Troelstra in Finsterwolde

“Zeldzamer huwelijk dan tusschen het Hotel Hommes en het Gemeentehuis ziet men niet veel. Hommes heeft indertijd een stuk van den linkervleugel van zijn mooi gebouw aan den Gemeenteraad verkocht. Daar zetelt, achteraf, bereikbaar langs een zijlaantje, het Gezag. En aan den rechtervleugel de groote zaal, door de voordeur bereikbaar, waar de  vergaderingen der Soc[iaal] Dem[ocratische] arbeiders worden gehouden. Een mooi ruim lokaal, dat ook dezen avond weer stampvol was.

Daar daverden reeds vóór den aanvang der rede onze zangen. Geen sociaal lied, of men kent en zingt het hier. Daar was niet het nog onbewuste kind, óók niet de afgesloofde oude, maar het geslacht van heden, de vurige jongeling, de man in de kracht des levens, de zorgzame moeder (een enkele met de zuigeling aan de borst). Een eerlijk, krachtvol menschentype. Als de oude Germanen rossig en breed, hoog en hoekig, met zware knuisten en fonkelende blauwe oogen.”

Aldus ene T. in De Nieuwe Tijd van 7 oktober 1893. Deze T. hield als socialistisch spreker een toernee door het Oldambt en wist ook over Winschoten, Midwolda, Beerta en Siddeburen het een en ander te vertellen. Dat T. de jonge Troelstra was, blijkt onder meer uit de Arnhemsche Courant. Een jaar later zouden de wegen van de anarchisten en de parlementaire en marxistische socialisten zich scheiden, maar in 1893 was Troelstra nog volop in touw voor de SDB van Domela Nieuwenhuis. In 1894 zou hij de leider worden van een eigen partij, de SDAP, die nooit erg populair is geweest in Finsterwolde.


De zeppelins van ’17.

Schrijvend over de Duits-Engelse luchtoorlog van 1917, constateert de historicus en journalist G.W. Kernkamp eind dat jaar dat Nederland daar steeds meer betrokken bij raakte door toedoen van de Duitsers:

“Hoewel in deze maand (juni, HP) slechts éénmaal door Zeppelins een tocht naar Engeland werd ondernomen, vertoonden zich herhaaldelijk Duitsche luchtschepen boven Nederlandsch gebied; slechts één daarvan was vermoedelijk op de terugreis uit Engeland. Op den 2den Juni vloog een Zeppelin achtereenvolgens boven Winschoten, Groningen en Delfzijl en werd bij laatstgenoemde plaats beschoten; den 5den Juni kwam er een boven Terschelling, hevig door de marine beschoten, doch niet geraakt; in den vroegen morgen van den 17den Juni vloog een Zeppelin, uit het Westen komende — waarschijnlijk van Engeland, waar in den nacht van 16 op 17 Juni twee Zeppelins bommen wierpen — over Texel, Harlingen (waar militairen erop vuurden), Leeuwarden en verder over de provincie Groningen naar Duitschland; in den morgen van den 25sten juni waren er twee boven Winschoten; op den avond van denzelfden dag [vloog er één boven Stadskanaal; den 26sten Juni werden er weer twee boven Finsterwolde gezien — dit alles volgens berichten in de Nieuwe Rott[erdamsche] Courant.” (Data door mij vet gezet, HP.)

Volgens Kernkamp maakte de Nederlandse regering zulke schendingen van het luchtruim niet eens meer bekend. Alleen aan de incidenten op 2 en 17 juni gaf ze ruchtbaarheid – van het eerste, boven Oost-Groningen, omdat ze tegelijkertijd kon meedelen dat de Duitse gezant zijn spijt had betuigd, en van het tweede, boven Friesland en Groningen, omdat ze de Duitse regering „een zeer ernstig vertoog” had gestuurd – de commandant van die Zeppelin had immers ruim zicht en moet dus geweten hebben dat hij boven Nederland vloog. Bovendien werd hij beschoten. Desalniettemin bleef hij veel langer boven Friesland en Groningen vliegen, dan nodig was voor de kortste route naar huis. Kernkamps conclusie:

“Indien de Duitsche regeering nu eens niet antwoordde met: „levendig leedwezen”, „berisping aan den commandant” of iets dergelijks, maar bv. hiermede: „de Zeppelin-commandanten bekommeren zich niet veel om een schending van het Nederlandsche luchtgebied en wij voor ons vinden dit vergrijp niet zóó erg, dat wij het hun door strenge straffen willen afleeren”, dan zou deze openhartigheid aan onze Regeering althans de moeite van verdere protesten besparen.”

