Snikkevaarders Hoendiep geven beeld van hun bedrijf
Geplaatst op: 5 oktober 2017 Hoort bij: Geschiedenis 2 reacties
Het rekest geeft een zeldzaam mooi inkijkje in het reizen per trekschuit over het Hoendiep, anno 1770. Het werd eind dat jaar bij Gedeputeerde Staten van Stad en Lande ingediend door de olderman en heuvelingen, zeg maar het onderling bestuur van de trekschippers in het Westerkwartier. Namens de achterban wilde dat bestuur graag een hoger wintertarief voor “afgewonnen schuiten”, dat wil zeggen de trekschuiten die buiten de dienstregeling om door reisgezelschappen werden ingehuurd. Want destijds had je qua trekschuiten eenzelfde onderscheid als er nu in de passagiersluchtvaart bestaat tussen lijnvluchten en chartervluchten.
Jaarlijks, zo betoogden de trekschippers van het Hoendiep in hun rekest, werden er ongeveer honderd afgewonnen schuiten ingezet. Dit kwam vooral door “de menigte passagiers” die in het najaar vanuit Friesland aankwamen in Stroobos, de plaats op de Fries-Groningse grens waar men overstapte van de Friese op de Groningse trekschuiten (en andersom). Vaak waren die schepen
“opgepropt van menschen, meestendeel behoeftig en onbegoedet, ook tevens onbeschaaft, waarvan wel het grootste gros ’s voorjaars van hier na andere provinciën vertrekken, om een stuivertje te profiteren, dewelke in die tijden dikwijls voor halve vragt, ook wel gratis door de trekschippers naar Strobos worden gebragt…”
Het ging om een nogal internationaal gezelschap, mensen van “allerhande soorte van natiën”, maar met name “een groot aantal van Oldenborgers en smousen” (Duitse joden). In het voorjaar op de heenreis naar Friesland of Holland betaalden deze hannekemaaiers, polderjongens, trekarbeiders en andere gelukszoekers – zoals hieruit impliciet blijkt – een gereduceerd tarief voor armen en onbemiddelden. In het najaar of ‘s winters op de terugweg, hadden ze echter “eenige voorraadt opgedaan”, dus veel meer bagage bij zich, en kennelijk ook meer geld te spenderen, gezien het aantal schuiten dat ze dan afwonnen. Vaak kwamen ze tegen de late avond of zelfs tegen middernacht aan, als de gewone dienstregeling al afgelopen was. Menigmaal wilden ze dan onmiddellijk hun reis voortzetten met een afgewonnen schuit. Dit ging zelfs ten koste van de reguliere ochtendschuiten die van Stroobos naar Groningen voeren, en die nogal eens “ontblood van passagiers”, dus leeg, op weg moesten gaan.
Het nachtelijke reizen maakte “de vaart ten uitersten lastig en beswaarlijk” voor de schippers,
“deels wegens de donkere nagten, deels wegens hagel en sneeuwvlagen, deels door ’t hoge water die nauwlijks het trekpad onbedekt laat, zodat de trekschippers veelmaalen in die tijden levensgevaar lopen op hunne schuiten…”
Daarbij kwam dat het wintervervoer veel meer van schuiten en materiaal als jaaglijnen vergde, terwijl de jaagpaarden dan veel gauwer afgemat en onbruikbaar waren. Hoewel dus “de moeijlijkheid der togten, het gevaar en de slijtagie” bij zomer- en winterdag “oneindig” verschilden, stond het door de overheid vastgestelde tarief voor een afgewonnen trekschuit tussen Stroobos en Groningen (vv) het hele jaar door op dezelfde 4 gulden en 10 stuivers. En dat vonden de trekschippers vreemd. Vanwege de ”dispariteit” tussen zomer- en winterreizen verzochten ze GS om een hoger tarief voor het winterhalfjaar. Daarvan zouden niet alleen zij, maar ook de provincie financieel wijzer worden. Ze voerden aan dat een dergelijk gedifferenteerd tarief ook in sommige delen van Friesland, en op vele plaatsen in Holland en elders bestond. Ja, in Stad en Lande konden de provinciale boden en dienaars ’s winters dubbel zoveel reisgeld declareren als ‘s zomers – zouden de trekschippers dan geen recht hebben op een soortgelijke regeling?
Gedeputeerde Staten, die een en ander rustig aanhoorden en uitgebreid lieten noteren, voelden er echter niet voor. Zij wezen het verzoek resoluut van de hand.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 1 (archief Staten van Stad en Lande) inv.nr. 193 (aktenboek GS), de apostille d.d. 10 december 1770 met het samengevatte rekest.
Een smokkeltapper op Eiteweert
Geplaatst op: 2 oktober 2017 Hoort bij: Drenthe vrogger, Onlanden 1 reactie
RHC Groninger Archieven, Toegang 1 (archief Staten van Stad en Lande) inv.nr. 185 (akten GS), notitie van 29 maart 1753.
Machtiging, door Gedeputeerde Staten van Stad en Lande aan de hoofden van hun belastingdienst om een okshoofd (vat van 233 liter) jenever ten voordele van de provinciekas te verkopen. Een week eerder kwam dit vat met het beurtschip van de Lemmer over het Hoendiep aan in de stad. Het was bestemd voor Albert Aaites “op de Roodewoldemer Dijk” in Drenthe. Deze had echter geen jenever bij het belastingkantoor aangegeven, maar wijn, een alcoholhoudend vocht dat heel wat minder aan doorvoerrechten deed. Derhalve kwam de door of namens Albert bij het afhalen getoonde “passeercedulle” (het geleidebiljet) niet overeen met de werkelijke inhoud van het vat, zodat dit bij inspectie in beslag was genomen.
In Albert Aaites herkennen we Albert Eites Oosterhof (1724-1799), landbouwer, bakker en herbergier op de hoeve Eiteweert, te Matsloot onder de klokslag van Roderwolde. Hij moet een gevoelig verlies hebben geleden bij de inbeslagname en gerechtelijke verkoop. Hollandse jenever deed destijds minstens 31 gulden per anker, en in een okshoofd gingen zes ankers, waarmee de waarde in geld – rekening houdend met een kwantumkorting – op minstens 150 gulden berekend kan worden. En daarvan kon iemand een jaar lang leven.
Rondje Lagemeeden
Geplaatst op: 1 oktober 2017 Hoort bij: Hoogkerk, Ommelanden 9 reactiesKruisspin voor het raam van mijn fietsenschuurtje:

De Hoogkerker Matterhorn (met dank, Harmien), bij bedrijventerrein Westpoort (daar moeten geen kinderen tegenop klimmen):

Schuur, Lagemeeden:

Oranje-blanje-bleue hekafsluiting:

Populierenrij aan het westelijke uiteind van de Nutweg:

Een Kleima op het kerkhof:

Ook daar – dit russisch-orthodox bedevaartsmonument voor de heilige Marina:

Aan de Weersterweg legde een wilg het loodje bij de eerste najaarsstorm:

Queuende koeien
Geplaatst op: 1 oktober 2017 Hoort bij: Dieren 3 reactiesVan de week op een middag bij de Schelfhorst, Paterswolde:


Vanmiddag bij de Weersterweg tussen Leegkerk en Den Horn:

De nieuwsgierigste van het hele stel:

Kinderen van de Tine Marcusschool
Geplaatst op: 27 september 2017 Hoort bij: Familie, Stad toen 10 reactiesKinderen bij draaiorgel de Arabier in de Groninger Oude Ebbingestraat, 1958 of 1959:

Misschien verbaast het, dat ze zo dicht op die lawaaidoos staan. Maar het waren niet zomaar kinderen, het ging om leerlingen van de Tine Marcusschool voor slechthorende kinderen aan de Ossenmarkt.
De foto is gemaakt door hun juf Grietje, ook wel Margriet Toppen (1921-2017), de nicht van mijn vader. Na haar kweekschoolopleiding was ze eerst jarenlang in het reguliere lagere onderwijs werkzaam geweest, met name te Bellingwolde, maar naderhand koos ze met hart en ziel voor dit bijzondere onderwijs. Van 1953 tot 1980 was ze aan de Tine Marcusschool verbonden, waar ze altijd de aanvangsgroep onder haar hoede had en ook het spraakcorrectief onderwijs opzette en verzorgde. Voor dat doel was er in de school een speciaal ‘Praathuis’ ingericht, waar de leerlingen graag mochten komen. Ook nam ze haar leerlingen regelmatig mee naar buiten voor aanschouwelijk onderricht. En af en toe maakte ze daarbij dus foto’s met haar cameraatje.
Leerlingen spelen blindemannetje op de stoep voor de school: op de achtergrond rijdt een Citroën Traction Avant over de zuidzijde van het Lopende Diep (1955):

