Lucebert – Vrede is eten met muziek
Geplaatst op: 9 juli 2017 Hoort bij: Kunsten Een reactie plaatsenWas van de week even op bezoek in het H.N. Werkman Stadslyceum aan de Nieuwe Sint-Jansstraat. Grote verrassing: hier hangt in een soort van studielokaal/kantine het werk ‘Vrede is eten met muziek’ van Lucebert. Eerder hing dit schilderij (uit 1985, acryl op multiplex panelen) in de kantine van een schoolgebouw aan de Melisseweg. Toen dat gesloopt werd, zamelden oud-docenten van de school geld in voor een broodnodige, maar zeer geslaagde restauratie van Luceberts werk. Daarna hing dat even in het Groninger Museum en vorig jaar kreeg het een nieuwe permanente plek hier aan de Nieuwe Sint-Jansstraat:

Eigenlijk is het een drieluik. Op het middendeel staat een orkestje te spelen. De sax heeft uitstraling, de gitarist swingt alle kanten op en de drummer is zeer dynamisch:

Het gezelschap links, met een innig verstrengeld stel:

Het gezelschap rechts. Let op de komkommerbespeler, het mannetje dat om de hoek komt klieren en de kat met de twee muizen:

Er zitten fantastische details in dit werk, zoals deze hond met kluif:

Er hoort een allesbehalve hermetisch gedicht bij waarin Lucebert ons voorhoudt waarom het gezamenlijk eten en drinken met een vrolijke deuntje erbij goed is:
Vredig eten is goed eten
Want lekker eten doet men alleen in rust en vrede
Voor een goede spijsvertering is het een vereiste
Dat men elk hapje minstens vijftienmaal kauwt
Daarom eet men met muziek ook beter
Want onder vrolijke tonen bewegen de kaken vanzelf
Harmonieus en met de kaken ook de slokdarm
En later zelfs de overige dertig meter
Lange darmen in de buik .Vrede is goed eten met goede muziek.
Met marsmuziek kan men beter lopen dan eten
Als men dan ook maar vredig loopt
En niet meemarcheert met een troep soldaten
Tegen andere soldaten –
Dan is marsmuziek net zo besmet
Als bedorven voedselMaar bij dansmuziek is het zeker goed eten,
Want dansen is geen vechten.
Wie danst houdt rekening met andere dansers,
Zoals men onder het eten niet alle
Lekkere hapjes alleen verorbert, maar die deelt
Met de overigen de disgenoten.
In het oorspronkelijke paneel met dit gedicht zat een foutje. In het woord spijsvertering ontbrak namelijk de s. Die is er met behulp van een fotobewerkingsprogramma alsnog in geplaatst, op zo’n manier dat de verbetering kenbaar blijft:

Weblog over de actie voor behoud en restauratie van Luceberts werk.
Onlanden heen, Hoornsedijk terug
Geplaatst op: 7 juli 2017 Hoort bij: Dieren, Drenthe, Onlanden 7 reactiesPluizende distel:

Krödde op oever slenk:

Redelijk veel Jacobskruiskruid, dat veel insecten trekt:

Solitair exemplaar:

Geaderd witje:

Ooievaarsfamilie op afgehooid land:

Rijpende rogge met korenbloemen en klaprozen op de Stenhorsten:

Blaarkopkalf aan stik, Achterstewold, Peize:

Wederik en Hoeheetdatspulookalweer. O ja: wilgenroosjes (met dank aan Gerry):

Kattestaarten en – met dank aan Reina: – moerasspirea aan de Noorddijk, oostkant Peize:

Bij de Drentsedijk:

Nijlgans bewaakt jongen, Hoornsedijk:

