Ommetje Eiteweert – Leegkerk
Geplaatst op: 1 december 2017 Hoort bij: Drenthe, Hoogkerk 5 reactiesBij de uitloper van het Stadspark richting Peizermade:

Menigmaal op natuurweblogs gezien, deze buitenaardse zwam, maar naam onthouden ho maar:

Het betreft de gele trilzwam (met dank aan ettelijke lezers).
Langmadijk, Peizermade:

Behoorlijk wat stroom in het Peizerdiep:

In de buurt van Eiteweert:

Aduarderdiep vanaf de Tichelwerkbrug naar het zuiden, met de suikerfabriek aan de horizon:

De Jonge Held uitgelicht:

Ontsnapt blaarkopkalf snapt niet waar ik mij mee bemoei. Boer vroeg om assistentie bij het weer insluiten van het beest. Ja, men maakt wat mee in Leegkerk:

Een klootschieterij in Beerta
Geplaatst op: 30 november 2017 Hoort bij: Geschiedenis 10 reacties
Diaconieboek Beerta, ontvangst op 30 januari 1753:
“Van Febe Peters vereert vant gewonnen gelt van ’t kloot scieten, 1-10-0”
Klootschieten gaat de laatste anderhalve eeuw door voor een Twentse bezigheid of sport, al is deze in Drenthe geintroduceerd, maar zo rond 1500 werd deze wel degelijk ook in Holland, Friesland en andere Nederlandse gewesten beoefend, zodat het eigenlijk een veel universeler amusement betrof, dat slechts in Twente overleefde. Klootschieten is als het ware het broertje van het kaatsen, lang geleden nog algemeen in de Nederlanden, maar nu voornamelijk in Friesland gangbaar.
Dat wetende, kijk je toch verrast op als je een klootschieterij tegenkomt in het diaconieboek van Beerta. In januari 1753 zijn daar een paar partijen bezig geweest om hun loodverzwaarde houten ballen zo ver mogelijk van zich af te werpen op de stijf bevroren grond. Het was een wedstrijd om geld, een daalder van de inleg ging naar de Beertster armen.
Eerder kwam ik eens zo’n melding tegen in het diaconieboek van Termunten, rond 1800. Helaas ben ik de notitie ervan even kwijt, maar in Termunterzijl schoot men in een halve eeuw later nog steeds kloot, getuige een krantenbericht, dat de bezigheid met de alternatieve naam balschieten aanduidt:
Den 21sten had teTermunterzijl een wedstrijd plaats in het balschietren, om eene zilveren tabaksdoos tot prijs en een gouden vingerring tot premie. Vijftien uitmunters in die kunst betwistten elkander de overwinning; terwijl eindelijk de prijs werd behaald door T.J. Blink van Lesterhuis en de premie door H.W. Dallinga van Termunten.
In Duitsland schijnt Oost-Friesland de evenknie te zijn van Twente, qua klootschieterij. Daar heet(te) het klootschieten net als in Termunten balschieten. Vond een aardige beschrijving in een Veendammer Courant van 1886, waarin aan het eind de vraag gesteld werd:
Wat heeft intusschen de provincie Groningen van dezen aard?
Blijkbaar was het spel tegen die tijd hier al niet meer bekend. Dat de laatste meldingen uit de omgeving van de Eems en de Dollard komen, hangt vast samen met de persistentie in Oost-Friesland.
Een aandeel in het Groene Kruisgebouw
Geplaatst op: 27 november 2017 Hoort bij: Drenthe vrogger 3 reacties
In de zeer bescheiden papieren nalatenschap van mijn grootvader Vondeling zit nog dit aandeel van een bouwfonds dat in Dwingeloo een Groene Kruisgebouw wilde realiseren. Het gaat om nummer 46, nominaal 25 ouderwetsche Nederlandse guldens, mogelijk allang uitgeloot, maar na de dood van mijn grootvader toch nog door mijn vader bewaard omdat het stuk misschien nog wat geld waard was. Het is op zich gedateerd februari 1955, maar een maand later voor het verschuldigde zegelrecht à 20 cents afgestempeld in Assen.
In zo’n Groene Kruisgebouw gebeurden nuttige dingen voor de algehele volksgezondheid zoals het verhuren van mitella’s, krukken, ziekenhuisbedden en ander verpleegmateriaal; zittingen van consultatiebureaus voor zuigelingenzorg; cursussen voor moeders met kleine kinderen, kraamverzorgsters en aspirant EHBO-ers; tuberculose-preventie, sportkeuringen etc. etc.
Ongeveer vijftig jaar eerder waren in alle Drentse gemeenten Groene Kruisverenigingen opgericht. Als ik me niet vergis, kregen die in de Wederopbouwperiode allemaal eigen pandjes. Dat van Dwingeloo kwam er zo uit te zien:

