Steilwand (2) Twee foto’s

Er zijn niet zoveel foto’s van steilwanden, die aansluiten bij mijn herinnering, of de geheugenflard die ik voor een herinnering houd. Eigenlijk vond ik er maar twee.

Het oprijden tegen een schuin gespannen kabel of tui zie ik het meest terug in deze plaat uit 1961:

Leeuwarder Courant 10 augustus 1961.

Het betreft de Duitse leider van een gezelschap dat zich de ‘Internationale Luchtpiraten’ noemde. Eind jaren 50 kwamen ze voor het eerst in Leeuwarden, waar ze over een schuingespannen draad naar de top van de Oldehove reden. In 1961 kwamen ze er opnieuw, nu met een programma dat ‘Festival der Sensaties’ heette. Een van die sensaties betrof de getoonde looping in een groot metalen wiel bovenop een hoge mast.

De andere foto die een spoor van herkenning oplevert is het exterieur van een ‘ton’, geplaatst in een editie van Het Vrije Volk uit 1964:

Het Vrije Volk 20 februari 1964.

Deze foto vormde een wat vreemde illustratie bij een interview met de kermisman ‘Ome’ Joop Groninger over diens ervaringen in de Eerste Wereldoorlog. Vreemd, omdat in dit vraaggesprek, of althans deze aflevering van de serie interviews, helemaal geen steilwand ter sprake komt. Die attractie bestond volgens mij ook nog niet in de Eerste Wereldoorlog. In elk geval stak Groninger zijn antipathie tegen het ding niet onder stoelen of banken, getuige het bijschrift:

“Van een steilwand heb ik nooit wat willen weten. Ik zie mijn kinderen niet graag doodvallen. Je kunt er overigens veel geld mee verdienen.”


Steilwand (1) Geheugenflard

Niet veel later zouden er woningen komen aan de Meidoornlaan, maar het onbebouwde groenland werd dat weekend benut voor een soort van motorcircus met een steilwand en strak gespannen kabels waarover motoren zouden gaan koordrijden. Tenminste: in mijn herinnering was dat zo. Het moet vroeg in de jaren 60 geweest zijn, ik zat vlakbij op de lagere school in de tweede of derde klas en stond tussen de middag te kijken hoe stoere kerels de kabels spanden. Ook moet ik hebben gezien hoe een motor bij wijze van oefening over zo’n schuine tui omhoog reed. Ik wilde heel graag naar dat spektakel toe, maar dat mocht niet. Veel te gevaarlijk!

Een advertentie voor dit gebeuren heb ik tot nog toe niet kunnen vinden. Misschien staat er iets in een vergeten register der vermakelijkheidsbelasting van de gemeente Havelte. Maar in de wijde omgeving kwamen er genoeg kermissen voor met een steilwand of steile wand. Geheel onwaarschijnlijk zou mijn herinnering dus niet zijn – de steilwand was destijds een gangbare attractie:

  • Zoals in Dieverbrug:

Meppeler Courant 16 april 1962.

  • Of in Schoonoord:

Nieuwsblad van het Noorden 22 april 1961.

  • En dat bleek het zelfs al vrij lang, want voor de oorlog was er al een steilwand op de kermis van De Wijk:

Meppeler Courant 19 maart 1937.

  • En hoewel deze attractie qua publiciteit wat minder populair leek in Groningerland dan in Drenthe en Friesland, vond ik toch ook een tamelijk vroege melding voor mijn huidige woonplaats Hoogkerk:

Nieuwsblad van het Noorden 11 augustus 1934.

Wordt vervolgd,


Zigeunermythe over de oorsprong van het stelen

Zigeuners op de Brink van Diever, ca. 1910. Foto: meester Boneschansker (Dwingeloo). Ontleend aan: Mark Goslinga en Erwin de Leeuw, Uit het album van meester Boneschansker (Dwingeloo 2006).

Toen God bezig was koren aan de volkeren uit te delen
riep hij ook de zigeuners
(om die ook wat te geven).

De zigeuners echter, waren zo arm
dat ze niet eens jutezakken bezaten
(om het koren in te doen).

Toen zeiden de zigeuners tegen de Heilige God::
“Ach grote God, stop ons deel voorlopig maar
in de zakken van de andere naties!”

Dus deelde God het voor de zigeuners bestemde graan
gelijkelijk uit over de volkeren van de wereld.
In elke zak kwam een beetje terecht.

