Een arbeidersbudget in Beerta (anno 1893) – I : de inkomsten

Verdiensten van een losse landarbeider, zijn vrouw en hun oudste, twaalfjarige kind gedurende een jaar van 1 januari tot en met 31 december.

De man:

Soort werk Duur in weken Weekloon Totaal verdienste
Werkverschaffing / keienkloppen 8,5 ƒ 3,00 ƒ 25,50
Veldarbeid 4,5 ƒ 3,60 ƒ 16,20
Veldarbeid 20,0 ƒ  4,50 ƒ 90,00
Korenzichten 3,0 ƒ 10,80 ƒ 32,40
Koreninhalen 1,5 ƒ  7,00 ƒ 10,50
Veldarbeid 6,5 ƒ  4,50 ƒ 29,25
Veldarbeid 6,0 ƒ  3,60 ƒ 21,60
Werkverschaffing / keienkloppen 2,0 ƒ  3,00 ƒ  6,00
TOTAAL 52,0 ƒ 4,45 ƒ 231,45

Tot half maart zat de man dus in de werkverschaffing te keienkloppen, wat het minste weekloon van het hele jaar in de huishoudkas bracht. Daarna liepen de verdiensten in ruim drie en een halve maand veldarbeid wat op. Pas echt goed werden ze in juli en augustus met het korenzichten en – in mindere mate – het koreninhalen. Waarna ze weer gedurig verminderden in het najaar met veldarbeid. Als half december de boeren geen losse arbeiders meer nodig hadden, riep opnieuw de werkverschaffing, tenminste als er niets gespaard was, zoals meestal.

De vrouw werd alleen buitenshuis ingeschakeld bij het wieden in het voorjaar, het schoven binden en het koren inhalen in de oogsttijd, en het aardappelkrabben in het najaar. Een vrouw verdiende ongeveer tweederde van wat een man in dezelfde periode verdiende:

Soort werk Duur in weken Weekloon Totaal verdienste
Wieden 9,0 ƒ 2,40 ƒ 21,60
Schovenbinden 3,0 ƒ 7,20 ƒ 21,60
Koreninhalen 1,5 ƒ 3,60 ƒ  5,40
Aardappelrooien ? ? ƒ  8,00
TOTAAL     ƒ 56,60

Hun oudste kind zou alleen in het voorjaar wat beuren, met wieden. Diens verdiensten per week lagen nog weer een stuk lager:

Soort werk Duur in weken Weekloon Totaal verdienste
Wieden 9,0 ƒ 1,80 ƒ   16,20

Recapitulatie van het totale gezinsinkomen:

Man

ƒ 231,45

Vrouw

ƒ 56,60

Oudste kind

ƒ 16,20

Totaal

ƒ 303,25

Van het gezinsinkomen kwam 76 % dus van de man en 19 % van de vrouw, terwijl dat ene kind voor 5 % zorgde, wat niet veel, maar toch een slok op de borrel was,

Dit gezinsinkomen was echter wel een soort van gangbaar minimum. Met bepaalde seizoenswerkzaamheden, vaak aangenomen werk elders, kon de man meer verdienen:

Soort werk Periode Duur Weekloon Verdiensten
Turfgraven, Drenthe 1.4 – 1.6 8 weken ƒ 13,75 ƒ 110,00
Grasmaaien, Fryslan 15.6 – 15.7 4 weken ƒ  7,50 ƒ  30,00
Stoomdorsen, thuis 15.9 – 15.12 12 weken ƒ  8,13 ƒ  97,50

Vooral het turfgraven (hoogveen) of het baggelen (laagveen) in het voorjaar genereerde extra inkomsten. Qua verdiensten kon alleen het korenzichten in het Oldambtster oogstseizoen hieraan tippen. Het grasmaaien in Friesland bracht ook bijna dubbel zoveel op als veldarbeid thuis, Maar voor zowel het turfgraven als het grasmaaien gold, dat er reis- en verblijfskosten voor gemaakt moesten worden. Wie, ten slotte, in het eigen of een naburig dorp in het najaar bij een dorsploeg van een stoomdorsmachine terecht kon, mocht zich gelukkig prijzen, want ook dat bracht bijna dubbel zoveel op als het meer gangbare werk.

Ging een los arbeider uit Beerta zowel turfgraven, grasmaaien, en stoomdorsen, dan verdiende hij ƒ 123,65 extra vergeleken bij normaal boerenwerk, zodat het totale gezinsinkomen ƒ 426,90 werd. De bandbreedte van het gezinsinkomen was in dit geval dus 303 tot 427 gulden.

