Winschoter predikant gaf archief “ten proij aan rotten & muizen”

Muizenvraat. Collectie RHC Groninger Archieven 1785-15848.

Eind april 1802 dienden de kerkvoogden van Winschoten een verzoekschrift in bij de Oldambtster drost. Omdat ze daarover “zeer ongunstige berigten” hadden gekregen, waren ze meteen na hun aantreden een onderzoek begonnen “na den staat en gesteldheid der prothocollen met den aankleve van dien”. Kennelijk ging het hierbij om het archief van de verzegelingen, zeg maar de notariële akten, waarvoor de oudste predikant en de kerkvoogden als zegelaars gezamenlijk verantwoordelijk waren. In de motivatie voor hun bemoeienis met dit archief legden de kerkvoogden immers een verband met het materiële wel en wee van de Winschoters,

“als te zeer overtuigd van het groot gewigt dezer waarborgen voor de eigendommen van der ingezetenen bezittingen, dan dat zij zig hadden durven veroorloven ten dien opzigte onverschillig te zijn…”

Bij hun onderzoek dan, kwamen ze er “tot hunne grootste verbaasdheid” achter dat niet alleen het lopende archief, maar ook de oudere delen onvindbaar waren bij de oudste predikant, ds. Smit,

“aan wien de trouwe bewaaring van dezelve was gedemandeert”.

Leuk was anders, vonden de kerkvoogden, maar ze voelden zich verplicht om hun dominee aan te raden het vermiste archief weer tevoorschijn te brengen in zijn weem, zodat dit door hen kon worden onderzocht.

Een paar weken later, vlak voor kerst 1801, begaven de kerkvoogden zich andermaal naar de pastorie van ds. Smit. Dit keer kregen ze de vermiste protocollen wel te zien. Ze hadden er, zo vertelden ze de drost,

“meest alle die archieven van het carspel in een allerdeerniswaardigen toestand bevonden, onder elkanderen op de grond geworpen in de grootste verwarring, veel van dezelve ten proij gegeven aan rotten & muisen, anderen defect, en weder anderen met losse bladen van onderscheidene jaaren aangevuld…”

Kortom, de archiefzorg geschiedde hier met “de grootste & onvergeeflijke slordigheid”. Kennelijk voelde ds. Smit zich onder druk gezet, want vlak na nieuwjaar diende hij een rekest in bij de drost, met het verzoek om zijn schoonzoon, een lokale ondernemer, in de eed te nemen als secretaris-kerkvoogd, zodat die dan voortaan de verzegelingen zou schrijven en kopiëren. Gelukkig, aldus de kerkvoogden, had de drost hen om advies gevraagd, een advies dat ze ook hadden gegeven en negatief voor de schoonzoon uitviel, maar sindsdien was de zaak in het slop geraakt, omdat ds. Smit niets meer van zich liet horen.

Nu, eind april was de maat vol. Al drie maanden hadden de kerkvoogden vergeefs zitten wachten op hun oudste predikant en nu gedoogde de zaak geen uitstel meer. Daarom dienden ze een klacht tegen hem in. Ze hadden zwart op wit een verklaring van hem, dat hij “de carspelprothocollen van Winschoot, beginnende met den jaare 1609 tot 1782, bij goede overlevering heeft ontvangen”. Dit archief was eind vorig jaar echter als janboel bij hem aangetroffen en daarom golden de volgende overwegingen:

“Gemerkt nu de zekerheid der eigendommen en derzelver beveili[gi]ng is een der gewigtigste objecten van justitie & policy; overzulks de instrumenten & chartres door welken dezelve bestaat in geene handen vermogen verplaatst te worden, tenzij van hem die met opzigt der getrouwe eeds- en ambtsbetragting aan de maatschappij niet alleen niet de geringste aanleidende vermoedens van verwaarlozing, slordigheid & pligtverzuim hebben gegeven, maar daarenboven ten dien opzigte bekend staan voor personen bij welker administratie en surveilance men gerust kan zijn. Gemerkt het tegendeel van dit alles ten dezen opzicht gebleeken is in dezen alhier plaats te hebben in de bezorging en de bewaaring dezer prothocollen van dat carspel. En overzulks eindelijk de zaak voor hetzelve carspel is van dat gewigt, dat daarin ten spoedigsten behoord te worden voorzien, zoo nemen de rem[onstran]ten de vrijheid zig bij dezen te addresseeren en met gedienstig verzoek teneinde de rem[onstran]ten mogen worden geauthoriseert der voorgemelt carspelprothocollen van denzelven oudsten praedicant C.H. Smit in hunne bewaaring te nemen…”

Met andere woorden: de kerkvoogden wilden met steun van de drost, dus eventueel met behulp van zijn sterke arm, het notarieel archief bij de predikant weghalen. Ook wilden ze zelf een “een bekwaam persoon” als hun scriba kunnen aanstellen, die dan door de drost beëdigd moest worden.

Op 7 mei 1802 besloot de Oldambtster drost beide partijen te horen. Een week later vond die sessie plaats. De drost probeerde partijen tot “concordia” te bewegen, maar deze mediatie bleek ‘vrugteloos”. Ds. Smit ontkende dat het archief in zijn tijd in de aangetroffen staat was beland. Bovendien vond hij dat de toestand lang niet zo slecht was als de kerkvoogden beweerden. De laatsten echter, hielden voet bij stuk. De drost moest zelf maar eens in de pastorie van ds. Smit gaan kijken, zeiden ze, ze waren er zeker van “dat de zaak aldus zal bevonden worden”. Ds. Smit was naar hun mening verplicht om opening van zaken te geven. Als hij dat niet wilde, moest de drost “tot securiteit des carspels” zulke maatregelen nemen “als het belang der zaak vordert”.

Inderdaad zegde de drost toe, een kijkje te nemen bij het archief in de Winschoter weem. Maar die “oculaire inspectie” liet nog wel bijna een jaar op zich wachten. Pas op 28 april 1803 kwam de drost eraan toe. Bij die bezichtiging trof hij inderdaad het beschreven zootje aan. De kerkvoogden hadden dus gelijk. Alleen hield ds. Smit staande,

“dat het defectueuze aan de oude prothocollen reeds bestaan had ten tijde der overneming van zijne voorzaat en hij door zijn afgegeven hand van goede overlevering alleen bedoelt hadde het getal der prothocollen”.

Anders gezegd, de overdracht was destijds kwantitatief heus wel in orde geweest, maar kwalitatief bepaald niet. Tegelijkertijd kwam er een doorbraak uit de patstelling. Ds. Smit verklaarde namelijk tevens,

“wegens lichaams swakheden de kerspel prothocollen met hetgeene daaraan verbonden is, niet langer te kunnen administreeren, verzoekende daar van salvo honore et emolumentis eene decharge”,

met welk verzoek de kerkvoogden konden instemmen, al wilden ze dit wel gerechtelijk vastgelegd zien. Dat gebeurde vervolgens op 3 mei 1803 in een laatste beschikking van de drost.

“In aanmerking nemende het groot belang der ingezetenen dat de carspel prothocollen nauwkeurig bewaard en geadministreerd worden”,

gaf hij de kerkvoogden toestemming deze in ruil voor een bewijs van afgifte van ds. Smit over te nemen. Als de kerkvoogden het schrijfwerk zelf niet meer wilden doen, dan konden ze “een bekwaam en vertrouwt persoon” als scriba voordragen aan de drost. In dat geval bleven ze echter zelf verantwoordelijk. Ds. Smit kreeg het bevel het archief over te dragen. Voortaan had hij er geen bemoeienis meer mee. Alleen bleef hij de bijverdienste houden, die hij als oudste predikant uit hoofde van de archiefzorg genoot.

