Even naar de stad
Geplaatst op: 22 oktober 2017 Hoort bij: Hoogkerk 6 reactiesSuikerfabriek van over de Ruskenveense plas:

Gemankeerde regenboog:

Voor me de bui:

Achter me nog een sprank zon:

(Foto’s van gistermiddag laat.)
Soesjesgoed
Geplaatst op: 21 oktober 2017 Hoort bij: Geschiedenis 2 reactiesDe Muntendammer Jacob Jacobs kwam op zaterdag 11 augustus 1770 met het Lemmerder schip in de stad Groningen aan. Waarschijnlijk was hij in Amsterdam geweest om inkopen te doen. Hij had namelijk een reiszak bij zich “met eenig bondgoed”, koopwaar waarmee hij de hele stad doorsjouwde naar het Winschoter veer bij het Binnen-Winschoterdiep.
Blijkbaar gaf hij dat goed onderweg niet aan. “Om reden dat op zijn Sabbat geen geld vermog aan te tasten”, verzocht hij een van de snikkevaarders van het Winschoterveer om dat voor hem te willen doen. In het Goudkantoor werd bij het openen van Jacobs reiszak echter een stuk “soesjesgoed” (gestreepte zijden doek uit China, later ook wel van katoen) bevonden, waarvan Jacob meende dat het onder de kramerij hoorde, terwijl dat in werkelijkheid onder de manufacturen was. Over die manufacturen moest meer belasting betaald worden. Omdat het door de snikkevaarder ingeleverde aangiftebiljet en de werkelijke inhoud van de reiszak niet overeenkwamen, nam de Administrator der Gemene Landsmiddelen, zeg maar de opperbelastingman van de provincie, Jacobs reiszak met inhoud in beslag.
Jacob zat in zak en as en kwam met hangende pootjes bij Gedeputeerde Staten, de opperste regelaars en rechters in belastingzaken. Hij zou niet graag met de Administrator willen “discreperen”, zo zei hij, en verzocht daarom arbitrage.
Na een hoorzitting met beide partijen, streken de heren inderdaad de hand over hun hart. Ze scholden Jacob de boete kwijt, mits hij zelf, maar dan goed, aangifte zou doen van dat door hem ingevoerde soesjesgoed.
—
Bron: RHC Groninger Archieven Toegang 1 (archief Staten van Stad en Lande) inv.nr. 193 (aktenboek G.S.).
De dubbele muren van ‘t nieuw Rozendal
Geplaatst op: 18 oktober 2017 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsen
Thomas von der Dunk behandelt in zijn artikel over Amsterdamse inzendingen bij de Groninger stadhuisprijsvraag van 1774 onder meer de vormgeving van de kerkers in het nieuw te bouwen stadhuis. Onder het oude, nog af te breken, middeleeuwse raad- en wijnhuis zaten al kerkers in een kelder die – hoe ironisch – het Rozendal was geheten en dat Rozendal moest uiteraard een vervangende voorziening krijgen in het nieuwe stadhuis.
“Het Groningse prijsvraagprogramma was hierover helder”, aldus Von der Dunk: “elke ontwerper had in zijn stadhuis gelijkvloers drie of vier cellen te construeren, ‘en dan nog eenige zeekerder en zwaarder gevangen Kamertjes onder den Grooten trap’”. Andere desiderata van het Groninger stadsbestuur betroffen een gijzelkamer (voor notoire debiteuren die vermoedelijk nog wel wat reserves achter de hand hadden) en pal naast de kerkers een verhoorkamer,
“licht scheppende op de Straat of Markt, dog aan dien kant voorzien met een dubbelde muur, opdat men er niet zoude konnen inzien, of van buiten eenig geluid hooren’.
De gevoelige oren van passanten op de Grote Markt moest het akelig geschrei der ijslijk gefolterden uiteraard bespaard blijven. Volgens Von der Dunk hielden de meeste mededingers bij de prijsvraag zich keurig aan de Groningse opdracht. Jan Bolten bijvoorbeeld, had er zorgvuldig op gelet dat de gevangenen met niemand binnen of buiten contact konden leggen, terwijl zijn gijzelkamer geen schoorsteen kreeg,
‘om de kwaade gebruiken die gegijzelde perzoonen met dezelve en met vuur zoude konne uitrigte’.
De dubbele muur voor de verhoorkamer kwam in de meeste ontwerpen voor. Ook in het winnende van Husly, dat, aldus Von der Dunk, “de Groningse burgemeesters duidelijk geen enkel risico op ongewenste ontsnappingen wilde laten lopen”. Naast de dubbele muren kwamen er in Husleys ontwerp nog driedubbele deuren voor de normale cellen en drie extra-speciale ‘Zwaare Gevangen Kamers’ voor notoir vluchtgevaarlijken.
Men vraagt zich af wat van deze Groninger EBI is geworden. Vermoedelijk functioneren ze nu als voorraadhokken voor kopieerpapier en pakken koffie.
—
Bron: Thomas von der Dunk, ‘Amsterdamse bouwmeesters aan de slag voor Groningen’, pag. 48-67 in het pas verschenen Historisch Jaarboek Groningen 2017, in het bijzonder 60-63.
Zuidlaardermarkt was mannendingetje
Geplaatst op: 17 oktober 2017 Hoort bij: Drenthe vrogger 5 reactiesHappend in de traditionele Zuidlaarderbol:

