Rollator uit de plomp

Deze rollator stond vanavond op de Eendrachtsbrug, samen met een aantal fietsen dat overduidelijk ook net uit de plomp gehaald was, ik denk door magneetvissers. En aangezien de milieudienst ze niet ophaalt en het eerstejaarsweek is, zal alles wel weer snel in de plomp liggen:

Overigens – wie doet zoiets, een rollator in het diep gooien?


’t Hoekje om

Een bult kleine pruimen in de berm van de Aduarderdiepsterweg:

Land tussen de Zuiderweg en het Hoendiep bij Zuidhorn:

Uil op kerkhofpoort, Jellemaweg Zuidhorn:

Vanaf de spoorwegovergang in de Gast gezien – de nieuwe spoorbrug bij Zuidhorn en Noordhorn:

Grutto in raaigras tussen Noordhorn en Oldehove (er liepen daar meerdere rond):

Tussen Oldehove en Electra:

De ingang van camping Electra:

Doorzonboerderij in de Ruigewaard:

Een van de oude dijkrestanten nabij de boerderij Grovestins aan de Oosterwaarddijk:

Kwekerij bij ’t Hoekje 1:

Kwekerij bij ’t Hoekje 2:

Vanaf een bepaald punt op de Waardweg heb je mooi zicht op de achterkant van de Grijpskerker zuivelfabriek. Deze doet denken aan een grafiek:

In die fabriek zitten verschillende bedrijven en kunstenaarsateliers. Met die wetenschap durfde ik wel een kijkje op het achtererf te nemen:

Onder andere zit er een zorgbazaar in het complex:

Op het Oosterzand stonden hekken dwars over de Zandumerweg. Daar moest rundvee langs, van het weiland aan de rechterkant van de weg naar de melkstal aan de linkerkant. De boer en de boerin waren gezamenlijk bezig de beesten zo ver te krijgen – het was mooi weer, daarom wilden ze niet erg opschieten, aldus de boerin, die zich hiervoor leek te generen. Ten onrechte wat mij betreft:

Restant van het Kolonelsdiepje bij Oldekerk:


Rondje Eiteweert – Matsloot – Leegkerk

Eiteweert – de nieuwe herfstcollectie is binnen:

Kikkertje in het natte gras valt nauwelijks op:

Oude landweg:

De Fury van de Matsloot:

De matten van de Matsloot:

Tegenover de brug van Westpoort loopt een nieuwe plak asfalt het land in; enige voordeel is dat je zo dichterbij de Zuidwendinger molen kunt komen:

Aduarderdiepsterweg – een zwaluw bescheet mijn bril:

Het Hoendiep bij de suikerfabriek – een eindje verderop, bij het parkeerterrein van de supermarkt, rook ik waarachtig iets van de bekende najaarsgeur, ik denk dat ze even aan het proefdraaien waren:


“Volkomen onschadelijk!” “Niet giftig!”


Laatst stond ik in de rij voor de supermarktkassa achter een al wat ouwere Hoogkerker meneer. Zijn zoon stond naast hem en die toeterde hij luidkeels in het oor dat het maar grote aanstellerij was, dat met die gifeieren. Het was absoluut niet gevaarlijk om die eieren te eten, waar maakten de mensen zich in hemelsnaam druk over. Ik ben er maar niet tegenin gegaan, wijzen op de lange termijn effecten van gifophoping in je organen is vast niet besteed aan iemand die niet zo lang meer te leven heeft.

Vind ze hier in Hoogkerk toch al van die enthousiaste gifspuiters, en dan vooral de ouderen. Hier en daar zie je soms straatjes waarvan alle finaal uitgekrabde voegen met een wit poeder bestrooid zijn, tegen de mieren. Dan denken ze dat dat helpt. Eventjes wel ja. Maar je kunt beter wat laag groen in die voegen laten ziitten, dan komen de mieren er niet in het onderliggende straatzand en spoelen die voegen ook niet uit zodat je plaveisel verzakt en jij je poten nog breekt. Maar niemand vertelt ze dat, want dat is toch maar aan dovemansoren.