RHC Groninger Archieven Toegang 731 (rechterlijke archieven beide Oldambten) inv.nr. 6142 (rekesten).


Winschoter kalligrafie


Twee stukjes schrijfkunst uit het kerspelarchief van Winschoten. Het linker stamt uit 1747, het rechter uit 1817. Is links nog redelijk eenvoudig en sober, op het rechter specimen heeft de schrijver, vermoedelijk een schoolmeester, zich finaal uitgeleefd. Hij moet daar dagenlang aan hebben gewerkt, zijn pen voortdurend versnijdend, met het puntje van zijn tong uit zijn mond en zweetdruppeltjes op zijn voorhoofd. Vanuit de bedstede riep zijn gade hem tot haar, maar steeds vergeefs. Hij moest deze eervolle opdracht van de kluftmeesters afmaken, ook al zou het hem zijn huwelijk nog kosten.


Vondsten uit het Frieschenveen

Zojuist gepost filmpje over de leerlingen van AOC Terra in Eelde, die de zuidoostkant van het Frieschenveen exploreren. Op de meeroever daar ligt een vooroorlogse stortplaats van blik, glas en email uit de stad Groningen:


Rondje Stad

Schip passeert de Vissersbrug:

De stichtster van het Pieternella-gasthuis, een van de drie hofjes aan de Leliestraat

Bord aan het toegangshek van datzelfde gasthuis:

Het lijkt erop dat er al pannebier is geweest bij het Groninger Forum, hier gezien vanaf de nieuwe rooilijn Grote Markt oostzijde:

De Poelestraatmuur rechts op de vorige foto:

Entree van de Dolhuisgang:

De nieuwe, foeilelijke gevel van het conservatorium aan de Meeuwerderweg:

Fundamenten van de Tabakko, een complex met huurappartementen voor jongeren aan de Koeriersterweg:


Goedgeluimd gesprekje onderweg

Schipper Doornbos, ? Heikens ? en ik in de oude Kop van de Oosterpoort (november 1991):
Links een stuk van de oude gevelwand tussen Duikerstraat en Griffestraat. Op de kop  van de Griffestraat een nieuwbouwblokje uit de jaren 70 dat er amper twee decennia heeft gestaan. Rechtsachter aan de overkant van het Winschoterdiep de Albinoflat. Die flat is het enige gebouw dat er nu nog staat. De rest is allemaal gesloopt, midden jaren 90, voor de nieuwbouw Kop Oosterpoort.

De foto is gemaakt door Coen van Oven, die betrokken was bij het Opbouwwerk in de Oosterpoort. Zodoende weet ik dat we namens het Buurtoverleg voor het een of het andere goede doel op pad waren.

Ik heb geen heimwee of nostalgie naar de Oosterpoort, maar dit soort korte, goedgeluimde gesprekjes onderweg mis ik wel een beetje, hier in Hoogkerk:


Bij het portret van Arenberg

Vanavond had ik een uur of zo dit portret van Jean de Ligne, graaf van Arenberg voor ogen. Dan vallen je dingen op.

Ten eerste dat gezicht. Het lijkt wel zo’n voetbalplaatje van begin jaren 70, met van die ingeplakte hoofden. Dat gezicht zit te hoog en te ver vooruit.

En dan die zielige armpjes. Dat was geen doorgewinterde houwdegen, deze stadhouder des Konings van Hispanje in algeheel Noord-Nederland. Geen wonder dat hij sneuvelde. Bij Heiligerlee was dat, in 1568.

Als hij dat portret zelf liet maken, dus bij leven, dan was het een smakeloze sukkel. Als zijn familie het achteraf deed, dan heeft die de buit niet willen verbrassen.

 


Paarden bij het Hegepad


Korte historie van Neerlands Reformatie

Collectie British Museum.

De vier hervormers Wyclif, Luther, Calvijn en Beza hebben het licht op de kandelaar gezet en een kardinaal, bisschop, paus en monnik proberen vanaf deze kant van de tafel het licht uit te blazen. (Het valt nog mee dat er geen duivel met ze meedoet.)

