Knickerbockers dames 7 – ‘Afgelast’

Pastiche op de bekende reclame van Peijnenburgs koek:


De standsbewuste doopvader

Bernard Picart, Doop bij de Gereformeerden (1732) – fragment. Collectie Rijksmuseum.

Vaders in Beerta, zo ontdekte ik van de week, deponeerden in de jaren 1762-1764 vrijwel uitsluitend zilveren en gouden munten in het bekken op het kerkkoor, nadat daar de doop van hun kind plaatshad. Het ging veelal om enkele of dubbele geldstukken. Boeren gaven goudgeld (een gulden of meer), zilvergeld kwam in afnemende waarden van middenstanders en dienstbaren. Betaalden de laatsten een paar stuivers, menige kleine middenstander legde uit dankbaarheid dat zijn kind in de gemeente opgenomen was een sestehalf (5,5 stuiverstuk) in het bekken. De in deze schaal gelegde som hangt, met andere woorden, af van de inschatting die de doopvader van zijn eigen stand of maatschappelijke positie maakt.

Vanavond even gekeken of dit fenomeen ook in de buurgemeente Oostwold voorkwam. En ja hoor, daar doet zich  hetzelfde voor. Neem de zijlwaarder van de Oostwolderpolder Jan Brunius (ook wel Bruinius, Bruinjes en Bruins geheten). Bij twee vrouwen kreeg hij tussen 1772 en 1803 achtereenvolgens twaalf kinderen, die hij allemaal zelf ten doop presenteerde. Hieronder heb ik ze op een rijtje gezet met de sommetjes die de zijlwaarder in het bekken legde:

Datum doop Naam kind In het bekken (guldens-stuivers-duiten)
Huwelijk I –
2.8.1772 Abraham x
24.10.1773 Willem x
14.3.1776 Grietje x
20.9.1778 Lukas x
1.10.1780 Klaas x
31.7.1785 Helena Elemina 0-5-4
Huwelijk II –
24.10.1790 Hindrik x
4.11.1792 Anje 0-6-0
30.8.1795 Meindert 0-5-4
26.3.1797 Grietje 0-5-4
2.3.1800 Fybe “0-5-4”
26.6.1803 Willemina x

In zeven gevallen staan er kruisjes achter de namen, of omdat de desbetreffende kinderen samen met andere kinderen werden gedoopt, waarbij de diaken de ingelegde geldbedragen bij elkaar optelde en als som noteerde, of omdat de  diaken de opbrengst van de buil bij de preek en de inleg in het doopbekken bij elkaar optelde als zondaagse dagopbrengst. In zulke gevallen zeggen de geldbedragen meestal niets. Wel bruikbaar zijn de genoteerde bedragen bij doopbedieningen, waarbij de predikant louter en alleen een kind van Brunius doopte. Dat gebeurde in vier gevallen. In drie daarvan is de somma steeds een enkele sestehalf (of afgezette schelling; 0-5-4 = 5,5 stuiver) en één keer legde Brunius een niet- afgewaardeerde schelling (6 stuivers) in de schaal. Bij de doop van Brunius’ jongste zoon noteerde de diaken bovendien een opbrengst van 16,5 stuivers als gezamenlijke opbrengst van drie doopvaders, die dan vast elk een sestehalf zullen hebben gegeven.

Naast zijlwaarder was Brunius tapper. Hij had ook een paar koeien, schapen en zwijnen. Echt indrukwekkend is zijn boedelinventaris uit 1789 niet bepaald. De sestehalf die hij vrijwel steeds inlegt als doopgift aan de armen van het kerspel, laat zien dat hij zichzelf als kleine middenstander zag.

Intrigerend is ook dat hij het bedrag nauwelijks varieert. Van de eenmaal vastgestelde stand wordt niet of nauwelijks afgeweken.


Lanterfantende metselaars? Aannemersproces laat mores in de bouw zien

Jan Georg van Vliet – Metselaars. Ets,1635. Collectie Rijksmuseum.

Blijkbaar waren de kerk en pastorie van Veendam rond 1730 aan groot onderhoud toe, want Gedeputeerde Staten, de collatoren van die kerk, hadden in een aanbestedingsprocedure “eenig metzelwerk” gegund aan Harm Niehof en consorten, aannemers te Winschoten. Niehof c.s. voerden dat metselwerk echter niet zelf uit, want ze namen er een onderaannemer voor in de arm. Omdat die zijn werk niet goed deed, voelden de Gedeputeerden zich als opdrachtgevers gedwongen het karwei opnieuw aan te besteden op kosten van de in gebreke blijvende Niehof en co. De nieuwe aannemer werd Derk Hindriks. Maar hij kreeg naderhand zijn “arbeijts loon” niet door Niehof c.s. uitbetaald, zodat hij naar de Oldambtster drost stapte, de civiele rechter in dit soort zaken. Het werk was “ten vollen verveerdigt”, aldus Hindriks en hij had dus recht op zijn geld.