Voor straf te kijk bij het Goudkantoor
Geplaatst op: 6 juli 2017 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsen
Jan Kunst had vanuit Drenthe “eenige brandewijn” Groningerland binnengesmokkeld. De heren gedeputeerden van Stad & Lande, die optraden als de fiscale rechters hier, lieten hem lang in voorarrest zitten en besloten toen tot “gratie voor rigeur van regte”. Ze veroordeelden Kunst, vonden ze, tot een milde straf, die eruit bestond
“dat deselve met drie kruicken, twee voor d’ borst en een agter op de rugge over de merckt sall werden gebracht, en daer mede van half elff tot half twalf uiren voor het Prov[inci]ale Collecthuis ten toon staen en wandelen…”
Deze straf pasten de heren GS wel vaker toe. Zo’n uurtje onder strenge begeleiding te kijk staan en lopen met kruiken om de hals was uiteraard confronterend, onterend en schaamtevol, maar mocht Kunst nog eens op smokkel betrapt worden, dan dreigde een fysieke straf. In dat geval kenden de heren geen genade meer, beloofden ze, en werd Jan aan de kaak gezet en gegeseld.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 1 (archief Staten van Stad & Lande) inv.nr. 1350 (sententies GS), die van, 1 juni 1685.
Grunnens Laid op ’t Martinicarillon
Geplaatst op: 5 juli 2017 Hoort bij: Muziek, Stad nu 5 reactiesBeiaardier Auke de Boer speelt ’t Grunnens Laid op ’t carillon van de Martinitoren:
Kalmeren met de bolero
Geplaatst op: 5 juli 2017 Hoort bij: Muziek, Stad nu 3 reactiesFilmpje over het project ‘Resonans’ in het UMCG, waar oudere patiënten die van een operatie bijkomen, op hun persoon toegesneden muziek voorgeschoteld krijgen:
Wat zouden ze spelen bij een ouwe rocker of punk?
Mennoniet neergeknald op de stadswal
Geplaatst op: 4 juli 2017 Hoort bij: Stad toen 5 reactiesEen gebrekkige impulsbeheersing heeft al vreselijk veel ellende veroorzaakt. In een oogwenk kan ze mensenlevens vernietigen.
Neem nou Schelte Reinders, de in Leeuwarden geboren doopsgezinde knecht van doctor Eissemius. Hij was samen met zijn baas en diens gezin naar Groningen gekomen. Op 30 maart 1698 deed hij iets, wat wel meer mensen in deze vestingstad op een mooie zondagmiddag deden – samen met het vierjarige kind van zijn baas maakte hij voor zijn plezier een wandeling over de stadswallen. Iets na tweeën kwamen ze op de borstwering bij de Kranepoort, nabij de lokale molendrift, in de buurt van de Noorderhaven. Daar hield een schildwacht ze staande. De soldaat zei dat het wandelen op de borstwering verboden was en eiste een boete of wat biergeld. Toen Schelte Reinders niet kon of wilde betalen, vroeg de schildwacht diens hoed. Dat onderpand kon Schelte dan later komen inlossen. Mogelijk verzette Schelte zich. In elk geval schoot de soldaat op hem. Schelte sloeg tegen de grond en was op slag dood.
Het recht nam een snelle loop. Ruim anderhalve week na dit verschrikkelijke voorval moest de schildwacht voor de Krijgsraad verschijnen. Nies Wijmans, zo heette hij, had volgens de aanklager niet alleen de dood van Schelte Reinders op zijn geweten, maar had ook beschonken op wacht gestaan, terwijl hij bovendien was weggelopen van zijn post.
De aanklager maakte er eerst weinig woorden aan vuil. Wijmans had alles bekend, wat gold als het ultieme bewijs.
De advocaten gaven toe dat Wijmans wel enige straf verdiende, maar vroegen om een lichte. Ten eerste was soldaat Wijmans niet dronken geweest, zoals beweerd werd, want anders had zijn korporaal hem niet eens naar zijn post laten gaan. Ook was verdachte niet van de wacht weggegaan; hij had toestemming om de hele Kranepoortenwal tegenover de scheepswerf af te lopen omdat hij moest uitkijken naar een bepaalde smokkelaar die hier langs zou komen. En dan de doodslag – de ene doodslag was de andere niet. Het slachtoffer had het noodlot in dit geval zelf over zich afgeroepen, doordat hij de schildwacht zijn geweer had vastgepakt en hem daarmee ook op de borst had gestoten. Een schildwacht mocht op zijjn post door niemand worden aangeraakt. Dat soldaat Wijmans witheet van woede was, viel dus te billijken, dat was een volkomen gerechtvaardigde toorn. Overigens had Wijmans helemaal niet de bedoeling om Reinders te doden. Hooguit had hij hem willen verwonden.