Waaruit bestond dat licht? Zèlf de bijbel lezen in de volkstaal. Het woord als uitgangspunt nemen in plaats van het beeld. Sinten en papen terugzetten tot gewoon maar mensen. Alleen het geloof laten tellen. De zonde niet langer kwijt kunnen door te biechten, wat weesgegroetjes te bidden of een aflaat aan te schaffen. En bij de avondmaalsviering Christus niet meer fysiek in je opnemen met het brood (alsof je een kannibaal bent) maar louter geestelijk. Vooral ook beseffen dat je lot al vaststond voordat je geboren werd, omdat God eeuwig en alwetend is.

Zulke geloofsartikelen zorgden voor een ijverig en zuinig slag volk dat andere mensen graag de maat nam. Voorouders in een gereformeerd gidsland waar je niet speciaal trots op wil zijn.

Toch blijft de ziel van Nederland calvinistisch. Zelfs onze katholieken zijn het.

Die Luther heeft dus wel wat losgemaakt. Alleen maakte hij het karwei niet af, dat liet hij over aan Calvijn en Beza. En verder was het een volgevreten monnik die gewoon een pesthekel had aan joden.


Biddend valkje

Vanochtend bij het Hegepad.  De foto is natuurlijk zwaar gecropped en bovendien geeft de digitale zoom een schilderachtig effect dat echte fotografen verafschuwen. Maar dat kan mij totaal niets schelen. Heb het nog wat aangedikt door hem dubbel door de molen te halen.


Land van Belofte

Rijnlandse Historiebijbel, 15e eeuw. Berlijn.

Op last van zijn Heer zond Mozes verspieders uit naar het Land van Belofte. Ze dienden daar in Kanaän bijvoorbeeld te bekijken hoe de economie er floreerde. Ook moesten ze wat producten uit dat land meenemen. Nou begon net in die tijd de wijnoogst en vandaar dat een stel van die kerels terugkwam met een tros wijndruiven, “dien zij droegen met zijn tweeën, aan een draagstok” (Numeri 13).

Thesaurus sacrarum historiarum veteris testamenti. Nederlands, 1585. British Museum.

Eeuwen later noemden heel wat herbergiers in het toen nog bijbelvaste Nederland hun zaak Het Land van Belofte. Het beeldmerk lag voor de hand. Er kwam een stel kerels op de gevelsteen of het uithangbord te staan. Ze droegen een zware druiventros aan een forse staak tussen zich in.

Gemeentearchief Schiedam.

Hoek Nieuwe Beestemarkt, Leiden. Foto: FaceMePLS, Flickr.

Het beeldmerk lijkt nog niet helemaal vergeten, getuige dit recentere werk:

Felix Timmermans.

Toch zag je het niet bij de roemruchte kroeg op de hoek van de Vishoek en de Vijfde Drift in de stad Groningen, hoewel Het Land van Belofte hier behoorlijk oud was. Volgens dit jubileumbericht dateerde het immers uit 1826:

Nieuwsblad van het Noorden 28 oktober 1926.

Waarschijnlijk heeft dat café dus wel ooit dat beeldmerk gevoerd, maar ging het op zeker moment verloren. Men associeerde de naam vervolgens vooral met de rondom gelegen hoerenbuurt:

Toen de prostitutie hier eind vorig jaar eindelijk verdween, vormde dat voor het Noordelijk Scheepvaartmuseum aanleiding voor een soort van afscheidstentoonstelling:

Waar meerdere peeskamers waren te zien:

In een ervan stonden wat ‘hoerenhondjes’ op de vensterbanken. Naar verluidt zouden zeelui die in vreemde havens van prostituees kopen, om er thuis moeder de vrouw mee te verblijden. Van deskundige zijde heb ik dit verhaal echter apocrief horen noemen.