Dat je vanuit zo’n Zeppelin met behoorlijk serieuze bommen bestookt kon worden, hadden Groninger kustvaarders een jaar eerder al eens gemerkt.

..

Bron: Vragen des Tijds, 1917.


Avondrondje Leegkerk

Aduarderdiepsterweg – bij overleg op hoog niveau:

hebben beide partijen hun posities nog eens uitgelegd:

In de buurt van her Klijfdiep (of Kliefdijp) – ma zwaan met haar drie bijna volwassen jongen:

De zonnebloemenzoom bij het volkstuincomplex:


Ommetje Enumatil – Foxwolde

Tussen Enumatil en de Auwemabrug liepen minstens 12 ooievaars in een perceel hooiland. Dit zijn er 7:

Boerendampartij Ossenweide eindigde in remise:

Lampionnetjes op de Pasop:

Moeder en zoon bij Lettelbert in het land:

De bekende schuur in Leutingewolde:

De jeugd wil ook wat, Foxwolde dacht ik:

Foxwolde of Roderwolde:

Aan het begin van de Onlanden bij Roderwolde staat een nieuwe ANWB-paddestoel. Volgens de ANWB liggen Groningen en Hoogkerk even ver van dat punt af, hetgeen voor discussie vatbaar is:


Museum langs de weg (2)

Was bijna thuis van mijn rondje Zuidlaren gister, toen ik bij het Transferium Hoogkerk muziek hoorde komen uit de richting van het Van der Valkhotel. Ik zag er een oude vrachtwagen staan:

Toen ik wat beter keek, bleken er zelfs meerdere oude vrachtwagens geparkeerd:

Met erachter hele rijen oldtimer ‘luxe auto’s’:

Het betrof een toogdag van dezelfde oldtimerclub, die ik acht jaar geleden eens in Donderen zag, de Historische Automobiel Vereniging Nederland, district Noord. Ik heb er dit keer maar de wagens uitgepikt, die ik in mijn jeugd nog zag rondrijden.

Dodge:

In zo’n Bentley reed mijn oudoom Klaas, eind jaren 60:

Pontiac:

DAF, het merk van mijn oudtante Annie, die ermee in de Drentse Hoofdvaart belandde, waarbij haar bontjas haar redde:

Ford pickup:

Cadillac (met dank aan Hendrika) en Citroën busje:

Opel – met zo eentje werden we, dacht ik, door een lokale aannemer naar het zeilkamp in IJlst gebracht in 1968:

Buick:

Nog een Buick:

Dodge:

Het logo van Dodge, met een Davidster:

En de steenbok voorop de motorkap:

En ach, kijk nou toch, de Ford Anglia van mijn opa

Hier nog eens van opzij:

De club was inmiddels aan het dineren, zodat er geen mensen meer in beeld liepen:

Plymouth:

De eigenaar van de laatste kwam zo te zien uit Friesland:


Rondje Zuidlaren

Bij het Foxholstermeer aan de zuidkant van het spoor:

Het kennelijk nogal voedselrijke water kleurt rood van de grote kroosvaren:

Rozebottels bij de Leine, onder Kropswolde:

Leeuw in bovenlicht, Kropswolde:

Hiervoor ben ik maar even de berm ingereden. Ze groetten hartelijk, maar ik  vrees dat mijn groet terug wat knorrig klonk, want eigenlijk vindt ik zo’n combinatie niet thuishoren op het fietspad (net zo min als 45 km/u autootjes, waarvan ik er gister een tegenkwam op het fietspad langs de Peizerweg):

De Kruierij bij De Groeve houdt op bij dit vermoedelijk vrij nieuwe hek, waarvan de verticale spijltjes, uitmondend in druppelachtige knopjes, echter Jugendstil-achtig aandoen:

Bij Zuidlaren – uitgebloeide bereklauw:

Nog even gekeken bij het hunebed in Midlaren:

Noordlaren – zonnebloem in berm laat kopje hangen:

Iemand in Noordlaren heeft dit Kappie-achtige sleepbootje naast zijn boerderij staan. Gezien het trappetje zal het wel worden opgeknapt:

Stier bij de Pollseweg:

Hij vindt mij, geloof ik, niet leuk:

Bij natuurgebied de Vijftig Bunder wordt er 8 hectare bos gekapt om heide ervoor in de plaats te krijgen. Ook is het de bedoeling historische sporen weer zichtbaar te maken: celtic fields, grafheuvels, middeleeuwse karresporen en een tankgracht uit de Tweede Wereldoorlog:

Het hele stuk wordt ook afgeplagd – over een jaar of wat moet dat hier een paars tapijt opleveren:

Nu is dat paars teveel weggedrukt, al is het er deels nog wel. Badderende Hooglanders:

Bij Natuurmonumenten aan de Onlander kant van Eelde ligt een terrein waar rollen hooi overgroeid raken met gras. Altijd een merkwaardig gezicht, zoiets:


Reiger vangt ratje

“Hebbes!”