Nieuwsblad van het Noorden 25 juni 1957.
Het pand stond op de hoek van twee straten. Boven zal een woning hebben gezeten, mogelijk van de wijkverpleegster. Deze had een eigen ingang links. Achter de vierkante raampjes vermoed ik het depot voor verpleegmiddelen. Maar misschien zat dat ook wel in de uitbouw achter het pand, waar een portaaltje de tocht buiten de deur moest houden. In een van beide bouwdelen moet de cursus- en consultatieruimtes worden gedacht. Een laag hekje sluit het erf af.
Het Dwingeler wijkgebouw leek sprekend op dat van Rolde. Kennelijk ontwierp een en dezelfde architect beide gebouwen. In Havelte was de opzet eerst veel bescheidener, weet ik nog, daar opereerde het Groene Kruis begin jaren 60 nog vanuit een gebouwtje met een puntdaakje op een achtererf, twee huizen bij ons vandaan. Rond 1970 kwam daar een veel groter, plat gebouw aan de Dorpsstraat.
Naschrift (met dank aan Peter Booij):
Het pand staat er nog steeds en is zelfs te koop.
De dienstmeid die van de Oosterpoort sprong
Geplaatst op: 26 november 2017 Hoort bij: Oosterpoort, Stad toen 2 reacties
Tekening: Willeke Hielkema
Op zaterdag 2 oktober 1773, ’s avonds tussen half negen en negen uur, vond in de onmiddellijke nabijheid van de toenmalige Oosterpoort een gevalletje plaats, dat in de dagen, weken en maanden erna menigmaal onderwerp van stadjersgesprek moet zijn geweest. Wypke Jans, een uit het Oldenburgerland afkomstige dienstmaagd van negentien lentes die buiten de Oosterpoort bij de weduwe Elsje woonde en werkte, was van de bijna tien meter hoge wal boven de Oosterpoort afgesprongen nadat ze zou zijn aangerand.
Wypke werd eerst opgevangen bij de poortier van de Oosterpoort, die haar later die avond overbracht naar het huis van de smid Simon Wonderlijck aan de Vismarkt. Tegen Leininga en Wonderlijck klaagde ze
“dat zij om haar eer en leven te behouden, wegens twee militaire perzoonen was genoodzaakt geweest om van boven de Oosterpoort te springen.”
In het smidshuis werd Wypke onderzocht door een chirurgijn, die beroepshalve verplicht was de heren van het stadsbestuur in te lichten over alle in zijn praktijk voorkomende “wondingen” die aanleiding zouden kunnen geven tot gerechtelijke procedures. Deze chirurgijn, Dithmar, vond bij haar een “vulnus op het frons” en “een verlamming in de benen”.
Wypkes toestand zou maandenlang zorgwekkend blijven. Men twijfelde of ze wel kon getuigen en of men haar kon confronteren met de verdachten. Daarom waren er steeds nieuwe attesten van praktisch èn academisch geschoolde medici nodig, ook over haar geestelijke toestand. Toch kon en durfde ze haar aanklacht te herhalen, ook in het gezicht van degenen die zij als schuldigen aanwees.
Maar terug aan het werk bij haar broodvrouw kon ze niet. Smid Wonderlijck werd de verpleging in januari 1774 wat teveel. Hij klaagde bij het stadsbestuur dat Wypke sinds haar val “in een zeer bedroefde staat” was geweest “en daarom veel dienst noodig heeft”, zorg die hij “als een vervallen burger niet in staat is te kunnen dragen”. Hij verzocht de heren derhalve om een schadeloosstelling.
Het stadsbestuur verwees hem daarvoor naar de diakonie van het Lutherse kerkge-nootschap waartoe Wypke en hij behoorden, welk armenfonds gemachtigd werd om voorlopig, hangende het vonnis in het strafproces, in Wypkes levensonderhoud te voorzien.
Maar Wypke wachtte de sententie over haar belagers niet af. Op 6 maart 1774 was haar toestand blijkbaar zover verbeterd, dat ze weer kon reizen. Die dag verzocht ze de lutherse kerkeraad namelijk om “scheepsreysgelt”. Ze kreeg vier gulden, wat ruim voldoende moet zijn geweest voor de thuisreis naar het Oldenburgse. De desbetreffende aantekening in de lutherse kerk- en armenrekening is het laatste levensteken dat we van haar hebben.
