Bezorgersdilemma
Geplaatst op: 12 maart 2018 Hoort bij: De actuele wereld 8 reacties
En daar sta je dan als koerier of postbode met je pakje in je handen. Het paste net niet in de provisorische brievenbus. Je moet nog tig andere pakjes bezorgen ook, je ligt al wat achter op je schema. Maar dan zie je dat bordje van de bewoners. Ze vragen je of je een paar maal zou willen claxonneren. Of om ze even te bellen. Zodat ze niet wéér een pakje missen.
Wat ga je doen?
Lutje hoeske an de diek
Geplaatst op: 11 maart 2018 Hoort bij: Ommelanden 7 reactiesEen poos geleden hoorde ik in het buurtje dat het huisje zijn langste tijd zou hebben gehad. Ik verwachtte dan ook min of meer dat het gesloopt zou zijn. Dat bleek niet het geval – het staat er nog, het hele ensemble:

Met de langzaam inzakkende, asbestbedekte schuren:

Met de boomgaard opzij van het huisje zelf:

Aan de voet van de Hoornsedijk:

Het vooraanzicht heeft het wel vaker op dit weblog gestaan. De plastic geraniums voor de ramen vormen een onheilspellend omen:

De scheefgezakte schuur:

Aan de achterkant:

Weer bij de dijk – de snel gegraven goot duidt erop dat de afwatering hier ook niet helemaal voldeed:

Wel prima tuingrond trouwens.
Muizencolonnes
Geplaatst op: 10 maart 2018 Hoort bij: autobio, Dieren 7 reacties
Ik zag deze op Twitter:
Heb zoiets een keer meegemaakt. Er was brand in bakkerij Tuin op de hoek van de Egginklaan en de Dorpsstraat in Havelte. Uit de rokende schuur erachter kwamen hele kolonnes muizen tevoorschijn, soms waren ze meterslang. Het moeten al met al honderden muizen geweest zijn. Ze zochten een goed heenkomen dwars over het kruispunt naar het Piet Soerplein. Kleine kinderen stonden er stomverbaasd en met deernis naar te kijken en ik, iets oudere blaag, startend puber, reed meermalen met mijn fiets dwars over die muizen heen. Dit tot ontzetting van die kinderen, o.a. mijn zeven jaar jongere broer die nog met breed uitgespreide handen een vergeefse poging deed om me tegen te houden. “Het is toch maar ongedierte”, riep ik, grijnzend.
Ik heb me naderhand behoorlijk voor deze stoerdoenerij geschaamd.
Rondje Eelde
Geplaatst op: 10 maart 2018 Hoort bij: Drenthe 6 reactiesErgens in Eelde zag ik een thermometer op 17 graden staan. Wilde dat haast niet geloven. Maar kreeg het best warm in mijn winterjas. Ook hoorde ik roffelende spechten op best veel plekken. Laat in de middag terug in de stad bleek het 15 graden. Het was dus werkelijk zo warm, een week nadat het nog flink vroor.
De Onlander cascade:

Er zat best veel stroom in:

Helaas geen leeuwerik gehoord. Terhansou in de verte – je kunt zo goed zien dat het huis op wat hogere grond staat:

Wat dichterbij gehaald:

Hooglanders Natuurmonumenten houden siësta op hun proviand:

Perfectie bestaat niet onder de zon, elk luizenleven kent zijn kriebelbeestjesjeuk:

Roek op kerkhaan Eelde:

Beuk met smalle kroon en grillige basis bij Hooghullen:

Laantje achter Hooghullen:

Snoetjeknovvelende paarden bij Oosterbroek:

Veewagen bij de Hoornsedijk nadert uiterste gebruiksdatum:

Aanminnige ooievaars:

Belgen in een landje bij het meer:

Hoe minder deze wilg, hoe mooier deze wilg:

Uitvaartmuseum
Geplaatst op: 10 maart 2018 Hoort bij: De actuele wereld 5 reactiesGezien in Eelde, tussen Hooghullen en het vliegveld:

Mensen zijn als de dood voor de dood. Terwijl de dood bij het leven hoort. Zonder dood geen leven, immers. Goed initiatief dus, zo’n Uitvaartmuseum.
Bakstenen, drielingen en plavuizen – een steenkopersrekening voor een nieuwbouwhuis
Geplaatst op: 7 maart 2018 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsenIn 1621 hadden de houtzager Harmen Grotijn en vrouw uit de Butjesstraat duidelijk verhuisplannen. Ze tekenden een schuldbrief aan de steenkoper Bartolomeus Fraterman en vrouw voor 228 daalder (342 gulden) wegens bouwmateriaal, door Fraterman geleverd:
- 15.000 grote bakstenen,
- 10.000 drielingen,
- 3000 pannen,
- 1000 “blaeuwvuisers vloersteenen” (plavuizen)
Dit materiaal was bestemd voor een huis dat Grotijn en vrouw binnenkort buiten de Oude Ebbingepoort, dus in de nieuwe noordelijke stadsuitleg, wilden gaan bouwen. Ze hadden hier al een stuk bouwgrond in erfpacht verworven.
De nota van de steenkoper vormde uiteraard slechts een deel van de bouwkosten, er kwam nog een rekening van de houtkoper wegens hout en een van de ijzerkoper wegens het hang- en sluitwerk overheen en vooral niet te vergeten nog die wegens de arbeidslonen van timmerlui en metselaars. Laten we zeggen dat de totale bouwkosten minstens 500 gulden bedroegen. Dan was dit toch wel een middenstandswoning. Arbeiderswoningen deden nog niet de helft.
Ik stuitte toevallig op de nota bij het doornemen van de nieuwe toegang die Sebo Abels heeft gemaakt op stad-Groninger verzegelingen uit de zeventiende eeuw. Zoeken op de trefwoorden ‘bakstenen’, ‘drielingen’ en ‘vloer’ leverde helaas geen equivalent op.
—
De eigenlijke bron: RHC Groninger Archieven, (op microfiche) Rechterlijke Archieven III x deel 4 fol. 426 d.d. 16 maart 1621.
Wildervanck klonk beter dan Paep
Geplaatst op: 5 maart 2018 Hoort bij: Geschiedenis, Veldnamen 3 reacties
De tweede grafsteen van Wildervanck, uit de negentiende eeuw.
Tijdenlang is aangenomen dat de veenpionier Adriaan Geerts Wildervanck zijn eigen achternaam aan zijn prille veenkolonie Wildervank schonk. Met zo’n familienaam moest iemand bovendien van gegoede komaf zijn, zo dacht men en daarom werd er een mooie afstamming bij verzonnen: Wildervank zou duiden op jacht, Adriaans voorvader zou opperjachtmeester van de graaf van Bentheim zijn geweest, en de familie via een omweg langs Amsterdam in Groningen beland zijn.
Dit verhaal werd almaar mooier doorverteld, totdat Dolf Pathuis, ambtenaar op het Groninger Rijksarchief, het eens grondig aan de bronnen toetste. Een en ander bleek volledig uit de lucht te zijn gegrepen.
Om te beginnen waren Adriaan Geerts’ vader en grootvader smeden geweest. Ze bezaten een smederij in de Oude Ebbingestraat in Groningen. Adriaan Geerts’ grootvader had zich hier in 1594 vanuit Zwolle gevestigd.
Adriaen Geerts werd in tal van stukken van voor 1649 alleen met zijn patroniem Adriaan Geerts aangeduid, of, met een toenaam, als Adriaan Geerts Paep. Zelfs in het contract van 16 juni 1647 waarbij hij van het kerspel Zuidbroek een enorm uitgestrekt veengebied ten zuiden van Muntendam overnam, heet hij Adriaen Geerts Paep. Er zat geen Wildervank bij. Dat Paep was eigenlijk een spotnaam, die misschien tot geuzennaam evolueerde: Adriaan mocht graag laten merken hoe vroom hij was.
Pathuis trof de naam Wildervank niet aan in de stukken van voor 1649: niet als familienaam, noch als plaatsaanduiding. De allereerste melding van de naam was in een resolutie van GS op 14 juni dat jaar, waarna alras meerdere meldingen in rechterlijke stukken volgden. Maar in de oudste stukken is Wildervank eerder een plaatsnaam dan een persoons- of familienaam. Adriaen Geerts heet er bijvoorbeeld Adriaen Paep van Wildervanck. Cruciaal is een akte van 20 oktober 1649. De tekst spreekt van de “gemeenteveenen des carspels Suidtbroeck en Muntendam, nu de Wildervanck genaemt”. Zo’n lidwoordje ‘de’ duidt op een plaatsnaam, zo meende ook de naamkundige Wobbe de Vries.
Eerst was er de plaatsnaam. even later wisselde Adriaen Geerts zijn bijnaam Paep in voor Wildervanck. Veelzeggend is dat de opsteller van een akte uit 1650 hem naar ouder gewoonte nog Adriaen Geerts Paep noemde, terwijl de aldus aangeduide de akte ondertekende als Adriaen Wildervanck. Pathuis’ conclusie: “Wildervank is een nieuwe naam, twee jaren na den aanvang der ontginning aan een gedeelte der boven-Muntendammervenen gegeven en kort daarop als familienaam aangenomen door Adriaen Geerts Paep”.
Naderhand nam Adriaens broer, als het hem zo uitkwam, de naam Wildervanck over. Nazaten hielden deze naam ook aan. Hij klonk beter dan Paep.
Wat die naam Wildervank eigenlijk betekende, was men rond 1770 alweer vergeten. Het moest iets zijn met jacht, zo dacht men, vandaar ook dat men er die afkomst van een grafelijke opperjachtmeester bij verzon.
Pathuis dacht dat het lidwoord in de Wildervank op iets zelfstandigs wees, nam het Middelnederlands woordenboek van Verwijs ter hand en vond dat Wilderd of Wildert stond voor wilde, onontgonnen natuur (in dit geval hoogveen), terwijl Vanc of Vank het leggen van de hand op iets, of dat usurperen, in bezit nemen, betekende. De combinatie Wildervank duidde dus op het in bezit genomen zijn van de woeste heide hier. Op de oorspronkelijke, allang verdwenen grafsteen (uit 1662?) van Adriaen Geerts in de kerk van Wildervank stond een passage die hier ook mooi bij aansloot: Adriaan Geerts had in Wildervank zijn “wilde moer gevangen”.
—
Bron: Adolf Pathuis, ‘Adriaen Geerts Wildervanck’, Groningsche Volksalmanak 1941, p. 120-144.
Rondje door de Onlanden
Geplaatst op: 4 maart 2018 Hoort bij: Onlanden 7 reactiesBij het Omgelegde Eelderdiepje

Afgevallen boomschors, Bruilweering:

Kat op het ijs, Peizermade:

Ganzenvlucht, Hamersweg:

Hamersweg:

Bij de Hamersweg:

In een sloot aldaar:

Hamersweg:

Met de koetsewagen via een dijkje de Onlanden in:

Onlanderdijk:

Slenk:

Reiger bij de Onlanderdijk:

Het wegje naar Sandebuur 1:

Het wegje naar Sandebuur 2:

Zwaan op het ijs bij de Hooiweg:

Helemaal rozig, op weg naar huis:

Doopbekkengiften minder constant dan gedacht
Geplaatst op: 3 maart 2018 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen
Zoals ik hier eerder schreef, werden in Beerta tussen januari 1762 en juli 1764, vrijwel uitsluitend bedragen in het doopbekken gedeponeerd, die neerkomen op de enkelvoudige of dubbele waardes van destijds courante munten. Doopvaders gaven dus ‘ronde sommen’ aan de armen, andere aanwezigen droegen niets bij. Kopergeld zat er voor het oog ook nooit in het bekken, daar kwam louter zilver- en goudgeld uit. Bij boeren ging het dan op goudgeld (vanaf een gulden), terwijl zilvergeld in afnemende waarden van middenstanders en werkvolk kwam. Wat voor muntgewicht een doopvader in de schaal legde, hing, kortom, in hoge mate af van zijn maatschappelijke positie.
Naderhand bleek me dat in de buurgemeente Oostwold sprake was van hetzelfde verschijnsel. Daar gaf de zijlwaarder en tapper Jan Brunius ook vrijwel steeds hetzelfde bedrag: een sestehalf, typisch de gift voor een kleine middenstander.
Intussen heb ik gemerkt dat ook de doopbekkengiften in een derde Oldambtster diaconierekening, die van Nieuwolda, voldoen aan de in Beerta geconstateerde wetmatigheid, dat doopvaders conform hun stand ronde sommen in het doopbekken leggen. Het bijzondere van Nieuwolda is, dat de boekhoudend diaken Jan Luitjes Bouman er in zijn administratie over 1767/1768 meestal zelfs expliciet de munten noemde, die hij na de doopdienst in het doopbekken aantrof.
Om precies te zijn bestrijkt de pagina met doopcollecten in Boumans boekhouding de periode 22 maart 1767 tot en met 4 april 1768. In die periode lieten zich volgens het doopboek 34 vaders hun kinderen in de kerk van Nieuwolda dopen. Al die vaders komen ook voor met een doopbekkengift in de diaconierekening. Met andere woorden: zelfs de meest armlastige doopvader gaf iets aan de armen en de diaconierekening is daarmee representatief voor alle doopdiensten
Toch bevat de diaconierekening over die periode in cijfermatige zin slechts 21 posten wegens doopbekkengiften. Dat komt doordat bij meerdere dopen in één doopdienst de giften van de aanwezige doopvaders voor het gemak zijn samengevoegd. In totaal gaat het om dertien doopvaders. Normaal zou je niets aan zulke samengestelde posten hebben, maar het unieke van Boumans administratie in deze periode is, dat hij in de omschrijving bij de meeste posten, onder andere deze dertien, wèl steeds precies in woorden heeft opgegeven wat de individuele doopvaders aan munten gaven. Daarbij bleek het net als in Beerta tussen 1762 en 1764 steeds te gaan om de enkele of dubbele waardes van destijds courante gouden en zilveren munten.
In de volgende tabel heb ik alle 34 giften geboekte doopgiften uit Boumans boekhouding over 1767/8 geïndividualiseerd opgenomen, van klein naar groot:
| Datum | Doopvader | Munten (* = naar opgave van Bouman, de rest vulde ik in). | Notatie in cijfers (guldens-stuivers-duiten) |
| 26 oktober 1767 | Tobyas Hinderks | stuiver* | 0-1-0 |
| 8 november 1767 | Schenkel | stuiver * | 0-1-0 |
| 18 oktober 1767 | Hinderk Hinderks | Twee stuivers of een dubbeltje | 0-2-0 |
| 13 december 1767 | Grote Tobyas | twee stuivers* | 0-2-0 |
| 31 januari 1768 | Walderk Walderks | dubbeltje * | 0-2-0 |
| 26 februari 1768 | Jan Hiepkes | dubbeltje | 0-2-0 |
| 27 maart 1767 | Marten Jans | dubbeltje | 0-2-0 |
| 11 juli 1767 | Roelf Derks Schievetil | twee dubbeltjes | 0-4-0 |
| 5 december 1767 | Jan G. Koster | Twee dubbeltjes | 0-4-0 |
| 3 augustus 1767 | Klaas Alberts Schoemaker | sestehalf * | 0-5-4 |
| 23 augustus 1767 | Hans Harms Schipper | sestehalf * | 0-5-4 |
| 4 april 1767 | Sebe Schipper | sestehalf | 0-5-4 |
| 22 maart 1767 | Harm Groeneboom | schelling | 0-6-0 |
| 28 juni 1767 | Eppo Tebbes of Bronts | schelling * | 0-6-0 |
| 8 november 1767 | Albert Harms | schelling * | 0-6-0 |
| 10 maart 1768 | Jan Eltjes Jonker | schelling | 0-6-0 |
| 13 maart 1768 | Jurko Harms | schelling | 0-6-0 |