Later probeerden de zigeuners
hun deel weer op te vragen bij de andere naties.
Maar die lachten ze vierkant uit en joegen ze weg.

Sinds die tijd stelen de zigeuners
om hun rechtmatige deel weer terug te krijgen.

Bron: Erika Dedinsky, Vers vuur – over zigeunerliteratuur uit Hongarije (Haarlem 1982), iets geredigeerd.

Aanleiding


Raadsel: “het brouwen der bolle”

In 1797 betalen de zijlrichters van de Oostwolderzijl 12 stuivers uit aan zijlwaarder Jan Brunius “voor het brouwen der bolle”. Ik zat eerst heel vreemd tegen deze handeling aan te kijken, maar denk nu dat ik het wel weet. Hebben de lezers misschien ook een idee?


Weer thuis, maar niet lang: Willem Snater, oorlogsburgemeester van Nieuweschans

De installatie van Willem Snater als burgemeester van Nieuweschans Nieuwsblad van het Noorden 5.10.1942..

Het verhaal van Peter Rehwinkel, die naar Groningen terugkeerde voor zijn droombaan, het burgemeesterschap van de Stad, ligt nog vers in het geheugen. En ook, hoe die droombaan uitliep op een nachtmerrieachtig fiasco.

Een dergelijk scenario heeft zich wel vaker voltrokken aan iemand die vanuit ‘den vreemde’ terugkeerde naar Groningerland om daar burgemeester te worden. Zo zit bij de onlangs openbaar geworden sollicitatiedossiers dat van Willem Snater (1904-1974), die in de oorlog burgemeester was van Nieuweschans.

Deze Willem was de zoon van de Jan Snater die na een periode als ambtenaar in Friesland en als gemeentesecretaris van Nieuwolda in 1919 burgemeester werd van Oude Pekela. Zoon Willem doorliep de HBS in Winschoten, ging vervolgens een poos naar de Zeevaartschool, en kwam via de gemeentesecretarie van Oude Pekela, waar hij een opleiding kreeg, terecht als ambtenaar op de secretarie van Grouw, waar hij naderhand een meisje uit Oude Pekela zou trouwen.

Daar in Grouw, de hoofdplaats van de gemeente Idaarderadeel, werd hij lid van de Liberale Staatspartij. Meermalen solliciteerde hij op een burgemeesterschap in Groningerland, zoals in 1932 te Termunten, in 1933 te Marum en in 1939 in Eenrum. Daarbij deed zijn vader een goed woordje voor hem. Dat deed in 1942, bij de vacature in Nieuweschans, ook de burgemeester van Idaarderadeel, die schreef:

“Het is van den beginne af steeds zijn bedoeling geweest te trachten een burgemeestersbetrekking te verkrijgen in de provincie Groningen. Hoewel hij zich in Friesland zeer wel thuis gevoelt, is hij toch in zijn hart een Groninger.”

Volgens zijn Friese chef had Snater, die inmiddels kommies en plaatsvervangend hoofd van de luchtbescherming te Grouw was, voldoende capaciteiten om zijn ambtgenoot in Nieuweschans te worden. En inderdaad werd Snater daar per 16 september 1942 benoemd.

Bij zijn installatie, op 2 oktober, dankte Snater “alle autoriteiten” die zijn benoeming bevorderden. Hij memoreerde dat het burgemeesterambt hem niet helemaal vreemd was, omdat hij dat van huis uit al kende…

“Overigens ben ik een Groninger en ik heb mijn jeugd op het Groninger platteland doorgebracht, zoodat na een verblijf van bijna 15 jaren in Friesland, mij het leven hier in Nieuweschans niet vreemd aandoet; integendeel, ik heb het gevoel, dat ik na een lange reis weer thuisgekomen ben.”

Voor de onmiddellijke toekomst deed Snater een “ernstig beroep” op de Nieuweschanskers hun gemeente niet tegen te werken, “zich te onthouden van elke handeling die de gemeente Nieuweschans en haar ingezetenen schade en narigheid zou kunnen berokkenen” en zich

“daadwerkelijk in te zetten bij het oplossen van de vraagstukken, waarvoor wij thans als gevolg van de gewijzigde omstandigheden geplaatst worden. De staatkundige vraagstukken kunnen hierbij gevoegelijk buiten beschouwing blijven, omdat deze toch niet in Nïeuweschans worden beslist.”