Niehof c.s. daarentegen, vonden dat Hindriks overvroeg. Zij baseerden dat op een “prijsatie” van het werk, op hun verzoek gedaan door Jan Coerts Langevelt, Valentijn Hop en Geert Harms, “drie metzelaars ten vollen het metzelwerk kundig”. Deze taxateurs hadden na een “nauwkeurige inspectie” de verdiensten van Derk Hindriks begroot 47 gulden, terwijl Hindriks’ maar liefst 78 gulden in rekening had gebracht, dus 31 teveel. Onder meer ging het om een post wegens het leggen van ongeveer honderd plavuizen, waarvoor Hindriks 12 gulden rekende, anderhalf maal zoveel als de 8 gulden die de “prijzeerders” hem hiervoor wilden toekennen.

Volgens Derk Hindriks echter, sloeg hun taxatie nergens op,

“wijl dit metzelwerk niet in ’t gros, maar bij dagen anbestedet was met beding van 1 gl. ‘s daags voor jeder man, konnende de ged[aag]den niet ontkennen dat dit werk wèl en na behoren door den impet[rant] (= de eiser, dus Hindriks) is volveerdigt, vermits [zij] daarin genoegen hebben genomen en betuigt, blijkende zulks ook uit de attestatie van de Eerw[aarde] Pastor Tideman, teffens een verklaring inhoudende van zijn angewende vlijt.”

Het werk was dus niet voor een lump sum aanbesteed, maar voor daghuren, zolang het karwei mocht duren, eigenlijk een open einde regeling. Bij de oplevering waren Niehof c.s. nog akkoord gegaan met de door Hindriks geleverde kwaliteit, iets wat ook bleek uit een verklaring van de lokale predikant Meinhardus Tideman. Blijkbaar had dominee als een soort van bouwopzichter gefungeerd, want in dezelfde verklaring getuigde hij positief over Hindriks’ inzet. De metselaarsbaas had het karwei, ondanks het aanbesteden bij daglonen, dus niet nodeloos gerekt.

Bovendien, zo voerde Hindriks aan, hadden de gedaagden hem op elk gewenst moment kunnen lozen “indien zijn werk hun niet had behaagt”. Nog even weer ingaand op de gewraakte taxatie: die kon ”met geen zekerheijd na gedaan werk” gebeuren, omdat de binnenkant van dat werk “voor ’t ooge bedekt is en het timmeren boven ander arbeijd buiten de gissing kan lopen”. Blijkbaar ging de metselklus met (voorbereidend) timmerwerk gepaard. Bovendien hadden Niehof c.s. mogelijk verzuimd om àlle door Hindriks opgeleverde bestekposten aan te wijzen aan de “prijseerders”.

Dit klonk redelijk overtuigend, maar Niehof c.s. hadden nog een troefkaart achter de hand, die ze nu tevoorschijn haalden. Ze erkenden weliswaar volmondig

“dat de anbesteding was geschied bij dagen en de dag begroot op een gulden, maar dat impet[rant] dan ook zijn vlijt had moeten anwenden zonder te lanterfanten, gelijk gedaan heeft” !

Om deze zeer belastende bewering te staven, voerden ze een verklaring aan van de eigenaars van het huis waar Hindriks “zijn slaapplaats” had. Deze getuigden dat de metselaarsbaas

“dikwijls van ’t werk in huis is gekomen, wandelende zoo wat over de floer dan reis in de spijskamer gaande, dan eens gegeten of zich eten klaar makende om de tijd te passeeren.”

Op zich, aldus Niehof c.s., hoefde deze verklaring helemaal niet in tegenspraak te zijn met de verklaring van ds. Tideman over de vlijt van Hindriks, omdat de predikant

“niet altijd bij het werk zal geweest zijn, en de arbeijders zig gemeenlijk wèl bevlijtigen, wanneer er jemant, bijzonderlijk van eenig anzien, tegenwoordig is”.

Ja, het was zelfs zo dat een van Hindriks’ knechten ziek geweest was, terwijl Hindriks diens werklonen voor de volle periode in rekening had gebracht. In plaats van een nieuwe knecht in te schakelen, beval Hindriks deze zieke knecht zelfs naar het werk te komen, “als was het ook op een stok”.