| 1 januari 1768 | Wolter Snijder | twee sestehalven * | 0-11-0 |
| 31 januari 1768 | Meerten Eeuwes | twee sestehalven * | 0-11-0 |
| 16 augustus 1767 | Jurjen Beerents Schipper | oordrijks (kwart Zeeuwse rijksdaalder) | 0-12-4 |
| 8 november 1767 | Gerryt Harms | oordrijks * | 0-12-4 |
| 10 januari 1768 | Jan Tiddes | oordrijks * | 0-12-4 |
| 17 mei 1767 | Pieter Klugkist | drie sestehalven | 0-16-4 |
| 29 november 1767 | Hinderk Harms Kuper | gulden | 1-0-0 |
| 10 januari 1768 | Jacob Beerents Mas | gulden * | 1-0-0 |
| 22 november 1767 | Edzo Epkes | achtentwintig * (28 stuiversstuk of goudgulden) | 1-8-0 |
| 29 maart 1767 | Jacob Freerks | daalder | 1-10-0 |
| 15 november 1767 | Harm Kamminga | een dubbele Engelse achtentwintig en een dubbeltje * | 2-18-0 |
| 26 april 1767 | Pieter Edzes | driegulden * | 3-0-0 |
| 26 april 1767 | Derk Abels | driegulden * | 3-0-0 |
| 19 juli 1767 | Harm Edzes schatbeurder | ducaton * | 3-3-0 |
| 3 april 1768 | Nanko Jans | gouden ducaat * | 5-5-0 |
| 5 juli 1767 | Wubbo Cornelius | halve gouden rijder * | 7-0-0 |
| 22 november 1767 | Heer pastor (= ds. Siertsema) | halve rijder * | 7-0-0 |
Boumans boekhouding vormt een perfecte illustratie bij mijn stelling dat doopvaders ‘rond’, herkenbaar muntgeld in het doopbekken deponeerden. Alleen de gift van Kamminga vormde daarop een uitzondering – het bijkomende dubbeltje kwam mogelijk van een familielid dat de doopplechtigheid bijwoonde. Maar die uitzondering bevestigt ook de regel dat alleen doopvaders bij doopplechtigheden iets aan de armen gaven. Bovendien liepen de individuele giften enorm uiteen – naar stand, zoals blijkt uit enkele beroepsaanduidingen.
Individuele doopvaders
Gaven deze doopvaders nu ook steeds ongeveer dezelfde munt bij de doop van hun kinderen, zoals dat het geval was bij zijlwaarder Brunius in Oostwold? Van een aantal doopvaders uit bovenstaand lijstje ben ik de gangen nagegaan en heb ik uit het doopboek hun kinderen gehaald, om bij elke doop vervolgens de doopgift te zoeken in de diaconierekening. Net als in bovenstaande lijst begin ik met de kleine man, om te eindigen met de allergulste gevers.
Tobias Hindriks
| 30.10.1763 | 0-2-0 |
| 29.12.1765 | 0-2-0 |
| 26.10.1767 | 0-1-0 |
Hindriks (een arbeider?) schonk bij zijn oudere kinderen nog een dubbeltje, maar halveerde deze gift bij het derde tot een stuiver. Was dat omdat de dankbaarheid bij zijn oudere kinderen groter was, of omdat zijn draagkracht verminderde?
Tobias Uuntjes (alias Grote Tobias)
| 13.12.1767 | 0-2-0 |
| 14.1.1770 | 0-2-0 |
| 7.3.1779 | 0-2-0 |
| 9.11.1783 | ? |
Grote Tobias gaf steeds twee stuivers of een dubbeltje bij de doop van zijn kinderen. Omdat in 1783 zijn gift en die van een andere doopvader bij elkaar werden opgeteld, is zijn doopgift voor dat jaar niet bekend. Maar samen gaven beiden 4 stuivers, dus ook dan ligt dat dubbeltje in de rede. Uuntjes was dan opmerkelijk constant in zijn geefgedrag.
Klaas Alberts Schoenmaker
| 23.8.1767 | 0-5-4 |
| 8.3.1770 | ? |
| 27.9.1772 | ? |
| 26.2.1775 | 0-5-4 |
| 21.9.1777 | 0-5-4 |
Ook Klaas Alberts, een kleine ambachtsman met weinig kapitaal, gaf voor zover bekend steeds hetzelfde bedrag. In 1770 en 1772 stonden er helaas weer gezamenlijke giften in de rekening, in het eerste geval 0-11-4 en in het tweede 1-13-4. Als Schoenmaker ook toen een sestehalf gaf, resteerden voor andermans giften respectievelijk een schelling en een 28-stuiversstuk of goudgulden. Ook weer ronde pasmunt, waarmee het dus wel in de rede ligt dat Schoenmaker ook toen een sestehalf schonk.
Harm Groeneboom
| 19.8.1764 | ? |
| 22.3.1767 | 0-6-0 |
| 11.2.1770 | 0-5-4 |
| 31.1.1773 | ? |
| 22.10.1775 | 0-11-0 |
| 28.10.1779 | 0-8-0 |
| 4.11.1781 | 0-6-0 |
Groeneboom varieerde duidelijk wèl in zijn giften. De schelling van 1767 en de sestehalf van 1770 liggen heel dicht bij elkaar, samen met een andere doopvader gaf hij in 1773 11 stuivers, zodat ook toen een sestehalf in de rede lag, een bedrag dat hij in 1775 verdubbelde, om daarna weer op zijn schreden terug te keren naar uiteindelijk een schelling in 1781. Waarom gaf hij in 1775 zoveel meer? Aan het geslacht van het kind lag het niet, want afgezien van de zoon uit 1764 ging het uitsluitend om dochters. Misschien was de bevalling van 1775 moeilijker geweest, wat dan aanleiding gaf tot een grotere gift uit dankbaarheid voor de voorspoedige verlossing? Echter, het kan ook zijn dat Groeneboom in 1775 meer geld voorhanden had en daarom besloot de armen wat ruimer te gedenken.