“Nu eerst maar wat gaatjes in die harige verpakking prikken, anders is de inhoud straks zo slecht verteerbaar.”

“Hap slik weg.”

“Next!”

(Gezien bij Leegkerk, gisteravond.)


Hoe een auto tot een fiets werd

“Een brutaal stukje is gisteren op klaarlichten dag te Groningen uitgehaald. De directeur van een melkfabriek had zijn auto geparkeerd op het Academieplein. Bij het verlaten van den wagen vergat hij het contactsleuteltje eruit te halen, met het gevolg, dat kort daarna een nog onbekend persoon er met den wagen vandoor ging. Hij verdween in de richting Hoogkerk en nam de richting Kerkstraat. Bij Leegkerk wilde hij rechtsaf zwenken doch zag op het laatste oogenblik dat deze weg gestremd was. Bij de daaropvolgende manoeuvre kwam hij met het gestolen voertuig op een brugje terecht, dat echter bezweek, waardoor de auto in de sloot terecht kwam. De bestuurder vroeg toen aan een voorbijganger naar een garage. Deze verwees hem naar zijn patroon, een garagehouder te Hoogkerk en was zoo bereidwillig zijn rijwiel mee te geven, opdat de boodschap des te vlugger zou kunnen worden overgebracht. Met deze fiets is de dief er tenslotte vandoor gegaan in onbekende’ richting.”

Bron: De Grondwet, 18 augustus 1938.


Op de grazige weiden van Leegkerk

Blaarkoppen op de dijk langs het Aduarderdiep:

Een hele kudde. De rest van het land was afgehooid, hier op de glooiing aan de buitenkant hadden ze nog wat langer gras:

Hoewel sommige het prille etgroen versmaadden en zich tegoed deden aan hooirestanten:

Andere vonden de oevervegetatie interessanter en dan vooral de kalmoes:

Dichtbij lag een beste boot, Elise genaamd, op een plak waar anders nooit een boot ligt. De eigenaar kwam tevoorschijn en we knoopten een gesprekje aan. Hij vertelde dat hij uit Kortrijk kwam en het hier heerlijk rustig vond. Zijn zoon fotografeerde ook koeien. Die zou hij straks weer ontmoeten in Meppel, als hij de Turfroute door de Veenkolonies achter de rug had.

Ons gesprek werd stilletjes afgeluisterd:

Verderop begon de avondloeister van dienst aan haar eentonig zangstuk:

De herfst liet zich aandienen:


Hoe monumentaal steenhouwerswerk in Scheemda naar de verdommenis gaat

Voor wat foto’s bij een artikel over de begraafplaatsenenquête van 1808, bezocht ik gistermiddag zes Oldambtster kerkhoven, namelijk die van Noordbroek, Zuidbroek, Scheemda, Midwolda, Finsterwolde en Beerta. Op dat van Scheemda kan je door de bank genomen de oudste en meest monumentale grafstenen vinden. Maar nergens ook, is de verwaarlozing groter. Men laat er prachtig steenhouwerswerk uit de zeventiende en achttiende eeuw doodgemoedereerd verkommeren. Je kunt daar je schouders over ophalen en zeggen dat het nu eenmaal zo gaat. Het is ergens nog wel romantisch ook. Maar van de aanleiding voor die romantiek blijft straks niets meer over. En dat is ook: gewoon doodzonde.


Tussen Eiteweert en Slaperstil

Peizerdiep bij Eiteweert:

De Matsloot:

Bij de vloeivelden van de suikerfabriek aan de Roderwolderdijk, Hoogkerk:

Leegkerk:

Jacobskruis- en havikskruid op de oude begraafplaats van Hoogkerk:

Molenstreekje bij de Jonge Held (of: all resistance is futile):

Paarden bij de Aduarderdiepsterweg in het blauwe uur:

Gezicht naar het noorden vanaf de Kindverlatenbrug:

(Foto’s van zondagmiddag en -avond.)


In en om de kerk van Thesinge

Ben gister in Thesinge ook nog bij en in de kerk wezen kijken.