Uiteraard konden Niehof c.s., die in Winschoten woonden en daar hun eigen dingen hadden te doen, dit allemaal niet in de gaten houden, zodat ze ook Derk Hindriks niet van het werk hadden kunnen laten halen “wegens zijn dralen”. Intussen staken ze er van hun kant hun handen voor in het vuur dat ze de taxateurs alle punten van het karwei in Veendam hadden aangewezen.

Voor de laatste keer kwam Derk Hindriks nu aan het woord,

“bekende dat het lanterfanten niet vrie stond, dog zulks ook niet door hem was gedaan”.

Dat bleek volgens hem ook wel uit de tussentijdse controles door Niehof c.s. en de verklaring zie ze na de oplevering afgaven

“van hun welgevallen in het werk met bijgane verzoek om te willen continueren”.

Hierbij kon Hindriks eveneens verwijzen naar de verklaring van dominee Tideman, die daarin tevens getuigde,

“dat geen knegt op een stok heeft gezien, maar wel koorsig, die evenwel door de ged[aag]den is angemoedigt om bij ’t werk te blijven.”

Met andere woorden: niet Hindriks was ervoor verantwoordelijk dat de zieke aan het werk bleef, maar Niehof c.s. Andermaal ging Hindriks nog even in op het lanterfantverwijt:

“ontrent het na huis gaan wandelen over de floer (…) was bekent dat de timmerluiden haar zekere tijd hebben om te eeten, wandelen of rusten, na hetgeen haar in die schoftijd mag welgevallen”.

In de bouw mochten de werklui zich vertreden tijdens hun pauzes. Daar was niets verkeerds aan. Inderdaad een goede regeling, als je het mij vraagt, gezien de houding waarin ze vaak moesten werken.

Hoewel Niehof c.s. verklaarden dat de ziekte van die ene knecht ze onbekend was geweest en dat ze deze knecht absoluut niet zelf hadden aangemoedigd om aan de Veendammer kerk en pastorie te blijven werken, bleek hun zaak verloren. Na lang heen en weer gepraat verwierp de drost hun verweer. Als er niet verder geprocedeerd is, kreeg Hindriks dus alsnog zijn geld.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (archief drost Oldambt) inv.nr. 12 (rechtdagenprotocol rechtstoel Winschoten) zitting Zuidbroek 28 oktober 1732.


Het Zuiderdiep, tegen de avond

Het Zuiderdiep, een uur of vier, vijf vanmiddag, met rozig tegenlicht op de natte gele steentjes:

Zelfde lokatie, bij feestwinkel Mulder:

En een eind verderop, bij de supermarkt voor natuurvoeding en de bioscoop:

Toegift bij het station:


Hindrik Uildriks en zijn plaats in de Beertster samenleving

Bij het doornemen van het diaconieboek van Beerta uit de achttiende eeuw kwam ik natuurlijk ook mijn voorvader, de timmerman en kleine aannemer Hindrik Uildriks of Uilders tegen. Toen hij met Pinksteren 1762 trouwde, duidde de boekhoudend diaken hem zelfs alleen met zijn voornaam aan, een familiariteit, die samen moet hangen met een meer dan gewone bekendheid tussen de twee. Misschien waren ze buren. Helaas was Hindrik niet de enige bruidegom in die trouwdienst, en werden de opbrengsten van meerdere bruidsparen met elkaar als som genoteerd, zodat je weinig aan dit gegeven hebt.

Na ruim zeven maanden, begin 1763, lieten Hindrik en zijn vrouw een kind dopen: hun dochtertje Ettjen. Omdat er die zondag meerdere kinderen in de namiddaagse doopdienst werden besprenkeld, laat zich ook dit keer niets aan de collecteopbrengst aflezen. Het meisje overleed nog dezelfde maand. Bij haar begrafenis werd wèl een eigenstandige collecte-opbrengst genoteerd – het bekken dat de diakens bij die gelegenheid op het kerkhof neerzetten, bracht 17 stuivers op, een bedrag dat we nog maar even in ons achterhoofd moeten houden. Ook bij de doop van het zoontje Ulrich, het enige kind in de Beertster doopdienst van 27 mei 1764, staat er weer een bekkenopbrengst in het diaconieboek genoteerd: 5,5 stuivers, oftewel een sestehalf, een afgezette schelling. Deze destijds ronde waarde doet vermoeden dat alleen Hindrik als doopheffer geld in het bekken legde, iets wat wordt bevestigd als we nog wat verder kijken naar de bekkenopbrengsten bij enkelvoudige doopbedieningen. In totaal waren dat er 41 in het Beerta van de periode januari 1762 – juli 1764, waarvan er 39 (95 %) neerkomen op de enkelvoudige of dubbele waardes van indertijd courante munten. Kopergeld ging er voor het oog niet in het bekken, de opbrengsten bevatten louter zilver- en goudgeld:

Notatie in de diaconierekening (guldens-stuivers-duiten) Munt(en) Aantal maal deze bekkenopbrengst
0-1-0 stuiver 1
0-2-0 dubbele stuiver (dubbeltje) 7
0-4-0 twee dubbeltjes 4
0-5-4 sestehalf 12 *
0-6-0 schelling 1
0-11-0 dubbele sestehalf 4
0-12-4 ? 1
1-0-0 gulden 4
1-8-0 goudgulden 1
1-10-0 daalder 3
2-16-0 dubbele goudgulden 1
3-0-0 drieguldenstuk of dubbele daalder 1
5-4-0 ? 1

Bij de gulle gevers van de enkele en dubbele stuivers en dubbeltjes zitten een Snijder en een Muirker (metselaar, opperman). Ik neem aan dat deze groep ook arbeiders herbergt en dat deze muntjes vooral werden gegeven door mensen in loondienst, in de taal van die tijd: de dienstbare stand. Bij de gevers van de populaire sestehalven (afgezette schellingen) zit dus mijn voorvader (*) de timmerman en kleine aannemer, en afgezien van hem ook nog een Verver. Een van de guldens is afkomstig van Hindrik Gosselaar, een boer. De goudgulden komt van Oest Berends, de brouwer van het kerspel, en een van de daalders, het enige drieguldenstuk, en de hoogste, dit keer wel samengestelde som werden in het bekken gelegd door resp. de landbouwers Eltie Hillenius, Ellerus Hillenius (dezelfde?) en Sieto Roberts (Brederode). Boeren gaven dus goudgeld (vanaf een gulden), zilvergeld kwam in afnemende waarden van middenstanders en dienstbaren.

Dat zulke bekkenopbrengsten naar stand onderscheiden zijn, blijkt ook bij begrafenissen van kinderen. In totaal vond ik 35 van zulke bekkencollectes in het diaconieboek van Beerta over de jaren 1762-1764 en daarbij vertonen de sommen weliswaar een veel grotere variatie dan bij de dopen – waarschijnlijk omdat een wijdere kring aanwezigen iets bijdroeg in het bekken – maar verder blijkt er eenzelfde sociale gelaagdheid uit:

Opbrengst in stuivers Aantal van deze opbrengsten
0-9 12
10-19 8 **
20-29 5
30-39 1
40-49 1
50-59
60-69 3
70-79 2
80-89 3
90-99
Meer dan 100 1

Bij de begrafenis van een kind van de grote boer Poppo Jans bracht het bekken het meest op: ruim 6 gulden. Kinderen van andere boeren, Eltje Hillenius en Hindrik Gosselaar ‘deden’ 3 tot 5 gulden. Met zijn bijna 5 gulden hoort ook het kind van brouwer Oest Berends tot deze hooggeplaatste groep. De 17 stuivers, in het bekken gelegd bij de begrafenis van mijn voorvader Hindrik Uildriks’ kind (**), blijkt dan een relatief kleine opbrengst. Maar deze zit niet in de groep met de allerlaagste opbrengsten. Die werden genoteerd bij de begrafenissen van “Jantien dogters kind” (een kind van een ongehuwde moeder) en kinderen van een schoenmaker en een metselaar.

Kortom, zelfs aan het begin van hun leven bestond er al sociaal verschil tussen de mensen. Een boerenkind leverde de diaconie bij doop en begraven veel meer op dan een arbeiderskind. Getuige de opbrengsten van de bekkencollectes bij de doop- en begrafenis van zijn kinderen, behoorde mijn voorvader Hindrik Uildriks tot de op een na laagste groep in de Beertster samenleving, die van de kleine middenstand.


Klootjesvolk blijkt veel ouder dan gedacht

Zoek ik iets op in het Königliche Nider-Hoch-Teutsch, und Hoch-Nider-Teutsch Dictionarium uit 1719, valt mijn oog opeens op dit:

Klootjesvolk (Nl) = Lumpen-volck, Pöbel-gesinde, liderliches Gezüchte (D).  En, weer op zijn Nederlands: een andere term voor grauw etc.