Hierbij moet men zich realiseren dat àndere burgemeesters op dat moment al in gijzelaarskampen zaten. Bij de door Snater uitgesproken intenties verbaast het niet dat diens profiel uiterst kleurloos was tijdens de rest van de oorlogsjaren. Zijn naam bleef uit de kranten, maar mogelijk stelde hij zich achter de schermen toch wat al te volgzaam op jegens de bezetter. In augustus 1945 werd hij op non-actief gesteld en in 1946 ontslagen. Hij bleef niet in zijn geliefde provincie Groningen wonen en verhuisde naar Zeist, waar hij in 1974 overleed.


De Vedde Gaanze

Vond vandaag een voordracht met lied in – volgens mij – stadsdialect. Het stukje dateert uit 1921 en gaat over een vent die met een biljartwedstrijd in de kroeg een vette gans won. De auteur was ene Wes van Eunen, die het schreef op de melodie van Arthur Collins’ Old Man Jazz, destijds (in het nog radioloze tijdperk) blijkbaar een hit:

De voordrager komt half aangeschoten met een nagemaakte geplukte gans in de hand op. Hoera-geroep achter!

Proza: Joa, roup moar hoera! … Ik heb hom te pakken (toont de gans aan het publiek). Is dat aine of gaint?! Heb ’k wonnen mit biljarten, ’n mooi baist!

ZANG

1
As é mörgen op de toafel stait,
De gans, de gans, de vedde gans,
En mit appelmous noar binnen gait,
De gans, de gans, de vedde gans,
Dan is ’t zeker feest in ’t hoesgezin,
Want zoo’n knoap dai bringt de fut erin,
 d’Haile keet dai hapt en smakt erin,
De gans, de gans, de vedde gans,
‘k Moakte series bie de vleet,
‘k Huil ze vèr achter de meet.
Aalle speulers mit pristoatie, Hinne en Cornelis,
Hannes, Jannes, Rinus, Tinus en Rieks Melis.
‘k Speulde as ains Bierling dee,
O, ik was jè kaant op glee.
Om ‘t van mai te winnen goan, was hail gien kans.
Ik heb thans… de gans.

2.
Ik bin bliede dat ik bin getrouwd,
De gans, de gans, de vedde gans,
Aanders haar mai deze winst beroud,
De gans, de gans, de vedde gans.
As ik heur straks zai, mien laive vrouw,
Kiek, dan geef ik heur de ganze gauw,
En ik zeg dan: “Hier! – smoes nou moar louw!”
De gans, de gans, de vedde gans.
Bainoa dronk ‘k mai van de wies,
‘k Bin net zo vet as mien pries,
’t Was moar rondjes en tractèrren, catzies, fladderakies,
Olle kloare, longoavita en conjakkies.
Moar kiek tot mien groot geluk,
Ik bleef aalmoar bai mien stuk.
Mai doar of te brengen doarveur was gien kans,
Ik heb thans… de gans.

3
Ik wol nou moar dat mien vrouw gauw kwam,
De gans, de gans, de vedde gans,
Want ‘k heb dörst en trek an ’n boterham
Met gans, met gans, met vedde gans.
Hail gien mensch in hoes dai mai as man,
Hier ontvangt, door snap ik jè niks van.
En moar toujour deur hikt hai mie an,
De gans, de gans, de vedde gans.
‘k Zai de vreugd aal op heur toet,
Op mien Geessiens laive snoet.
‘k Zai heur straks aal hail naiwschierig naur mien prieze snuffeln
En mit d’olle vol van bliedschap snoetje knuffeln,
Wat er hier thans ook gebeurt,
Mien geluk wordt nait versteurd.
Nee, doarveur het zeker nou gien aine kans,
Ik heb thans…. De gans.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 1774 inv.nr. 1530.


Adverteren doet verkopen

Dan ben je bezig met een projectje waarvoor je de meeste gegevens uit Delpher haalt en blijft je oog aan het een en ander haken, zoals:

  • Reclame voor een hoogtezon, waarvan de tekening ook niet had misstaan in een advertentie van een socialistische partij of een vrijdenkersclub:

    Nieuwsblad van het Noorden 30.10.1936.