Wolter Stoffers Snijder
| 27.3.1766 | 0-8-0 |
| 1.1.1768 | 0-11-0 |
| 30.4.1770 | ? |
| 29.9.1771 | 0-11-0 |
Snijder verhoogde zijn gift in 1768 binnen een beperkte bandbreedte en houdt het dan, voor zover bekend, bij het eenmaal vastgestelde bedrag. Mogelijk maakte hij verschil tussen het meisje (1766) en de jongens van 1770 en 1771. Het kan ook zijn dat hij het geld wat beter missen kon. De doopgift van 1770 ontbreekt in de diaconierekening, waarschijnlijk doordat deze bij het builgeld werd opgeteld.
Pieter Klugkist
| 17.5.1767 | 0-16-4 |
| 23.9.1770 | 1-0-0 |
| 25.12.1772 | 0-5-4 |
De drie sestehalven die Klugkist, een herbergier op de Waarhoek in 1767 in het doopbekken deponeerde, verhoogde hij tot een gulden in 1770. Bij het derde kind bleef daar slechts een enkele sestehalf van over. Deze vrij forse verlaging van de gift zou kunnen samenhangen met het geslacht van het kind – het derde was een dochter, terwijl het bij de eerste twee om zoons ging. Maar mogelijk verkeerde Klugkist in financiële problemen – zijn herberg zette hij in 1771 namelijk te koop.
Hans Harmens Schipper
| 19.11.1762 | 1-0-0 |
| 30.9.1764 | ? |
| 23.8.1767 | 0-5-4 |
| 30.4.1769 | 0-5-4 |
Schonk Hans Harmens Schipper in 1762 nog een gulden aan de armen, later daalde deze doopgift tot een sestehalf. In 1764 gaf hij samen met een andere doopvader 1-8-0, waar niets uit opgemaakt kan worden. Het verschil in waarde kan niet aan het geslacht van de kinderen liggen, want in 1767 en 1769 ging het om een zoon en een dochter. Blijven over extra blijdschap over de geslaagde bevalling bij de stamhouder, of achteruitgang in draagkracht van de doopvader.
Jan Tiddes
| 7.3.1765 | 1-0-0 |
| 10.1.1768 | 0-12-4 |
| 2.12.1770 | ? |
| 6.5.1773 | 1-0-0 |
Jan Tiddes gaf eerst een gulden, vervolgens een kwart rijksdaalder en uiteindelijk weer een gulden. De gift van 1770 kan net als die van 1768 wel eens een oordrijks geweest zijn, want samen met een andere doopvader gaf Tiddes toen dertien en een halve stuiver, oftewel een oordrijks en een stuiver. Aan het geslacht van de kinderen kan het verschil niet hebben gelegen, want het waren allemaal zoons. Blijven over als verklaring de wisselvallige moeilijkheidsgraad van de verlossing of de variërende draagkracht van de doopvader.
Jacob Berends Mas
| 16.12.1764 | ? |
| 10.1.1768 | 1-0-0 |
| 9.6.1771 | – |
| 25.9.1774 | 1-8-0 |
| 15.11.1782 | 0-5-4 |
In 1764 staat er een gezamenlijke doopgift genoteerd van drie doopvaders – daar valt dus niets uit af te leiden. Die van 1771 is helemaal onbekend, want waarschijnlijk opgegaan in het builgeld. De drie doopgiften die we wel kennen, variëren in grootte, waarbij het geslacht van de kinderen mogelijk wat uitmaakt: de hoogste gift is die bij de doop van een zoon, de andere twee betreffen dochters. Ook in dit geval zou de draagkracht echter doorslaggevend kunnen zijn.
Harm Hindriks Kamminga
| 15.11.1767 | 2-18-0 |
| 16.3.1769 | ? |
| 3.3.1771 | ? |
| 1.11.1772 | ? |
| 3.7.1774 | ? |
| 29.9.1776 | 3-0-0 |
| 3.4.1778 | 3-0-0 |
| 27.9.1781 | ? |
Voor zover bekend was de boer Harm Kamminga vrij constant in zijn geefgedrag. In vijf gevallen is zijn gift echter niet bekend, doordat die met de gift van een andere doopvader is opgeteld. In 1771, 1772 en 1774 bedragen deze gezamenlijke giften respectievelijk een driegulden en een sestehalf, een driegulden en een stuiver en een driegulden en een sestehalf. Ook in die jaren zou Kamminga dus wel eens een drieguldenstuk kunnen hebben gegeven. Van de drie bekende doopgiften betrof de eerste en geringste de doop van een meisje.
Harm Edzes, schatbeurder
| 19.7.1767 | 3-3-0 |
| 6.11.1768 | 2-16-0 |
| 22.4.1770 | ? |
| 22.9.1771 | ? |
| 20.9.1772 | ? |
| 17.7.1774 | 3-0-0 |
| 5.4.1776 | 2-10-0 |
| 22.2.1784 | 3-3-0 |
| 5.3.1786 | 2-10-0 |
| 13.5.1787 | ? |
| 6.9.1789 | 2-10-0 |
| 4.9.1791 | 3-3-0 |
| 4.5.1794 | ? |