Klootjesvolk, dus. Laat me nou altijd hebben gedacht dat die term was uitgevonden door de provo’s?! Hij blijkt zelfs nog ruim een eeuw ouder dan 1719, want het WNT, dat ‘klootjesvolk’ definieert als “oudtijds een minachtende benaming voor de lagere volksklasse, zooveel als: gepeupel, janhagel” – geeft een hele ris citaten met de term uit de zeventiende eeuw, waaronder deze van Bredero uit 1612:

“Dit klootjes volck van de vesten, of uyt de slopjes,
Die legghen en loopen, en goyen elckien mit dopjes

De kansarmen die hier in hun achterbuurten passanten bekogelen met rotte eieren, lijken echter wel wat agressiever dan het klootjesvolk waar de provo’s en hippies het later over hadden. Dat waren, als je het mij vraagt, veeleer suffe spitsburgers.

Enfin, zo’n lang vergeten term die weer opleeft in een totaal ander tijdsgewricht – fascinerend!


Hoe de Stad 300 jaar geleden wakker werd en een wekenlange hulpoperatie begon

Het was dan op den morgen van gemelden dag (26 december 1717, HP) dat het water in en door de dijken een vrijen ingang kreeg tot deze provincie, en reeds tegen den middag zag men het voor de poorten van Groningen. Zóó van oogenblik tot oogenblik hooger stijgende, stond het des avonds te 7 uur op verscheidene plaatsen in die stad eenige voeten hoog in de straten, zoodat alsnu vele menschen, vooral bij de Steentilpoort, genoodzaakt waren op de zolders of bovenkamers te vlugten, aangezien het water ter kniehoogte door deze poort werd voortgestuwd. Zoo stond b.v. bij eene herberg, het Raadhuis van Emden genoemd (aan het binnen-Damsterdiep nz., HP), het water dusdanig hoog, dat de trekschuiten daar voor de deur op de stoep aanlegden.

Toen de regering van Groningen den nood der omliggende plaatsen, vooral dien van het Hunsingo- en Fivelingokwartier, ontwaarde, werden al de trekschuiten en andere aanwezige vaartuigen met de noodige manschappen, geprest , om met brood , bier, versch water enz. voorzien, de op de zolders, hooi en stroo zittende noodlijdenden van de noodigste behoeften te voorzien. Aldus was men nagenoeg veertien dagen bezig met het aanhalen van menschen, beesten, huisraad en voeder. De prinsenstal, de ruiterwacht , ja zelfs het akademiegebouw werden, benevens de partikuliere paardenstallen en koetshuizen, tot stalling der geredde beesten gebruikt.

Bron: A. Smith, Geschiedenis der provincie Groningen (Groningen 1849) 298. Eromheen staat het hele, compacte verhaal van wat de Kerstvloed in de provincie Stad en Lande aanrichtte.


Bij de kerstboom in huize Perton

Mijn broertjes bij de kerstboom, anno 1969.

Mijn vader heeft die boom net opgetuigd met echte kaarsjes. Wat dat betreft waren we zo’n beetje de laatsten in de buurt. “Het licht is veel warmer”, vond mijn moeder. Er droop natuurlijk wel kaarsvet uit en daarvoor lagen de Meppeler Couranten op de vloer, die naderhand misschien ook dienst deden tegen de uitval van naalden, al ging de boom vlot na Nieuwjaar de deur uit. De emmer met bluswater staat er nog niet of blijft buiten beeld. Inderdaad is onze kerstboom een keer in de fik gevlogen, een jaar of wat later. Wat een consternatie gaf dat. Toen kwamen er alsnog elektrische lampjes. Dat het licht zo warm werd, was nou ook weer niet de bedoeling.

Verder biedt de foto een unieke blik op onze radio- en TV-hoek. Die TV, nog zwartwit, ging niet lang nadien haperen en als je hem dan aan de zijkant een beste klap gaf, functioneerde hij weer even. Deze handeling moest je op een avond steeds vaker herhalen. Boven de TV hangt de kalender van Pro Juventute (kinderbescherming) en op de beeldbuis staat het portret van mijn oma die op Sinterklaasdag 1962 overleed.  Onder de TV staat de radio, die in dit geval met wat bananenstekers achterin diende als versterker voor de pick-up. De naald staat vast op een draaiende grammofoonplaat met kerstliedjes. Rechts aan de wand drie ronde lijstjes met miniatuur-borduurwerkjes en op de voorgrond een ovalen salontafel met vergulde “kroeme poties” en in kunsthars gelegde brokken natuursteen (deels marmer). Aan dat loeizware ding, een hartewens van mijn moeder weet ik nog, kon je gemeen je schenen stoten. Er staan een brandewijnkom en een asbak op.

