Oosterpoort bleek, politiek gezien, weinig kleurecht

“Hebt ge wel eens gehoord van het „roode district”, vrinden ? Dat is de buurt, waar steeds socialen gekozen worden, als er gestemd wordt, de vorige keer wel vier tegelijk. Als ge u thans een wandeling getroost door dat district, dat is buiten de Oosterpoort, dan ontwaard ge straat aan straat, buurtje aan buurtje, behangen niet versiering, bedolven onder oranje. En toen in de geheele stad nog niets bekend was van oranjelolletjes, was de Oosterpoort ’s avonds al in volle glorie. Het rood is er finaal geslagen, en zoo fanatiek is de oranjebende daar, dat ze, naar mij werd medegedeeld, heel gemoedelijk een aspirant „rood” gemeenteraadslid hebben afgedroogd, die meende aan de eer van het „district” verplicht te zijn te protesteeren.”

Bron: De Arbeider 23 augustus 1913.


Groeten uit Hoogkerk

IJspatronen op de sloot, ’s morgensvroeg:

Ruskenveense Plas:

Aan het eind van het wak:

De bietenwagens rijden ’s avonds nog af en aan, de suikercampagne duurt voort:


Groninger jood was Gronings, Friese jood was Fries

Folkingestraat voor de oorlog.

Het provinciale Jodendom, zo karakteristiek als het was, heeft slechts een enkele maal een penvoerder gevonden, die het geschilderd heeft in zijn samenhang met zijn omgeving, in zijn aangepastheid, die toch zulk een schat van innige Joodsheid overliet. Ook hier is iets onherstelbaars verloren gegaan.(…) Wat een typen, wat een variaties! Verdwenen zij.

De onmiddellijk herkenbare Groninger Jid, die souverein heerste in zijn gebied in zijn vrolijke, levendige Folkingestraat. Lezer, ga niet naar de Folkingestraat. Het is een gore, droeve, neerdrukkende achterbuurt geworden.

De Jood uit de veenkoloniën, slagerveehandelaar, niet bang voor, noch afkerig van een fiks vechtpartijtje, die Grönnegs sprak in onvervalst dialect, echt van kleur en klank, waarin toch de Joodse bewogenheid telkens weer doorbrak.

De Limburger Jood, waarschijnlijk de meest geassimileerde en meest aangepaste van Nederland, die naar sjoel ging en daarna desgewenst een kaarsje voor het raam plaatste ter ere van een voorbijtrekkende processie. Joutse für Gott und für die Leute.

De Brabander, gul en gemoedelijk, met zijn Zuid-Nederlands „hebdege en bendege“, met zijn genoegelijke levensblijheid, gemakkelijke levensopvatting, met zijn gulle eenvoudige gastvrijheid.

De Friese Jood, zo oer-Joods gebleven, en toch zo vergroeid met zijn omgeving, dat hij Fries of Leeuwardens sprak als ware het Losjoun hakoudesj. En die zelfs als hij opgeroepen werd in de Beroche de Friese “G” niet overwinnen kon, asjer bokar bonoe. Ach, hoe eenzaam is de Put, dit Rapenburg van het Noorden. Me-ein jousjeiw. Geen vrolijke groep jongeren host meer door de buurt, op de avond van uitgaande Pesach op de melodie van het lied „Chomeitsdikke sterren“. Slechts de grote, onbeschadigde Leeuwarder Sjoel — eens hun trots en glorie — staart weemoedig-statig naar de leegte. Oj, mee haja lanoe!

Bron: Nieuw Israëlitisch Weekblad 15 juli 1949.


‘Feithhuis veel te goed voor Arbeidsbeurs’

Jhr Johan Adriaan Feith. Foto (ingekleurd): Pictorescue (Flickr cc.)

Eind januari 1913 werd hij op een avond dood achter zijn bureau in het Rijksarchief aangetroffen: Johan Adriaan Feith, de Groninger Rijksarchivaris; tevens oprichter en hoofdredacteur van de Groninger Volksalmanak en stichter en directeur-conservator van ’t Groninger Museum. Nog geen twee jaar later sloten zijn erven een koopovereenkomst met de gemeente Groningen. De gemeente kocht wijlen Feiths herenhuis met tuin, koetshuis en stalling aan het Martinikerkhof zuidzijde, een vastgoedcomplex dat we nu, ruim honderd jaar later, kennen als het Feithhuis.