De vrome Harm Edzes was boekweitmulder en koopman in vooral bouwmaterialen. Daarnaast fungeerde hij als schatbeurder, d.w.z. de ontvanger van de verponding (grondbelasting), de dijklasten, de meentelasten en het roderoedegeld van Nieuwolda. In 1781 hertrouwde hij. Ook deze ondernemer varieerde in zijn vrijgevigheid, en wel binnen de beperkte bandbreedte van een ducaton tot een rijksdaalder. Het geslacht van het kind maakte hem daarbij niet uit: bij een meisje kon hij een ducaton geven en bij een jongen een rijksdaalder en andersom. In zowel 1770 als 1771 gaf hij samen met een andere doopvader 3 gulden en een stuiver, zodat ook bij die doopbedieningen een gift door Edzes van een drieguldenstuk in de lijn der verwachting ligt.
Nantko Jans Dallinga
| 16.11.1766 | 5-5-0 |
| 3.4.1768 | 5-5-0 |
| 14.10.1770 | 5-5-0 |
| 28.5.1772 | – |
| 20.2.1774 | ? |
| 26.12.1775 | 5-5-0 |
| 30.11.1777 | ? |
| 16.7.1779 | 5-5-0 |
Voor zover bekend gaf de boer Nantko Jans Dallinga altijd een ducaat bij de doop van zijn kinderen. Het geslacht maakte dus niets uit en evenmin de eventuele complicaties bij een bevalling of een eventuele vermeerderde of verminderde welvaart. De doopgift van 1772 zat waarschijnlijk bij het die dag getelde builgeld in. In 1774 schonk Dallinga samen met een andere doopvader 5-10-4 en in 1777 5-7-0, zodat hij ook toen een ducaat zal hebben gegeven, waarbij de andere doopvader dan volstond met een sestehalf, repectievelijk een dubbeltje.
Wubbo Cornelius Fockens
| 16.10.1763 | 3-0-0 |
| 25.11.1764 | 3-0-0 |
| 20.3.1766 | 5-5-0 |
| 5.7.1767 | 7-0-0 |
| 15.10.1768 | 5-5-0 |
| 25.3.1770 | ? |
| 9.4.1772 | ? |
| 8.5.1774 | ? |
| 10.9.1775 | 5-5-0 |
| 10.8.1777 | 6-6-0 |
| 10.1.1779 | ? |
| 13.8.1786 | 7-0-0 |
De vermogende eigenerfde Wubbo Cornelius Fockens, zoon van een kerkvoogd en zelf ook de rijkste boer van het kerspel Nieuwolda, gaf bij de doop van zijn eerste kinderen nog drieguldenstukken, maar varieerde daarna tussen een ducaat (5-5-0), twee ducatons (6-6-0) en een halve gouden rijder (7-0-0). Mogelijk hangt de verhoging van 1766 samen met een erfenis. Zijn uitverkiezing in 1777 tot zijlvest – de hoogste functie die een Oldambtster boer kon krijgen – maakte geen verschil voor de doopgiften. Ook oefende het geslacht van de kinderen geen invloed uit op de hoogte daarvan. Het laatste kind was bij een tweede vrouw, maar ook voordien gaf Fockens ook al eens een halve rijder bij de doop van een dochter.
Ds. Johannes Siertsema
| 14.9.1760 | 10-8-0 |
| 12.8.1764 | 10-8-0 |
| 2.2.1766 | 7-0-0 |
| 22.11.1767 | 7-0-0 |
| 10.9.1769 | 7-0-0 |
| 4.4,1779 | 7-0-0 |
De met diverse eigenerfde Oldambtster families vermaagschapte dominee Siertsema was een vermogend man. En wie het breed had, liet het bij dergelijke gelegenheden breed hangen. Van Siertsema waren gemiddeld de hoogste doopgiften afkomstig. Bij de oudste twee – een jongen en een meisje – gaf hij echter wat meer dan de vier jongste dochters. Het geslacht maakte dus niets uit, mogelijk teerde de “heer pastor” intussen wat in op zijn vermogen.
Conclusie
Slechts een minderheid van de doopvaders legde bij de doop van hun kinderen altijd hetzelfde bedrag in het diaconale doopbekken. Vaak is er sprake van enige variatie in de hoogte van hun doopgiften. Die variatie blijft in individuele gevallen overigens meestal binnen een beperkte bandbreedte: het is nu ook weer niet zo dat een dagloner of kleine middenstander een boerenbedrag in het bekken deponeert (laat staan andersom).
In de meeste gevallen kan de variatie niet hebben samengehangen met het geslacht van het kind. Wel zou een moeilijke bevalling door haar gelukkige uitslag kunnen hebben geleid tot een wat hogere gift uit dankbaarheid. Dit laat zich echter moeilijk onderzoeken.
Blijft over als verklaring voor de variatie in individuele doopgiften per doopvader een achterliggende fluctuatie in diens welvaart. Een doopvader die wat krap bij kas zat, deed wellicht wat minder in het doopbekken en een die het naar den vleze ging, droeg wellicht een wat groter steentje bij.
Dit mogelijke verband met welvaart laat zich nou juist wèl onderzoeken, door de doopgiften over een wat langere periode in kaart te brengen: bij de florerende Oldambtster economie in de tweede helft van de achttiende eeuw zouden er dan verhoudingsgewijs meer grotere en minder kleinere doopgiften geregistreerd moeten zijn. Met wat doorzettingsvermogen en tijd laten die giften zich wel tellen, indelen en ordenen.
—
N.B. Met dank aan muntendeskundige Jan C. van der Wis voor zijn vriendelijke uitleg van het begrip oordrijks.