Leerlingen volgen een les met koptelefoons op en microfoons voor zich, Als ze het woord wilden hebben, moesten ze net als Tweede Kamerleden eerst op een knopje drukken. Voor hen zit een klasse-assistente. Deze foto zal ca. 1957 gemaakt zijn: 
Herfst 1958 – leerlingen vergelijken herfstbladeren op een trottoir vlakbij hun school. Op de achtergrond bekijken twee mannen een brommer. Rechts staat een bakfiets die niet op de haak is gezet:

Ansichtkaartenzakjes
Geplaatst op: 25 september 2017 Hoort bij: Familie, Kunsten 1 reactieKreeg bericht van haar executeur-testamentair dat er nog een handvol dozen met fotoalbums stonden in het inmiddels verkochte huisje van mijn vaders nicht Margriet. Of ik er belang bij had.
Vanmiddag in Eelde een uur of anderhalf wezen schiften. Op een album met cartes de visite en wat losse familie- en schoolfoto’s na, kon bijna alles weg. Het gros bestond namelijk uit souvenirs van vakanties, die nogal inwisselbaar zijn.
Ze ging al voor de loongolf van 1961/2 overal heen, die nicht van mijn vader. Dat wil zeggen: in Noord-, West- en Zuid-Europa deed ze alleen Finland, Portugal en Griekenland niet aan.
De belangrijkste musea werden bezocht en daar kocht ze dan kunstkaarten van werken die kennelijk indruk hadden gemaakt. In sommige gevallen zaten die nog in de originele ansichtkaartenzakjes. Onaanzienlijk drukwerk, waar nog maar weinig van over zal zijn en dat toch soms fraai van ontwerp is:




Mocht iemand ze verzamelen, hij of zij kan deze van me krijgen.
Rondje Peest
Geplaatst op: 24 september 2017 Hoort bij: Drenthe 3 reactiesWonderbaarlijk – de schuur in Peize staat er nog:

Peizer pompoenenassortiment, van klein naar groot:

Tussen Bunne en Donderen – veld met bladrammenas als groenbemester:

Tussen Donderen en Peest – Schotse hooglanders in een bos zonder bomen maar met veel struikgewas:

Weggetje bij Peest:

Schuur in Peest:

Tussen Peest en Roden – wagen met wintervoorraad brandhout:

Bij Roderwolde – torenvalk op de uitkijk:

Rondje Roderwolde – Pasop
Geplaatst op: 24 september 2017 Hoort bij: Drenthe, Westerkwartier 7 reactiesHeb een beetje rare verkoudheid opgelopen. Woensdag zakte mijn stem minstens een octaaf , vrijdag kon ik nauwelijks meer slikken van de keelpijn en sinds gisteravond zit mijn hoofd vol watten. Met de keel zit het inmiddels goed, gelukkig.
Nog wel een tochtje gemaakt, gistermiddag, al kwam het niet meer van posten.
Langmadijk bij het gehucht Peizermade – afgedankte wagen (voor het vervoer van boomstammen?) in het riet:

Paardenbijter (met dank aan Maico) in het riet langs de Onlandsedijk:

Langs de Hooiweg in Roderwolde:

Het schuurtje in Leutingewolde:

Nest zwavelkopjes langs de weg tussen Nienoord en Midwolde:

Bij de kerk van Midwolde stond een museumbus van de gewezen Friese Autobus Maatschappij FRAM:

Tuin op de Pasop, nabij de A7:

Het bordeel op de Pasop aan de noordkant van de A7, dat al enkele jaren leeg staat, geeft zijn eigenlijke huisnaam Veldzicht prijs:

Weer twee paardjes voor de collectie
Geplaatst op: 22 september 2017 Hoort bij: Hoogkerk Een reactie plaatsenEen al wat langer sudderend plan gerealiseerd en twee wat achteraf gelegen boerderijen bezocht, die in hun achtergevels paardjes hebben:
Leegkerk – een herzien exemplaar, oorspronkelijk uit 1832:

De huidige eigenaar van de boerderij vertelde er nog een mooi verhaal bij, over een kampioensharddraver die hier opgefokt was. Het vele prijzen winnende paard werd op een gegeven moment tegen een fenomenaal bedrag naar Italië verkocht. Maar daar ging het weldra van de heimwee dood! De Italiaanse kopers, mogelijk nogal maffiose types – die had je veel daar in de paardensport – wilden naar verluidt verhaal komen halen in Leegkerk.
Uiteraard heb ik dit verhaal inmiddels gecheckt, en het bleek in werkelijkheid toch iets anders gegaan dan de huidige eigenaar dacht. Ik werk het nog wel eens uit, maar er is nogal wat research voor nodig, dus even geduld a.u.b.
Ook aan de boerderij van de andere gevelsteen, De Balk aan de Friesestraatweg:

zitten verhalen vast, maar dan meer triest. Die laat ik maar rusten.
Hoe de gemeente Groningen een middeleeuws maar naar de knoppen hielp
Geplaatst op: 21 september 2017 Hoort bij: Geschiedenis, Hoogkerk, Uncategorized 5 reactiesHoorde gisteravond bij mijn lezing over veld-, water-, weg- en huisnamen van Hoog- en Leegkerk, dat de naam Moar na de oorlog nog steeds bekend was in Hoogkerk. De lokale jeugd schaatste ’s winters op dit kanaaltje, want er lag altijd mooi ijs.
Dat Moar is de Groningse naam voor het Oude Maar of de Brundekemaar, dat vanaf de bocht in het Hoendier nabij kartonfabriek De Halm eerst met wat verspringingen en vervolgens in een lange rechte lijn naar het noorden liep, vervolgens bij boerderij De Balk aan de Friesestraatweg naar het westen zwenkte, en voorbij Slaperstil, watermolen de Jonge Held en de beide Washuizen op het Aduarderdiep uitkwam. Ziehier het tracé volgens het kadaster van 1830 in de Hisgis-versie:

Wat die scheuvelende jeugd niet besefte, was dit dat Oude Maar bijna zeven eeuwen oud was, want het werd aangelegd op het eind van de dertiende eeuw. Het nam de functie over van het Eelderdiep, toen dat ten zuiden van Hoogkerk, bij het huidige transferium Hoogkerk, omgelegd werd naar het Peizerdiep. Het Maar maakte kleine scheepvaart met bijvoorbeeld hooipramen mogelijk, maar diende toch vooral voor de afvoer van overtollig water uit het oostelijk deel van Lieuwerderwolde, zoals Hoogkerk in de Middeleeuwen nog heette. Naderhand kwamen er vanaf het oosten de Hoensloot (de voorganger van het Hoendiep), de Woldsloot (parallel aan de Legeweg) en het Vinkemaar (vanaf het Vinkeland bij Vinkhuizen) op uit.
Dat Oude Maar bestaat voor twee gedeelten nog steeds, delen die we dus mogen beschouwen als middeleeuws waterstaatkundig erfgoed. Alleen heeft de gemeente Groningen zo’n vijftien, twintig jaar geleden de nieuwbouwwijk Gravenburg over een centraal gelegen stuk laten aanleggen.

Er staan dus nu huizen en bijbehorende opstallen op grond, gestort in een diep van ruim zeven eeuwen oud. Ik weet niet hoe die huizen gefundeerd zijn, maar geheid dat die grond nog verder gaat werken en inklinken en dat de eigenaren van dat vastgoed, als dat funderen niet op een vaste laag in de ondergrond is gebeurd, gaan klagen over scheuren in hun panden. Mogelijk zullen ze bij de NAM gaan aankloppen voor aardbevingsschade. Maar feitelijk zijn ze dan aan het verkeerde adres, want het was de gemeente Groningen die hier – ook afgezien van dat funderingsaspect – een kolossale stommiteit heeft uitgehaald.
Wat foto’s van het Oude Maar, zoals het er gisterochtend bij lag:

Het Oude Maar gezien vanaf de Hoogkerker rondweg naar het noorden.

Het Oude Maar gezien vanaf De Groenhof naar het zuiden. Midden-rechts aan de horizon de schoorsteenpijp van De Halm.

Het Oude Maar vanaf de Legeweg naar het zuiden. Rechtsachter de nieuwbouw aan De Groenhof.

Het doodlopende eindje Oude Maar gezien vanaf de Legeweg naar het noorden. Zonder enige terughoudendheid is er nieuwbouw op het middeleeuwse tracé gezet.