Een vaste arbeider verdiende minder dan een losse, en wel ongeveer ƒ 308 per jaar met zijn vrouw en oudste kind. Maar een vaste arbeider genoot vaak voordeeltjes in natura, zoals gratis huisvesting of het gras van bermen en wallen etc. Daar stond wel tegenover dat hij ook vaak voor extra karweitjes bij zijn boer  beschikbaar moest zijn. Maar hij hoefde ’s winters ook nooit in de werkverschaffing keien te gaan kloppen.

Bron: De nieuwe tijd; onafhankelijk sociaal-democratisch weekblad, 4 maart 1893 (in een bericht overgenomen uit De Amsterdammer).

Wordt nog vervolgd met de uitgaven.


Vanochtend bij het Hegepad


Schoolverzuim en kinderarbeid in Finsterwolde

’s Winters was het schoolverzuim het laagst in de drie lagere scholen van de gemeente Finsterwolde, anno 1890. In het voorjaar liep het al iets op, en in de zomer was het ’t grootst, gevolgd door het najaar: de seizoenen dat er in deze akkerbouwomgeving het meest te doen viel. Bijna voortdurend was het schoolverzuim in het hoofddorp met zijn brede middenstand kleiner dan in de buitendorpen, waar het in de zomer opliep tot bijna een derde van alle kinderen.

De cijfers voor het grafiekje komen van het gemeentebestuur en zijn gepubliceerd door de Vragen des Tijds van 1891 (pag. 139). Dat progressief-liberale jaarboek gaf er ook nog een toelichting op:

“In deze gemeente bestaat eene verordening ter bevordering van getrouw schoolbezoek, waarbij het is verboden kinderen beneden de 12 jaar tuin- of veldarbeid te laten verrichten, of tot huiselijken arbeid of persoonlijke diensten te bezigen gedurende de uren, bestemd tot het geven van lager onderwijs. Bij overtreding zijn aansprakelijk zij, door wie het kind met eenigen arbeid of dienstverrichting is belast, alsmede zij te wier behoeve die arbeid of dienst is verricht. Hoewel het in vele gevallen niet gemakkelijk is overtredingen zoo te constateeren dat straf kan volgen, werkt toch reeds de wetenschap dat gestraft kan worden, ongetwijfeld gunstig, vooral ten opzichte van de Werkgevers, die er zich voor wachten, kinderen in de genoemde termen vallende, in dienst te nemen. Toch is het schoolverzuim nog altijd groot…”

Vooral dankzij de sancties die erop stonden, werden de boeren dus kopschuw voor het inschakelen van kinderarbeid.


Filmpje met drone-opnamen geeft mooi zicht op nieuwbouw suikerfabriek

De Hoogkerker suikerfabriek, waar vandaag de campagne weer begonnen is, slokt steeds meer ruimte op aan de noord- of overkant van het Hoendiep. Waar eerst grazige weiden lagen, ligt nu een industrieel landaschap rond enkele allesvergisters, die je af en toe goed kunt ruiken als je er langskomt. Maar ook aan de zuidkant van het Hoendiep, waar zich de oudste delen van de fabriek bevinden, is de afgelopen tijd het een en ander gebeurd. Zo verrezen daar in de nabijheid van de vloeivelden langs het Koningsdiep enkele nieuwe blikken kokers en een soort van glijbaan. Zowel aan de noordkant als aan de zuidkant is Friso-betonbouw betrokken bij de ontwikkelingen. Een wervend filmpje van Friso geeft met zijn drone-opnamen een mooi overzicht over het gebied:

Helaas mag embedden kennelijk niet, maar het filmpje staat hier.


Hoe je een hoefijzer ophangt

Naar aanleiding van de bekende schuur te Leutingewolde merkte Harmien laatst op:

“Vroeger werd ons verteld dat een hoefijzer boven een deur brengt geluk , maar dat de open kant naar boven behoort. Opdat het geluk er niet uit zou vallen….In tegenstelling tot de ‘bekende schuur’.”

Ten bewijze dat dit bijgeloof vrij universeel is, hoef ik enkel te verwijzen naar de Wikipedia, waar het lemma ‘hoefijzer’ het voorschrift aldus verwoordt:

“Een hoefijzer boven de deur hangen zou geluk brengen. Het is echter wel van belang hoe dat gebeurt. De juiste wijze is met het open gedeelte naar boven, in een U-vorm. Zo vangt men het geluk, dat van boven komt, op. Andersom zal het ijzer dat niet doen, sterker nog: er wordt gezegd dat dan het geluk eruit loopt.”