Bij de 1500 paarden:

Kijkend naar een acrobatische standwerker:

Op de kermis:

Dit was de regenachtige editie van 1933.
Havelte aan het Oostfront
Geplaatst op: 17 oktober 2017 Hoort bij: autobio 1 reactieK. wees me op een website over Duitse oorlogsgraven. “Daarin liggen ook een heleboel Drentse jongens die met de Duitsers meevochten en gesneuveld zijn.”
Ik zoek de site op en tik in het vakje voor geboortedorp Havelte in. Er komen vier namen van twintigers tevoorschijn. Twee met en twee zonder rang. De beide laatsten, begraven in Lübeck en Frankfurt aan de Main, zouden nog dwangarbeiders kunnen zijn geweest. Van de grenadier en de sturmmann, begraven bij Sint Petersburg (1943) en het oosten van Polen (1944), kan het niet anders dan dat ze tegen de Russen vochten.
De grenadier heeft een bekende familienaam. Misschien speelde ik wel met zijn neefje. Nooit geweten dat zijn oom aan het Oostfront zat. Zoiets kwam niet ter sprake.
Een andere man had een been aan het Oostfront verloren, mogelijk ook bij Sint Petersburg. Hij was ’s zomers kaartjesverkoper in het zwembad en inde ’s winters de hondenbelasting. Vanwege de eerste functie genoot hij een zekere populariteit onder de jongens van het dorp.
Ommetje Eiteweert – Leegkerk
Geplaatst op: 16 oktober 2017 Hoort bij: Hoogkerk, Onlanden 3 reactiesVlucht Canadese ganzen:

De boom waarin ’s zomers altijd een koekoek zit:

Peizerdiep bij Eiteweert:

Ook bij Eiteweert – een heel rijtje wilgen is opeens forse takken kwijt door wind uit het oosten:

Het rijtje populieren van Leegkerk:

Jubelzwaan, Leegkerk:

Bij de Legeweg – gebiologeerd door een passerende poney:

Kerkstraat Hoogkerk:

Rondje Middag
Geplaatst op: 15 oktober 2017 Hoort bij: Westerkwartier 10 reactiesZware bewaking bij de Tichelwerkbrug:

Boel kieviten, oud, maar vooral ook jong, op verzamelplek tussen Kleiwerd en Dorkwerd:

Het Aduarderdiep vanaf de Steentil:

Schimmel bij Bolshuizen:

Er werd gevliegerd op de Feerwerdermeeden:

Merkwaardig geval:

Luchtkwallen:

Nee, geef me dan deze maar:

Paadje in Feerwerd waarlangs we altijd naar de brug liepen:

Dorpsgezicht Feerwerd:

Bij de kerk van Den Ham:

De Lindt bij Adaurd:

Groningen als gidsstad bij de inenting tegen de pokken
Geplaatst op: 15 oktober 2017 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsen
Dat de inenting tegen de pokken een goede zaak was, sprak in de achttiende eeuw allerminst vanzelf. Binnen de hervormde kerk bestond er nog een vrij sterke orthodox-bevindelijke onderstroom, die dat inenten zonder meer afwees. Vaccinatie gold voor de aanhangers hiervan als een inbreuk op de voorzienigheid Gods. Het was immers een vorm van ziek maken, weliswaar om erger te voorkomen, maar toch: ziek maken. En God was in hun visie de enige die ziek mocht maken. Zo zegt Christus volgens het bijbelboek Mattheus: ” Die gezond zijn, hebben de medicijnmeester niet van node, maar die ziek zijn”. Deze uitspraak werd letterlijk genomen, niet geestelijk. Vaccinatie of preventief ziek maken was dus uit den boze.
Dit anti-vaccinatie-standpunt werd bijvoorbeeld gehuldigd door Bernardus Gersonius in 1770. Deze oorspronkelijk uit Leek afkomstige chirurgijn van het Oldambtster Midwolda schreef een samenspraak van een ongeleerde en een geleerde, waarin hij de ongeleerde groot gelijk gaf. In de bijbel, aldus Gersonius, stond er niets waaruit af te leiden viel dat inenting toegestaan was, en daarom was het verboden. Door inenting werd God benadeeld in zijn almacht, voorzienigheid en eer. Vaccinatie was daarom een groot kwaad en ongeoorloofd ,“want”, zo schrijft de chirurgijn van Midwolda: “Godt geeft gesontheyt en krankheyt, en tot geneesing der siektens heeft hij de medicijnmeesters gegeven onder zijn almagtige bestiering; hoe het gedraeit wert, heeft niemant vrieheyt om siektens te maaken.” En met nog een ander citaat:
”Het ziek worden en sterven zijn onder de verborgene zaaken en daarom moeten wij daer vanaf blijven, want de verborgene dingen zijn voor den Heere.”
Gersonius schreef dit op een moment dat de variolatie, pokkeninenting met menselijke smetstof, grote opgang maakte in de stad Groningen. In 1759 was daarmee een voorzichtig, maar succesvol begin gemaakt door de arts en hoogleraar geneeskunde Van Doeveren, die zeven kinderen van stadsregenten inentte. In 1765 waren er bij een kleine pokkenepidemie ook weer wat inentingen verricht, maar de twijfel overheerste, ook door de enorme tegenstand uit orthodox-bevindelijke hoek. Pas bij een nieuwe, veel verwoestender epidemie, eind 1769, begin 1770, kwam de grote doorbraak. Vanaf november werden er in een paar maanden tijd maar liefst 450 inentingen gedaan en volgens Van Doeveren betrof het hierbij meest kinderen van aanzienlijken, “dog ook niet weinige van minderen en borgerlijken staat, als ook sommige van de kleine gemeente”. De stadsdokter Matthias van Geuns beaamde dit en schreef dat
”bijna alles wat niet gepokt had, zich bij meenigten ter inentinge aanbood, wel onder den eersten en aanzienlijksten stand, doch ook zeer veelen onder de andere treflijkste burgers, en zelfs sommigen van ’t meest bevooroordeelde gemeen.”
De bestuurlijke elite nam dus duidelijk het voortouw: zo lieten de machtige Van Iddekinges hun kinderen inenten, wat trouwens ook gold voor hun Ommelander evenknieën van de familie Alberda. Volgens Van Doeveren hadden zulke bestuurders hierin veel invloed en vond hun voorbeeld veel navolging. Ook de rol van de kerkelijke voorgangers was volgens hem groot:
“De edelmoedige toestemminge en openlijke verklaaringe van de voornaamsten onzer Godgeleerden en predikanten; hunne voorbiddingen en dankzeggingen van den kanzel, ja het geeven van voorbeelden in hunne eigene kinderen en naastbestaanden hebben hier niet weinig toegebragt om kragt aan ’t werk bij te zetten en veelen te doen overgaan tot het omhelzen van die praktijk.”
Dit voorbeeld van de politieke elite en kerkelijke voorgangers is des te meer van betekenis, als je beseft dat inenting bepaald niet van gevaar ontbloot was. Tegenover de honderden kinderen die voorlopig geen pokken meer konden krijgen, waren er ook een paar die aan de inenting overleden. Inenten was nog echt een gok met kwade kansen.
In elk geval rept Van Doeveren in 1770 van een “ongemeen groot en algemeen succes der inentinge in deze stad“ en stelt vervolgens de stad èn de provincie ten voorbeeld aan geheel Nederland, waar “de inentinge nog bijna overal geweldigen tegenstand ontmoet”.
Pokkeninenting werd dus gangbaar bij de bestuurlijke elite, vond ook wel ingang bij burger- of middenstand en zelfs bij sommige werklui en arbeiders. Hoe lager in de samenleving, hoe minder groot de animo was. Dit veranderde niet in de achttiende eeuw, want pakweg dertig jaar later schrijft de stad-Groninger arts Jacob van Geuns naar aanleiding van een kwaadaardige pokkenepidemie die honderden doden kostte, dat er “weinig plaatsen in de Bataafse republiek” zijn
“alwaar men zo algemeen voor de inenting der pokjes is als hier, bij verre de meesten is dit punt aan geene contestatie meer onderheevig, en dat niet alleen onder de aanzienlijken, maar vooral ook onder middelclasse en zelfs gemeene lieden”.
“Onder de fatsoenlijke en deftige burgerlieden”, aldus Van Geuns, “is meest alles wat pokken moest, ingeënt – en als die nog door de ziekte aangedaan worden, is de dodelijkheid verre zo groot niet”. Bij de “allerlaagste classe” daarentegen, zag hij de meeste slachtoffers vallen. Veel mensen uit die stand dachten dat er niets aan de ziekte te doen viel, of beschouwden haar nog als een oordeel Gods, waartegen menselijke hulpmiddelen niets konden uitrichten.
DGG 2017
Geplaatst op: 14 oktober 2017 Hoort bij: Stad nu 6 reactiesArcheologenballet bij de inrichting van de muntschattenexpositie:

Geredde kinderboekjes in de stand van de historische vereniging Bedum/Zuidwolde:

Glimlachmuziek uit het Poparchief:

Stokoude glasplatencamera, waarmee daadwerkelijk foto’s genomen werden:

De wat minder bekende muntschat van Sappemeer, 2006:

De glazen bol van waarzegster Samiera:

Pechvogel van de dag breekt kies op gelukskoekje, maar leest desalniettemin aandachtig de ingesloten spreuk:

Rad van Fortuin:

Het begin van de boekenmarkt:

Stel poseert voor de glasplatencamera en houdt gezichten in de vereiste plooi (de sluitertijd duurt twee seconden):

De band van Ralf maakt lol:

Na de lezingen: druk buiten met een sprank zonlicht.

De ruim tweehonderd jaar oude fanfare De Eendracht uit Ezinge:

Sousafoon in ruste (zonder soesa):

Gezin bekijkt muntschat:

Maquette van huiswierde uit het Museum Wierdenland:

Een beruchte oplichter
Geplaatst op: 9 oktober 2017 Hoort bij: Geschiedenis 8 reacties
RHC Groninger Archieven, Toegang 1605 (stadsbestuur 1594-1816) inv.nr, 316 (ingekomen missives) 1769.
Kwam bij de ingekomen brieven van het Groninger stadsbestuur dit signalement tegen van de beruchte oplichter Maggaris, alias Jan Cato Kamerling. De man die soms voorgaf theoloog te zijn en dan weer arts, wist met zijn vrome praatjes en voorspiegelingen van zijn grote rijkdom op verschillende plaatsen, o.a. Hoogeveen (Drenthe) en Brouwershaven (Zeeland) jongejuffrouwen uit de betere kringen het hoofd op hol te brengen en zelfs tot huwelijken te verleiden. Vaak spon hij een soort van brievenweb, waarmee hij zijn pseudologica fantastica bij hun familie aannemelijk wist te maken. Volgens een van zijn biografieën moet hij ook nog een poosje in Groningen hebben gewoond. In 1769 was hij kennelijk even ontsnapt, maar wist men hem al snel weer in te rekenen.
Meer lezen?
- Levensbeschryving van eenige voorname meest Nederlandsche mannen en vrouwen (1775).
- Zeldzame levensloop van den berugten boef Abraham Maggaris (1769).
- De schyndeugd op het tweede schavot (1774).