Merkwaardig genoeg leidde de overeenkomst tot kritische geluiden in de Provinciale Drentsche en Asser Courant. De Groninger correspondent van dat blad hekelde de voortdurende sloop en modernisering van fraaie panden in de stad Groningen tot winkels en magazijnen. Zo waren onder andere “Het huis met de draken” en “Het huis met den schoonen gevel” verdwenen, verwinkeld en/of onherkenbaar “gerestaureerd”. Vroeger kocht de gemeente meestal percelen zonder esthetische waarde waar niets aan verloren kon gaan, aldus de correspondent –

“Ditmaal echter viel het oog van ‘t gemeentebestuur op de deftige heerenbehuizing van wijlen jhr. Feith, te voren bewoond door jhr. Quintus, een bekende persoonlijkheid voor Groningers van ouderen datum. En met welk doel is nu deze voorname, patricische woning door de gemeente aangekocht ? Om ingericht te worden voor Arbeidsbeurs…”

De Arbeidsbeurs (later het Arbeidsbureau) moest namelijk per 1 mei 1916 uit een pand in de Folkingestraat verhuizen en dus elders worden ondergebracht. De Folkingestraat – dat was destijds de jodenbuurt. Met een nauw verholen antisemitische ondertoon vond de correspondent het een hele promotie voor die Arbeidsbeurs,

“om uit de Folkingestraat, de klassieke sinaasappel-, kokeloko-, augurken- en sausemangel-buurt, maar zoo overgeplaatst te worden naar een prachtige heerenbehuizing aan ’t Martini-Kerkhof, achtereenvolgens door verschillende adellijke familiën bewoond !”

Hij noemde zich een democraat en erkende volmondig het nut en de onmisbaarheid van de Arbeidsbeurs, maar de gemeente had voor dit doel veel beter een blok met krotten op kunnen kopen, vond de man.

“Want waarom zou voor een instelling van practischen, zakelijken aard een weelderig onderdak noodig zijn ? Nu zeiden B. en W. in hun voordracht wel dat het huis aan ’t Martini-Kerkhof geen verbouwing van eenige beteekenis hoeft te ondergaan om het voor een Arbeidsbeurs geschikt te maken, doch mettertijd, wanneer ook eenmaal andere gemeente-bureaux in het nieuwe perceel gevestigd worden – en dat ligt in ’t plan van de heeren – krijgt men er een samenstel van kantoren en zal ’t ongetwijfeld op een wegbreken en roppen gaan, zoodra de verschillende ‘takken van dienst’ dat wenschelijk doen schijnen.

Gelukkig hebben de erven Feith dit gevaar voorzien en althans voor een deel tegen omverwerping van het inwendige gebouw gewaakt, namelijk door te bepalen dat de geheele antieke betimmering alsmede het plafond in de achtersuite-kamer en de schoorsteenmantel in de oostelijke bovenvoorkamer niet bij den verkoop inbegrepen zijn.”

Voordat de gemeentelijke vandalen hun gang mochten gaan, haalden de erven Feith dus liever zelf de belangrijkste cultuurhistorische zaken uit het pand ! De prachtige schouw ging naar het Groninger Museum, dat zijn oprichter Feith naderhand eerde met een borstbeeld.

Hoe het de correspondent van de Drentsche en Asser te moede zou zijn, als hij nu nog eens het Feithhuis zou kunnen aanschouwen, laat zich raden.

Bron: PDAC 11.12.1915.


Lauwerkrans voor trouwe arbeider

Aan de voorkant van de erepenning staat een maagd met een lauwerkrans die zij uitreikt namens de Nederlandsche Maatschappij voor Nijverheid en Handel:

Aan de keerzijde vinden we het motto van voornoemd genootschap: “Vermeerdering van volkswelvaart het doel der Maatschappij”. Dit omlijst een krans van eikenloof met symbolen voor landbouw (ploeg), industrie (machine met tandrad) en handel (schip) en de naam van jubilaris, die 25 jaar had gewerkt bij de tricotagefabriek (machinale kousenbreierij  Reinier Muller in Groningen, aan het eind van de Meeuwerderweg:

De uitreiking ervan vond plaats tijdens een feestelijke personeelsavond met variété in zaal Apollo aan de Hereweg, waar nog vijftien andere werknemers van Reinier Muller net zo’n penning met bijbehorend getuigschrift ontvingen. Echt heel zeldzaam lijkt de penning dus niet, al mag je je afvragen hoeveel er nog van bestaan.