    – Een elegante bakkerskar zoals je zelf nog hebt zien rijden in je kinderjaren – in die bak zaten luchtgaatjes die in cirkels gegroepeerd waren, weet je nog:

    Nieuwsblad van het Noorden 15.3.1938.

    – Reclame voor een film die een jaar voor de Bevrijding in de bioscopen draaide:

    Twentsche Courant 13.5.1944.

    – En de fenomenale telefoontarieven van zeventig jaar geleden:

    Provinciale Drentsche en Asser Courant 26.4.1947.


Politiek in de kerk van Termunten

Ontvangstposten in het diaconieboek van Termunten:

4.1.1786

Dankstond wegens vrede met Duitse Keizer, uit de buil 5-1-3..

Een jaar eerder was er een crisis geweest om de Schelde, waarbij Joseph II, de keizer van Oostenrijk, ons land dreigde binnen te vallen. Juist vanwege die dreiging stimuleerden de Staten van Stad & Lande burgerwapening. Begin 1786 werd de zaak bijgelegd.

17.5.1795

“Geen preedikdienst wegens den oorlog met het beleggen van Fransche troupen in het caspel van Termunten en meer andere plaatsen die onder onse kerke behooren.”

Omdat er inkwartiering van Franse soldaten plaatsvond in het kerspel, kon de preek op zondag niet doorgaan. Deze soldaten, ook gelegerd bij batterijen op de Punt van Reide, moesten de Pruissische overkant van de Eems in de gaten houden. Frankrijk en Pruissen waren officieel nog in oorlog.

6.8.1797

“Geen kodgisaatsy weegens het stellen der stemopnemers op den 8 augusty over het goedt of afkeuren van de konsystuitsy.”

Geen catechisatie vanwege het verkiezen en aanstellen van stemopnemers in de grondvergadering waarin door de stemgerechtigden (die de eed van burgertrouw hadden afgelegd) gestemd werd over het eerste ontwerp van constitutie (het “dikke boek”) voor de Bataafsche Republiek. Het ontwerp werd twee dagen later afgekeurd bij het allereerste Nederlandse referendum.

19.11.1799

“Weegens een redevoering gedaan van domeni over het verlaaten van de Engelsen van onze Republijk en uit de bekken” 4-15=1

In het najaar van 1799 ondernamen Engelsen en Russen een invasie in het zompige Noord-Holland. Mede door dominees zoon werden ze weer de zee in gedreven.

3.6.1804

“Domnie van Oterdom agtermiddag preekt met mantel en bef”, uit de buil 1-18-6

Een tijd lang hadden predikanten omwille van de gelijkheid (in de trits vrijheid-gelijkheid en broederschap) niet meer gepreekt met mantel en bef. Waarschijnlijk deed de predikant van Termunten dit medio 1804 nog steeds niet. Toen de buurpredikant van Oterdum een vervangingsbeurt kwam houden, vond de diaken diens ambtskleding daarom het vermelden waard. Hij nam notitie van een kleine restauratie.


Rondje Eiteweert – Stad

Bij de vloeivelden van de suikerfabriek, Roderwolderdijk:

Even op de Onlanden gekeken:

Kornoelje in een tuin aan de Langmadijk, Peizermade:

Berk, Bruilweering:

Bruilweering – iemand moest zo nodig zijn afval verbranden, heel fijn voor de overburen:

Neem plaats! Meubelboulevard Hoendiep:

Hoendiep bij Hoogkerk:

De suikerfabriek is nog steeds aan het werk:


Huis-aan-huiscollectes in Termunten en wat ze zeggen over de economie en rangen en standen

Als een diaconie flink tekort kwam, zonder dat er op korte termijn zicht was op meer geld in haar kas, dan werd het tijd voor een noodmaatregel: een huis-aan-huiscollecte voor de armen in het kerspel. Zo’n ommegang heet in de diaconierekeningen vaak “buitengewoon” – de diaconie mocht er geen staat op maken en moest er steeds toestemming voor vragen bij het bevoegd gezag. Vrijwel nergens was er dan ook jaar na jaar een huis-aan-huiscollecte. Zo organiseerde de diaconie van Termunten (exclusief Borgsweer) tussen 1784 en 1809 slechts vijf maal zo’n ommegang:

Data: Opbrengst: Bewoners op lijst: Gemiddelde gift:
29 en 30 januari 1795 116-12-7 en een mudde bonen die onder de armen is verdeeld.
18 november 1800 253-2-4 112 ƒ 2,26
5 en 6 april 1804 268-15-4 163 ƒ 1,65
9 tot 11 februari 1808 194-13-0 159 ƒ 1,22
29 en 30 nov. 1808 167-14-2

Opvallend is dat de Termunter diaconie pas in 1795 naar dit middel hoefde grijpen. Daarna is het om de vier, vijf jaar raak, met zelfs een dubbele huis-aan-huiscollecte in 1808. Je zou hier een verband kunnen vermoeden met de hoge graanprijzen in deze periode, waardoor het brood vrij duur uitviel. Maar ook was er bijna steeds oorlog op zee, waardoor de sectoren van de economie die van de zeevaart afhankelijk waren, achteruit kachelden. Vooral ook na de afkondiging van het totale handelsembargo tegen Engeland (1806) moet een haven als Termunterzijl daar iets van hebben gemerkt en daarmee de gemengde Termunter economie als geheel. Kijk ook maar eens naar de laatste kolom, die aangeeft dat de gemiddelde gift per hoofdbewoner tussen 1800 en 1808 zo’n beetje gehalveerd is: men had het minder breed en kon dus minder missen.

Dat er van de Termunter huis-aan-huiscollecten in 1800, 1804 en februari 1808 zo’n gemiddelde te berekenen valt, komt doordat de originele inschrijvingslijsten van deze drie ommegangen in de diaconierekening gekopieerd zijn. Bij die van 1795 en november 1808 gebeurde dat helaas niet. Hiervan waren de opbrengsten ook lager. Mogelijk werd er toen met bussen gecollecteerd, zoals bekend een methode die wat minder sociale controle en daarmee conformisme in het geefgedrag oproept dan een collecte met een lijst, die doorgaans wat meer succes oplevert.

Bij nader inzien valt er overigens wel iets af te dingen op die afnemende gemiddelde gift. Op de collectelijst van 1800 staan immers 112 namen van gevers tegen rond de 160 bij die van 1804 en 1808. Dat het aantal huishoudens of adressen tussen 1800 en 1804 met ruim 40 % gegroeid zou zijn, lijkt onwaarschijnlijk, er moet dus haast wel iets anders aan de hand zijn geweest.

Wat dat was, wordt duidelijk als we de waardes van de individuele giften op de lijsten groeperen en de drie collectejaren naast elkaar zetten:

Waarde giften: 1800 1804 1808
ƒ 10 of hoger 5 5 2
ƒ 5 tot 10 11 14 8
ƒ 2,50 tot 5 17 11 15
ƒ 1 tot 2,50 28 46 29
ƒ 0,50 tot 1 14 23 31
ƒ 0,25 tot 0,50 28 38 39
Minder dan 0,25 9 26 35
TOTAAL 112 163 159

Van 1800 op 1804 groeit het aantal gevers in de vier laagste giftgroepen, maar relatief gebeurt dat vooral in de allerlaagste groep, die praktisch verdrievoudigt. Met andere woorden: de groei in het aantal gevers zit dan vooral bij de mensen die het minst kunnen missen. Mogelijk hoefden die in 1800 nog geen bijdrage te leveren waardoor ze ontbreken op de lijst van dat jaar. Dat maakt die lijst echter ook minder bruikbaar voor een vergelijking.

Onderling wèl goed vergelijkbaar zijn de lijsten van 1804 en februari 1808. We zien dan nominaal een forse terugloop – samen wel een halvering – bij de twee groepen met gulste gevers. De derde groep groeit echter, wat zou kunnen komen doordat de grootste weldoeners het wat kalmer aan zijn gaan doen. Fors is weer de terugloop bij de vierde groep, terwijl twee van de drie laatste groepen duidelijk groeiden in aantallen gevers. Heel globaal is het beeld dan dat het aantal grote filantropen slonk, terwijl het aantal kleine schenkers toenam, een ontwikkeling die dan vooral samenhangt met de krimpende economie in de sectoren die het van de zee moeten hebben.