Abraham Maggaris, bijgenaamd Jan Cato Kamerling, dan 72 jaar oud, in 1792. Collectie Rijksmuseum.
Grietjes groene voordeur
Geplaatst op: 8 oktober 2017 Hoort bij: Familie 1 reactie
Heb de laatste keer dat ik in Eelde was toch maar even een foto van haar voordeur gemaakt. Ook die stickers zeggen immers wat over Margriet Toppen, wijlen de nicht van mijn vader. Toen ik haar executeur-testamentair vroeg of ze veel liefdadige instellingen had moeten afzeggen, lachte die wat, bij wijze van halve bekentenis.
Moest zelf, toen ik hier in Hoogkerk kwam wonen, zo’n veertig, vijftig charitatieve instellingen afzeggen die door de overleden vorige bewoonster van mijn appartement werden ondersteund. Sommige zijn bijzonder hardnekkig. Die sturen ondanks de opzegging nog steeds bedelpost. Het overlijden van een weldoenster is blijkbaar moeilijk te verteren.
De vorige bewoonster van mijn flat steunde vooral christelijke instellingen. Hoewel ze artikel 31 was, zat daar zelfs Moeder Theresa bij, die als blijk van waardering en als attendering dat er een nieuwe gift verwacht wordt nepzilveren kettinkjes met crucifixjes stuurt.
De instellingen van Margriet haar deur vind ik stuk voor stuk ondersteuningswaardig. Maar je kunt niet alles doen. De Vogelbescherming, dat lijkt me wel wat.
Neergestorte trampoline
Geplaatst op: 8 oktober 2017 Hoort bij: Hoogkerk 1 reactie
(Bij de Bornstertol/Eemsgolaan.)
Rebulie bij de polderdijk
Geplaatst op: 7 oktober 2017 Hoort bij: Geschiedenis 2 reacties
De Oostwolderpolder op een kaart uit 1791. Donkergroen de nieuwe dijk van 1769, lichtgroen die van 1701, blauw de Olde Geut, rood de voornaamste plaatsen. Bron: RHC Groninger Archieven 817-836.
Na jaren voorbereiding begon op dinsdag 14 maart 1769 om 9 uur ’s ochtends dan eindelijk de openbare aanbesteding van het dijkwerk voor de nieuwe Oostwolderpolder. Elke grote aannemer uit Groningerland en aanpalende gewesten met belang bij grondwerk liet zich toen vinden in de herberg van Harm Jans Golthoorn te Oostwold, waar de bestekken al een poos ter inzage lagen.
In totaal ging het om ongeveer 1300 roeden (5,4 kilometer) hoofddijk en een gelijke lengte aan (minder zware) kadijk, die “by putten” zouden worden aanbesteed. Aan zo’n put (graafkarwei) schepte en krooide een ploeg van acht tot twaalf dijkwerkers onder leiding van een ‘putbaas’ of voorman, die zelf vaak onderaannemer was.
De nieuwe zeedijk zou bijna 2700 deimt (of 1200 bunder) kwelder gaan insluiten. Ongeveer de helft hiervan lag in de opstrek achter Oostwold, maar ook de grondeigenaren en boeren van Finsterwolde kregen er land bij, ongeveer een vijfde van het polderareaal. Daar bij Finsterwolde, ten noorden van de kerk, sloot de nieuwe dijk ook aan op de oude dijk. Een derde van de polder lag aan de overkant van de Olde Geut onder Oostwolderhamrik.
Het project werd niet getrokken door de lokale boeren. Dat gebeurde door de grondeigenaren, voornamelijk stadjers, die enige vooraanstaande heren uit hun midden hadden aangesteld als hun “volmagten tot de aanstaande indijkinge van de Uiterdijkslanden agter Oostwold, Hamrik, Goldhoorn en Finsterwolde” – kortweg “gevolmagtigden” of “volmachten”. Hiervan regelden burgemeester W. Siccama, stadsrentmeester A.H. Berghuijs en de prominente katholiek J.J. Cremers de aanbesteding. Maar zij beleefden daar op die dag weinig plezier aan. Al bij de gunning van het eerste stuk dijkwerk ging het mis, zo berichtten ze naderhand de drost van het Oldambt. Kennelijk waren er naast aannemers ook veel dijkarbeiders afgekomen op de aanbesteding, want toen de aanneemsom van dat eerste, maatgevende stuk dijk in hun ogen veel te laag uitviel, waardoor ze konden voorzien dat hun loon eveneens mager zou zijn, werd
“den aannemer van het eerste pand door quadaardige menschen (…) vervolgt en met stokken geslagen, zodat die ternauwernood heeft kunnen worden gered, zijnde de verdere anneemeren hierdoor geïntimideert, zodat dien dag de verdere uitbestedinge heeft moeten worden gestaakt,…”
De volmachten, beducht dat een tweede publieke aanbesteding precies zo zou aflopen, besloten toen tot een list: de onderhandse gunning van al het dijkwerk tegen 9 gulden de put, “met dat gevolg dat nog dien avond het grootste gedeelte van de dijk is uitbesteed”. De volgende dag kwamen de betrokken aannemers hun bestekken bij Goldhoorn tekenen. “’t Geen meerendeels in een goede orders is verrigt”, aldus de volmachten, tot uiteindelijk “een groote menigte quadaardige menschen” dreigend hun herbergkamer binnendrong, die zodanig “bezet” raakte, dat ook die dag het verdere gunningswerk onmogelijk was gemaakt.