In het Gabriël Woonzorgentrum aan de Zuiderweg heeft de Historische Vereniging Hoogkerk nu wat vitrines ingericht met ouwe Hoogkerker spullen. Onder andere bovenstaande reclamebrochure voor de gifstoffen die Smid & Hollander in elk geval tussen 1935 en 1948, maar wellicht ook later nog, op de markt bracht. Zoals bij de introductie in het eerstgenoemde jaar werd gezegd:

“Dertox, een bestrijdingsmiddel tegen de karwijmot en andere insecten, Derzol tegen de runderhorzel, Dertix tegen parasieten op honden, katten, pluimvee etc.. Dermix, een insectenbestrijdingsmiddel voor tuinen en kamerplanten, en Mortibus voor huishoudelijk gebruik tegen muggen, vliegen, motten etc. Als voordeel van deze producten wordt genoemd dat zij snei en afdoende werken en bovendien volkomen, onschadelijk zijn.”

Onderaan de voorpagina van de brochure staat ook dat de daarin gepropageerde bestrijdingsmiddelen niet giftig zijn. Ik vermoed dat we daar intussen iets anders over zijn gaan denken.


24 Groninger familiewapens

Op zoek naar iets anders, stuitte ik vandaag op een boekje met Groninger familiewapens. Het betreft een handschrift, waarin die wapens op charmant naïeve manier getekend en ingekleurd zijn en getuige de ex libris voorin was het ooit in bezit van A. (Dolf) Pathuis, de genealoog en heraldicus die tevens hoofdarchivist was van het gewezen Rijksarchief aan de Sint Jansstraat. De datering van het werkje is wat moeilijk, het zou van iets voor 1800 kunnen zijn, maar ook van veel later. De 24 mooiste wapens heb ik eruit gepikt en een beetje opgepept:

AEbinga sive Humalda – een eenhoorn op een wankel schuitje:

Canter – onderin drie gekroonde Jacobsschelpen (denk ik), weer zo’n teken dat Sint Jacob niet onbekend was in de stad:

Gockinga, adelaar met voetboog:

Piccardt – roofvogelpoot:

Coenders – opspringende sikkebokken:

Ripperda – de met zijn zwaard rondzwaaiende ruiter (bekend van Oosterwijtwerd);

Siccama – drie eikels bovenin en een soort van tang of schaar onderin:

Sichterman – het lijkt een biddend paard, maar het is een eekhoorn die een eikel oppeuzelt:

Laman – de arm met het zwaard lijkt uit de grond te komen, en doet daarmee denken aan de radijs van 1672, maar volgens Redmer Alma’s wapenlijst komt dat zwaard uit de wolken:

De bekende boomstronk met wortels van de familie De Mepsche die op dit weblog al meermalen gesignaleerd werd:

Van Ham – twee zwarte balken met Kwik, Kwek en Kwak:

Busch – postduif met een strik om de hals:

(Van) Bolhuis – links een adelaar? en rechts een gans?:

Emmen – toefje rogge, vijf ruiten en een versleuteld hart dat ik erg mooi vind:

Crans – opnieuw een eenhoorn, nu bij een oranjeboom zonder appelsienen:

Drie paar eikels op het wapen van Trip;

Sibinga’s wildeman:

Nauta – twee opspringende sikkebokken tegen een oranjeboom met appelsienen:

Beckeringh – rustende bijl tegen oranjeboom zonder appelsienen, de laatst overgeblevene in een laantje van drie:

Wichers – drie appelsienen:

Vrouwe Justitia op het wapen van de familie Winsemius:

Wolthers – het Lam Gods (of agnus dei) met zijn kruis en vaan:

Lintelo – net als bij Van Ham twee zwarte balken met Kwik, Kwek en Kwak, al staan die nu bovenop de bovenste balk. Bovendien is het achtergrondkleurtje hier anders (geel in plaats van wit):

Hé kijk, daar hebben we de varkentjes van Sijlman weer.  En dit keer liggen er inderdaad eikels onder hun boom:


Hulde aan de ontwikkelaars van Microsoft!