Door het gelinkte krantenbericht kwam ik de penning op het spoor. De jubilaris heb ik namelijk nog gekend als een vriendelijke oude, statige heer die een paar straten verderop in de Oosterpoort woonde. Met diens zoon heb ik nog wel eens contact. Die bleek de penning inderdaad van zijn vader te hebben geërfd.


Hoe ome Joop in Veendam de loop op zijn apentent kreeg

Albert Eckhout – Ara.

Na de Tweede Wereldoorlog stond ome Joop Groninger vooral met dierententen op kermissen. Je kon er apen, vliegende honden, beverratten en exotische vogels aanschouwen. Als het slecht met die nering ging, dan hing Joop bijvoorbeeld een kooi met een papegaai op bij de ingang van de tent. Er kwam een klein bordje naast: “Gelieve Lorre niet aan te spreken, daar hij alleen vieze woorden zegt.” Dan tippelde het volk bij drommen de tent binnen.

In Veendam haalde hij eens een andere stunt uit, met een aap:

“Vlak voor de kermis in Veendam wordt er een jong aapje geboren. Dat is in Veendam vast en zeker nog nooit gebeurd, denk ik. Joop, hoe pak je dat aan? Ik hou me mooi van de domme en stap naar het bevolkingsregister.
– Meneer, ik kom een nieuwe wereldburger aangeven.
– Gefeliciteerd mijnheer Groninger, een jongen of een meisje?
– Jongen of meisje? Hoe komt u erbij? Een aap.
– Een aap?
– Ja, een aap.
– Maar dat kan helemaal niet, mijnheer.
– Oh, ik dacht…
– Luistert u eens, mijnheer Groninger. Mag ik een bevriende journalist bellen?
– Nou, meneer als u denkt dat dat iets is…”

Jongens, ik ben als een haas teruggehold naar de wagen. Amper was ik thuis of die college van je stond al voor mijn neus. Ja meneer, op weg naar het ziekenhuis in een taxi geboren…

Wil je geloven dat ik in Veendam goed heb gedraaid?”


Strunen in Aovelt

Het programma Strunen van rtv Drenthe ging op bezoek in de omgeving waar ik ben opgegroeid. Weinig bekenden in beeld, maar je krijgt wel een aardige indruk van de historische omgeving:


Wanschepsel boeit meer dan vredesboodschap

Gebroken geweertje uit het interbellum. Foto: Andrys Stienstra, Wikimedia commons.

In de jaren 1920 tikt ome Joop Groninger, de kermisman,  een wel heel bijzondere attractie op de kop. Het betreft een antimilitaristisch reismuseum:

“In het noorden ontmoette ik een duizendpoot. Dat is een geboren kermisman, een jongen die alles kan. Jan Immel heette hij. Die jongen reisde met een soort oorlogsmuseum. Allemaal afgerukte lichaamsdelen: hoofden, armen, benen en rompen. Gemaakt van was. Ernaast had-ie alle mogelijke projectielen liggen. Kon je zien hoe gruwelijk de oorlog was. Hij liet de hele zaak steeds in oude theekisten door een bode vervoeren. Hij zocht dan lui van ’t gebroken geweertje op, die een soort tentoonstelling voor hem in mekaar zetten. Handige jongen, maar hij was er nu misselijk van. Je weet dat ik zo’n beetje antimilitarist ben en ik zag er dus wel wat in. Hij moest nog een paar afspraken nakomen en zou ’t spul een poosje later afleveren.

Toen ik dat museum eenmaal had, gingen de zaken verdraaid slecht. Niemand wou het zien. En ik had er nog wel een tent voor gekocht. Duizend gulden op de pof. Weet je wat ik gedaan heb? Ik kocht een Siamese varkenstweeling op sterk water en zette die bij ’t oorlogsspul. Jongen, het was in één keer weer krent. De mensen tippelden van heb ik jou daar.”