Mijn moeder wilde ons alle vier ook graag altijd even op de foto hebben. Dit was een van de zeer zeldzame keren in mijn leven dat ik een das omhad:


Kerstmis in Groningen, 1890

Schager Courant 25 december 1890.

Schager Courant 28 december 1890.

Meer over de barre winter van 1890.


Kerstmis was in achttiende eeuw nog niet zo bijzonder qua kerkbezoek

Op Kerstavond en Eerste Kerstdag zit de kerk tegenwoordig altijd vol, waar die op gewone zondagen door het jaar heen altijd maar matig bezocht wordt. Dat zal zijn effect hebben op de collecteopbrengsten, zou je zeggen. Ik weet niet hoe het nu zit – misschien is er een diaken onder mijn lezers die hierover uitsluitsel kan geven – maar in de achttiende eeuw waren de collecteopbrengsten bij Kerstvieringen nooit zo extreem hoog, vergeleken bij die op gewone zondagen. Dat bewijzen opbrengsten van de builcollecten op dagen dat er in 1770 gepreekt werd in de kerk van Noordbroek. Deze heb ik in onderstaande grafiekje verwerkt:

Op een gewone zondag kwam er gemiddeld 3,5 à 4 gulden binnen. Dat hing ook een beetje ervan af of er twee diensten waren of één. Wat betreft die gewone zondagen zie je een soort golfbeweging door het jaar heen: een stijgende lijn van januari tot in maart, daarna een langzame afname tot in oktober, waarna de golf weer oploopt. Dit zal samenhangen met het bezoek: in de eerste fase toenemend met het steeds betere weer, daarna landurig afnemend naarmate het werk op het land meer roept, en weer oplopend als dat werk in december stilligt.

Qua uitbijters zijn de laagste opbrengsten van proef- en passiepreken op doordeweekse avonden. Interessanter zijn dan de dagopbrengsten die er bovenuit steken. Dat betreft ten eerste die van Nieuwjaarsdag met 7 gulden: de dubbele opbrengst van een gewone zondag. De tweede piek hangt samen met de voorjaarsbiddag. Die vond weliswaar vier dagen eerder plaats dan de zondag met die piek, maar op de biddag werd, anders dan gewoonlijk, niet gepreekt, terwijl er dan anders ook altijd bijzonder hoge opbrengsten werden geboekt. Die Dank-Vast en Biddag was hèt charitatieve moment van het voorjaar. Ik neem dan ook aan dat veel Noordbroekster kerkgangers hun gift nog even vasthielden tot de eerstvolgende gelegenheid. Met Pasen (medio april) werden geen bijzonder hoge inkomsten genoteerd en dat gebeurde evenmin op Hemelvaartsdag. Wel is Pinksterzondag met ruim 6 gulden een uitbijter. Dan is er eind juli een hogere piek, die onverklaarbaar is – mogelijk heeft iemand wat extra geld in de buil gestort. Het piekje van begin september komt van de dankdag wegens  Groningens Ontzet, en de hoogste opbrengst van laatste maand is die van 16 december en juist niet van een Kerstdag. De ƒ 6,65 van de eerste dier dagen is niet extreem hoog vergeleken met de omringende dagopbrengsten en doet onder voor die van Nieuwjaarsdag en flink onder voor die van de voorjaarsbiddag. Qua collecte-opbrengsten en dus kerkbezoek was Kerstmis dus nog niet zo bijzonder.


Wat met Midwinter in een Groninger bakkerskorf zat

Vond een foto van een broodventster in Het Noorden in Woord en Beeld van 17 december 1926:

Zo ongeveer moet mijn overgrootmoeder erbij gelopen hebben, in Zuidhorn. Aardig is dat de bijbehorende conversatie ook het midwinterse assortiment in zo’n broodkorf weergeeft:

“Stoede? Kedetjes? Frizze olwieven? Mit krenten? ’n kwartje moar. Twaibakken? Kniepkoukjes en rollertjes veur neijoar?”

 


Zo’n meisje toch


Graffiti, Viaductstraat.