De ontwikkelaars van MicroSoft hebben net weer een verbluffend staaltje van hun kunnen afgeleverd. Met het tandwieltje van de muis mag je nu in het fotobewerkingsprogramma onder Windows niet langer in- of uitzoomen op foto’s. Nee, dit was veel te eenvoudig, gemakkelijk en tevens voor de hand liggend. Dit moest om onnaspeurlijke redenen vooral weer eens anders, namelijk omslachtiger en ingewikkelder worden gemaakt. Om in of uit te zoomen op een foto moet je nu met je muis naar een vergrootglasicoontje aan de bovenrand van het scherm, vervolgens op dat icoontje klikken, waarna er een schuifmaatje verschijnt, zodat je daarmee alsnog de mate van het in- of uitzoomen kunt bepalen.

Drie handelingen in plaats van één. Hulde aan de ontwikkelaars van MicroSoft! Waarlijk, het zijn genieën! Ze zijn er weer mirakels goed in geslaagd het plezier van de gebruiker voor een dag of wat te vergallen!

Missie geslaagd!


Avondrondje Den Horn – Slaperstil

Geit bij de Aduarderdiepsterweg lijkt qua kop op kruising tussen Hollandse huis-, tuin- en keukengeit en Nubische geit:

De aalscholver op zijn plekje bij de Tichelwerkbrug:

Grazende koe op dijkje van het slibdepot:

De weem van Leegkerk:

Nieuwbrug:

De trein naar Leeuwarden:

Dorpsgezicht Den Horn:

De wisselwachterswoning die had moeten verdwijnen:


Windmeeritje vanaf Buitenpost

Gezicht op de zuivelfabriek bij Gerkesklooster vanaf de brug bij Blauwverlaat:

Ouwe herberg bij een obsoleet verlaat in de Veenstervaart tussen Augustinusga en Surhuisterveen:

De Veenstervaart met die voormalige sluis:

Jugendstilachtig lijkenhuisje op de begraafplaats van Surhuisterveen (hier meer info):

Fraai gewei in dierenparkje Surhuisterveen:

De Tenten met het Grootegaster Hoofddiep:

Boerderijtje bij Lucaswolde:

Schuur aan de Ipo Haaimaweg:


Onlander rondje

Bij het gehucht Peizermade:

Bij het Omgelegde Eelderdiepje – de bloem lag op de wal in de derrie en plantenzooi die uit het diep gehaald was en werd van de buitenrand af opgevreten door een insect:

Langs de Groningerweg – de stakingsbereidheid bij deze paarden is groot:

In de berm van de Weringsdijk – rolklaver?

Ook bij de Weringsdijk – op sommige plekken kleuren hele lappen grond paars van de kattestaarten:

Achterom kijkend blijkt de stad uitgelicht, met op de voorgrond Nieuw-Eelderwolde:

Kraai aast op spinnetjes tussen de spijlen van de Zanddijkerbrug over de Gouw:

De rogge bij de Bommelier staat nog op de wortel:

Bij Roderwolde bleek ze al geoogst (toch leuk, zulke veldjes):

Op het Stobbenven slikt een ooievaar een rat weg:

Vanaf een punt tussen Roderwolde en Matsloot – Stadssilhouet met op de voorgrond het dieselgemaal aan het uiteind van de Hamersweg:

Matsloot – spreeuwenzwerm op afgehooid land met op de voorgrond wat kieviten:


Schoolmeester Leegkerk keek onder hemd van domineeszoon

De kosterij van Leegkerk, gezien vanuit het zuidoosten.

In de zomer van 1641 benoemden Gedeputeerde Staten van Stad & Lande een nieuwe koster-schoolmeester in Leegkerk. Het betrof Berend Jans uit Westeremden en het provinciebestuur koos hem niet zelf uit, want Berend kreeg de betrekking “op voorstel van den pastoor & gemiente”. De ingezetenen van Leegkerk, met hun predikant ds. Abel van Bolhuis voorop, moeten dus blij zijn geweest met Berends komst.