Nog wat beter komt deze ontwikkeling uit de verf, als we de nominale groepsgroottes voor 1804 omzetten in de percentages die geversgroepen uitmaken van een hele lijst:

Waarde giften: 1804 1808 Afname (–) / Groei (+)
ƒ 10 of hoger 3,1 % 1,3 %
ƒ 5 tot 10 8,6 % 5,0 %
ƒ 2,50 tot 5 6,7 % 9,4 % +
ƒ 1 tot 2,50 28,2 % 18,2 %
ƒ 0,50 tot 1 14,1 % 19,5 % +
ƒ 0,25 tot 0,50 23,3 % 24,5 % +
Minder dan 0,25 16,0 % 22,0 % +

Ook relatief neemt het aantal zeer gulle gevers af, terwijl het aantal schenkers van geringe giften in dat opzicht toeneemt, een ontwikkeling die je als verarming of misschien ook wel als nivellering kunt aanduiden. Verwerkt tot een grafiek ziet dit er zo uit:

Zoomen we nog even in op individuele gevers, dan blijken giften ook bij deze huis-aan-huiscollecten samen te hangen met stand of maatschappelijke status. Neem de grootste weldoeners, die voor 10 gulden of meer intekenden op de lijst van de diaconie. In 1804 ging het nog om deze vijf mannen:

Naam Bedrag (guldens-stuivers-duiten)
Syse G. Bart 12-0-0
Jannes Arends Toxopeus 12-0-0
Jan Harms Steenhuis 11-0-0
Jan Hemmes 10-0-0
Ds. J.A. Smith 10-0-0

Bart, Toxopeus en Smith kwamen ook al in de top 5 van 1800 voor als eerste, tweede en vijfde gulle gever. Bart was in compagnie met zijn broer ondernemer en koopman. Zo haalden ze volgens advertenties in de Groninger Courant scheepsladingen hout uit Noorwegen, en bouwden ze in 1803 een rogge – en pelmolen in Termunten, die ze in 1805 weer wilden verkopen. Daarnaast was Bart kerkvoogd, net als Hemmes van Termunterzijl. Jan Arends Toxopeus ging door het leven als landgebruiker oftewel boer. Omdat zowel de weduwe Bart als die van Steenhuis in 1808 voor relatief lage bedragen intekenden, kwam Toxopeus toen bovendrijven met de topgift van 15 gulden. Alleen Jannes F. Bosker, eveneens een boer, kwam dat jaar met 10 gulden in Toxopeus’ buurt. Overigens overleed dominee Smith, die in 1804 nog bij deze elite hoorde, in 1805 aan de “rotkoorts”.

In Smiths geval stond zijn beroep er steeds bij, wat voor maar weinig anderen geldt. Uit het lijstje van 1804 haalde ik nog de volgende beroepen met de bijbehorende giften, die inderdaad laten zien dat een hogere stand gepaard ging met een grotere gift:

Beroep Gift
Commies 3-0-0
Boekhouder zaagmolen 2-0-0
Schoolmeester 1-10-0
Schipper 1-8-0
Commies 1-2-0
Kuiper 1-0-0
Molenmaker 1-0-0
Knecht 0-12-0
Snijder 0-5-4
Naaister 0-2-0

Voor de koop- en ambachtslui gold: hoe meer kapitaal er bij de beroepsuitoefening nodig was, hoe hoger ze op de maatschappelijke ladder stonden. Door de beroepsloze namen op de lijst na te trekken in verzegelingen, rekeningen, boedelinventarissen, belastingkohieren en waterschapsarchivalia, zou dit lijstje nog aanzienlijk kunnen worden uitgebreid, maar dat vergt iets teveel moeite voor een stukje als dit en laat ik er maar even bij zitten.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 305 (archief hervormde gemeente Termunten) inv.nr. 27.


Verdronken bij Termunten

Ontvangsten wegens verdrinkingsgevallen in het diaconieboek van Termunten – de volgende sommen zijn afkomstig uit het doodbekken bij begrafenissen op het lokale kerkhof:

Datum ontvangstpost: Omschrijving: Somma in guldens-stuivers-duiten:
9.8.1785 Van het kind van Berend Staal, in een sloot verdronken. 0-12-3
6.9.1785 Van Hinderk Jans Post kind in ’t Sijldiep verdronken. 1-16-2
25.4.1788 Van een drenkeling “die bij Fijmel is an de strand gekomen”. 0-7-7
11.3.1798 Van een drenkeling “tusken Fymel en Riede an de strandt gevonden”. 0-4-0
1.2.1802 Van Jan Hindrikken, “gevonden in Dollaart”. 0-2-7
30.4.1802 “Van een vondeling in die Dolaart”. 0-4-3
2.12.1803 “Van de verdrinkeling”, 0-2-4

De paar kinderen van ingezetenen, die dicht bij huis in het Zijldiep en een sloot verdronken, brachten de armen van Termunten meer geld in het doodbekken dan de veelal naamloze drenkelingen die bij Fiemel en Reide “an de strand” of verderop in de Dollard werden aangetroffen. De begrafenissen van die laatste drenkelingen zullen maar door weinig mensen zijn bezocht.