Tot zover het slachtoffer, nu de beide verdachten en hun proces, met de aantekening dat er van dat proces geen verhoren bewaard zijn gebleven, zodat ons het zicht op de gebeurtenissen grotendeels benomen wordt, terwijl we de procedure wel van buitenaf kunnen volgen.
Op maandag 4 oktober 1773, nadat chirurgijn Dithmar de “wondcedel” in het stadhuis had afgegeven, waarin hij meldde dat Wypke “naar haar voorgeven” op de wal door twee soldaten was “aangetast”, droegen Burgemeesteren en Raad hun fiscaal (aanklager) op de zaak “ten spoedigsten” in onderzoek te nemen. De fiscaal nam twee dagen later in de smederij van Wonderlijck vier getuigeverklaringen op, waaronder één van poortier Leininga en een ander van Elsje, de kostbazin van Wypke.
Weer een dag later, op 7 oktober, besloten het stadsbestuur deze verklaringen aan de commandant van het garnizoen te doen toekomen, “met ernstig verzoek dat hierop nauwkeurig mag worden geïnquireert en na vereisch van zaken gedisponeert”. De bevelhebber begreep de wenk van de magistraat en gaf bevel de soldaten Johan Thijs Kütsche (26) en Jan Berents Witten (20), beiden net als Wypke van Duitse komaf en beiden behorende tot dezelfde compagnie, in de boeien te slaan en naar de provoost (de militaire gevangenis) over te brengen.
Op 14 oktober boog de Krijgsraad zich voor het eerst over de zaak. Na voorlezing van de getuigeverklaringen en twee medische attesten, kwam men tot de conclusie dat Kütsche en Witten “onder merkelijke suspicie” lagen “zig aan verregaande malversatiën te hebben schuldig gemaakt”. De auditeur-militair kreeg opdracht beide soldaten te horen, bovengenoemde burgergetuigen hun verklaringen onder ede te laten bevestigen, en nog een viertal soldaten en één soldatenvrouw onder ede te horen.
Deze vier soldaten – Schuins, Jonk, Nykel en Deusenbach – moeten zich na de arrestatie van Kütsche en Witten hebben aangemeld bij de auditeur; ze behoorden tot hetzelfde bataljon als de verdachten en naar later zou blijken, verklaarden ze heel anders dan de burgergetuigen. En ook al omdat een van de burgergetuigen niet meer te traceren viel, besloot de Krijgsraad begin november Wypke Jans zelf, twee moeskerszonen van de Oosterweg en nog iemand als extra getuigen te laten oproepen.
Was Wypke toen alweer voldoende bij haar positieven om een verklaring af te kunnen leggen, één van beide verdachten verkeerde op dat moment in een crisis. De kapitein-geweldige, de hoofdbewaarder van de geweldige provoost, rapporteerde de Krijgsraad, namelijk dat Jan Berents Witten “aan geduirige flauwten en toevallen onderhevig was” en niet zonder werkelijke zorg vast kon blijven zitten, zodat er regelmatig iemand bij hem geplaatst moest worden “tot voorkoming van ongelukken”. En omdat de kapitein-geweldige zelf met een van zijn stokknechten naar Coevorden moest om een gevangene weg te brengen, waardoor er nog maar één knecht in de provoost overbleef, die ook nog eens op andere gevangenen moest passen, mocht de kapitein-geweldige gedurende zijn Drentse reis “een vertrouwt persoon soo min moogelijk kostbaar” aanstellen als ziekenoppasser bij Witten.
Op 27 november bekeek de Krijgsraad nog eens al het ingezamelde materiaal, hetgeen zoveel vragen opriep, dat andermaal twee burgers en één militair een oproep kregen om onder ede getuigenis te geven.