Ook die tentoonstelling heette weer Het Land van Belofte, maar dan naar de kroeg. De hele bijbelse connotatie met dat beeldmerk bleek vergeten. Wat ik ergens wel jammer vond, maar toch ook veelzeggend voor onze ontkerstende Stad.

(Plaatjes uit een teruggevonden mapje.)


Balboekjes

Teruggevonden bij het archiveren en taggen van mijn foto’s – twee balboekjes voor het danspartijtje van Mimi Hesse in 1900:

Boekjes is eigenlijk een groot woord, want het betreft dubbelgevouwen kaartjes. In dit geval waren die van een jongedame. Op de binnenkant van haar balboekje tekenden jongeheren in op de dansen van het programma:

Dat muzikale programma bestond voornamelijk uit walsen en polka’s. Deels zijn die doorgedrongen in het ijzeren volksdansrepertoire, dus nog wel bekend en identificeerbaar:

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 1774 (bibliotheek documentatie)  inv.nr. 3947.


Op een bankje bij Drachten

Ik denk dat Piet Mondriaan
helemaal over de rooie zou gaan
als hij dit bankje zou ontwaren.

Ja hij ergerde zich geel en groen,
en zou gaan schelden: Halve garen!
Hij zou subiet dat bankje over laten doen.

(Ietwat bijgesteld impromptu n.a.v. een logje van Jan Afanja, van wie ook bovenstaande foto is.)


Veldwachter Hoogkerk was “grote slappeling met een brutale mond”

Burgemeester Tjaberings, ca. 1930. Collectie RHC Groninger Archieven 818-23245.

Op 1 maart 1940 was burgemeester Tjaberings van Hoogkerk er wel klaar mee. Hij voelde zich gedwongen de Commissaris der Koningin op de hoogte te stellen van zijn ongenoegen over de gemeenteveldwachter W.H.J. van de Vlasakker.

“Deze man brengt te pas en te onpas op vaak ergernis verwekkende wijze zijn ontevredenheid over zijn functie naar voren”, aldus burgemeester Tjaberings. Voortdurend straalde Van de Vlasakker onwil uit bij zijn werk als politieman en gemeentebode:

“De geringste opdracht wordt door hem met klaarblijkelijke tegenzin in ontvangst genomen en in dezelfde geest uitgevoerd. Bij herhaling – ja, tot vervelens toe – heb ik hem mijn misnoegen daarover kenbaar gemaakt en nu en dan berispt. Dit heeft enkele malen tot gevolg gehad dat mij dan van zijn zijde een zeer brutale bejegening te beurt viel. Daarbij komt hij mij met waarschuwende vinger toeroepen: “Denk aan Nieuwolda”, alsof ik daar niet met ere het burgemeestersambt zou hebben bekleed.”

Die verwijzing naar Nieuwolda sloeg waarschijnlijk op de slaande ruzie die burgemeester Tjaberings er met de gemeentearts Wenniger had gehad, in 1929. Van de Vlasakkers vrouw kwam uit Nieuwolda, het lijkt erop dat hij jaren na dato nog eens partij koos voor de dorpsdokter, hoewel die uiteindelijk veroordeeld was wegens mishandeling. In elk geval wenste Tjaberings een dergelijke bejegening van zijn ondergeschikte niet meer te ondergaan,

“al zal de zweep af en toe over dezen ambtenaar moeten blijven knallen!”

Tjaberings vertelde de Commissaris vervolgens hoe hij de veldwachter meermalen de deur van zijn werkkamer had gewezen. Hij had deze vuile was veel liever binnenshuis (en dus in het gemeentehuis van Hoogkerk) gehouden, maar nu was de grens bereikt. Van de Vlasakker had hem namelijk toegevoegd,

“…van de eerste dag mijner komst alhier – 15 juli 1931 – al een hekel aan mij te hebben! Doordat hij gehuwd is met een vrouw uit mijn vorige gemeente Nieuwolda, wist hij wie hier kwam, nl. een burgemeester die staat op handhaving van orde en gezag en die van de ambtenaren nauwgezette plichtsbetrachting eist. De wethouders die ik hier ontmoette – en die ik nog heb – leidden mij dezen beambte in als te zijn een grote slappeling met een brutale mond, die n.b. over mijn ambtsvoorganger den baas zou hebben gespeeld! Een man die altijd kankerde en niets presteerde, als iemand voor wien niemand in de gemeente ook maar enig respect had.”