“U hoort nog van ons’
Geplaatst op: 2 maart 2018 Hoort bij: autobio, De actuele wereld 2 reactiesOmdat de gemeenteraadsverkiezing voor onze almaar groter groeiende gemeente Groningen pas in november plaatsvindt, besloot ik mijn premature verkiezingskoorts te dempen met de stemwijzer voor het Oldambt:

We raken nog bekeerd op onze ouwe dag.
Door de uitslag ontdek ik tot mijn lichte verbijstering dat GroenLinks niet meedoet in het Oldambt. Raar, dat de formele erfgenaam van de daar ooit zo machtige CPN het compleet laat afweten. Ze vonden het indienen van een lijst niet verantwoord, verklaren ze op hun website, vanwege “onvoldoende actieve verkiesbare en ondersteunende mensen”. “U hoort nog van ons”, klinkt het hoopvol, maar als ze over vier jaar terug willen komen in die raad, zal dat nog een heel gevecht worden.
Rond de Zuiderhaven
Geplaatst op: 1 maart 2018 Hoort bij: Stad nu 2 reactiesVanochtend vanaf het sluisbruggetje:

Vanaf de Eelderbrug:

Zo’n meeuwenleven is ook niet alles:

Vanmiddag vanaf de Werkmanbrug – ronde patronen op het ijs:

Vanaf de Emmabrug – ook daar van die rondjes:

Vanaf de Praediniusssingel bij het botenhuis:

Bij de Museumbrug:

Vanaf de Museumbrug:

Zuigelingensterfte in Nieuwolda
Geplaatst op: 1 maart 2018 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen
Hermannus Numan (1754-1824) -, Slapende baby in een wieg. Ets en aquatint. Collectie Rijksmuseum,
Ds. Siertsema van Nieuwolda was in nog een tweede opzicht uitzonderlijk. Dat hij in zijn doopboek de aantallen gedoopte kinderen telde en opschreef, was misschien nog niet eens zo vreemd voor een hervormd predikant, maar hij schreef er ook vaak de totale aantallen van de in zijn gemeente geboren kinderen naast, zodat je heel gemakkelijk ook de aantallen niet-gedoopte kinderen kunt becijferen.
Omdat er een grote druk op ouders lag om kinderen te laten dopen, wat midden achttiende eeuw ook uitsluitend op de eerste zondag gebeurde, terwijl eind achttiende eeuw nog altijd 80 % van de kinderen binnen twee weken werd gedoopt, gaat het bij die ongedoopte kinderen vrijwel uitsluitend om babies die de eerste week of weken van hun bestaan niet hadden overleefd. Met andere woorden: de ongedoopte kinderen waren vroeg gestorven en door hun aantallen te delen op de totale aantallen geboren kinderen, krijg je percentages die staan voor de sterfte onder jonggeborenen:
| Jaar | Geboren | Gedoopt | Niet-gedoopt | Percentage |
| 1757 | 28 | 26 | 2 | 7 % |
| 1758 | 18 | 13 | 5 | 28 % |
| 1759 | 40 | 34 | 6 | 15 % |
| 1760 | 24 | 19 | 5 | 21 % |
| 1761 | 39 | 32 | 7 | 18 % |
| 1762 | 26 | 23 | 3 | 12 % |
| 1763 | 33 | 26 | 7 | 21 % |
| 1764 | 41 | 38 | 3 | 7 % |
| 1765 | 30 | 27 | 3 | 10 % |
| 1766 | 39 | 33 | 6 | 15 % |
| 1767 | 31 | 30 | 1 | 3 % |
| 1768 | 39 | 36 | 3 | 8 % |
| 1769 | 39 | 32 | 7 | 18 % |
| 1770 | 35 | 28 | 7 | 20 % |
| 1771 | 33 | 30 | 3 | 9 % |
| 1772 | 48 | 44 | 4 | 8 % |
| 1773 | 23 | 22 | 1 | 4 % |
| 1774 | 35 | 31 | 4 | 11 % |
| 1775 | 32 | 28 | 4 | 13 % |
| 1776 | 26 | 22 | 4 | 15 % |
| 1777 | 29 | 23 | 6 | 21 % |
| 1778 | 32 | 26 | 6 | 19 % |
| 1779 | 40 | 30 | 10 | 25 % |
| 1780 | 22 | 23 !
(incl 1 onecht kind van 1779) |
– 1 | |
| 1781 | 32 | 28 | 4 | 13 % |
| 1782 | 17 | 13 | 4 | 24 % |
| 1783 | 30 | 32 | – 2 | ???? (ws fout) |
| 1784 | 28 | 25 | 3 | 11 % |
| 1785 | 27 | 27 | 0 | 0 % |
| 1786 | 33 | 27 | 6 | 18 % |
| 1787 | 27 | 26 | 1 | 4 % |
| 1788 | NIET | – | ||
| 1789 | 22 | – | ||
| 1790 | 32 | 31 | 1 | 3 % |
| 1791 | 33 | 31 | 2 | 6 % |
| 1792 | 33 | 30 | 3 | 9 % |
| 1793 | 35 | 31 | 4 | 11 % |
| 1794 | 24 | 20 | 4 | 17 % |
| 1795 | 32 | 28 | 4 | 13 % |
| 1796 | NIET | – | ||
| 1797 | 36 | 33 | 3 | 8 % |
| 1798 | NIET | – | ||
| 1799 | 38 | 37 | 1 | 3 % |
| 1800 | 32 | |||
| 1801 | 32 | |||
| 1802 | 42 | |||
| 1803 | 42 |
Zoals men ziet, lopen die percentages ongedoopten van jaar op jaar enorm uiteen: van 0 % tot 28 %. In 1758 stierven bijna drie op de tien babies in de eerste week van hun bestaan, in 1785 was dat geen enkele. Waarschijnlijk hadden droevige jaren waarin meer dan een vijfde van de jonggeborenen overleed, te maken met besmettelijke ziekten als mazelen en pokken. Gemiddeld overleed in de hele periode één op de acht zuigelingen in de eerste weken na de geboorte (12,6 %).
Talmen met de doop in Nieuwolda
Geplaatst op: 28 februari 2018 Hoort bij: Geschiedenis 5 reacties
Ds. Johannes Siertsema (1724-1808), die praktisch de gehele tweede helft van de 18e en de eerste zes jaar van de 19e eeuw op de kansel van Nieuwolda stond, had een voor predikanten vrij uitzonderlijke gewoonte. Bij praktisch ieder kind dat door hem gedoopt werd, tekende Siertsema in het doopboek naast de gebruikelijke gegevens – de doopnaam van het kind, de namen van zijn ouders en de doopdatum – ook de geboortedatum van het gedoopte kind aan. Dankzij die zeldzaam uitvoerige notatie kan je zien, welke tijdsinterval er zat tussen de geboorte en de doop van een individueel kind en dus ook van kinderen in het algemeen.
Meestal wordt aangenomen dat ouders hun kinderen liefst zo snel mogelijk na de geboorte lieten dopen. Dat was omwille van hun zieleheil: als zo’n jong kind onverhoopt stierf, was het in elk geval opgenomen in de christenheid en bleef het helse lot der heidenen hem bespaard.
Omdat ik nieuwsgierig was of er misschien ontwikkeling in die interval zat, nam ik een steekproef van zes jaren uit de periode dat Siertsema als predikant in Nieuwolda stond, en bekeek hoeveel kinderen er in die jaren op de eerste, de tweede of de derde zondag na hun geboorte of nog later werden gedoopt. Vervolgens heb ik de absolute cijfers omgezet in percentages van het totale aantal gedoopte kinderen in een steekproefjaar, en die in bijgaande kruistabel gezet:
| Jaar | Totaal | Zondag 1 | Zondag 2 | Zondag 3 | Nog later | ||||
| Abs. | Perc. | Abs. | Perc. | Abs. | Perc. | Abs. | Perc. | ||
| 1755 | 26 | 26 | 100 % | – | – | – | – | – | – |
| 1765 | 27 | 25 | 93 % | 2 | 7 % | – | – | – | – |
| 1775 | 28 | 23 | 82 % | 3 | 11 % | 2 | 7 % | – | – |
| 1785 | 26 | 11 | 42 % | 14 | 54 % | 1 | 4 % | – | – |
| 1795 | 28 | 10 | 36 % | 12 | 43 % | 6 | 21 % | – | – |
| 1805 | 34 | 3 | 9 % | 21 | 62 % | 8 | 24 % | 2 | 6 % |
Uit de tabel blijkt, dat ouders langzamerhand gingen talmen met de doop van hun kinderen. In 1755 werden alle kinderen waarvan de geboortedag bekend was (26 van de 28), nog op de eerste zondag na hun geboorte gedoopt, maar de populariteit van die zondag nam daarna – toen Siertsema van alle doop kinderen de verjaardag noteerde – zienderogen af: in 1805 vond geen tiende van de dopen meer op die zondag plaats. Tegelijkertijd groeide het ‘marktaandeel’ van de tweede zondag tot bijna tweederde van het aantal dopen. Zelfs de derde zondag kwam vanaf 1775 in beeld en was in 1805 inmiddels goed voor een kwart van de dopen, terwijl het toen in enkele gevallen zelfs nog langer duurde voordat ouders hun kind lieten dopen.
Deze vertraging in het laten dopen van kinderen hangt ongetwijfeld samen met een mentale omslag. De zorg om het zieleheil van de kinderen nam bij hun ouders af ten gunste van de zorg om het lichamelijk welzijn van die kinderen. Ouders hielden hun baby’s liever eerst een week of wat thuis, voordat ze deze door weer en wind naar de dorpskerk brachten. Een geval als dat van Imke, de dochter van Tobias Uuntjes, wier vader haar nog op haar geboortedag (1 september 1765) liet dopen, zou op termijn een volstrekt curiosum worden. De Verlichting brak baan en had zelfs invloed op zo’n fundamentele aangelegenheid.
Windwak
Geplaatst op: 27 februari 2018 Hoort bij: Hoogkerk 4 reactiesVanochtend bij de Ruskenveense Plas – uitgerekend bij de ideale opstap is er geen ijs meer:







Recente reacties