Het Oude Maar gezien vanaf de noordzijde van Gravenburg naar het noorden. In de verte boerderij De Balk.
Naar juffer Odilia in Wittewierum
Geplaatst op: 17 september 2017 Hoort bij: Ommelanden 8 reactiesEuvelgunnerweg – het witte tolhuisje in de verte staat te koop, maar niet via een makelaar. Je moet de eigenaar mailen als je gading maakt:

Lageland, brug over het Slochterdiep:

Je ziet steeds meer van dit soort frèle molentjes bij boerderijen; ben benieuwd wat voor rendement die opleveren:

In weerwil van de vrij sombere weersverwachting de hele middag geen drup op de kop gehad. Luddeweer of daaromtrent – links van de weg een steeds donkerder bewolking, terwijl rechts van de weg de zon scheen:

Hier en daar toch nog best veel appels aan de boom :

Een voorbeeldig geparkeerde auto bij Wittewierum:

Doel van de reis was een expositie in het kerkje aldaar. Centraal stond juffer Odilia Amelia Rengers (1779-1805), van wie een portret uit familiebezit getoond werd:

Over freule Odilia viel eigenlijk niet veel meer te vertellen dan dat ze geboren werd, een mooie partij trouwde, en drie kinderen baarde die later de naam Rengers Hora Siccama voerden. Verbreding van de expositie was vooral gezocht in dat nageslacht, waarvan er eentje door een al te uitbundige levensstijl bankroet ging en in armoe stierf.
Maar goed dat Odilia’s flegmatieke papa daar geen weet van had – ziehier het portret van deze Duco Gerrold Rengers (1750-1810):

De Rengersen liggen hier in het koor begraven en het is een wat vreemde sensatie over hun grafstenen te lopen, terwijl je naar hun portretten en -spullen kijkt. In tegenstelling tot de rouwborden speelden die grafstenen verder geen rol in de expositie (dacht ik):

Potloodschets van een familiebezoek:

Met alle aandacht voor de rijkdom op diverse exposities in de provincie, wil de armoe nog wel eens uit zicht verdwijnen. Zo was de diaconiekist van Wittewierum naar een wat minder prominent plekje gedirigeerd:

Een van de boerderijen bij de kerk:

Hut, nog steeds Wittewierum:

Stedum in de verte, over een veld met geel mosterdzaad, een groenbemester (met dank aan Maico):

Peerdje te Hemert, een oud exemplaar:

Tuin met wilgen en drogende bonen tussen Garrelsweer en Wirdum:

Vermaning was hooguit een bijgoochem
Geplaatst op: 16 september 2017 Hoort bij: Geschiedenis 4 reactiesDiefstal, verboden wapenbezit, een oud-nazi, en een opzet om de zaak te flessen. Op het Biologisch Archeologisch Instituut (BAI) leek er wel een krimi aan de gang, midden jaren zestig. Oud-directeur Waterbolk schreef er in zijn memoires over.
Januari 1965. Uit Brabant krijgt het Biologisch Archeologisch Instituut (BAI) van de RUG de tip, dat een technisch assistent van het BAI er archeologica verkoopt, die van het BAI afkomstig moeten zijn. Inderdaad blijken er in de studiecollecties van het BAI nogal wat voorwerpen te missen. Weldra bekent de man. Hij had geld nodig voor drank en een bijvrouw.
Maar er is meer aan de hand. Een wetenschapper, Assien Bohmers, biecht tegen de BAI-directeur op dat hij een revolver van de man kocht. De directeur stelt de politie op de hoogte, en die vindt de revolver in Bohmers’ bureau op het BAI. In Bohmers’ boot, liggend voor diens huis te Bedum, treft de politie zelfs diverse automatische vuurwapens aan. Bohmers wordt geschorst en krijgt uiteindelijk, na een veroordeling wegens verboden wapenbezit, op eigen verzoek eervol ontslag.
Deze opmerkelijke episode komt voor in de vrijdag verschenen memoires van Harm Tjalling Waterbolk, emeritus-hoogleraar archeologie en toentertijd directeur van het BAI. Memoires die in het teken staan van een nog veel ingrijpender affaire in Waterbolks’ leven, namelijk die van de amateur-archeoloog Tjerk Vermaning. Volgens Waterbolk stonden beide affaires los van elkaar, al veronderstelt hij wel dat Bohmers en Vermaning iets met elkaar te maken hadden.
De nu bijna vergeten Tjerk Vermaning was een grasmachineslijper van zeer eenvoudige komaf, die medio jaren zestig met zijn woonscheepje te Smilde lag. Hoewel hij slechts een paar jaar lager onderwijs genoot, ontwikkelde hij een passie voor archeologie, vooral die van de oudste steentijd. Zijn droom was, om te bewijzen dat er voor de laatste ijstijd Neanderthalers in Noord-Nederland hadden rondgelopen. Begin 1965 leek die droom uit te komen, toen hij ‘middenpaleolitische artefacten’ op een diepgeploegde akker te Hoogersmilde vond.
Het Drents Museum kocht de schat voor 10.000 gulden. Vermaning kreeg de Culturele Prijs van de provincie Drenthe, en een jaargeld van 12.000 gulden, dat via het BAI voor een derde uit het Groninger Universiteitsfonds kwam. Ook mocht Vermaning een eigen museumschip inrichten. Een en ander leek zich uit te betalen ook, want in 1967 en 1973 vond hij in Hijken en Eemster opnieuw ‘middenpaleolithen’.
Vermaning gold als de underdog, die de geleerde wereld voor schut zette. Als zodanig was hij de lieveling van de pers, die in de geest van de tijd sowieso weinig met autoriteiten ophad. Bij Vermaning wekte alle aandacht bravoure op, en steeds was hij goed voor sappige quotes. Feitelijk kon je hem alles laten zeggen. Dat hij een eredoctoraat verdiende bijvoorbeeld. Of dat hij “de messias op het gebied van de oudheidkunde” was. Of dat hij ze allemaal dood zou schieten, die wetenschappers.
De eerste vondst van Vermaning viel toevallig samen met de ontdekking van vuurwapens bij Assien Bohmers, de enige oude steentijdonderzoeker in de universitaire wereld. Na Bohmers’ ontslag schreef BAI-directeur Waterbolk weliswaar een artikel met voorlopig positieve bevindingen over Vermanings vondst, maar hij achtte zichzelf toch niet de bij uitstek deskundige. Hij probeerde een student op Vermanings materiaal te zetten. Pas in 1970 lukte dat. Als promovendus kreeg deze Dick Stapert vervolgens twijfels. Vermanings vuurstenen waren raar afgerond, beslist dikker dan eerder gevonden artefacten, en het glanspatina was niet door de natuur aangebracht. Sterker nog, de werktuigen vertoonden recente slijpsporen.
In 1975 meldden Stapert en Waterbolk dit aan de provincie Drenthe, die aangifte wegens oplichting deed. Bij het proces in Assen riep Vermanings verdediging een erkend specialist, professor Bosinski uit Keulen, als getuige-deskundige op. Tot haar verbijstering verklaarde hij de artefacten voor vals. Onderzoek van het Gerechtelijk Labaratorium wees uit, dat er inderdaad een kunstmatige glans op zat. In 1977 veroordeelde de rechter Vermaning tot een voorwaardelijke gevangenisstraf omdat hij zèlf de werktuigen gefabriceerd zou hebben. Maar precies dàt achtte het Leeuwarder Hof in hoger beroep niet bewezen. En over de echtheid van de artefacten wilde dat niet oordelen. Daarom sprak het Vermaning vrij.