Hoe een dorpspredikant zijn waarschuwing tegen de kermis moest bekopen

Prachtige anekdotes bevatten ze, de memoires van Ome Joop Groninger. Zo vertelt deze kermisreiziger hoe hij in de loop van 1915 weer rond ging trekken in het Noorden. Hij gaf zijn muizenstad eraan toen hij daar een compagnon ontmoette, ene Jan Wielenga. Samen dreven ze ruim een jaar lang een klein circus met paarden:

De mooiste kermis van allemaal hadden wij in een dorpje op de grens van Friesland en Drente. Daar komt de veldwachter naar ons toe en zegt tegen Jan: Ken je me nog, ik was je slapie. Jan was bij de marine geweest, moet je weten, maar had zich laten ontslaan omdat hij het zoute water zat was.

Zegt die veldwachter: ’t Zal jullie hier niet goed gaan, want dominee heeft de mensen gewaarschuwd niet naar het paardenspul te gaan omdat de duivel erin zit.

Jan grijpt pen en papier en schrijft de dominee een brief: Beleefd verzoek ik u morgenochtend om half elf bij de aanvang van de eerste voorstelling aanwezig te willen zijn en de duivel aan te wijzen. Dan grijp ik hem en breek ‘m zijn nek. Wij komen u om kwart over tien met paard en wagen halen. Hoogachtend…

De volgende ochtend maken we tour de ville met Hendrik Giesink, een straatmuzikant ‘uit Leeuwarden. De dominee komt, roepen we om, hij zal de duivel aanwijzen! Zegt het voort, zegt het voort! Kaarten zijn reeds thans aan de kassa verkrijgbaar.

De dominee liet zich niet zien, maar dat mocht de pret niet drukken. ’t Liep storm en het bleef storm lopen. We hebben nog nooit zo’n goede kermis gehad. Maar het verschrikkelijkste komt nog: ’s avonds laat hebben ze bij die dominee met grote stenen de ruiten en blinden ingesmeten. Drie weken later was hij weg.”


Imca en haar accent

Als de bekende zangpedagoge Bep Ogterop begin 1965 afgeeft op beatmuzikanten, tienersterretjes en hun managers, gunt de jongerenrubriek ‘Groei’ in het Nieuwsblad van het Noorden het woord aan enkele Groninger getuigen à charge en décharge. De jonge zangeres Imca Marina komt dan op voor Bep:

“Ik ben een leerlinge van mevrouw Ogterop en ik vind haar fantastisch!” zegt zangeres Imca Marina, die vanuit Amsterdam – haar huidige woonplaats – reageerde. „Bep Ogterop heeft ervoor gezorgd dat ik het Gronings accent kwijtraakte. ledere Groninger weet dat dat erg moeilijk is”.”

Blijkbaar werd Imca aangesproken op de onbarmhartige verwijdering van haar tongval, want nog in hetzelfde jaar komt de van origine Hoogezandse in Het Vrije Volk nog eens terug op het “van voren af aan” Nederlands moeten leren spreken omdat ze zo’n “zwaar Gronings accent” had:

“’O, ik schaam me er niets voor, hoor, ik vind Gronings nog altijd een heerlijke taal en als ik thuis ben bij mijn moeder, spreek ik het nog altijd.”


Vrouw met kat en kauw

In de Korte Nieuwstraat, Oosterpoort:

Toelichting.


Steilwand (5) Varia en slot

Waar engpret de belangrijkste attractie vormde, was lef het eerst benodigde kapitaal. Men kon goed verdienen met een steilwand, maar de kost ging natuurlijk wel aan de baat vooraf:

Leeuwarder Courant 5 december 1957.

De ervaring van het ronddaveren op zo’n “Wand des Doods” van trillende en allengs meer dreunende planken, vond ik nog het best verwoord in een ‘fuliton’:

Nieuwsblad van het Noorden 19 november 1960.

Met een goeie conditie kon je een steilwand blijkbaar ook per fiets berijden:

Friese Koerier 26 januari 1956.

Tot zover de steilwand, rond 1960 een van de top-attracties op vooral plattelandskermissen:

Friese Koerier 2 september 1961.