Sinds die opmerking van Harmien let ik wat scherper op opgehangen hoefijzers en dan kom he ze inderdaad ook meer tegen. De praktijk van het hoefijzers ophangen blijkt dan weerbarstiger dan het voorschrift. Zo zag ik in de het rijtuigdeel van Museum Nienoord, met name de stal, onlangs deze plank met verschillende soorten hoefijzers:

En in de Zuidhorner smederij Poort, die ik gisteren aandeed, was dit ooit het hoefijzerassortiment:

In beide gevallen hangen alle hoefijzers dus zo, dat het geluk eruit loopt. Met andere woorden: noch in het rijtuigmuseum, noch in de oude smederij hechtten de verantwoordelijken geloof aan het ongeluk brengende aspect van omgekeerde hoefijzers.

Nee, zuinigheid was sterker dan het bijgeloof. Een hoefijzer met het open eind naar beneden kan je immers met één spijker ophangen, terwijl een hoefijzer met het open eind naar boven er twee vergt, wil het niet heel gauw scheef gaan hangen. Qua materiaal en arbeidsloon scheelt de eerste methode dus de helft.

Zoiets moet ook overwogen zijn bij de hoefijzerophanging te Leutingewolde.

Hoefijzers in de Volksverhalenbank


Open Monumentendag: wat kerken, wat boerderijen en een smederij

Bij de suikerfabriek zag het er even heel onvriendelijk uit en heb ik een kwartiertje onder een boom staan schuilen:

Allereerst de kleine boerderij Hoogemeeden aan de Weersterweg bekeken:

Hoog op de voorgevel, onder de zolderraampjes, zit een afgesleten gevelsteen waarop nog net het jaartal 1618 te zien is:

Dat jaartal zit ook gekerfd in een teruggevonden plank aan de keukenschouw:

Op naar Zuidhorn:

Aan de Zuiderweg ligt de boerderij Pabema (tevens erfgoedlogies). Dit is de voorkamer:

En dit de keuken, die sterk lijkt op die van de Menkemaborg:

Het bruggetje voor de achteringang:

Er leidt een klinkerpaadje heen, omzoomd door enorme geschoren hagen:

Niet op mijn planning, maar wel heel aardig: smederij Poort in het centrum van Zuidhorn. Dat lelijke buizengeval voor de gevel is een noodstal voor het beslaan van paarden:

Binnen was de smid – afkomstig uit Niekerk – bezig met het maken van een beitel:

De man legde graag uit:

Benodigdheden:

In de belendende schuur stond een vrij omvangrijke verzameling oude brommers, zoals deze Kreidler Florett (meen dat mijn vader begin jaren 60 ook nog op zoeen heeft gereden):

Email reclamebord voor Philips radio:

Aan de Zuidhorner Gast eindelijk eens in de katholieke kerk geweest, met name voor dit magnifieke altaar uit het eind van de zeventiende eeuw dat oorspronkelijk van de Jezuietenstatie aan het Hoge der A in de stad Groningen was:

De bovenkant met de Heilige Maagd, het kindeke Jezus en engelen met bazuinen:

Kruisafneming:

De hervormde kerk van Noordhorn – houtsnijwerk herenbank, mogelijk gesneden door Jan de Vrij, met het wapen Geertsema:

Dit gaat door voor een zeepaard, wegens de zwemstaart:

Een gevalletje funeraire kindverlating – het wapen op de grafsteen voor de kinderen van jonker Ebel Wckama (1590), die zelf begraven werd in Oldekerk:

Weer buiten – bovenop de toren:

Op goed geluk nog even naar Niekerk geweest om te kijken of de kerk nog open. Helaas, die bleek om kwart over vier al dicht. Via de Maarsdijk terug. De hele middag mooi weer gehad, maar bij de Dijkstreek onder Enumatil leek me een bui me toch nog te achterhalen:

Het viel mee, de bui zette koers op Den Horn, Hogemeeden en Aduard en liet daar wat vrachtjes water los:


“Eigen land eerst!”