Tjaberings had de veldwachter in 1931 al bij hun kennismaking gezegd wat hij van een politieman verwachtte,

“nl. flinkheid, betrouwbaarheid, tact, ijver, beschaafd optreden, alsmede nauwgezette plichtsbetrachting. Zulke ambtenaren zouden aanspraak maken op mijn waardering.”

Hij ervoer sindsdien echter dat het bij Van de Vlasakker “aan al deze dingen wel erg mangelt”. Bijgevolg had hij “niet de geringste waardering” voor de man. Volgens hem waren de opeenvolgende rijksveldwachters die in Hoogkerk naast de gemeenteveldwachter opereerden, dezelfde mening toegedaan. Ze negeerden hem zo veel mogelijk omdat ze beu waren van zijn voortdurende gekanker. Bij het onderzoek naar een moordzaak in Leek, waarvoor de verhoren deels in het gemeentehuis van Hoogkerk plaatsvonden, wilde de rechter-commissaris Van de Vlasakker er ook niet bij hebben, omdat hij de gemeenteveldwachter niet vertrouwde.

Verschillende hoge omes bij de Groninger politie hadden ook tegen de burgemeester verklaard dat ze in 1924 blij waren geweest dat Van de Vlasakker opkraste naar Hoogkerk. Ook in Groningen stond Van de Vlasakker al bekend als een “aarts-kankeraar” die “het hele politiecorps verkankerde”, aldus de burgemeester. Die ook nog even wees op een brief uit 1935 aan de toenmalige Commissaris, waarin hij al een negatief oordeel over Van de Vlasakker uitsprak.

“De man haakt naar wachtgeld of pensioen. En wie dat doet, heeft überhaupt al geen hart meer voor zijn functie.”

Tjaberings verzocht de Commissaris dan ook om Van de Vlasakker op het matje te roepen voor een disciplinaire maatregel.

Hoe het in het dossier kwam, is onduidelijk, maar dat bevat ook nog een brief uit 1929 van de vorige burgemeester van Hoogkerk. Deze brief rept van conflict tussen Van de Vlasakker en de Laagspanningsnetten, het stroomdistruibutiebedrijf voor Groningen en Drenthe. Omdat de veldwachter de elektriciteitsmeter niet vertrouwde, betaalde hij de rekeningen niet, zodat het elektriciteitsbedrijf hem had willen afsluiten. Maar de veldwachter liet de mensen van het stroombedrijf niet toe op zijn grond, ook niet nadat hij daartoe gesommeerd was door de toenmalige burgemeester, die vond dat zo’n handelswijs voor een veldwachter geen pas gaf. Hoe die affaire destijds afliep, blijkt helaas niet uit deze wat oudere brief. (Waarschijnlijk met een sisser.)

Op 12 maart 1940 besloot de Commissaris der Koningin inderdaad om  de veldwachter van Hoogkerk op het matje te roepen, zo blijkt uit een kladversie van een briefje aan de burgemeester van Hoogkerk. Van het eigenlijke gesprek tussen de Commissaris en de veldwachter zijn op hetzelfde blad papier nog wat gespreksnotities genoteerd.