Ruim een jaar later bleken de verhoudingen danig verstoord. In de classis Westerkwartier, die via de predikanten en kerkeraden toezag op de schoolmeesters en hun onderwijs, moest Berend Jans op het matje komen. Tegen de schoolmeester van Leegkerk waren, denkelijk door zijn kruiwagen, de predikant aldaar, vijf “swaere clachten” ingediend. Ziehier het lijstje met meesters zonden:

  1. dat hij ten huise van Harmen Hebrants in t’ bier gelach end’ bij droncken lieden psalmen D[avi]ds gesongen hadde, end’ tot ofstant vermaent, geseit hadde ick hebbe de brui van de papen.
  2. dat hij sijn pastoor met vuile reden, met liegen t’ heeten, end’ uitdagen qualick beiegent hadde.
  3. dat eenige jonge maegden t’ schoele gaende in sijn bijwesen die venten de broecken hadden ofgestreecken end’ hij des pastoors vent Alle het hemd hadde opgelicht.
  4. dat hij op sondagh onder predicatie sonder noot in een ander mans lant hadde gaen hoijen, end’ sijn eegen op voermiddach hadde doen anmenden.
  5. Een ander enormiteit begaen om reden niet exprimeert.

Vermoedelijk hoorden de eerste twee klachten bij elkaar. In een herberg of bij een nabertering werd flink wat bier gedronken, mensen waren dronken geraakt en de schoolmeester, die op zondag tevens in de kerk optrad als voorzanger, was uitgebarsten in psalmgezang. Iemand, waarschijnlijk de predikant, vermaande hem om dat niet te doen: heilige gezangen bij een slemppartij, dat gaf immers geen pas. De schoolmeester reageerde verbolgen, noemde ds. Van Bolhuis met zoveel woorden een leugenaar en daagde hem uit, iets wat je voor die tijd letterlijk moet nemen: Kom jij maar eens mee naar buiten, dan vechten we het daar wel uit.

In de classis bevestigde meester dat hij bij de slemppartij was geweest en er psalmen was gaan zingen. Maar hij zou niet hebben gezegd dat hij genoeg had van “de papen” (bijv. dominee). Om het smaden, schelden en uitdagen van de predikant draaide hij eerst heen, zonder dat hij het ronduit durfde ontkennen. Op beide punten lagen er getuigeverklaringen die de aanklacht ondersteunden.

Dat er enige schoolmeisjes over de broeken van de jongens hadden gestreken, was niet in zijn bijzijn gebeurd, aldus de onderwijzer. Hij negeerde de aantijging dat hijzelf onder het hemd van het domineeszoontje had gekeken. Was het verhaal over de broekenstrijkerij aan hem verklikt of opgebiecht en probeerde hij de jongen te kleineren door quasi te inspecteren of er nog enig effect bespeurbaar was?

Dat Berend Jans zonder enige noodzaak (zoals naderend onweer) iemand op zondagochtend hielp bij het hooien, gaf hij grif toe, evenals het zondaagse vervoer van hooi naar de kosterij en de onnoemelijke en daarmee nogal raadselachtige “enormiteit”.

De classis, die de klachten, getuigeverklaringen en meesters bekentenissen “rijpelick” overwoog, was unaniem van oordeel dat mr. Berend Jansen wegens zijn “schandelijke, ergerlijcke end’ onlijdelicke comportamenten” eigenlijk ontslag op staande voet verdiende. Een dergelijk figuur hoorde niet langer de “so eerlicke kercken-dienst end’ schoeldienst t’ bedienen”. Het was dan ook alleen “om sijn swacke huisfrouwe end’ armlicke kinderen” dat Berend de komende koude winter nog met zijn schoolwerk door mocht gaan. Hij werd echter tot nader orde geschorst als voorlezer en voorzanger in de kerk. Ook werd hij geschorst als lidmaat; hij mocht dus voorlopig niet meer aan het heilig avondmaal deelnemen. De deputaten van de classis zouden bovendien bij de provinciale rentmeester Verrucius beslag laten leggen op “sijn toekomende wintertractement”, tenzij ds. Van Bolhuis van Leegkerk getuigenis kon geven van “merkelijke beteringe van zijn fouten en van een recht godtsalich levent”. Ging Berend “tegen de last van sijn beroepinge” nogmaals in de fout, dan ontsloeg men hem zonder pardon uit al zijn functies.