Leuk interactief kaartje op ouwe blog van Ximaar levert een vermakelijk doch leerzaam tijdverdrijf op voor regenachtige zaterdagochtenden. Op dat kaartje is Nederland verdeeld in blokjes, en als je over zo’n blokje  strijkt met je muis, komt er een plaatsnaam tevoorschijn. Ben je daar ooit geweest, dan mag je op dat blokje klikken en verandert dat  van kleur. Herhaal deze procedure voor elk blokje op de kaart en je ontwaart je blinde vlekken, qua bezochte streken in ons vaderland. Voor mij: het westelijk deel van Friesland, Zuidoost-Drenthe, Twente, Gelderland, Utrecht, Brabant en vooral Flevoland en Limburg. Maar zelfs in Groningerland bleef een blokje licht, te weten dat van Bourtange. Daar moet ik dan maar eens gauw naar toe.

“Reizen naar het buitenland worden slechts toegestaan bij een score boven de 70%”, aldus de kleine lettertjes bij Ximaar. Dacht dat ik heel makkelijk aan de vereiste tax zou komen, maar dat viel nogal tegen. Voorlopig zit ik nog wel even in Nederland vast.


“Uitstekende handen” langs het Hoendiep

“Op het geproponeerde ter vergaderinge hebben de Heeren Gedeputeerden alle de schippers in het Wester Quartier in het trekdiep varende gelast, zoals gelast worden mits desen, om voor en aleer zeijlende bij de verlaten komen, en wel daar de uitstekende handen staan, hunne zeijlen te strijken, opdat alzo de schepen hunne vaart verliesende, geen schade aan de verlaten kan worden toegebragt, zullende de schippers welke hierin nalatig zijn verbeuren telken reise een somma van ses Caroli gulden, half ten profijte van de verlaatsmeester en de andere helft an de armen ter plaats te appliceren, en worden voorts de respective verlaatsmeesters gelast om hierop naukeurige toeversigt te houden en de contraventeurs de daarop gestelde breuke zonder enige oogluikinge of conniventie af te halen en zal hiervan een extract bij de respective verlaten in meergemelde quartier worden angeslagen opdat tot narigt van die geene welke sulks angaat kan strekken.”

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 1 (archief Staten van Stad & Lande) inv.nr. 186 (akten GS) maandag 29 december 1755.

Met andere woorden: Gedeputeerde Staten van Stad & Lande stemden in met een voorstel om alle schippers die het Hoendiep bevoeren te bevelen hun zeilen te strijken bij de sluizen (zoals bij Vierverlaten , Gaarkeuken en Stroobos) waar strijkpalen dat ook aangaven. Deze maatregel moest schade aan de sluisdeuren door te snel varende schepen voorkomen. Overtreders kregen een boete van maar liefst 6 gulden (een riant weekloon). De boete was half voor de sluismeester, die hier goed op moest letten en niets door de vingers mocht zien, en half voor de diaconie van de plaats waar de overtreding plaatsvond. Het gebod van G.S. kwam – mogelijk in gedrukte of geschilderde vorm – bij alle sluizen te hangen.

Overigens waren deze Hoendiepster handpalen er ruim twintig jaar eerder dan die bij de Muntendammer Til.


Een merel aan de Aduarderdiepsterweg

Opname gemaakt op 5 juli jl. bij het desolate heem van Kweeklust aan de Aduarderdiepsterweg. Sinds deze merel nauwelijks meer een gehoord, hoewel ze na de hoogtijdagen van mei juni altijd nog wel wat actief blijven qua zang. Er zit de ziekte in en het is nog maar afwachten wanneer er weer merelzang te horen is.


Rondje Bunne – Eelde – Haren

Peize, Achterstewold:

Peize, Brusselseweg:

Bunne, oude schuur aan de Eelderweg:

Te Bunne aan de Eelderweg, nabij het Paasveen – een stukje landschapskunst:

Eelde, Watermolendijk – niet alle dahlia’s (met dank aan twee lezers) gingen op de corsowagens:

Eelde, Eekhoornstraat – afgedankte wagen:

Eelde, bij het pad langs het vliegveld – acrobaat met pensioen:

Eelde, Molenweg – bloedrode heidelibel op schrikdraad:

Eelde, Eskampenweg – rode dahlia’s:

Eelde, Langesteeg – corsowagen de Stoppelhaan:

Nog net Eelde, twee patronen plaveisel Duinstraat:

Vanaf Eelder grondgebied gezien – de Duinstraat richting Yde:

Glimmen, Oosterbroekweg – nog even en je kunt hooi van gras op hooi oogsten:

Haren, Kooiweg:

Mussen in de krödde, Lutsborgweg Haren:

Mussen uit de krödde, Lutsborgweg Haren:


Rondje Ezinge

Gaaikemadijk – de oude kerspelgrens Leegkerk-Wierum wordt hier de gemeentegrens Groningen-Westerkwartier:

Gaaikemadijk, stapel oude dakpannen:

Gezicht vanaf de Gaaikemadijk op Heemwerd en de stad:

Schuur in aanbouw, Gaaikemadijk:

Bij de Steentil kwam me een colonne tegemoet van recente oldtimers die meededen aan de Drieborgentocht. Deze Pontiac was de mooiste van die wagens:

De noordelijke hellingbaan voor de nieuwe brug en rondweg bij Aduard lijkt zo’n beetje klaar:

Oude Farmall-tractor op de Medenerweg bij Aduard:

Het kerkje van Fransum:

Open Podium bij café De Brug in Ezinge:

Drentse heideschapen op de dijk bij Hekkum:

Meidoornbessen bij Hekkum:

Bij café Hammingh in Garnwerd stapte een gezelschap dames en heren op en in koetsen. Later zag ik dit Pickwick-achtige tafereel in de verte bij Oostum:


Het ontzag voor grofgebektheid

Waarom zijn Nederlanders zo grof geworden? Ik denk daar veel over na. Soms denk ik dat we te veel opkijken tegen mensen die anderen op een grove manier te kakken zetten, zoals vaak in het Nederlandse cabaret gebeurt, door sommige columnisten en zeker ook in de politiek. Aan de ene kant is dat misschien een afspiegeling van de maatschappij, aan de andere kant denk ik dat we dat keiharde afzeiken van hen hebben overgenomen.

Sharon Gesthuizen

Commentaar: Dat te kakken zetten, of de bewondering ervoor, het zelfs navolgenswaardig vinden, ik ben er niet vrij van. En als ik kijk wanneer dat begonnen is, weet ik vrij zeker dat dat in de jaren zestig was, zeg maar de periode 1966-1976: de tijd van de anti-autoriteit en de vrije opvoeding, die bijvoorbeeld inmiddels ook tot de onuitstaanbaar ongezeglijke en lawaaierige kinderen in het openbaar vervoer heeft geleid. Men wilde zich losmaken van knellende banden,  met de daarbij horende civiele omgangsvormen. En krijgt dat uiteindelijk in zijn gezicht terug.


Gruno

Een goede kennis van me noemt een inwoner van Groningen gewoonlijk een Gruno. Dat komt weliswaar een beetje merkwaardig over, maar geheel en al onbegrijpelijk is dit niet. Groningers gebruiken de naam Gruno immers voor van alles en nog wat. In de handelsregisterdossiers van de beide Kamers van Koophandel hier komt de naam Gruno maar liefst 79 maal voor. En al zitten er vast wel wat doublures tussen, dat de naam voor zeker 60, 70 ondernemingen, verenigingen etc. gebruikt werd (en wordt) zegt toch veel over de aloude verknochtheid van de Groningers met die naam. Hier een staalkaartje.

Gymnastiek- en schermvereniging:

Pruimtabak:

Postharmonie:

Woningbouwvereniging:

Woonwijk gesticht door die vereniging:

Fietsen:

Garage:

Pudding:

Wegenbouw:

Recycling:


Ommetje Nienoord

Onlander slenk:

Bij Sandebuur, op de zuidoostelijke dijk van het Leekstermeer, stonden twee kramen, een groep mensen, een dixi en een batterij schildersezels. Verderop twee busjes voor personenvervoer die over de dijk waren gekomen. Het is hier natuurgebied, volgens de bordjes staat Staatsbosbeheer hier geen fietsers toe, laat staan gemotoriseerd vervoer.  Door het georganiseerde karakter van het gebeuren op de dijk leek het er echter op dat Staatsbosheer hiervoor vergunning verleend heeft. Heb het niet nagevraagd, daarvoor had ik onder het schrikdraad door moeten kruipen en dat was me iets teveel moeite:

Tussen Sandebuur en Leek een ophangmethode voor boerenhekken die ik niet eerder zag:

Achter het hek lagen twee voedertroggen omgekeerd in een plas. Doet een boer zoiets?