Op 13 december besloot de Krijgsraad dat het tijd werd om de belangrijkste getuigen te confronteren met de verdachten. Veertien dagen later liet ze wederom drie burgers oproepen “tot naadere elucidatie en ontdekkingen der waarheid”. Een van hem was de weversknecht Jan Harms, die in januari 1774 “over een en ander omstandigheidt” geconfronteerd werd met beide gevangenen. Naar aanlei¼ding van dit verhoor was het, dat de soldaten Schuins, Jonk, Nykel en Deusenbach andermaal onder ede aan de tand werden gevoeld over hun eerdere verklaringen. Kennelijk zat er rek in.
In februari meldde een van de leden van de Krijgsraad dat luitenant Kamphuis tegen hem gezegd had “dat als hij een soopje wegens het voorgevallene met Wypke Jans konde krijgen, dan niet soude klaagen”. De luitenant wilde voor een borrel dus misschien wel uit de school klappen, maar of hij dat ook werkelijk deed?
Eind februari was de Krijgsraad zover dat ze de zaak wilde afronden. Nog in geen twee zittingen konden de verhoren en andere stukken worden voorgelezen – zo dik was de stapel paperassen intussen geworden. En nog kwam men kwam er niet uit. Bij twee rechtsgeleerden van naam werd advies ingewonnen. Pas nadat dit binnen¼kwam, begin april 1774 – Wypke was toen al vertrokken – werd er unaniem een vonnis opgesteld.
Nou konden vonnissen door de Krijgsraad pas worden uitgesproken nadat de stadhouder er zijn goedkeuring aan had gehecht. Maar bij het Hof in ’s Gravenhage had men toch wel enige bedenkingen tegen de slotsom van de Krijgsraad, want de secretaris van de prins vroeg eerst om de soldaten Schuins, Jonk, Nykel en Deusenbach nog eens met elkaar te confronteren, en naderhand om hen nog maar eens tegenover de weversknecht Jan Harms te zetten. De laatste wist blijkbaar waarom het viertal varieerde in zijn uitlatingen.
Pas op 7 juli 1774, negen maanden na de sprong van Wypke Jans en vier maanden na haar vertrek uit de Stad, kon de Krijgsraad dan eindelijk uitspraak doen. Die luidde dat Kütche en Witten, ondanks de “sterke praesumptiën” dat ze Wypke gedwongen hadden tot “een zeer gevaarlijke sprong of val” van de Oosterpoort, “op gronden van het regtelijk beweesene alibi”, dat door vier getuigen (dwz de maten Schuins, Jonk, Nykel en Deusenbach) was bevestigd, “geheel geënerveert en gezuivert” en daarmee vrijgesproken waren.
Harry Perton
Dit verhaal verscheen eerder in iets andere vorm in De Oosterpoorter van november 1995.
Meteen al volwassen: baby’s met de naam Oltman
Geplaatst op: 25 november 2017 Hoort bij: Uncategorized 3 reacties
Omdat ik in het diaconieboek van Beerta weer herhaaldelijk de mannelijke voornaam Oltman tegenkwam, ben ik eens nagegaan waar en wanneer die aan pasgeborenen werd meegegeven.
Alle Groningers geeft in totaal 121 vernoemingen met die naam, in 29 doopregistraties van voor 1811 en 92 geboorteakten erna. Deze zijn met stippen weergegeven op bovenstaande kaart: rood voor de doopregistraties en groen voor de geboorteakten. Al met al blijkt de naam typisch Oost-Gronings – hij komt vrijwel uitsluitend voor ten oosten van het Damsterdiep (of de lijn Groningen-Delfzijl).
Voor 1811 kwamen 6 meldingen uit Beerta, 5 uit Finsterwolde, 5 uit de Stad, 3 uit Delfzijl en 2 uit Nieuweschans. Met de ene melding uit Nieuwolda meegerekend levert het noordelijke deel van het Wold-Oldambt de helft van de vernoemingen. Daarnaast zijn er wat meldingen uit oostelijk Fivelingo en het lage deel van het Gorecht, maar in Westerwolde, het Klei-Oldambt, Hunsingo en het Westerkwartier werd de naam niet gegeven.