“Vermist – wie heeft Boef gezien?”

Aan de Parklaan, bij de ingang van het hofje:


Steilwand (4) De meisjes

Als je zou denken dat de steilewandwereld met zijn motorgeronk en benzinedampen louter door jongens en mannen werd bevolkt, dan vergis je je. Want ook meisjes en vrouwen reden in/op  steilwanden rond. Zo was ene Miss Silvia een aparte vermelding waard in een aankondiging voor de Lopster kermis van 1965:

Nieuwsblad van het Noorden 16 september1965.

Silvia was een Groningse, straks meer over haar. – Afgaande op een personeelsadvertenties bestond er zelfs een steilewandsrijdster met een eigen zaak:

Telegraaf 27 april 1960.

Meermalen werden er ook meisjes gevraagd:

Vrije Volk 6 mei 1958.

Parool 26 maart 1959.

De miss Sylvia zoals ze voorkwam in de bovenste advertentie bleek overigens een pseudoniem van Gerry Kinds, alias “De Blonde Motorduivelin”. Een interview met haar vinden we op de Vrouwenpagina van een Telegraaf uit 1959. Op dat moment was Gerry (34) de enige acrobatische steilewandrijdster “in de kleine bonte en ruige wereld der kermissensaties”. Dat wil zeggen: ze had wel een collega, maar die was in verwachting.

Opmerkelijk: Gerry Kinds kwam uit Kielwindeweer bij Hoogezand. “Ik heb aardappels gekrabd en geschoffeld”, vertelde ze over haar veenkoloniale jeugdjaren: “Man, ik zat al op het land, toen ik 11 jaar was”.

In en vlak na de oorlog stierven haar beide ouders. Met haar jongste broer, voor wie ze zorgde, vertrok ze naar Amsterdam. Ze was er tramconductrice, winkeljuffrouw, dienstmeisje, en ijsverkoopster geweest. Nog nooit had ze naar motoren getaald, maar in 1954 ontmoette ze haar man, de steilewandrijder Herman de Haan en dat veranderde haar leven. Met hem ging ze “voor de gein” eens mee, voorop de motor. In 55 was dat, dus op haar dertigste. Drie seizoenen reed ze met Herman mee voorop, maar ook wel achterop:

“…om de goeie ligging van de motor te leren aanvoelen. Je moet weten hoe de motor tegen de wand ligt. Als je dat niet weet donder je zo naar beneden. Ik reed achterop ook mee, omdat je dan het gevoel krijgt, dat je zelf rijdt. In het begin heb ik wel veel last gehad van duizeligheid. Vorig jaar ben ik alleen gaan rijden. Maar voordat ik kon zeggen “In ben rijdster”, viel ik elf keer. Dan was ik overal bont en blauw. Soms dacht ik: “Ik hou ermee op”, maar als je dan eenmaal goed draait dan denk je: “Waar heb ik me druk over gemaakt?”

Ze reisde half Europa af. Haar Groningse familie zag ze niet meer:

“Ze houden daar niet van m’n beroep. Ze houden helemaal niet van het kermisbedrijf. Niet dat we ruzie hebben, maar ze vinden het gek wat ik doe.”

 


Steilwand (3) Het Gevaar

Wel wis en drie was een steilwand gevaarlijk. Bij de berichtjes die ik vond, zitten er meerdere over ongelukken.

  • Op de kermis van Oranjewoud viel eens een leerling steilewandrijder van de wand:

Friese Koerier 12 april 1955.

  • Op de kermis van Sint Annaparochie botsten twee steilewandrijders. Eén stortte naar benee:

Leeuwarder Courant 20 mei 1958.

Het bizarste op dit gebied viel voor in Boedapest. Een dompteur deed er op de vloer van een steilwand zijn leeuwennummer, terwijl diens vrouw op een motor rondjes tegen de steilwand reed. Sensationeel ensemble, vooral ook doordat de leeuw geïrriteerd raakte:

de Volkskrant 1 maart 1961.

In deze gevallen gold het gevaar steeds de actieve participanten in het theater, niet het publiek bovenop de pot.. Maar ook dat had wel eens wat te duchten, bijvoorbeeld brand:

Leeuwarder Courant 17 september 1960.