In Museum Nienoord de tentoonstelling over Anna van Ewsum en haar tijd bekeken. Je weet dat alles heel goedkoop moet en dan is het best een aardige tentoonstelling, met een paar verrassingen. Zoals een barokke beestenslede – hierbij zat ik me echter wel te ergeren aan de omgeving. Als je zo’n topstuk hebt, zet die dan mooi in het licht tegen een effen donkere achtergrond:

Omdat de tweede man van Anna van Ewsum ook nog een plekkie moest hebben in haar beroemde grafmonument, gemaakt door Rombout Verhulst, moest deze engel, nu van het Groninger Museum, het veld ruimen. Een afgevallen engel dus:

Deze Heer van Vredewold bleek bij opening van de grafkelder onder dat monument volkomen gepulveriseerd. Zijn allongepruik van origineel peruviaans berenhaar bleek echter onaangetast door de tand des tijds. Er was al eens een lokje afgesneden door iemand die vast dacht dat dat het ’s mans echte haar was:

Fraai doosje van draadwerk:

De kerk van Midwolde:, waar dat grafmonument van Anna en haar kerels staat:

Op een brug over het Lettelberterdiep waren een moeder en zoon bezig een mat uit te kloppen. Dat wil zeggen: zij drukte de mat op de brugleuning vast en hij bediende de mattenklopper. Handig zo’n brug!

Bij Den Horn: de eerste zilverreiger sinds een hele tijd:

Andere kant Den Horn – assortiment pompoenen:


Hoe Plopatou mij ontmaskerde als BVD-agent

Plopatou zoals gezien door Roel Wijnants (2012), Flickr cc.

Zoals menige lezer zal weten, ben ik jarenlang duvelstoejager geweest voor het Buurtoverleg Oosterpoort, de bewonersorganisatie van de Groninger Oosterpoortwijk. Die club had destijds nog een eigen pandje, een voormalige politiewijkpost op het adres Mauritsstraat 1.

Het moet ongeveer in 1993, 1994 geweest zijn. Op een dag stonden er meerdere plastic tassen bij ons voor de gevel – volgepropt met oud papier. Dat papier kwam niet van ons of een andere club bij ons in huis. Qua papierophaalderij was het tijdstip ook incourant, de maandelijkse oud-papierophalers van carnalvalsvereniging de Trefplonzers waren twee weken eerder onze buurt al door geweest en zouden pas over een week of wat weer terugkomen. Als dat papier zolang tegen onze voorgevel zou staan, ging dat zich allicht verspreiden en zouden wij erop aangekeken worden. Daarom heb ik dat spul maar naar binnen gehaald. Omdat ik nieuwsgierig was naar de herkomst, ben ik de inhoud van de tassen door gaan nemen. Een adres kwam niet tevoorschijn, maar tussen de kranten zat wel een verscheurde brief met de aanhef “Geachte heer Hanswijck de Jonge”.

Die naam kwam me vaag bekend voor, en een paar dagen later ging me een licht op: Hanswijck de Jonge, was dat niet de ware achternaam van de stadsfiguur Plopatou? Maar die wist ik wel te wonen: aan de Brandenburgerstraat, op nummer 14.

Dus ik met die plastic tassen vol oud papier naar dat adres en Plopatou bleek inderdaad thuis te zijn. Hij reageerde heel aardig, tegemoetkomend en sympathiek en zou voortaan beter opletten wat er met zijn oud papier gebeurde. Hoe die zakken nou bij ons buurtpandje terecht gekomen waren? Het was hem een raadsel. Maar, zo vertelde hij, de BVD had het al jaren op hem voorzien en die snuffelde zijn oud-papier wellicht door. Ja, de BVD moest het hebben gedaan.

Goed, ruim tien jaren gingen er voorbij en ik schreef in de UniversiteitsKrant iets wat Plopatou niet zinde. Er kwam een lang en handgeschreven epistel in de UK-brievenbus, waarin hij mij beschuldigde van het weghalen en doorsnuffelen van zijn oud-papier – en ik zou vast en zeker ook lid van de BVD zijn!

Het schrijven in de UK-brievenbus was een kopie van een ingezonden brief die hij naar de stadsredactie van het Dagblad van het Noorden had gestuurd, zo stond er in een post scriptum achterop de envelop. Uiteraard was ik daar niet zo mee ingenomen. Ik zat zelfs een beetje in de piepzak,moet ik bekennen,  maar het Dagblad plaatste Plops epistel gelukkig niet. Toen ik een Dagblad-collega in de buurt ernaar vroeg, verklaarde die, dat ze wekelijks wel een stuk of twee of drie van zulke ingezonden brieven van Plopatou kregen. Alleen bij zeer hoge uitzondering werden die geplaatst.