Een losse ontvangstpost, mogelijk duidend op een suïcide:

19.6.1787 “Van Fokke Laurens ontfangen door het wegdrijven van den Jode en zijn 12 duiten heeft liggen laten. Fokke an de armen geven” 0-1-4

Nog uit het doodbekken, strikt genomen geen verdrinkingsgeval, al zou het slachtoffer dan veel minder hebben geleden:

13.11.1786 “Van het zoontje van Eise Hagenouw zijnde Roef ??? genaamd geweest”.

Met achteraan de pagina:

“Zijnde het zoontje van E. Hagenouw allerongelukkigst ter dood gekomen door te vallen in een ketel kokend water in de slagttijd, ruim een half etmaal daarna overleden.”

6-5-0

Eise Hagenouw was een redelijk vooraanstaand ingezetene van Termunten. Gezien ook de aparte notitie in de diaconierekening, moet dit ongeval daar veel indruk hebben gemaakt. Behalve dat de familie naar haar stand een relatief hoge som in het doodbekken legde, zal de begrafenis ook door veel meer mensen bezocht zijn dan die van de naamloze drenkelingen. Ook dat zorgde voor de vrij hoge opbrengst, zeker voor een kinderbegrafenis.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 305 (archief hervormde gemeente Termunten) inv.nr. 27.


Valkerij Johan van Ewsum te Roden maakte deel uit van internationaal netwerk

Aan deze bretjes van beukenhout, bewaard in het familiearchief Van Ewsum, zaten ooit de sleutels van een hok met een ‘Noertsche gyrvalck’. Dat was een uiterst dure jachtvogel, want deze broedt in Lapland, Noord-Rusland en IJsland en de op te leiden jongen moesten dus van ver komen. Dat Johan van Ewsum in zijn valkenvlucht op de havezathe Mensinge onder Roden een giervalk had, blijkt overigens niet uit de stukken over die valkerij. Wel dat Van Ewsum er in 1565 en 1570 tevergeefs een exemplaar uit IJsland probeerde te bemachtigen. Maar misschien zat in dat hok een voorganger.

Die IJslandse giervalken gingen qua jacht door voor de “dapperste en bequaamste van geheel Europa”. Ze werden met hun 350 kilometer per uur halende duikvluchten vooral ingezet bij de jacht op reigers, prooivogels waarbij het vermoedelijk mede om de pluimen te doen was. De jacht met afgerichte roofvogels op reigers was op een gegeven ogenblik dermate populair in Noord-Drenthe, dat de overheid er die jacht in de broedtijd verbood. De wildschut of jager van de Abt van Aduard trok zich in 1563 echter niets aan van dat verbod en het volgende voorjaar zaten daarom alle schulten van het Noordenveld in hun rol van jachtopzieners op deze onverlaat te azen.

De jacht met roofvogels was vanouds voorbehouden aan de grote lui, de adel. Het trainen, door de vogel te wennen aan stukjes mager vlees, vergde veel geduld. Bij Johan van Ewsum – de would be heer van Roden, Norg en Roderwolde – gebeurde dat door een valkenier in zijn dienst, die de haviken en valken ook verzorgde.