Problemen voorzien
Dijkarbeiders hadden een reputatie op te houden. In 1740 en 1762 legden ze voor een hoger loon het werk neer bij de dijkbouw voor de Stadspolder en de Landschaftspolder. Dat wisten de volmachten van de Oostwolderpolder natuurlijk en die hadden dan ook al problemen voorzien. Een maand voor de aanbesteding maakten ze al hun opwachting in het Groninger stadhuis, waar ze vertelden,
“hoe bij indijkinge van genoemde landerijen een meenigte vreemde arbeidslieden zullen moeten emploijeren om ’t werk spoedig te kunnen perfecteren, waaronder dikwerf kwaadwilligen worden bevonden, die off niet langer willen arbeiden, of meerder penningen dan hebben bedongen willen trekken, ook beletten dat de goedwillige om ’t begonnen werk voort te zetten, zoo als de ondervindinge in diergelijke gevallen heeft geleerd…”
De volmachten verzochten om voorspraak van het stadsbestuur, “dat zij ter beveil[ig]inge van het werk met een detachement militie mogten werden voorsien”. Op 10 maart, enkele dagen voor de aanbesteding, reageerden Burgemeesteren en Raad welwillend op dit verzoek. Zij vroegen de garnizoenscommandant, luitenant-generaal Van Holsten, om voldoende troepen naar het Oldambt te sturen “ter protectie van onze goede ingezetenen”, en om “desnoods alle tumulten en geweld (…) te weeren en te beteugelen”.
Enkele dagen na de aanbesteding bleek Van Holsten bezwaren tegen zo’n missie te koesteren. Het garnizoen was al zwak en er kwamen oefeningen aan. Sowieso diende eerst de opperbevelhebber, prins Willem V, er zijn toestemming voor te geven, vond hij. En daar moest het stadsbestuur de prins zelf maar om vragen. Hetgeen gebeurde. Op 21 maart ging er een brief naar de prins, waarin Burgemeesteren en Raad uitlegden dat het ging om een belangrijk werk waar maar liefst “1300 à 1400 meest vreemde arbeiders” op af zouden komen. Als raddraaiers ook maar het geringste oponthoud veroorzaakten, zou de indijking “voor het geheele zomer onnut kunnen werden gemaakt”. En omdat het werk al op 25 april begon, was er haast geboden. Of de prins de garnizoenscommandant bevel wilde geven,
“om een convenabel detachement militie ter requisitie van de volmagten te laaten volgen uit het guarnisoen van Groningen (…), teneinde deselve te dekken en de tumultueuse te apprehenderen en an de domiciliaire regter over te geeven, en dus dat werk in een behoorlijke tranquiliteit te laaten verrigten…”
Anders gezegd: de manschappen stonden ter beschikking van de volmachten; ze moesten deze beschermen, terwijl ze bij het dijkwerk de rust dienden te handhaven en eventuele oproerkraaiers moesten oppakken en aan de drost overleveren. Op 4 april honoreerde de prins, “overtuigt van de billijkheid”, het verzoek om militaire bijstand. Hij gaf commandeur Van Holsten schriftelijk bevel tot de Oldambtster missie.
Uiteraard moest er in het Oldambt gezorgd worden voor kost en inwoning van de militairen. De verdere organisatie en vooral ook de sterkte van het detachement liet de prins aan de commandeur over, al bepaalde hij nog wel dat het “sterk genoeg” moest zijn “om geen gevaar te loopen van aan affronten blootgestelt te zijn”. Van Holsten diende nog te overleggen met de volmachten. Ook moest hij de prins op de hoogte blijven houden.
De zoetelaarster en de schildwacht
Vanuit Groninger bronnen is het exacte aantal soldaten onbekend, maar uit de rang van hun bevelhebber laat zich afleiden dat het om enkele tientallen ging. Hun hoofdofficier was de 84-jarige Jean Valat, een hugenoot geboren in de Languedoc, inmiddels opgeklommen tot luitenant-kolonel en kapitein der infanterie. De eerste maand had zijn detachement weinig te doen en bleef het rustig. Dat Valat schildwachten langs de nieuwe zeedijk uitzette, die communiceerden met een wachtlokaal, blijkt pas uit een akkefietje dat zich op 9 juni voordeed.
Die avond bezochten twee Oldenburger dijkarbeiders, Geert Berends (28) en Berend Ipsen (25), het schip van Geerts zwager, om er enige “montprovisie” op te halen die de zwager vanuit Oldenburgerland had ingevoerd. Diens schip lag “in de Oude Gote agter Oostwoldt bij de nieuwe dijk” en pal ernaast lag een andere schuit “om drank en eetwaren an de arbeijders uit te suidelen”. De Oldenburger dijkwerkers besloten daar eens even langs te gaan. Ze dronken er “verscheidene half oorden genever met suiker” en het ging er vrolijk aan toe, want iemand pakte zijn viool en men ging dansen. Op een gegeven moment raakten beide Oldenburgers echter “door drank bevangen” en begonnen ze onbehoorlijke taal uit te slaan tegen de zoetelaarster, die ze ook “stoeijender wijze” beetpakten. Een aanbod van haar en haar man om koffie te gaan drinken, sloegen ze af, en ze pakten zelfs haar man bij de schouders, waarbij diens “hemtrock” scheurde. Sein voor de angstige vrouw om de dichtstbijzijnde schildwacht te roepen. Die arresteerde beide dijkwerkers, en leverde ze over aan de achterwacht.
