in het algemeen. Hoe het ook zij, die polderboeren besloten in april 1806 dat de weduwe Brunius voorlopig nog mocht aanblijven als “zijlwaarderze”. Pas als er zes landgebruikers bij de zijlrichters zouden klagen dat ze haar werk niet goed deed, mochten de zijlrichters haar voordragen voor een ontslag “zonder daar verder reeden van te geeven”. De weduwe Brunius wist hiervan, want ze tekende er zelf voor. (17)
De zijlrichtersrekening van 1806 noemt nog haar volle traktement, naast een losse uitgave. In die van 1807 staat echter slechts een half jaar traktement, uitbetaald in mei. Die maand kreeg of nam ze ontslag. Als ze het kreeg, was de reden mogelijk dat ze het ploegen van het buitenkanaal overliet aan een “jongen”, die zijn werk slecht deed, zodat de Oude Geut buitendijks langzamerhand verslijkte. (18) In elk geval heeft ze niet mee hoeven maken, hoe in de nacht van 30 september op 1 oktober 1807 een vliegende noordwesterstorm met een bijkomende watervloed de zijldeuren finaal uit hun scharnieren deed springen. (19)
Enkele weken later stelden de landgebruikers van Oostwolderpolder haar opvolger Jan Freerks aan op de oude instructie van 1772 met één aanvulling: als de nood dat eiste, moest hij op eigen kosten een man aanstellen voor het ploegen van de “Oude Geute naar buiten”. Freerks bleef niet zo lang zijlwaarder, al in 1811 benoemden de landgebruikers zijn opvolger. (20)
Dit verhaal verscheen eerder deze maand in de Duvekoater, het blad historische van de historische vereniging Scheemda-Midwolda.
NOTEN:
- Ommelander Courant 17 september 1805.
- Gerrit Kuijk, fragment-genealogie Brunius: http://gwkuijk1.home.xs4all.nl/1680.htm (laatst gezien op 14.1.2018); James Robert Tanis, Dutch Calvinistic Pietism in the Middle Colonies (diss. Utrecht 1967) 33.
- RHC Groninger Archieven (GrA), op microfiche: resoluties van Burgemeesteren en Raad van Groningen d.d. 30.11.1743 en 14.11.1759 en rekesten aan dit stadsbestuur d.d. 26.4.1759 en 1.2.1773.
- Archiefbewaarplaats waterschap Hunze & Aa’s, Aquapark Veendam, archief Oostwolderpolder (OWP) inv.nr. 1 (bestuurshandelingen) tamelijk voorin het ongepagineerde deel. GrA, Toegang 535 (archief familie Hora Siccama) inv.nr 41.
- R. Muntinga, Geschiedenis van het waterschap Oostwolderpolder (z.p., z.j., gestencilde brochure van ca. 1970) 3-6; GrA, Toegang 535 (Hora Siccama) inv.nr 40; OWP inv.nr. 1 (helemaal voorin).
- Muntinga, Geschiedenis, 1-3.
- GrA Toegang 283 (archief hervormde gemeente Oostwold) inv.nr.1: Diaconierekenboek, ontvangsten uit het bekken bij begrafenissen.
- Diaconieboek Oostwold, ontvangst uit het begraafbekken op 30.9.1785.
- Idem, ontvangst uit het trouwbekken op 23.12.1789.
- Zo leert de ervaring met diaconierekeningen van Beerta, Finsterwolde, Oostwold en Nieuwolda. Ik wil nog een artikel over deze materie schrijven.
- GrA Toegang 731 (Oldambtster gerechten) inv.nr. 4873.
- OWP inv.nr. 19: rekeningen vanaf 1772.
- Diaconieboek Oostwold ontvangsten op 8.1.1774, 13.7.1780 en 11.11.1789.
- Idem ontvangsten op 21.10.1776, 27.4.1779 en 24.6.1800.
- Voor de verloting zie mijn artikel ‘Oldambtster verlotingen’ in Stad & Lande 2017 nr. 2, 18-21. Wat betreft de papegaaischieterijen: GrA Toegang 731 (Oldambtster gerechten) inv.nrs. 6141 en 6142: rekesten d.d. 29 juni 1802 en 24 mei 1803; bekendmakingen in de Groninger Courant van 6.7.1802, 27.5.1803 en 15.5 en 18.5.1804, en de Ommelander Courant van 9.7.1802.
- Diaconieboek Oostwold, ontvangst op 20.9.1805.
- OWP inv.nr. 1, chronologische besluitenlijst 9 april 1806.
- Muntinga, 12
- OWP, inv.nr. 19, rekening zijlrichters over 1807, aanhef. Over die storm: Ommelander Courant 6.10, Vriesche Courant 3.10 + 6.10, Leeuwarder Courant 7.10 en Groninger Courant 9.10,1807. Er vergingen meerdere schepen.
- Archief Oostwolderpolder inv.nr. 1, de bestuursbesluiten achter de instructie d.d. 17.10.1807.
Watermolen Hoendiep
Geplaatst op: 26 maart 2018 Hoort bij: Westerkwartier 12 reactiesDe watermolenromp aan het Hoendiep tussen De Poffert en Oostwold – die onderdoorgang is me niet eerder zo opgevallen:

Het Verboden Toegangbordje op de deur is door de roest totaal onleesbaar geworden, maar het beugeltje van het hangslot op de deurpost glimt. Zou wel een foto willen hebben van dat geïmproviseerde sluitwerk, en ook wel eens binnen willen kijken, maar of de bodem daar stevig genoeg is?
Nieuwklap in het kwadraat
Geplaatst op: 25 maart 2018 Hoort bij: Westerkwartier 2 reactiesNogal grijs, vanmiddag. Dat viel een beetje tegen.
Bij Nieuwklap is er een nieuwe brug over het Aduarderdiep bijgekomen, hier vooraan in beeld:

Vlakbij ligt er ook al een nieuwe brug over de Lindt, het kanaaltje naar Aduard. Deze brug is bedoeld voor de rondweg rond dat dorp, die hier parallel aan de weg langs het Aduarderdiep loopt:

Vanaf die nieuwe brug over de Lindt heb je dit zicht op de oude:

Er moet nog heel wat gebeuren daar:

Achterstewold
Geplaatst op: 24 maart 2018 Hoort bij: Dieren, Drenthe 6 reactiesTwee Belgische (?) paarden kwamen de hoek om stuiven; een woerd maakte dat hij wegkwam:

Finish. Hierna deden ze of er niets gebeurd was:

Kop van een edel dier dat geen kop maar een hoofd heeft:

De ander hield meer afstand en ging hooi happen:

Een schoolmeester-filosoof die dagelijks de schelvisvangst voor ogen had
Geplaatst op: 23 maart 2018 Hoort bij: Geschiedenis, Kunsten 4 reacties
Schelvis, anoniem, 1560-1585. Collectie Rijksmuseum.
Schoolmeester Johannes à Brederode, die van 1646 tot 1662 in Beerta woonde en werkte, had enkele merkwaardige schilderijen aan de muur hangen, zoals blijkt uit een nooit geperfecteerde verkoopakte (1650):
“…een groot schilderije zijnde een schelvisvanck, een schilderije zijnde een schelvis, noch twee schilderijen zijnde twee troonjen…”
Aan de portretten kunnen we voorbijgaan, het gaat me om de schelvis en de schelvisvangst. Het lijkt erop dat de verzegelaar (de predikant van Beerta) meer van dergelijke schilderijen kende en daarmee doelde op een populair soort voorstellingen, net zoals bijvoorbeeld de vier jaargetijden dat waren. Voor schelvissen op zich mag het inderdaad zo zijn dat die wel meer werden uitgebeeld – het Rijksmuseum bezit een stuk of wat afbeeldingen uit de zeventiende eeuw, vooral stillevens, dus vast duidend op de vergankelijkheid – maar voor de schelvisvangst is dat absoluut niet zo, want daarvan heeft het Rijksmuseum slechts één enkele prent:

Schelvisvangst, prent door Caspar Luyken, 1711. Collectie Rijksmuseum.
Bovendien is de schelvis niet een vis die veel in de ondiepe Dollard werd gevangen – de Dollardvisserij hield zich meer bezig met grut als bot en garnaal. Schelvis was meer iets voor vissers uit Maassluis die zich met hun grotere schuiten iets verder van de kust af durfden wagen. Schelvis en schelvisvangst vormden daarmee voor de Oldambtster omgeving tamelijk exotische voorstellingen die appelleerden aan de persoonlijke smaak van meester Van Brederode zelf.
Volgens enige internet-genealogieën was Johannes à Brederode in 1608 geboren in Dokkum. Waarschijnlijk kwam hij uit een redelijk welgestelde familie, want begin 1635 schreef hij zich in als student filosofie aan de Groninger academie. Twee jaar later liet hij zich aannemen als gereformeerd lidmaat, een standaard-voorwaarde om ergens als schoolmeester of predikant benoemd te kunnen worden. Mogelijk was hij, voordat hij naar Beerta kwam, nog schoolmeester in een andere plaats geweest.
Beerta had in de “Gouden Eeuw” dus een filosoof als schoolmeester die dagelijks een schelvis en een schelvisvangst voor ogen had. Je vraagt je af of hij daar in filosofische zin iets mee deed. Maar het kan natuurlijk ook zijn dat hij die schilderijen erfde. In dat geval zou zijn afkomst misschien licht kunnen werpen op zijn bezit van deze exotische konterfeitsels.
Eenarmige octopus
Geplaatst op: 22 maart 2018 Hoort bij: Hoogkerk Een reactie plaatsenIemand heeft een stofzuiger in de plomp gegooid. Het is net of een eenarmige octopus (altijd zielig, maar pas op) onze wereld verkent.
Gisterochtend lag hij er zo bij:

Vandaag zo – ik heb zo’n idee dat hij dood is, dat water is ook veel te ondiep voor hem:

Barok in Groningen
Geplaatst op: 21 maart 2018 Hoort bij: Muziek, Stad toen 2 reactiesIk lees hier dat het Groninger Collegium Musicum, een orkest van heren liefhebbers, eind zeventiende eeuw een aardige muziekbibliotheek had, doordat veel leden hun eigen muziekboeken aan het orkest schonken. Deze boeken kwamen grofweg uit de periode 1630-1690. Onder andere omvatte ze werken van:
Lully (Phaëton):
Uccellini:
Vivaldi:
Meermalen Lully zelfs, naar ik hoop ook deze fantastische Mars voor een Turkse ceremonie:
Ik koos bij dit aanschouwelijk maken met opzet voor live-opnamen, omdat die wat meer rammelen. Bovendien valt er ook echt wat te zien. Wellicht rammelde het bij de Groninger heren dilettanten nog wat meer, maar dat zal weinig aan hun genoegen hebben afgedaan.
Overigens beperkt zo’n exercitie zich natuurlijk wel tot componisten uit de klassieke canon. Van een heleboel andere op de lijst – de meeste – wordt nooit meer wat uitgevoerd. Die zijn totaal vergeten.
Spriknust, Vreet Op, Leegschuddel, Volhaand
Geplaatst op: 19 maart 2018 Hoort bij: Geschiedenis, Ommelanden 6 reacties
Heel bevredigend, zoiets. Op het zeer fraaie kaartje dat Theodorus Beckeringh in 1759 tekende van het kerspel Zeerijp, staan zowaar allerlei boerderijnamen, waaronder de Lege Schottel en de Volle Handt.
Lang geleden, in het pre-internettijdperk hield ik me eens bezig met de kasteleinsfamilie Volhandt, uitbaters van herberg het Oldambtster Wapen aan het Winschoterdiep bij Groningen. Naar een doorgewinterd genealoog me verzekerde, kwam die familie uit de buurt van Loppersum, om precies te zijn van de heerd die de Volle Hand heette.
“Deze boerderij vormde een stel met de Lege Schuddel en er zit een verhaal bij over een bedelaar: bij de Lege Schuddel ontving die niets, terwijl hij bij Volle Hand zijn handen volgestopt kreeg.”
Nu ik echter even digitaal ga zoeken, blijkt het verhaal uitgebreider. Ten eerste zat er volgens Van der Aa (1846) tussen de Lege Schotel en de Volle Hand nog een boerderij: de Vretop (of, met aangepaste spelling: de Vreet-Op). Via het Groninger Woordenboek van Ter Laan, kom ik vervolgens terecht bij de ‘Schooiersraais‘, een volksverhaal dat mevrouw Huizenga-Onnekes in de jaren 20 noteerde en dat ook te vinden is in een bundel van Ter Laan. Voor wie het Gronings achter de links niet kan lezen – dat verhaal gaat ongeveer zo:
In de ouwe tijd kwamen er drie bedelaars vanaf Loppersum lopen. Ze bereikten eerst een boerderijtje dat niet veel voorstelde, want de pannelatten staken takkerig uit het dak: “zoo’n spriknust” was het. Daar wilden de bedelaars hun hand niet bij ophouden, die mensen waren veel te arm. Dus liepen ze dat huis voorbij. Bij de tweede boerderij gingen ze wel aan, maar daar kregen ze niets, omdat de mensen daar alles al hadden opgegeten: “de schuddel was leeg”. Ook bij de derde plaats was alles al op. Pas bij de vierde boerderij konden ze aanschuiven en zich zat eten, want de schotel was er nog vol en de mensen gaven er met volle hand. Het gevolg:
“Van dij tied òf hebben dij vaaier ploatsen heur noam droagen, dij ze ja nou ook nòg hebben: ’t Spriknust, Leegschuddel, Vreet op, Volhaand.”
Als de bedelaars van Loppersum kwamen, dan was de dichtstbijzijnde boerderij inderdaad ’t Sprikkenust, bovenaan het kaartfragment. Tussen die armetierige boerderij en de Lege Schottel, heeft Beckeringh een boerderij niet benoemd, terwijl er volgens hem tussen de Lege Schottel en de Volle Handt geen boerderij stond. Zou het niet zo zijn dat die onbenoemde boerderij de Vreet Op heette? En dat daarmee de volgorde een ietwat andere was?
Hoe dan ook lijkt het vreemd dat namen die bedelaars aan boerderijen gaven, overgenomen werden door andere mensen en daarmee minstens anderhalve eeuw lang konden beklijven. Maar in de volksmond waren het natuurlijk spotnamen, geen officiële. Volgens de Bijdragen tot de kennis van de gemeente Loppersum (Uithuizen 1960) van Muntinga en Brongers heette de Leege Schuttel eigenlijk de ‘Jonge Sikkensheerd’, terwijl de Volle Hand oorspronkelijk getooid was met de naam ‘Godekensheerd’. De laatste was provinciaal bezit – misschien dat daar de toegedichte vrijgevigheid vandaan kwam?
Overigens zagen deze boerderijen er niet bepaald jofel uit, de laatste keer dat ik ze passeerde. Ik meen dat er al een paar zijn gesloopt. Dit is hartje aardbevingsgebied.
De klanten van mijn vader
Geplaatst op: 18 maart 2018 Hoort bij: autobio, Familie 2 reactiesHet gebied waar mijn vader met zijn boekhoud- en administratiekantoor in de jaren zestig klandizie had:

Er wat dichter op inzoomend:

Nu het allemaal in kaart gebracht is, zie ik dat er naar het noorden en westen meer rek in zat, dan naar het oosten en zuiden. In de Stellingwerven, over de grens met Friesland, had hij verspreid nog wel wat klanten zitten, maar hij kwam nauwelijks over de provinciegrens met Overijssel. Wanneperveen was daar de uitzondering. Waarschijnlijk was de concurrentie uit Steenwijk en Meppel in Noordoost-Overijssel te groot. In het oosten vormde de lijn Ommen-Hoogeveen-Assen de uiterste limiet. De dorpen met de meeste klanten waren in mijn herinnering Wapserveen, Uffelte, Ruinerwold, de Veendijk en Nijeveen.
Nog in de jaren 60 ging hij overal heen op zijn brommer, een Zündapp. Hij zei dan ’s morgens altijd waar hij naar toe ging. De meeste klanten waren destijds nog boeren, vaak met een 5 tot 15 koeien. Soms kwamen die hem schoenendozen vol ongesorteerde rekeningen brengen. Bij wijze van vakantiewerk heb ik die wel eens een week of wat op volgorde gelegd en ingeboekt, maar al te lang hield ik dat niet vol. Het was “klotewerk”, vond ik.
Jacob van Lennep over de Groninger boer
Geplaatst op: 18 maart 2018 Hoort bij: Geschiedenis 7 reacties“Op het land vooral heeft men gelegenheid de aanmerkelijke verandering in zeden en geaardheid te beschouwen. Bij de plotselinge vermeerdering van zijn’ rijkdom, heeft de landman vergeten dat hem (…) de weelde van den stedeling niet voegde: dat niet alle jaren hem even voordeelig zijn konden, en dat niets onbestendiger was dan zijne bezittingen. Hij liet groote schuren en wooningen bouwen, bracht er alle meubelen in welke hij de uitgezochtste verfijning verkiest, liet al wat hij gebruikte, lepels, vorken, kannen en kommen van goud maken, vergat dat hij ook eenmaal knecht geweest was en at niet langer met zijne dienstboden; zond zijne kinderen op een Fransche kostschool, werd hoovaardig en trotsch ook jegens de eersten van het land, verzuimde zijn werk, en ziet nu, bij de daling der granen, te laat zijne dwaasheid in.”
Bron: De bekende reisbeschrijving uit 1823.
Commentaar: De auteur was een jonge Bilderdijkiaan en zette als zodanig het verval der zeden door het heersen van de weelde sterk aan, met bijbelse ondertonen. In 1823 was er een enorme agrarische crisis aan de gang. Menige boer die vlak voor die crisis met geleend geld zijn dure boerderij had gekocht of uitgebreid, kon door de ingezakte graanprijzen niet langer aan zijn financiële verplichtingen voldoen. Opvallend is dat Van Lennep hier al het gescheiden eten van boerengezin en dienstboden noemt, waar Hofstee dit enkele decennia later in de tijd plaatste. Mogelijk had Van Lennep vooral de toplaag van de landbouwers op het oog.
Een wandeling rond het Forum
Geplaatst op: 15 maart 2018 Hoort bij: Stad nu 7 reactiesIn de Groninger Gezinsbode stond vorige maand een berichtje dat je mee kon doen aan een gratis bouwplaatswandeling rond het Forum. Er kwamen vanmiddag vijf oudere mannen op af. Menigeen bleek teleurgesteld dat de wandeling zich strikt tot de begane grond beperkte, omdat we nog niet in het gebouw mochten komen. Ook ik had graag genoten van een prachtig uitzicht over de stad.
De bouwput op de hoek van de Poelestraat en de Grote Markt, op de plek van voorheen Springs. De nieuwbouw hier krijgt het als het belendende hotel een dakterras, maar dan zijn we een heel eind verder in de tijd:

De blik omhoog in een steeg achter het Concerthuis:

De frisse oostenwind maakte deze steeg tot het Koude Gat nr. 3:

Blik op de Nieuwmarkt, de ruimte voor het Forum richting Grote Markt. Achter dat grote witte vlak links zit Vindicat – de kans is groot dat je hier straks nogal wat corpsballen tegenkomt. Het witte gebouw rechts is het Feithhuis, waarvan het wat hoger gelegen achterterras straks pal in de middagzon ligt:

Het Forum vanaf de noordkant, achter de gevels van de Sint Jansstraat:

De rondleidster had het meermalen over “het nieuwe cultuurcentrum”, wat mij een beetje ging jeuken. “We hebben hier toch al een cultuurcentrum?”, dacht ik.

In het infocentrum op de Grote Markt de maquette van het Forum in zijn omgeving – gezien vanuit het zuidoosten:

En de maquette van het gebouw met zijn vloeren:

Volgend jaar zomer zou het klaar moeten zijn.
Veiligheid op 1
Geplaatst op: 15 maart 2018 Hoort bij: De actuele wereld 5 reacties
Nog even en zo’n beveiligingsfirma gaat zich Securitate noemen.
In dit geval moet het uitleidende one trouwens op zijn Engels uitgesproken worden, naar blijkt op hun website.

Recente reacties