Vrij werk van Dirk Staf zweemt naar Cobra

In de Trouw van 4 februari 1971 staat de biografie van toen pas overleden Dirk Staf, die ik tevergeefs heb gezocht in de Meppeler Courant. Onze dorpspottenbakker waarvan ik een hekkentic overnam, bleek eerder overleden dan ik dacht en hij is niet erg oud geworden: slechts 50 jaar. Hij stierf in een verpleeghuis in Hoogeveen. Volgens het bericht bracht hij zijn jeugd door in België en Frankrijk en leerde hij zijn vak in Limoges en Sèvres, de stad van het serviesgoed. Naast potten, vazen en kommen maakte hij wandreliëfs voor openbare gebouwen en grootwinkels, met name in Duitsland. Ik meen dat ik daar wel eens eentje van gezien heb, o ja, deze:

De vormentaal zweemt naar Cobra.


Even naar de Stad

Reclame op bouwschutting nieuwe tattoozaak, Nieuwe Boteringestraat:

Vismarkt met haringliefhebbers van diverse pluimage:

In de A – Winterwelvaart:

Op de kaden was het me iets te druk, dus ben ik maar doorgefietst:


Hoe Hitlers Mercedes in Groningen belandde en weer uit de Stad verdween

De gele 8-cylinder aan het Zuiderdiep tegenover de Munnekeholm. Parool 1 juli 1947.

Nooit en te nimmer zou ik het bericht gevonden hebben, ware het niet dat Simon Carmiggelt het even aanstipte in zijn ‘Kronkel’ van 25 juli 1947. Eind die week ging in Amsterdam namelijk de Charlie Chaplin-film The Great Dictator in Nederlandse première en om daarvoor reclame te maken, werd een bijzondere bolide ingezet. Carmiggelt:

“Een meneer, verkleed als Charley en twee andere meneren, verkleed als Duitse soldaten, zullen dan door de hoofdstad rijden in…… de echte, authentieke auto van Hitler, die, zoals men weet, door een Groninger in Duitsland is opgekocht en voor een paar dagen aan deze reclamestunt wordt afgestaan.”

Vervolgens ga je dan natuurlijk voor de meest uitgebreide verslaggeving omtrent deze auto eerst op zoek in de digitale leggers van de lokale krant. Maar het nog maar pas een jaar weer verschijnende Nieuwsblad van het Noorden wilde de vingers er niet aan branden, of zijn redactie geloofde er niet zo heel erg in, want het blad bevatte destijds tittel noch jota over deze voor Groningen toch zeer belangwekkende verwerving. Ook veel andere, landelijk bekende kranten besteedden er geen aandacht aan. Carmiggelts eigen Parool daarentegen, had wèl een bericht, te weten op 1 juli van dat jaar 1947 onder de kop “Hitler’s auto belandt in Groningen”:

“(Van onze correspondent). GRONINGEN — Aan het Zuiderdiep in Groningen staat sedert enkele dagen een opvallende auto, een enorme gele Mercedes Benz. Deze acht-cylinder behoorde eens aan de Führer van het „groot- Duitse Rijk”.

ledereen herinnert zich nog wel de foto’s, waarop de Führer was afgebeeld tijdens zijn zegetochten door Berlijn, staande in zijn zevenpersoons auto. Hoe hij daar precies stond, vertelt het opklapbare bankje, dat naast de chauffeursplaats is aangebracht, en dat met de op de treeplank bevestigde Stiefelstreicher, waaraan de Führer zijn laarzen afstreek als hij weer een parade had afgenomen, een van de curiositeiten vormt aan dit vehikel (… )

Uit papieren, die in het bezit zijn van de tegenwoordige eigenaar blijkt, dat de wagen, die het bouwjaar 1935 draagt, na de capitulatie werd aangetroffen in een dump aan de weg van Augsburg naar Donauwerth. De Amerikanen wilden hem als souvenir mee naar huis nemen, maar toen dit onmogelijk bleek, deden zij hem cadeau aan een Nederlands verbindingsofficier.”

Via-via kwam de wagen bij Mulder in Groningen terecht, de eigenaar van een autosloperij, die, aldus het Paroolbericht,

“overigens allerminst van plan is de wagen te gaan slopen: „Hij rijdt prachtig, er zijn heel wat kopers voor, maar zo’n exemplaar vind ik vandaag de dag nergens meer.”

Zo staat dan Hitler’s Mercedes in Groningen aan het Zuiderdiep. De radio in de wagen speelt Engelse dansmuziek.”