Van de Vlasakker bleek er 32 dienstjaren op te hebben zitten en had naar eigen zeggen “nooit iets gehad”. Sinds 1924 (toen hij dus uit Groningen overkwam) stond hij al in Hoogkerk. Met de vroegere burgemeester had hij “nooit ernstig geschil” gehad, beweerde hij tegen de Commissaris. De zaak van 1929 met de Laagspanningsnetten was “niet zijn schuld’, hij was toen niet eens voor de Commissaris geroepen. En dan volgt er nog iets waaruit een beetje toegeeflijkheid en zelfinzicht blijkt:

“zegt in zenuwachtigheid door de slechte verhouding wel eens een onvertogen woord, dat beter ongezegd kon blijven.”

Ik denk dat dit laatste hem wel eens gered kan hebben. Hoewel de Commissaris nog een drietal mensen over de kwestie wilde spreken, gebeurde er niets. In elk geval werd Van de Vlasakker niet ontslagen als gemeenteveldwachter en -bode van Hoogkerk. Terwijl burgemeester Tjaberings in 1941 naar Wynbritseradeel in Friesland ging, kreeg Van de Vlasakkers namelijk pas in 1943 ontslag, en dat eervol. Hij had toen nog geen veertig dienstjaren op zitten, dus hij zal niet het volle pensioen hebben gekregen. Mogelijk ging hij er nog iets naast doen, maar wat is onbekend. Hij overleed in 1962 te Groningen op 72-jarige leeftijd.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 1152 (kabinet CdK) inv.nr, 190: brieven over eerste halfjaar 1940, met name het bundeltje met als bovenliggende stuk de minuut van de uitgaande brief van de CdK aan de burgemeester van Hoogkerk d.d. 12 maart 1940.


Harm Tuin jr. en de uniciteit van Finsterwolde

Harm Tuin jr.

De ogen en het haar zijn anders, maar voor de rest, en dan vooral voor wat betreft de onderkant van zijn gezicht, leek mijn vader sterk op Harm Tuin jr., de neef van zijn vader die het schopte tot burgemeester van Finsterwolde en Slochteren. Blijkbaar waren er bij mijn vader trekken overerfd van zijn grootmoeder Antje Tuin, die weer tante was van de latere burgemeester.

De foto van Harm Tuin vond ik  bij een interview uit 1950. Daarin kreeg hij onder meer een vraag voorgelegd waarover wel meer mensen zich het hoofd hebben gebroken, namelijk waarom juist Finsterwolde zoveel communisten of (of communistische kiezers) telde, terwijl die in het naburige Oostwold en Midwolda nagenoeg ontbraken.

“Daar is moeilijk een antwoord op te geven”, vond ook Harm Tuin, die  desalniettemin een antwoord gaf:

“Misschien wel, omdat in Midwolda de kerk orthodox gericht was en bleef, terwijl in Finsterwolde het modernisme ingang vond. Hier zijn onder de predikanten veel knappe koppen geweest, die echter de binding met de mensen verloren. De kerk geeft innerlijk houvast. Als men die verliest en er komt niets voor in de plaats en men leeft daarbij onder slechte omstandigheden, zoals hier het geval was, dan is de baan geopend voor allerlei extremistische richtingen. De tegenstelling tussen boeren en arbeiders is hier zeker groot, maar niet groter dan elders. De reactie is wel groter geweest. Die vroegere boerengeneratie telde prachtige kerels, conservatief liberaal, mensen die niet van buigen wisten. En de arbeiders wilden óók eigen baas zijn en wisten óók niet van buigen.”

Helemaal origineel is de verklaring niet, ik meen me te herinneren dat de sociograaf Hofstee tot een soortgelijke analyse kwam. Die had veel invloed in het gebied dat hij voor zijn proefschrift bestudeerde.


Aan de rand van Nederland met Bob den Uyl (1978)

In een van spleen doortrokken winterreis per boemeltrein langs de deels allang niet meer bestaande stationsgebouwen van Visvliet, Loppersum, Hoogezand en Nieuweschans onderhoudt auteur Bob den Uyl zich diepgaand met literaire collega’s als Wil Vening, ds. Van Leeuwen en Kees van der Hoef. De film is door de toenmalige regisseur Theo Uittenbogaard op Vimeo gezet >>>