Van Ewsum betrok de vogels primair uit de buurt, want bij Roden zaten ettelijke horsten. Maar hij haalde ook jonge vogels van ver, zoals hierboven al bleek. Volgens Lonsain, die erover schreef, bestelde Van Ewsum onder meer vogels bij een Bentheimse valkenier, maar was hij niet bijster tevreden over diens dienstverlening. In 1562 kwam er ondanks de afgesproken prijs van een daalder per havik of tersel (mannetjesvalk) slechts één enkele Bentheimer tersel naar Roden. In 1563 beloofde de man Van Ewsum alle haviksjongen te bezorgen die hij maar te pakken kon krijgen, maar ondanks een extra kwartvat boter om de vangst te stimuleren bereikte nu slechts één havik Roden. Tegelijkertijd leverde de Bentheimer valkenier wel allerlei vogels aan de Drentse drost. Om de man nog wat meer te stimuleren, mocht hij de hele zomer van 1564 een paard laten grazen in een van Mensinges allerbeste weiden. In ruil zou Johan van Ewsum van hem alle jonge haviken van het Tinholt nabij Neuenhaus krijgen. Volgens getuigen beklom de man inderdaad verschillende bomen met havikshorsten om er de jonge havikjes uit te halen, maar de bode die Van Ewsum erop afstuurde, scheepte hij met mooie woorden af. Van Ewsum dacht de Bentheimer zelfs onder druk te kunnen zetten door diens paard vast te houden – de man zou hem drie haviken moeten toesturen en anders kreeg hij dat paard niet terug. Ook overwoog Van Ewsum een aanklacht bij de graaf van Bentheim. Maar of hem dat heeft geholpen?

De noordelijke stadhouder Arenberg, een ‘vriend’ van Van Ewsum, had dezelfde liefhebberij. Hij was tevens ’s Konings stadhouder in het graafschap Lingen. Daar mocht Van Ewsum van hem naderhand jaarlijks drie haviken of tersels laten vangen, waarbij de Rodenaar mocht rekenen op de hulp van Arenbergs mannen ter plaatse.

Van zijn kant stuurde Van Ewsum in 1564 drie rode valken naar Arenberg, die deze erg mooi vond en Van Ewsum daarom in ruil een havik en twee tersels beloofde. In het najaar van 1567 wilde Arenberg zelfs Van Ewsums valkenier overnemen. Een half jaar later zou hij sneuvelen bij Heiligerlee, maar zijn weduwe leek eveneens in valken geïnteresseerd, want ze vroeg in 1569 Van Ewsum om zulke vogels, zij het namens de graaf van Bossu, ’s Konings stadhouder van Holland en Zeeland. Dat verzoek werd overgebracht door Casper de Robles, de stadhouder van de Nederlandse gewesten benoorden de IJssel en Van Ewsum was zo vereerd dat hij de weduwe Arenberg vier in plaats van twee tersels toestuurde.

Naast Bentheim, Lingen en Holland had Van Ewsum contacten in Oost-Friesland en Friesland. Een Oostfriese jonker ontving van hem een geoefende jachtvogel en een Friese edelman stuurde hij twee valken toe. Die man wilde ook nog een meerjarige havik uit Roden die geschikt was voor de jacht op reigers, maar die kon Van Ewsum hem niet leveren. In 1567 correspondeerde Van Ewsum bovendien met een Meynardt Lykles van Nijeholtpade (een voorzaat van de Lycklama’s a Nijeholt?). In naburige bossen zat een valkenpaar, waarvan Johan van Ewsum de jongen begeerde. Hij viste hier evenwel achter het net.

Bovendien liep er nog een lijntje van Mensinge naar de overkant van de Noordzee. In 1567 wilde een Engelsman die vanuit Emden opereerde, haviken en valken uit de valkerij van Johan van Ewsum kopen. Lonsain veronderstelt, dat na Van Ewsums dood in 1570 diens vogels ook naar Engeland zijn gegaan.

Bron: B. Lonsain, ‘De Valkerij op het Huis te Roden’, Nieuwe Drentse Volksalmanak 1931, pag. 38-46.


De Deventer almanak voor het jaar 1568

In deze tijd van het jaar hadden zwervende omlopers altijd een mooie bijverdienste aan de verkoop van almanakjes.

Groningen kreeg pas laat een eigen almanak en dan was het nog slechts een comptoirsalmanak. In de zestiende eeuw moest zulke waar nog uit Deventer en Kampen komen. Dit is een Deventer exemplaar uit het jaar 1568:

Met een uitleg van de waterstanden:

Een figuur van de invloed die de maan en de verschillende hemeltekens op het menselijk lichaam uitoefenen, ook heel handig als je een aderlating moest ondergaan:

En de met astrologisch jargon opgepropte jaarvoorspelling door dr. Ambrosius Magirus, die in zijn 53ste levensjaar overigens sterk op een Talibanstrijder leek:

Bron: RHC Groninger Archieven 1769-18812.1568.



‘Vreugde op uw pad’

Nieuwjaarswens Soerabajasch Handelsblad 10.1.1892/