Variant op de zwaan van gister:

In het lijkenhuisje naast de kerk liggen fragmenten van sarcofaagdeksels uit de twaalfde eeuw, gemaakt in het Rijnland, met primitief-romaanse motieven. De onderliggende sarcofagen waren niet aangetroffen bij de opgraving. Conclusie: ze werden eeuwen later hergebruikt als grafdeksels op het kerkhofje van het goeddeels verdwenen veendorp Steerwolde/Stuirwold:

Op het kerkhof ook iets zeldzaams – de beschilderde houten grafpaal van de dagloner  Kornelis van Eerden en diens vrouw uit 1892. Het kan haast niet anders of dat ding moet een aantal jaren geleden gerestaureerd zijn:

Aan de achterkant begint het helaas (alweer) te rotten:

Gezicht op het kerkje vanaf het kerkhof – het rechter deel is het koor van een middeleeuwse kloosterkerk, het linker is in de zeventiende eeuw aangebouwd:

Dat middeleeuwse koor:

Het deel uit de zeventiende eeuw – soberheid troef, al lijken de zuilen onder het orgel van marmer (kunnen ook gemarmerd zijn):

Hergebruik van grafstenen is niet alleen iets van de Middeleeuwen, zo blijkt in Thesinge. Onder de grafsteen uit 1664 van Claes Drews Stuirwolt, werd nog in 1825 Trientje Gerrits Elema bijgezet. Begraven worden in de kerk, een privilege voor de absolute bovenlaag van het dorp, was toen al niet meer zo in de mode. Ik denk dat Trientje hier de laatst begravene was:

Net als Anna Cnol in Westerwijtwerd voerde Claes Stuirwold een wapen met een edelhert dat uit een bos tevoorschijn springt (naar Psalm 42?):

Een beetje strenge herenbank zonder tierelantijnen – die kandelaars zijn een overbodige toevoeging, want er werden bij donker eeuwenlang geen diensten gehouden:

Kluisje voor het builgeld?

Nog een keer over het kerkhof – strijklicht valt over de achtermuur van de kerk:


Windmeeritje Delfzijl via Stedum

De nieuwe Stadsweg, gezien naar het noorden:

Met een nieuw straatnaambordje bij Garmerwolde – Van de Nadort Betonallee: 
Boerderij met zonnebloemenveld even voor Thesinge:

De windwijzer op de kerk van Thesinge – een zwaan:

Stedumermaar:

Bij Stedum – de vlag mag uit, maar het mag geen naam hebben:

Microreliëf bij Stedum, met op de achtergrond elementen van het stadssilhouet van Groningen:

Angela’s bloemen:

Jack Russell:

De honing is ingepakt en de bui weer voorbij

Gezicht op Loppersum:

Schaif stait laif, behalve als het van de NAM komt:

Verfomfaaide (of zo u wil doorleefde) Statenbijbel in de kerk van Wirdum:

Dorpsgezicht Wirdum met opgeknapt Jugendstil grafhekje:

Dorpsgezicht Wirdum:

De steenfabriek in Delfzijl net over de grens bij Appingedam staat nog steeds te koop, de schoorsteen is opgeknapt:

Op de dijk bij Delfzijl:

In het slik waren wat pierewuppers bezig

Laag water in de Eems:

Terug met de trein:


Ooievaar met talent

Bij de Onlanderdijk liep vanmiddag een stel ooievaars rond. Deze hier ving aan de lopende band kikkers, tenminste, als het niet steeds dezelfde kikker was:


Ontwerp voor twee begraafplaatsen buiten de stad Groningen (1813)

Het poortgebouw, het hekwerk, de speciale vakken voor mennonieten, lutheranen en joden, alles was tot in detail uitgedacht :

Toch ging dit vroege ontwerp voor een begraafplaats buiten de stad Groningen niet door. In 1813 had men nog wel wat anders aan zijn hoofd.

Het grote veld elders, waar de hervormden zouden komen te liggen, met rechts een vak voor de katholieken in hun gewijde aarde. De relatieve sterkte van de gezindten is te zien aan de grootte van de aan hen toegewezen ruimte:

De ene begraafplaats zou buiten de Herepoort moeten komen en de andere buiten de Boteringepoort. Daar kwamen ook werkelijk begraafplaatsen in of vlak na 1826. Volgens de begroting uit 1813 zouden de twee begraafplaatsen samen ruim 220.000 gulden moeten kosten. Wellicht aardig om die te vergelijken met de gerealiseerde ontwerpen.

Vond de plaatjes die ik anderhalf jaar geleden maakte, vanavond terug bij mijn bestanden. Ik kan de tekeningen misschien gebruiken ter illustratie van een artikel.

Bron: RHC Groninger Archieven Toegang 1605 (archief stadsbestuur 1594-1798) inv.nr. 1798 (tabellen met statistische opgaven) nrs. 22.

NB: Dit stukje is op 23.8.2017 ingrijpend herzien na raadpleging van het dossiertje. De begroting had ik eerder niet op[gemerkt.