Na 1811 kreeg de naam een wat grotere verspreiding, maar vooral in de veengebieden van het voormalige Wold-Oldambt, het Gorecht en de gemeente Slochteren. Voor die periode komen 29 van de 92 meldingen, dus bijna een derde, uit Slochteren, met name uit Kolham. Met 13 meldingen blijkt Noordbroek dan de tweede leverancier van de jongensnaam. De gemeenten Beerta en Finsterwolde blijven daar met respectievelijk 5 en 4 meldingen ver achter.
Omdat ik dacht dat de voornaam uitgestorven zou zijn, heb ik de periode 1811-1926 nog even in drie porties geknipt. De frequenties blijken dan:
- 1811-1849: 24
- 1850-1888: 40
- 1889-1926: 28
De jongensnaam raakte dus pas in de laatste periode in onbruik. Maar uitgestorven is hij nog steeds niet, zo blijkt uit de Voornamendatabank van het Meertens Instituut. In 2014 werd hij in heel Nederland nog aan 39 jongens als eerste naam meegegeven en aan 17 als volgnaam. Dat gebeurde overigens vooral in Oost-Drenthe en in wat mindere mate in Oost-Groningen, terwijl het noordelijk deel van het Oldambt, op Winschoten na, geheel uit beeld is geraakt. De naam lijkt derhalve meeverhuisd met de vervening en de migratie die deze ten gevolge had. In Drenthe dook hij pas in de twintiste eeuw op.
Ter verklaring van de naam zegt de Voornamenbank:
Groningse naam. Tweestammige Germaanse naam uit Old-, Ald- ‘oud, volgroeid, volwassen’ en – man…
Een baby vlak na zijn geboorte al oud, volgroeid en volwassen noemen lijkt nogal tegenstrijdig. Het toppunt in dit opzicht vormde de Oltman de Jonge, die in 1844 geboren werd als zoon van een ongehuwde moeder te Finsterwolde.
Snelheidsduivels zijn van alle tijden
Geplaatst op: 24 november 2017 Hoort bij: Uncategorized Een reactie plaatsenOntvangst diaconie Beerta 7 december 1741:
“Van Geert Onnes ontfangen weegens brooke van ’t jaagen mit een peert op het paat 14 st. 3 dujt”
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 206 (archief hervormde gemeente Beerta) inv.nr. 17: rekenboek.
Commentaar: Blijkbaar lag er een voetpad in het loeg (de dorpskern met veel middenstand nabij de kerk), waar geen paarden op mochten komen, laat staan dat er hard op gereden mocht worden. De breuk of boete voor deze boer – waarvan ik een nakomelinge ken die vast blij is met deze melding – komt neer op de grootste helft van een goudgulden. De andere helft zal voor de aanbrenger zijn geweest.
Beknopte bio van George de Lalaing , graaf van Rennenberg, de stadhouder die overliep
Geplaatst op: 23 november 2017 Hoort bij: Geschiedenis, Stad toen Een reactie plaatsen
“Op desen [Casper de Robles] is gevolgt Georg de Lalain, Graaf van Rennenberg, die, de zyde der Spanjaarden in ’t begin verlaten hebbende, uit last der Staten Groningen heeft belegert, dat tóch binnen korten door zyn verraat in een oploop by nacht weer in handen der Spanjaards is gevallen, wordende de braafste uit de Regering in gevankenis geworpen, zelfs de deugdzame Borgemeester Hillebrands, myner vrouwen overgrootvader, om hals gebragt, de Omlanden afgelopen, de sterktens en vastigheden overal ingenomen. Ten lesten is hy door wroeging van een quaad geweten geprikkelt, met groot leetwesen over zyne gebroke trouw, na alvorens zyne goederen doorgebragt te hebben, aan de teringe gestorven.”
Bron: Jacobus Gleintz JUD, Groningens Stadhouder- en lieutenantschap, der Hooftmannen kamer, van eerster opkomste der stad tot op dezen tegenwoordigen tyd : nevens eene lijste aller stadhouderen zo van zijde der Spaansche als Vereenigde Staten (1727) 13.
Een weerkundige waarneming van Antoon Adriaan van Iddekinge
Geplaatst op: 21 november 2017 Hoort bij: Stad toen 1 reactie