Op die bewering haakte de aanklager in. Hij achtte het totaal onaannemelijk dat het slachtoffer, “mennist sijnde sonder stock, deegen off het minste geweer” en “alleenlijck voor plaisier wandelende met dr. Eissemius kintien”, de schildwacht zou hebben aangepakt. Ook had Wijmans volgens zijn eigen bekentenis “uijt quaetheijt”, toen Reinders al was weggelopen, zijn geweer aangelegd en op Reinders geschoten.
De doopsgezinde, vredelievende Reinders was dus in zijn rug neergeknald. In een goed geregelde staat kon zo’n “moordaedigh onderneemen”, zo’n “grouwelijcken bloedstortinge”, zo’n “onmenselijck bedrijff” niet ongestaft blijven, meende de aanklager. Anders zou dat “Godes gramschap en straffe” over die staat uitlokken. De Krijgsraad onderschreef dit volkomen en veroordeelde Nies Wijmans om
“andere ten exempel en afschrick”, “door den scherpregter met den swaerde te sullen worden gestraft, dat de doot daer op volght”.
Weer twee dagen later bevestigde het college van Gedeputeerde Staten het vonnis. Al de volgende ochtend werd dat voltrokken en ging soldaat Wijmans voor de bijl.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 1 (archief Staten van Stad & Lande) inv.nr. 1350 (sententies GS), die van 13 april 1698.
Soldaat slaat juffer, de dochter van zijn chef
Geplaatst op: 4 juli 2017 Hoort bij: Stad toen 1 reactieOp 13 januari 1698 vierden Hindrik Brongers uit Veendam, die als solliciteur in de behoeften van een compagnie soldaten voorzag, en de weduwe van dominee Textor hun verloving in het huis van de laatste in de stad Groningen. Mogelijk was eerder die dag het huwelijkscontract al getekend door de wederzijdse familie. In elk geval kwam er aardig wat volk over de vloer om de “wijnkoop” te vieren. Zo waren ook de overste Sighers, diens oudste dochter (een juffer) en de knecht van de overste van de partij in het huis van de bruid.
Sighers’ knecht, Jan Isebrants, veroorzaakte daarbij “veele ongeregeltheeden”. Hij sloeg de dochter van zijn baas zo hard voor het hoofd, dat haar wang er enorm van opzwol. Toen ze Jan Isebrants daarom naar de Hoofdwacht brachten, deed hij daar niet anders dan “schelden, raesen, vloecken, tyren”. Ook misdroeg hij zich tegen kapitein Van Ewsum, die er als hoofdofficier het bevel had.
Jan moest voorkomen voor de krijgsraad. Meerdere getuigenissen ondersteunden de aanklacht. Ze kwamen van van overste Sighers, diens dochter, ene Wieringa, de hoofdofficier van de wacht en solliciteur Brongers, al werd de naam van de laatste naderhand doorgehaald op het lijstje met getuigen.
Jan Isebrants’ advocaat achtte het hem aangewreven wangedrag onbewezen en vroeg om vrijspraak voor Jan. Ten eerste was het zo dat Jan
“met verloff van de overste, naedat hem hadde tehuis gebragt, weederom nae de wijncoop is gegaen om sigh met andere jonge lieden, volgens de gewoonte op sulcke daegen, te vermaecken. Dat aldaer door vrouwlieden sijnde droncken gemaeckt, als een beest gebonden op de barve te huis is gebragt…”
Wat betreft de klap die Jan de juffer gaf – zij had zelf niet over een dikke wang geklaagd. In de Hoofdwacht was Jan daarentegen bont en blauw geslagen en dat was toch wel “genoegsaem straffe”.