Berend Jans kreeg dus niet zijn congé, zoals Bottema meent, de classis liet hem slechts bungelen. En hielp dat? Ja, het zag ernaar uit van wel. Op 12 oktober, een maand na de schorsing van Berend als voorlezer, voorzanger en lidmaat, vertelde ds. Van Bolhuis in de classis dat zijn schoolmeester “sick niet verslimmerde in sijn comportement”. De predikant vroeg daarom of de meester zijn kerkelijke taken weer mocht oppakken. De classis besloot dat aan ds. Van Bolhuis en zijn kerkeraad over te laten – dominee moest daarin handelen “tot godes ehre ende stichtinge siner gemeente”.

Inderdaad kreeg Berend zijn functies weldra terug. In november rapporteerde ds. Van Bolhuis, dat hij de schoolmeester had voorgehouden zich voortaan netjes te gedragen, zodat er geen klachten meer over hem zouden zijn. Waarop de schoolmeester beloofd had “door godes genaede” zijn leven te beteren. Omdat er verder ook niets meer op hem aan te merken viel, zou de meester tegen Kerstmis ook wel weer aan het avondmaal mogen deelnemen.

Of er later nooit geen klachten meer waren, weet ik niet, zover ben ik nog niet gekomen in het classisprothocol. Berend Jans stierf in elk geval in 1666 als koster en schoolmeester van Leegkerk.

Bronnen:

  • Jaap Bottema, Naar school in de Ommelanden (Bedum 1999) 42, 104, 173.
  • RHC Groninger Archieven, Toegang 1 (archief Staten van Stad en Lamnde) inv.nr. 126 (Akten- of resolutieboek GS) 12 juli 1641.
  • RHC Groninger Archieven, Toegang 180 (archief classis Westerkwartier) inv.nr. 3 (handelingen) 5 september 1642, 12 oktober 1642, 21 november 1642.

De kosterij van Leegkerk, gezien vanaf het westen.


Rondje Lettelberterdiep

Ik benijd niemand om zijn verre vakantie. Geef mij maar de veertig geuren hooi van Lettelbert, op een windstille zomeravond.

Zwart kalf, Leegkerk:

Stier op het oude slibdepot bij de Tichelwerkbrug:

Wegel bij Den Horn het land in:

Onstuimige paarden bij Den Horn:

Bij het Lettelberterdiep – rechtsachter een voormalige poldermolen, nu bewoond:

Bij Westpoort:

Ooievaar op straatlantaarn, Westpoort:

Bootje op het Hoendiep, Hoogkerk:


Manslacht, een bijgeloof (3)

Kennelijk leidde het schorsen van lidmaten wegens hun geloof in manslacht tot problemen, want in 1656 stelde de classis Westerkwartier dit aan de orde in de Groninger synode. Daarbij meldde ze dat veel lidmaten ermee behept waren en vroeg ze hoe predikanten ermee om moesten gaan:

“Overmits bevonden werden veele ledemaeten in die Ghemeijnte J.C. staende int gevoelen, dat menschen en beesten connen worden manslachtich, waertegens sij van dootslaegers selve of door messen derselvne raet soecken. Wordt gevraegt wat van dese saecke sij te houden ende hoe di persoonen daer aen schuldich dienen gecorrigeert te worden.”