Inderdaad raakten beiden zo in handen van de Oldambtster drost, die ze echter na enkele weken brommen in de Zuidbroekster toren weer vrij liet. Volgens de drost was de zoetelaarster namelijk “gene smerte, nog enige wondinge” aangedaan, terwijl hij de verdachten hun uitlatingen niet aanrekende, omdat die “inter personas vilioris conditionis” waren gedaan – kennelijk vond de drost dat soort uitlatingen normaal voor lieden van geringe stand. Ook had de zoetelaarster de schildwacht er “meer uit confusie, dan eminent gevaar” bij geroepen. Bovendien hadden de verdachten hun spijt betuigd. Weliswaar viel “ het antasten van jemant in zijn eigene schuite” niet te tolereren, maar daarvoor volstond het voorarrest als straf. Verder liet de drost het bij een ernstige waarschuwing.
“Schiet mij maar dood”
Het gevalletje in de zoetelaarsschuit was nog onschuldig vergeleken bij wat er op zondag 2 en maandag 3 juli gebeurde. Die zondag werd ergens een “wagen met smokkelwaaren” aangehouden, waarvan de lading bestemd was voor iemand bij de nieuwe dijk. Toen de dijkarbeiders op de polder bij de Goldhoorn hiervan lucht kregen, gingen er zo’n vijftig via Oostwold en Midwolda naar Scheemda, waar de wagen zou staan. Dat bleek niet het geval, zo ontdekten ze. De wagen stond inmiddels in de schuur van substituut-wedman Jacob Egges te Winschoten, waar hij niet alleen door landsbedienden (belastingcommiezen), maar ook door een sergeant, een korporaal en elf soldaten bewaakt werd.
Hoewel de dijkarbeiders opdringerig waren, bleef het daarbij. De volgende ochtend echter, vertrok er een ”menigte” arbeiders van de nieuwe dijk achter Finsterwolde via de Ekamp naar Winschoten met het voorneen om de in beslag genomen goederen te heroveren. Van twee kanten sloten ze het huis van Egges in. Ditmaal drongen ze zo op, dat ze de soldaten wisten te overmeesteren. Die raakten hun geweren kwijt en vervolgens werd de contrabande in triomf naar de dijk gevoerd.
Over de indentiteit van de arbeiders die bij deze actie betrokken waren, zijn de bronnen ambigu. Terwijl een eerste stuk het heeft over Oldenburgers, spreekt een tweede van “arbeiders van de dijk en andere”, terwijl de de “desordres” volgens een derde werden gepleegd “zo door de Oldenburgers als ingezetenen”.
In elk geval waren twee van de drie aanvoerders die naderhand werden opgepakt, geen Oldenburgers. De eerste was Jan Elses (35) uit Beerta, die ‘s zondags in Winschoten de gewapende soldaten had uitgedaagd: “Hyr staa ik, duivels, schiet mij maar dood’.’ Ook had hij de militairen uitgescholden voor “canaille”. Gedeputeerde Staten, die recht spraken in belasting- en smokkelzaken, veroordeelden hem hiervoor tot twee jaar verbanning.
Een heel wat zwaardere straf kregen de Pekelder Jan Hindriks Karstens (40), in de wandeling Starke Jan, ook wel Jan Oldenburger, en de putbaas Jan Beerends (ca. 59) die uit Bonderhamrik afkomstig was. Zij golden als leiders van de arbeiders die op maandagochtend Winschoten waren binnengetrokken. Starke Jan had daar bovendien een soldaat ontwapend en diens geweer afgeschoten. Hij raakte daarbij gewond aan een hand. Net als zijn Oostfriese collega werd hij veroordeeld tot een levenslange verbanning uit de provincie.
Intussen kregen de belaagde soldaten een extra beloning van GS, namelijk 25 gulden voor de sergeant. 10 gulden voor de korporaal en 5 gulden voor elk van de manschappen. Ook omdat er na de rebulie opeens erg veel belasting ontdoken werd, besloten GS nog veel meer troepen te sturen naar de nieuwe Dollarddijk dan er al lagen. In overleg met commandeur Van Holsten, de Oldambtster drost Berghuijs en kapitein Valat werd de versterking bepaald op één officier, twee onderofficieren en zestig man voetvolk. Deze moesten een feitelijk samenscholingsverbod afdwingen en zoveel mogelijk zorgen dat de dijkarbeiders bij hun werk bleven en niet meer “bij troepen over den ouden dijk” kwamen.