In principe had de krijgraad volgens de advocaat ook niets te zeggen over Jan, omdat hij geen soldaat was en nooit mee op een veldtocht was geweest of wacht gelopen had. Dit was dus een privé-zaak, die overste Sighers als Jans broodheer zelf wel had kunnen afdoen. En als deze kwestie dan toch voor de krijgsraad gebracht moest worden, dan ging het slechts om een “dufslagh”, waar slechts een boete van twee daalders op stond.
De aanklager hoorde het hoofdschuddend aan. Hij gaf toe dat de overste partij in deze zaak was en dat diens getuigenis en dat van zijn dochter eigenlijk niet ter zake konden doen. Maar, het was beslist geen “slag van 2 daelder (…), geschiet door een knegt an een juffer van fatsoen”. Bovendien moest men Jan wel degelijk als soldaat beschouwen, hij stond immers ingeschreven op de rol.
Jan zelf voerde nog aan “door sijn swaere gevangenisse in dese bittere koude voor deese sijn foute van dronckenschap meer als te veel te hebben uijtgestaen”. Hij had de overste wel drie jaar lang trouw gediend en was “in geene herberghe off andere quade plaetsen” , maar met instemming van zijn broodheer “in een eerlijck huis” geweest. Hij kon niet als soldaat beschouwd worden, had immers nooit iets voor het land gedaan. Deze zaak was volstrekt onnodig voor de krijgsraad gebracht. Die behandelde toch ook geen zaakjes van dronken soldaten, die thuis hun eigen vrouw sloegen, “gelijck daegelijx meer als te veel komt te gebeuren”. De krijgsraad kon dan wel bezig blijven! En toch was dat nog veel erger dan wat er tussen Jan en de juffer gebeurd was. Zijn dronkenschap en het slaan vormden een privé-kwestie. Hij had ook helemaal niet de bedoeling gehad om kwaad te doen, en was daar lichamelijk niet eens toe in staat doordat hij ladderzat was. Nee, hij verdiende meer medelijden. Anders was hij ook nooit dronken. In al die jaren dat hij bij de overste had gediend, was dit zijn enige fout,
De aanklager bestreed ook dit. Volgens juffer Sighers was Jan op Nieuwjaarsdag al dronken geweest en had hij zich toen eveneens misdragen. Haar vader vertelde dat er tijdens de veldtocht in Vlaanderen al het een en ander op Jan aan te merken viel. Die dronkenschap was juist een verzwarende omstandigheid, meende de aanklager.
De krijgsraad ging hierin mee en veroordeelde Jan tot twee maal heen en weer spitsroeden lopen, d.w.z. door twee hagen van mede-soldaten die er dan op los mochten slaan met doorntakken. Maar Jan hoefde rechtskosten niet te betalen, daarvoor achtte de krijgsraad hem te arm.
Naderhand streken de heren Gedeputeerde Staten, die de vonnissen van de krijgsraad konden verzwaren of verzachten, met hun hand over het hart. Jan hoefde nog maar één keer spitsroeden te lopen.
Wel ontsloegen ze Jan uit de dienst, en dat zonder paspoort. Als een potentiële baas hem daarnaar vroeg, had hij dus niets om in zijn voordeel te tonen. Maar van GS hoefde hij evenmin “sluitgelt, montkosten en spitsgarden” te betalen. Die nam de provincie voor haar rekening.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 1 (archief Staten van Stad & Lande) inv.nr. 1350 (sententies GS), die van 7 februari 1698.
Koers! Of hoe de “Slag om Norg” Sandebuur passeerde
Geplaatst op: 3 juli 2017 Hoort bij: De actuele wereld 8 reactiesTot mijn verbazing kwam er een wielerkoers door Sandebuur, de Slag om Norg. Zo’n evenement vergt blijkbaar nogal wat politiebegeleiding. Zolang de kust veilig was, fietste ik op de steenslagwegen vanaf de Hooiweg tegen het parcours in – hier en daar onder applaus van toeschouwers – en ben ruim voordat de meute passeerde wel drie maal door een motoragent staande gehouden met het steevast zeer vriendelijke verzoek of ik asjeblieft wilde opletten: “Want ze komen eraan en rijden als gekken”. Heb uiteindelijk dus wel een kwartier in de berm staan wachten tot alles gepasseerd was:

Tète de la course, oftewel de kopgroep:

Peloton op flinke afstand in de achtervolging:

Verbeten koppen, curieuze sponsor (Baby Dump):

Rondje Matsloot – Sandebuur – Leek – Lettelbert
Geplaatst op: 2 juli 2017 Hoort bij: Drenthe, Onlanden, Westerkwartier 7 reactiesNog een metertje of zo omhoog op het afsteekpaadje bij het viaduct in de Roderwolderdijk bij Hoogkerk:

Langs de steenslagweg tussen de baileybrug bij Eiteweert en Matsloot:

Dichtgroeiende sloot:

Het bosje bij Matsloot waar tussen in elk geval 1899 en ca. 1960 Vischlust stond, eerst een onderkomen van de Groninger Vischclub, later naar het schijnt een buitentje:

Witte honingklaver:

Het stukje eigenlijke Matsloot bij het gemaaltje, met weer dat bosje van voorheen Vischlust:

Drie op een rij:

Op de auto van een kanobedrijfje dat hier een ‘natuurbelevingstocht’ aanbood, liep deze ongedefinieerde snuitkever rond:

Kwikstaart:

Slenk die bij de Matsloot uitkomt:

Pony’s met de kolder in de kop, Sandebuur:

Dichtgroeiende sloot bij Foxwolde:

Bij asbestsanering boerderij Leutingewolde komt rieten dak weer tevoorschijn:

Weet niet wat er verder met deze boerderij gebeurt, maar de stookhut lijkt reddeloos:

Deels nogal bleek boerenwormkruid in de berm van de laan tussen Nienoord en de kerk van Midwolde:

Op het eerste gezicht lijkt het of hier ouderwetse hooioppers staan, maar het zijn in werkelijkheid steeds vier pakjes hooi die in een hoek van 45 graden tegen elkaar zijn gezet, waarbij de hoek in top is opgevuld met een vijfde pakje:

Dichtgroeiende sloot bij Lettelbert:

#DTV – Hoe heet deze plant?

Varend erfgoed bij De Poffert. Op de voorgrond het elegant gelijnde en van ‘zwanekont’ voorzien salonbootje Mercedes, op de achtergrond de in 1893 op de werf van Mulder te Vierverlaten gebouwde kaastjalk Courier, die momenteel te koop staat:

Bij de Theresiakapel aan de Zuiderweg in Hoogkerk staat een opblaasbare Sarahpoort, ten teken dat iemand 50 geworden is:

Avondlijk ommetje Matsloot – Roderwolde
Geplaatst op: 1 juli 2017 Hoort bij: Onlanden 2 reactiesRedelijk mooie zomeravond, maar bijna geen mens onderweg. Stil, op wat verkeer in de verte en de laatste vogels na
Landgeitebok bij kinderboerderij Minerva knabbbelt aan een schier onbereikbaar en daarmee buitengewoon appetijtelijk blaadje:

Boerenzoon op stap met de quad van pa, Matsloot:

Bij het Matsloter gemaaltje:

Er komt een neveltje op:

Bijna uitgebloeide zuring:

Hooiweg, Roderwolde:

Halve maan:

Schemeruur:

Intimidatie bij de Goldhoorn
Geplaatst op: 1 juli 2017 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen
Reclameplaatje van Tiktak. Collectie RHC Groninger Archieven 2137-230.
Op een zondagavond in juli 1893 reden de socialistische logementhouder en aannemer Jan Poppes Hommes en zijn vrouw in hun rijtuigje van Finsterwolde naar Midwolda. Daar haalden ze Ferdinand Domela Nieuwenhuis op, waarschijnlijk omdat de voorman van de Sociaal Democratische Bond later die week een toespraak zou houden in Finsterwolde, waar hij tot 1915 gewoonlijk in Hotel Hommes logeerde. Onderweg maakte het gezelschap een hachelijk avontuur mee:
“Op een der stilste en donkerste deelen, van den weg, schoten plotseling op de ruwste wijze drie mannen te paard naast het ruituig, een aan de eene, de beide anderen aan de andere zijde. Het was alsof roovers een ruituig aanvielen op den openbaren weg! Maar het bleken drie maréchaussées – N. B. ordebewaarders (?) – te zijn.
Zij deden het zoo woest, dat de eene met zijn paard op den grond slingerde en een heel eind ver werd gegooid door ’t paard, en over dat liggende paard struikelde de tweede, die ook viel, doch spoedig weer op was. Toen stelden die twee zich dwars voor het ruituig, welks paard gelukkig zeer mak was, anders waren er de grootste ongelukken gebeurd, waarom het die ellendelingen zeker te doen was.
Ze bleven stapvoets voor het rijtuig rijden, den geheelen weg beslaande, om zoo ’t voortrijden te beletten. Hommes bleef zeer kalm, en voorziende welke partij die snotneuzen wilden spelen, reed hij stapvoets voort.”
Er waren in Finsterwolde wel meer klachten over de marechaussees die er sinds 1892 de orde moesten handhaven. Voortdurend stonden er berichten in de socialistische kranten over intimidaties en mishandelingen. Klachten bij het bevoegd gezag haalden niets uit.
Bron van het bericht: De Toekomst; socialistisch weekblad voor Zeeland en Westelijk Brabant, jrg 1, (1893-1894) nr. 16, 22 juli 1893.
Voornaamprovenance, of: waar komt mijn voornaam vandaan?
Geplaatst op: 30 juni 2017 Hoort bij: Familie 5 reactiesGenealogieën of stambomen betreffen gewoonlijk mensen van meerdere generaties die dezelfde familie- of achternaam dragen. Maar er is ook een exercitie of gedachtenspelletje mogelijk met de overerving van een voornaam.
Tot in de jaren 60/70 bestond hier in Nederland nog de eeuwenoude gewoonte om althans de oudste kinderen de namen van grootouders te geven. Zo ben ik als oudste zoon genoemd naar mijn grootvader van vaderskant Harm Perton (Oostwold 1892 – Havelte 1973). Maar hoe ging dat dan verder het verleden in?
Hij bleek zijn voornaam te hebben gekregen van Harm Harms Tuin (Beerta 1832- Finsterwolde 1883), zijn grootvader van moederskant die hij nooit in levende lijve had gezien. Dat gold getuige de kwartierstaat van de familie Tuin wel voor meer naamerfgenamen. Ook eerder ging de voornaam inderdaad steeds op traditionele wijze over van grootvader op kleinzoon. Dit is de teruggaande lijn:
Harm Adolfs Tuin
(Bellingwolde 1771 – Ulsda 1828)
<
Harm Jans Tuin,
(Bellingwolde 1723 – Bellingwolde ca. 1813)
<
Harm Jans (Kuiper),
(Lengerich ca. 1675 – Bellingwolde vóór 1721)
Dat Lengerich kon slaan op een plaats in het Emsland in het graafschap en vlakbij de stad Lingen, of op een ‘vlek’ met stedelijke allures en enkele honderden inwoners een eind verderop in Westfalen, zo grofweg tussen Osnabrück en Münster. Ik denk niet dat mijn vroegst bekende voorvader met de naam Harm die voornaam al in die Duitse contreien voerde, maar dat hij bij zijn komst naar Bellingwolde zijn eigenlijke voornaam Hermann in Harm heeft veranderd.