Grappig is dat er naast het zelfstandige naamwoord ‘manslacht’ een daarvan afgeleid bijvoeglijk naamwoord ‘manslachtig’ bleek te bestaan voor de patiënten of degenen die de negatieve gevolgen van manslacht schenen te ondervinden. Deze gebruikten niet alleen de messen van doodslagers ter genezing, maar raadpleegden deze personen ook zelf. Hoewel niet populair, en zeker niet bij de kerk, zouden die nog wel eens een lucratief handeltje kunnen hebben gehad aan corpi delicti, al dan niet pseudo-.

Gebruikte de classis de term ‘manslachtig’, de synode bezigde zelfs het zelfstandig naamwoord ‘manslachtigheid’ voor de aandoening:

“handeldende vande manslachtich[eid] ende de censure oover de ledematen, die siecthens tot remedie gebruijcken de meszen van doodtslaagers &c. R[esolveert] Synodus sulx te zijn een duivelsch bedroch ende grouwelijcke superstitie, daartegens de onvaste met goede redenen uijt Godts woordt moeten gewaarschouwt zijn.”

De synode sprak dus weliswaar van een duivels bedrog en gruwelijk bijgeloof, maar opvallend genoeg zicht ze de remedie niet in censuur, of het afhouden van lidmaten van het avondmaal. Degenen wier geloof nog wankel was, moesten er vanuit de bijbel tegen gewaarschuwd worden, dat was alles en werkte in de ogen van de synode het best.

Bronnen:
RHC Groninger Archieven –

  • Toegang 180 (archief classis Westerkwartier) inv.nr. 4 (handelingen) 10 maart 1656-art. 11
  • Toegang 692 (archief Synode van Stad en Lande) inv. nr 2 (handelingen) 1656 art. 73 (in margine: ‘Tegens manslachtigheid. Een duivels bedrogh).

Avondrondje Wierum

Aan het eind van de middag toch nog zon. Daar moet men van profiteren nu dat geval op rantsoen lijkt.

Er stond nog windkracht 4 toen ik de hoeve Zeldenwind passeerde:

Aan de andere kant van het Aduarderdiep werd de suikerfabriek uitgelicht:

Dorpsgezicht Dorkwerd vanaf Kleiwerd:

Paardenconclaaf bij Dorkwerd:

Doel van de reis – het kerkhof van Wierum:

De hervormde gemeente Dorkwerd-Wierum laat hier nog steeds begraven. Groningens meest kleurrijke grafmonument:

Een ander monument doet denken aan een zegel onder een oude oorkonde:

“Kunst is de liefde in elke daad…”

Insectenhotelletje op het graf van een natuurliefhebber:

Langs de Grouwelderij terug:

Zoom zonnebloemen bij de volkstuintjes langs het spoor, Hoogkerk:

Die volkstuintjes en de achtergelegen wei- en hooilanden, gezien vanaf het spoorviaduct in de Johan van Zwedenlaan:


Rondje Leek

Oostkant Westpoort. Het zou blijken dat ik een van de weinige fietsers was, vanmiddag. Velen lieten zich ten onrechte weerhouden door de wind:

Parallel aan de A7 achter de Poffert. Er staat houtvrij, maar het is van hout:

Oud schuurtje met zwaluw bij Leek:

Tussen Leek, Leutingewolde en Roderwolde zit er een bult in het landschap, die met medewerking van wat pinken aardig in beeld te brengen is:

Oud Drents weerstation bij theeschenkerij in Roderwolde:

Torenvalkje bij het fietspad over de Roderwolderdijk, Onlanden:

Stadssilhouet zonder flat:

Artalanta op leverkruid, onderaan brug Onlanden:


‘Voor mij hoeft er geen boom gekapt’

Portret van de Groninger tuinarchitect Klaas Noordhuis door de Amsterdamse “videograaf” Gosse Bouma. Noordhuis is ongeneeslijk ziek en reflecteert op het landhuis Oosterhouw te Leens (waar hij met de dichter C.O Jellema woonde) en op Amsterdam, waar hij een poos geleden heen verhuisd is:

Intussen woont er een Amsterdammer op Oosterhouw >>>