Het nieuwe detachement vertrok op maandagochtend 24 juli in trekschuiten naar Scheemda, en marcheerde vandaar naar Finsterwolde. Daar sloot de nieuwe dijk immers op de oude aan, zodat eventuele “samenrottingen” daar ook het gemakkelijks te voorkomen waren. Op vier wagens, elk met twee paarden bespannen, werd de bagage van het nieuwe commando vervoerd. Daartoe bevolen door de drost regelden de dijkrichters (waterschapsbestuurders) van Finsterwolde dit vervoer. Zij ook, moesten voor de inkwartiering zorgen. Alleen de huishoudens die grondbelasting betaalden, kregen ermee te maken. De drost gaf nog de aanwijzing,
“dat de heer capitain en de beijde officieren in het dorp de fraeijste en geschikste behuijsing werden toegevoegt, hetzij bij de meester off jemant anders. Voor ’t overige moeten de biljetten voor de gemienen, waaronder nogthans de sergeanten niet te rekenen, geformeert worden na quantiteit der behuisingen en vermogen der ingezetenen.”
Het eerste wat het nieuwe commando deed, was het arresteren van de bovengenoemde aanvoerders van de rebulie in Winschoten. Zodoende werd “de justitie dienst gedaan en het ligchaam van sijn hoofden berooft”. Ook beschermde het detachement een “administrator” (hoofdbelastinggaarder) die permanent in de omgeving gestationeerd werd. Naar het zich laat aanzien, was hun missie zeer effectief – voortaan bleven de dijkarbeiders rustig.
“Belastinge met egaliteit”
Maar zoals dat gaat, ging de inkwartiering tegelijkertijd zwaarder wegen. Op 23 augustus klaagde kapitein Budde van het detachement bij de drost dat ene Harm Hindriks Groot drie van zijn manschappen de inwoning had ontzegd, terwijl Groot ze voor hun geld ook geen eten meer wilde geven, “zeggende dat zijn vrouw, oud zijnde, dat niet beredden konde”. Budde probeerde hem nog te overreden, maar “alles tevergeefs, willende nae niets hooren”. Het draaide zelfs nog op ruzie uit. En dus zwierven er drie soldaten door Finsterwolde, “niet wetende waar zij voor haar geld te eeten zullen krijgen”. Budde stelde de drost voor om ze te huisvesten in een herberg, waarbij de meerkosten voor Groot zouden zijn,
“dan word hij als een ongehoorsaeme gestraft, op welke wijse de andere ook best in toom gehouden kunnen worden, anders vreese ik dat meer het voorbeeld van deezen Harm Hindrik Groot volgen sullen.”
De kapitein klaagde bovendien over wedman Roemeling van Finsterwolde. Ondanks een bevel van de drost wilde Roemeling de soldaten geen stro bezorgen: “Wilt gij stroo hebben, ziet dat gij het krijgt”. Zodoende moest Budde zijn mannen ’s avonds na de taptoe nog ligstro laten halen.
Budde zal blij zijn geweest, dat hij en zijn troepen zes dagen later werden afgelost. Bij zijn vertrek kreeg hij nog woorden met een dijkrichter over het bagagevervoer. Ook Harm Groot was blij, die raakte de soldaten voorlopig kwijt. Volgens de instructie moest het nieuwe detachement namelijk “zo veel doenlijk bij andere lieden” worden ondergebracht dan voorheen, “opdat de belastinge met egaliteit werde gedragen”.
Het nieuwe commando bleef een stuk minder lang dan dat van kapitein Budde. Voortaan werden de troepen ook sneller afgelost. Eind oktober werd het detachemernt gehalveerd en toen GS op maandag 13 november vernamen dat
“de nieuwe dijk achter Oost- en Finsterwold in den Oldambte met de afloop van deze week geheel en al stond te worden geëindigt, en dat er bovendien voor het tegenwoordige niet veel boven de honderd arbeiders, alle inlanders, in ’t werk waren”,
kon het commando zelfs helemaal inrukken, waarmee er een eind aan de missie kwam. Overigens kreeg elke soldaat die eraan deelnam een beloning, bestaande uit een extra week soldij. Hiervoor leverden de kapiteins attestaties in, waarbij de “huislieden” (boeren) van Finsterwolde verklaarden “zeer tevreden te zijn over de voorschr[even] commando met opzigte tot derzelver gedrag”.
Finsterwolde kwam er daarentegen nogal bekaaid vanaf. Drost Berghuijs deed op 25 november nog een goed woordje voor het kerspel bij GS. Hij schreef de heren dat de inwoners door de ongeveer achttien weken durende inkwartiering “zeer veele inconveniënten en aanmerkelijke nadeelen” hadden ondervonden. Hij verzocht ze derhalve om een schadevergoeding voor deze mensen, “voor ’t grootste gedeelte in bekrompene omstandigheden zijnde”. In de provinciale stukken echter, is er geen spoor van een dergelijke tegemoetkoming te vinden. En daarmee lijkt het er sterk op dat de militaire bescherming van het dijkwerk ten koste van Finsterwolde is gegaan.