“De Wel Ed[el] Gestrenge Heer A.A. van Iddekinge, Burgemeester der stad Groningen enz. enz., een opmerkzaam onderzoeker van de natuur en inzonderheid van de kruidkunde, heeft my verhaald dat het meer dan eens is waargenomen, dat wanneer de Hofvyver in ’s Hage by stil weder des nagts maar even met ys overdekt was, de jongens dien dag te Groningen op schaatsen reden.”
Aldus de geneeskundige I.J. van den Bosch in 1778. Antoon Adriaan van Iddekinge, niet alleen burgemeester van Groningen, maar ook de luitenant-stadhouder en daarmee veruit de machtigste man van Stad, moest regelmatig verschijnen in de Staten-Generaal en aan het Hof in den Haag. Daar merkte hij het uiteraard op als er één nacht ijs op de Hofvijver lag. Destijds hadden ze natuurlijk geen snelle communicatiemiddelen als telegraaf, telefoon, radio, TV en internet, maar door zijn correspondentie met het thuisfront kwam Van Iddekinge toch aan de weet dat op dezelfde dag de jongens in Groningen al scheuvelden. De conclusie die hij met Van den Bosch deelde mag dan voor ons niet zo verrassend zijn, maar was destijds het mededelen waard: er bestaat een temperatuurverschil tussen Den Haag en de stad in het Noorden.
Dat Van Iddekinge ook een natuuronderzoeker was, en zich toelegde op de botanie, is minder bekend. Meen ook wel eens te hebben gelezen dat hij nergens echt veel verstand van had, behalve dan van besturen. Maar ik herinner me nu ook dat bij de brand van zijn huis in de Oosterstraat, in 1777, een naturaliënkabinet met een grote schelpencollectie verloren is gegaan. Met dat kabinet zal dan ook het herbarium of de gedroogde plantencollectie verbrand zijn.
—
Bron: Iman Jacob van den Bosch, Verhandeling van de oorzaken, voorbehoeding en geneezing van ziekten uit de natuuryke gesteldheid van het Vaderland voortvloeijende, dl. XVIII (1778) van de ‘Verhandelingen uitgegeeven door de Hollandsche Maatschappye der Weetenschappen te Haarlem’, bepaaldelijk pag. 112.
‘Maalende doorgaans ieder Landman voor zich zelven met slegt gereedschap’
Geplaatst op: 20 november 2017 Hoort bij: Geschiedenis 2 reacties
“De laage landen onder GRONINGEN staan doorgaans van het begin van november, of somtyds nog vroeger, tot aan april, ook wel laater, onder. Dat veel afhangt van de menigte van den gevallen regen, doch voornamentlyk van de westewinden, die den afloop van het water beletten, en de oostewinden die het spoediger ontlasten. Terwyl men op zeer veele plaatsen de opdrooging als aan het geval overlaat. Want op weinige plaatsen heeft men tot de ontlasting gemeenschappen en goede molens; maalende doorgaans ieder Landman voor zich zelven met slegt gereedschap maar tot 2 voeten. Men heeft molens tot 3 en een half, het geen men meent het uiterste te zyn.”
Met andere woorden: nog tegen 1780 liet men op de lage gronden rond de stad Groningen vaak van november tot in april Gods water op Gods akkers liggen. De overheersende westenwinden beletten het spuien, collectieve polders met grote molens bestonden er nog nauwelijks, doorgaans bemaalden individuele boeren hun eigen grond met watermolens van geringe kwaliteit en capaciteit.
Ter vergelijking: Hoogkerk 1812.
Bron: Iman Jacob van den Bosch, Verhandeling van de oorzaken, voorbehoeding en geneezing van ziekten uit de natuuryke gesteldheid van het Vaderland voortvloeijende, dl. XVIII (1778) van de ‘Verhandelingen uitgegeeven door de Hollandsche Maatschappye der Weetenschappen te Haarlem’, het hoofdstuk over lage grond (294-320), bepaaldelijk 316.
De Kerstvloed volgens Engelse kranten
Geplaatst op: 16 november 2017 Hoort bij: Geschiedenis, Media 1 reactie