Na deze uitspraak brak de hel pas goed los voor het BAI. De media namen nauwelijks kennis van de toch vrij duidelijke technische rapporten, en zoomden in op de miskende amateur, die bijna beentje gelicht was door afgunstige academici. Anonieme schotschriften betichtten Stapert en Waterbolk van list en bedrog. Ze kregen aanklachten wegens meineed en laster in het vooruitzicht gesteld. Om over de doodsbedreigingen maar te zwijgen.
De emoties konden hoog oplopen als het over Vermaning ging. Intussen is na diens dood, in 1987, het tij gekeerd en groeit er langzamerhand een consensus dat zijn vondsten wel degelijk vals waren. Maar Waterbolk heeft er moeite mee, om wijlen Vermaning zelf als dè vervalser te zien. En daar kan ik inkomen, want de man was vooral naief, zoals me eens bleek bij een ziekenbezoek op zijn schip (1973).
Vermaning, zo betoogt Waterbolk waarschijnlijk terecht, beschikte niet over de kennis voor het vinden en verwerken van de juiste ruwe vuursteenknollen. Ook had hij niet de juiste slijpapparatuur. Mogelijk vervalste hij vindplaatsen en stak hij bij een opgraving stukken in ongeroerde grond. Maar dat maakt hem hoogstens een uitvoerder.
Een bijgoochem dus, maar wat voor elementen zaten er dan achter? Bij wijze van “werkhypothese” komt Waterbolk met een plausibel complot. Inderdaad zijn er sterke aanwijzingen dat het handwerk van wijlen Ad Wouters kwam, een Brabantse amateur-archeoloog. Maar naar Waterbolk vermoedt fungeerde wijlen Assien Bohmers als kwade genius en verbindingsman achter de schermen, althans in het begin. Tijdens de Hoogersmilde-vondst was Bohmers nog in dienst van het BAI, en hij was de aangewezen man om Vermanings materiaal op langdurige studiereizen te vergelijken met materiaal in buitenlandse collecties. Al ging dat feest niet door, vanwege die onverwachte wapenvondst.
Bohmers en Vermaning kenden elkaar wellicht van de Friese boerenhoutsnijdersvereniging ‘de Ikelbeam’. Als zelfbenoemd Fries was de “kluge, zielstrebige und ehrgeizige” Bohmers in 1937 bij de SS-wetenschapsorganisatie ‘Das Ahnenerbe’ in dienst getreden. Tussen 1939 en 1943 deed hij opgravingen in bezet Tsjechië, en tegelijkertijd droomde hij ervan leider te worden van de Friese gouw in het Groot-Germaanse rijk. In 1941 parachuteerden de Duitsers hem op het BAI. Na de oorlog zat hij wel vast, maar omdat de bewijzen voor zijn vergaande collaboratie ontbraken, liet men hem gaan. Vanwege zijn uitstekende wetenschappelijke reputatie kreeg Bohmers in 1952 weer een vaste baan bij het BAI.
Een verdere carrière was natuurlijk uitgesloten. Collega’s bejegenden hem argwanend en afstandelijk. Publiceren deed hij zo min mogelijk, wellicht uit angst om alsnog tegen de lamp te lopen. Het liefst wilde hij het land uit, met zijn boot, als hij genoeg geld bij elkaar had gesprokkeld met zijn handeltjes. En na zijn ontslag gedroeg hij zich uiterst rancuneus. Binnenskamers koesterde hij reserves tegen de vondsten van Vermaning, maar in ingezonden brieven viel hij het BAI publiekelijk af.
Ik las Waterbolks boek in één ruk uit, en naar ik vernam was ik de enige niet. Aan zijn terugblik ontbreekt een apologetische toon, slechts één keer liet hij zich even gaan. Waterbolk maakt aannemelijk dat hij niet anders gehandeld kon hebben, gegeven de omstandigheden. Dat hij na zoveel jaar eindelijk zijn stilzwijgen verbreekt, valt te prijzen, ook al gebeurt dat pas na de dood van zijn ergste vijanden.
—
H.T. Waterbolk, Scherpe stenen op mijn pad (Heveskes Uitgevers, Groningen, 264 pagina’s, 19,95 euro).
Deze recensie verscheen nagenoeg in deze vorm in de UK (Groninger Universiteitskrant) van 3? december 2003.
Mariska Veres in de Badstratenbuurt
Geplaatst op: 16 september 2017 Hoort bij: Kunsten, Stad nu 2 reacties
(Kleine Badstraat.)
Wolkenrondje Vierverlaten
Geplaatst op: 15 september 2017 Hoort bij: Hoogkerk 3 reactiesKon nog net een uurtje fietsen. Op de Roderwolderdijk een interessante wolkenformatie, die niet op de Buienradar te zien viel:

Vanaf het viaduct over de A7:

De formatie dreef richting stad en regende maar liefst drie druppels op mijn hoofd:

Suikerfabriek Vierverlaten:

Een arbeidersbudget in Beerta (anno 1893) – II : de uitgaven
Geplaatst op: 14 september 2017 Hoort bij: Geschiedenis 1 reactieLosse boerenarbeiders of dagloners waren er in Beerta veel meer dan vaste. Maar los of vast, ze stonden per jaar ongeveer voor dezelfde uitgaven met hun gezinnen. Voor een huishouden van zes personen bedroegen die uitgaven op jaarbasis:
| Aard uitgaven | Subgroep | Categorie | Opmerkingen |
| Huishuur | ƒ 30,00 | ||
| Bedstro | ƒ 1,50 | ||
| Huisvesting | ƒ 31,50 | ca. 10 % van de gezinsinkomsten | |
| Turf | ƒ 30,00 | ||
| Petroleum | ƒ 4,00 | ||
| Energie | ƒ 34,00 | Ruim 10 % van de gezinsinkomsten. | |
| Kleding | ƒ 50,00 | Zie b. | |
| Huur 25 are tuingrond | ƒ 40,00 | Zie a. | |
| Zwart brood (12 kilo per week à 6,5 cent) | ƒ 40,00 | Roggebrood. | |
| Vet (1 kilo per week à 50 cent) | ƒ 26,00 | ||
| Boter | ƒ 5,00 | Zie c. | |
| Melk (0,5 liter per dag) | ƒ 9,00 | ||
| Meel | ƒ 7,00 | ||
| Zout | ƒ 3.50 | ||
| Koffie (2 ons per week.) en cichorei | ƒ 20,00 | ||
| Tabak | ƒ 4,00 | ||
| Voedings- en genotmiddelen | ƒ 154,50 | Ruim de helft van de gezinsinkomsten | |
| Zeep | ƒ 2,00 | ||
| Medicinale hulp | ƒ 5,00 | ||
| Ziekenfonds | ƒ 3,00 | Zie d. | |
| Zorg | ƒ 10,00 | 3,3 % van de gezinsinkomsten. | |
| Courant | ƒ 1,00 | Zie e. | |
| Leesvoer | ƒ 1,00 | ||
| TOTAAL | ƒ 281,00 |
Degene die het lijstje opstelde rekende niets voor suiker, witbrood, jenever etc., omdat de uitgaven daaraan in zijn ogen “onbetekenend” waren. Wat er betaald werd aan het herstel van meubels en gereedschap, bezems en borstelgoed, garen en band, enz. vormde voor hem een groot vraagteken. Ook voor vlees en eieren stelde hij geen bedrag (zie onder, a). Bovendien gaf het arbeidersgezin volgens hem niets uit aan ontspanning.
Opmerkingen:
а.
De tuin leverde de groente: aardappela, bonen, knollen en kool. Van het tuinafval en de kliekjes uit het huishouden werd voor gezamenlijke rekening met een ander huishouden een varken vetgemest, dat na de slacht in november ongeveer 100 kilo spek voor elk van beide huishoudens opleverde. Dat varken was in het voorjaar als big gekocht voor ongeveer ƒ 7,- per huishouden, terwijl er in een jaar voor ƒ 8.75 aan meel in ging. Dat waren dan extra kosten die bovenop de andere gezinsuitgaven kwamen. Van de 100 kilo spek moesten de hammen afgerekend worden, want die werden bij voorkeur verkocht, waarbij de opbrengst minstens ƒ 13,- bedroeg. Wat dat betreft kon zo’n zwijn dus best uit.
b.
Het bedrag voor kleding was laag gehouden. Kinderen droegen vaak kleren van rijkere of oudere kinderen af. Aan ondergoed werd waarschijnlijk ook niet veel uitgegeven. Sommige gezinnen konden qua kleding in een jaar nog wel met minder dan 50 gulden rond.
c.
Boter gold als luxe. Het werd ook maar in een gedeelte van het jaar gebruikt.
d.
Het ziekenfonds was deels een liefdadige instelling. Het vergoedde de leden geen zorgkosten, maar alleen de loonderving in een periode van ziekte. Vandaar ook het aparte bedrag voor medische behandeling, los van de ziekenfondscontributie.
e.
Erg leuk is de opmerking over de krant, die me aan Harm Boukje doet denken:
“Eenige huisgezinnen lezen voor gezamenlijke rekening een plaatselijk blad. Dat en een “Hazelhoff’s almanak”, ziedaar de geestelijke spijs van de meerderheid der arbeiders. In den laatsten tijd komen daarbij “de Arbeider” (de courant van Luitjes) en socialistische brochures.”
Alcohol kreeg dus geen plek op dit uitgavenlijstje, maar het zal duidelijk zijn dat een drankverslaving vrijwel onmiddellijk tot intering op eventueel vermogen of verarming leidde. Immers, de vaste boerenarbeider en de dagloner die niet elders in het veen of de hooibouw ging werken, verdiende met zijn gezinsleden iets meer dan 300 gulden in het jaar, waarvan bij bovenstaand uitgavenpatroon zo’n 20 gulden overschoot. Zo’n reserve smolt razendsnel weg bij drankzucht, zodat er dan op andere uitgaven moest worden beknibbeld.
Zonder de 2,5 maand werkverschaffing zouden de gezinsinkomsten ook maar ongeveer 270 gulden geweest zijn, te weinig voor bovengenoemde, toch noodzakelijke geachte levensbehoeften:
“Is het te verwonderen dat de arbeiders, zoodra ze zonder werk zijn, bij de gemeente aankloppen en wanneer hun dan geen werk gegeven wordt, ontevreden worden? Ze zeggen: “Wij kunnen eenvoudig niet van onze renten leven””
Bron: De nieuwe tijd; onafhankelijk sociaal-democratisch weekblad, 18 maart 1893.

Recente reacties