Wie er uiteraard wel garen bij sponnen waren de boeren en vooral de eigenaars van land in de nieuwe polder. In 1770 vroegen en kregen die nog een vrijdom van de grondbelasting voor 25 jaar. Voorafgaand aan de indijking hadden ze jaarlijks nog 2 stuivers per deimt voor hun “hooikwelders” betaald. Zelfs daar waren ze nu vanaf.
—
Bronnen per paragraaf
Aanbesteding
- Stratingh en Venema, De Dollard (Groningen 1855) 117-118.
- Groninger Courant 10 januari; 3, 21 en 28 februari; 3 maart 1769 (aanbesteding); 18 april 1769 (Golthoorn); 15 april.1763 en 3 februari 1769 (kwelderaanwas),
- WNT: de lemmata kaaidijk (kadijk) en put (putbaas).
Problemen voorzien
- RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (plaatselijke gerechten) 6153 (inzet militaire bij indijking, 1769), dossier met diverse brieven naar en van de Oldambtster drost.
- Vriendelijke mededelingen over dijkstakingen van Otto S. Knottnerus in mails d.d. 25 en 26 juni 2017 (waarvoor hartelijk dank!).
- RHC Groninger Archieven, rekest aan het stadsbestuur 10 maart; resoluties van het stadsbestuur 10, 20 en 21 maart; uitgaande missive 21 maart (in 1605-502); ingekomen missive 4 april (in 1605-316); resuluties 6 en 12 april, alles uiteraard 1769.
- Via http://www.allegroningers.nl het begraafboek van de Waalse gemeente Groningen, september 1772 (kapitein Valat).
De zoetelaarster en de schildwacht
- RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (plaatselijke gerechten) 5694, de sententies van 17 juni 1769.
- WNT, het lemma zoetelaar.
“Schiet mij maar dood’”
- RHC Groninger Archieven, Toegang 1 (Staten) 1352, de sententies van G.S. d.d. 9 september (Jan Elses) en 23 serptember (Starke Jan en Jan Berends) 1769.
“Belastinge met egaliteit”
- RHC Groninger Archieven, Toegang 1 (Staten) 193: akten GS 10, 21, 24, 27 en 31 juli; 26 augustus; 7, 21 en 23 september; 3. 4 en 21 oktober; 1, 9, 13 en 22 november; en 11 december 1769.
- RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (plaatselijke gerechten) 6153 (dossier met brieven over de inzet van militairen bij de indijking, 1769).
- RHC Groninger Archieven, Toegang 1-444 (rekesten dec. 1769-eind 1770, ihb die van 2 of 3 april 1770), 1-193 (akten GS over dezelfde periode), en 1-60 (resoluties Landdag, ihb die van 23 april 1760.
Dankbetuiging aan ons stadsbestuur
Geplaatst op: 6 oktober 2017 Hoort bij: Stad nu 1 reactieVanwege het busvrij maken van het westelijk deel van de Groninger binnenstad heeft ons stadsbestuur gemeend mèt de bushaltes op het Emmaplein ook de bushaltes aan de Emmasingel en de Eeldersingel te moeten verwijderen. Tijdens die storm van gister merkte ik de consequenties.
Als ik met de bus ga, neem ik, bewoner van Hoogkerk-Zuid, gewoonlijk lijn 8 (Hoogkerk- Martiniziekenhuis v.v.). Ik kon dan uit- en later weer instappen op het Emmaplein, hooguit zo’n 250 meter lopen naar en van mijn werkplek op het Cascadeplein. Met lijn 4 lagen de haltes zelfs nog wat dichterbij, op de Eeldersingel bij de Eelderbrug (heen) of aan de overkant van de Emmasingel bij de Zuiderhaven (terug). Maar lijn 4 gaat sinds een jaar of wat niet meer door Hoogkerk, en dus moet je via lijn 8 overstappen bij het Transferium Hoogkerk, als je die lijn nog nemen wil, wat extra tijd kost. Bovendien zit die bus van lijn 4 richting stad vaak propvol met Rodenaren en Peizenaren – reden om vanuit Hoogkerk-Zuid de veel minder drukbezette lijn 8 te nemen, hoewel die er iets langer over doet.
Met het wegnemen van de haltes bij de Eelderbrug ligt lijn 4 nu helemaal niet meer in de rede. Tot mijn ongenoegen merkte ik gister echter, dat de naar buiten (o.a. Eeldersingel) verlegde lijn 8 op het laatste stuk voor het station geen halte meer heeft in de onmiddellijke omgeving van het Cascadeplein. Dit betekent voor mij op de heenreis ofwel uitstappen bij de Slingerij aan de Aweg, ofwel uitstappen bij het Hoofdstation, om precies te zijn op een plek voorbij het Groninger Museum. Heb net even gekeken hoeveel extra dat lopen is. In de oude constellatie kon ik op hooguit 250 meter vanaf mijn werk uit- en instappen. Nu is dat zo’n 750 meter, het drievoudige!
Het Groninger gemeentebestuur wordt nog wel bedankt voor deze streek die ze de Hoogkerker en andere west-Groninger werknemers en bezoekers van het Cascadeplein geleverd heeft. Voor mezelf valt het nog wel mee, omdat ik doorgaans op de fiets ga. Maar je zult maar slecht ter been zijn. Zoals ik er nu over denk gaat mijn stem volgend voorjaar bij de raadsverkiezingen dan ook niet naar een collegepartij.









Recente reacties