Pas ruim een kwarteeuw later, op 25 januari 1973, haalde deze staatsiewagen van Duitslands dictator de kolommen van het Nieuwsblad van het Noorden onder de kop “Een van Hitler’s Mercedessen stond heus op het Zuiderdiep”. Naar aanleiding van de verkoop van een valse Hitlerauto in de VS voor het astronomische bedrag van 153.000 dollar, meldden autosloper Mulder en zijn broer zich toen bij het Nieuwsblad, met de suggestie dat de papieren bij die Amerikaanse vervalsing wel eens bij hun Hitler-auto zouden kunnen hebben gehoord. Hun wagen, vertelden ze, hadden ze in 1947 “voor het destijds toch wel grote bedrag van ƒ 7500” gekocht:

“De heer Mulder die nu in Delfzijl woont en zijn broer uit Oosterhogebrug kwamen prompt met allerlei materiaal aandragen, waaronder de foto op het Zuiderdiep (voor het pand nr. 139, de Scheepshypotheekbank (…):

De Mercedes voor de Scheepshypotheekbank aan ’t Zuiderdiep, 1947.

“De gebroeders Mulder geloven niet in het bestaan van hele series Hitlerauto’s die overal ter wereld opduiken, maar ze zijn er wel van overtuigd dat hun wagen een van de twee of drie is geweest waarmee Hitler in zijn opkomsttijd rondtoerde.

Want ook deze Mercedes is zwaar (volgetankt drie ton), had allerlei snufjes, waaronder ook het bekende uitklapbare voetenbankje met aluminium strips waarop de Führer kon staan. Ook deze wagen had een enorme benzinetank en het ding verbruikte een liter benzine op de 2 kilometer.

„Ontzettend jammer” vertelde me de heer Mulder uit Oosterhogebrug „dat de papieren gestolen zijn want we hadden er allerlei fraaie, ontstellend grote vellen bij met allerlei handtekeningen en lakzeges. Maar we waren destijds nogal nonchalant, we zagen de waarde van zo’n auto toen nog niet — de reden misschien ook waarom we de carrosserie er afsloopten en er een stationcar van maakten.”

Deze naderhand betreurde ombouw vond plaats bij het nu nog steeds bestaande carrosseriebedijf Luchtenberg in Uithuizen. Vervolgens verkochten de gebroeders Mulder de wagen aan een Amsterdammer, die hem weer van de hand deed aan het rondreizende accordeongezelschap van Jan Vogel.

„We hebben er nooit de topsnelheid mee gereden”, vertellen de gebroeders Mulder me nog, „maar hij haalde natuurlijk met gemak de 120 kilometer.”

De Nieuwblad-verlaggever vond de wagen, “in een donkerbeige kleur met diepbruine spatborden” inderdaad bijzonder veel lijken op een plaatje in een fotoboek over Hitler dat de Mulders hem toonden:

“De spatschermen kunnen voor opzij gewijzigd zijn door losse zijstukken die er aan geklonken kunnen zijn en het is ook mogelijk dat de fabriek er andere, betere spatschermen aan zette dan die op de foto uit het boek.

Jammer dot er van de wagen niets meer te vinden is, want zelfs een Zweedse filmmaatschappij die later nog in Groningen op zoek is geweest kon de gesloopte stukken niet meer achterhalen.

Maar één ding is zeker: de wagen heeft, zij het niet onder het veronderstelde nummer, tijdenlang op het Zuiderdiep in Groningen gestaan.“

Uiteraard heb ik nog even gekeken in de Kentekendatabank van de Groninger Archieven. Het kenteken dat de auto op de Nieuwsblad-foto voerde, A-21988, bleek in 1948 te zitten op een Jeep in het bezit van de autohandelaar Remko Mulder. Onze man, maar niet de wagen! Maar getuige de foto van die Jeep zat dat kenteken los gemonteerd voor de voorruit, en niet op de geëigende plek voor de bumper. Ook was dat kenteken al in 1933 geregistreerd door Mulder, toen nog aan het Schuitendiep, terwijl dergelijke Jeeps – mijn opa had er ook een – hier pas in het land kwamen met de Geallieerden. Ik neem dan ook aan dat Mulder en zijn broer dit kenteken voor steeds weer een andere auto in hun handel gebruikten. Waarschijnlijk is het echte nummer van de Groninger Hitler-Mercedes A-38801 geweest, welk nummerbord voor autosloper Remko Mulder, inmiddels aan het Zuiderdiep, geregistreerd werd op 19 mei 1947.

Oproep:
Mensen met de veel voorkomende familienaam Mulder zijn uiteraard moeilijk op te sporen. Vandaar deze oproep: wie weet waar de nazaten van de gebr. Mulder wonen? Mogelijk hebben die de originele foto’s nog in hun bezit en weten ze nog wat meer te vertellen over deze auto.