Bericht uit de Daily Courant van 28 december 1717. Jaren geleden liep er een trial op een databank van zulke kranten bij de Groninger Universiteitsbibliotheek, destijds moet ik deze screenprintjes hebben gemaakt, die ik onlangs weer terugvond.
Terwijl de Haerlemsche Courant, de belangrijkste Nederlandse krant, vrijwel met geen woord schreef over de ramp in het noorden, berichtten Engelse kranten er vrij vlot en uitgebreid over. Zoals wel vaker, waren die berichten echter vrijwel gelijkluidend.
Het bericht uit Groningen in de Engelse kranten blijkt een vertaling van een bericht in het Relaas van (…) de hoogen Watervloed, een los Amsterdams nieuwsvel dat mogelijk meermalen is herdrukt en waarvan zich een exemplaar uit 1718 in het Rijksmuseum bevindt:

‘Bescherming tegen atoomoorlog mogelijk – geen reden voor paniek of hysterie’
Geplaatst op: 13 november 2017 Hoort bij: Geschiedenis 4 reacties
Meppeler Courant 21 februari 1955.
Noar Stad tou
Geplaatst op: 12 november 2017 Hoort bij: Stad nu 5 reactiesOp het stationsplein zijn bij wijze van richtingaanwijzers vignetjes op een gele ondergrond aangebracht. Een ervan staat voor de Martinitoren:

Duizenden knuffels in de glazen doos op het Hereplein:

Remake (plastic) van Rabenhaupt op het Zuiderdiep blikt met puilogen naar boven waar hij de glènde koegels van Bommen Berend verwacht: 
Een diertje met een pleziertje – graffiti in de Papengang:

Het stadhuis in een raam aan de Oosterstraat:

In de nieuwe strip op de Grote Markt door Jan-Willem Spakman beklimt KingKong een popcorn etende Martinitoren:

Geen terrasweer (Grote Markt zuidzijde):

In het GRID (voorheen Grafisch Museum) aan de Sint Jansstraat de tentoonstelling ‘Papier ontvouwd‘ bekeken. Er lag nogal wat spul uit de Groninger Archieven, zoals deze drukwerkjes: 
Oude archiefzakken:

Een fascinerende vitrine toonde papier dat bij restauraties en verbouwingen tevoorschijn kwam uit balken waarin het als opvulmateriaal was gebruikt. Onder andere ging het om een kindertekening, een Frans modeblad, de tien geboden, een rekening voor de kerk van Termunten en een aanslagbiljet voor de verponding (grondbelasting):

Het modeblad:

De kindertekening

De tentoonstelling is in de ruimte op de eerste verdieping waar zich tot 1997 de historische studiezaal van het Rijksarchief Groningen bevond – deze trap heb ik honderden malen bestegen:

Op de Grote Markt werd de ijsbaan in elkaar gezet:

Ornament in de Ubbo Emmiusstraat dat niet helemaal op zijn plek lijkt te zijn:

Ubbo Emmiussingel:

Groeten uit Groningen
Geplaatst op: 11 november 2017 Hoort bij: Stad nu 3 reactiesAnsichtkaartje Hoge der A met regenboog:

Portrait in plaats van landscape:

Terwijl ik hiermee doende was, breidde de regenboog zich uit:

Op de terugweg ten westen van De Held ook nog een exemplaar:

Boeiend leesvoer
Geplaatst op: 10 november 2017 Hoort bij: Stad nu Een reactie plaatsen
Vanmiddag gezien bij de boekpresentatie in de Maartenshof: burgemeester Peter den Oudsten verdiept zich zodanig in het (bijna) eerste exemplaar van Caritas in verandering, dat hij zich door niets en niemand laat afleiden. En dat terwijl hij de pdf van Albert Buursma’s boek al had doorgenomen voor zijn praatje, waarin hij het aanprees als “zeer leesbaar”.
Op het oude Rijksarchief
Geplaatst op: 8 november 2017 Hoort bij: autobio, Stad toen 15 reacties
Foto: Elmer Spaargaren.
Schrijver dezes schijnbaar aan het werk in het oude Rijksarchief aan de Sint Jansstraat, najaar 1990. Ik heb een paar imposante bundels met stukken uit de Franse Tijd uit het depot laten halen, maar enkel voor de show. De Fibula, het blad van de Nederlandsche Jeugdbond ter Bestudering van de Geschiedenis (NJBG) had mijn beeltenis nodig bij een column van me en Elmer Spaargaren maakte die plaat.
Dat ik een tijd niet in dat archief geweest was, kan je zien aan het huishoudelijk reglement onder mijn rechter elleboog. Bij de receptie kenden ze me niet meer, vandaar dat ze me dat reglement toestopten. Onder mijn linker arm ligt een willekeurige lijst van stukken. In mijn hand heb ik een balpen van CE Couriers, het bedrijf waarvoor een vriend van me werkte. Tegenwoordig mag je in de studiezaal niet meer met een pen schrijven, een verbod waarvan de doorvoering enige moeite heeft gekost.
Die studiezaal van het oude Rijksarchief, daar liepen wat types rond. Een liep constant in zichzelf te mompelen, gaf in het heen en weer gaan ook wel commentaar op bezoekers. Een ander ging daarin nog een stuk verder. Toen ik een keer in een grijswitgevlekte parachutistenbroek volgens de laatste punkmode de studiezaal binnenkwam, werd daar luidkeels over geklaagd door een haler met een gebroken geweertje, die weigerde me nog te bedienen zolang ik die broek droeg.
Door de ijzeren kolommen, de onbeklede muren en het dunne linoleum op de betonnen vloer was het er extreem gehorig. Ik ben er wel eens berispt wegens het te luid omslaan van een blaadje.
—

Recente reacties