De voornaam Harm raakte na zijn vestiging, ca. 1700, te Bellingwolde dus verbonden aan de familie Tuin, die daar tot in de negentiende eeuw bleef wonen en daarna verhuisde naar respectievelijk Beerta en Finsterwolde, een verhuisbeweging die ook in de familie Perton is gemaakt. In Finsterwolde nam die de voornaam van de Tuinen over.
Dynamiet, merk ‘Vaderlandsliefde’
Geplaatst op: 30 juni 2017 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen
De Arbeider, 24 januari 1903.
Portretten van wijlen Domela gewild in Finsterwolde
Geplaatst op: 29 juni 2017 Hoort bij: Geschiedenis 2 reacties
“Bij mijn rondreis door Finsterwold met de portretten van F. D. N. (vervaardiger Kok van Hilversum) is het mij mogen gelukken 33 foto’s plus één album te plaatsen”,
aldus ene H. Greven in De Arbeider van zaterdag 14 februari 1920. Ferdinand Domela Nieuwenhuis, want van hem waren die initialen, was drie maanden eerder gestorven. De fotograaf Jan Jacobus Kok uit Hilversum maakte zes portretten van hem, vijf in één lange sessie toen Domela nog leefde, en één van Domela op zijn doodsbed. Die portretten zaten met elkaar in een album of map, waarvan Greven in Finsterwolde mogelijk één exemplaar verkocht, terwijl hij daarnaast nog 33 losse portretten wist te slijten. Al met al een teken dat het anarchisme na de Russische revolutie nog niet dood was in Finsterwolde; mensen die al een portret van Domela in huis hadden, zullen immers niet zo gauw een extra portret hebben besteld.
Greven, die andere inwoners van Finsterwolde nog enkele dagen de tijd gaf om ook zo’n fotoportret te bestellen, deelde mee dat een dorpsgenoot van hun er passende lijsten bij maakte. Wie dat was, kon men aan Greven vragen. Blijkbaar wilde die dorpsgenoot niet met zijn naam in de krant.
De Groningse anarchiste Cathrien Eimers herinnerde zich zestig jaar later nog hoe na de dood van Domela
“als schilderij van die hele grote gekleurde foto’s van hem uitkwamen. Dat kostte toen 35 gulden.”
Mocht het in Finsterwolde om dezelfde ingekleurde foto’s gaan, dan is dat debiet van Greven nog van extra betekenis, want arbeiders moesten er in dat geval flink voor in hun buidel tasten.
Harm Boukje en zijn anarchistische boekhandel
Geplaatst op: 28 juni 2017 Hoort bij: Familie Een reactie plaatsenHarm Tuin, de anarchistische broer van mijn overgrootmoeder, kwam op dit weblog al menigmaal ter sprake. Pas vrij kort geleden echter, hoorde ik van zijn nazaten dat hij in Finsterwolde een bijnaam had, te weten ‘Harm Boukje’ (in het Nederlands Harm Boekje). Hetgeen perfect aansloot bij een passage in een artikel over socialisme in Finsterwolde Daarin staat over Harm Tuin dat hij een boekendepot had met anarchistische werken. Omdat er geen noot bij deze passage opgenomen is, benaderde ik een paar jaar geleden een van de auteurs, die als meest waarschijnlijke bron een advertentie in de Vrije Socialist of De Arbeider noemde. En aangezien je voor de complete jaargangen van deze bladen naar het IISG in Amsterdam moest, bleef deze advertentie voorlopig even buiten bereik.
Maar zie, Delpher zette eergister o.a. de IISG-leggers van het Groninger socialistenblad De Arbeider online en daarmee was het opeens heel licht werk geworden om die advertentie te achterhalen. Sterker nog, ik vond niet één, maar vier verschillende advertenties van of met Harm Tuin. Elk van die advertenties stond bovendien meermalen in het blad.
De eerste werd geplaatst in de editie van nota bene 1 januari 1900 en de eerste zin na het kopje getuigt zowel van een socialistisch vormingsideaal als een wil om mee te gaan met de moderne tijd die aanbreekt:
Het gaat om goedkope edities van godheden uit het anarchistische pantheon zoals Bakoenin, Kropotkin en Domela Nieuwenhuis, naast andere werken die vrijdenkers destijds graag lazen, bijv. van Multatuli en Darwin.
De tweede advertentie dateert van precies een jaar later. Het betreft een opsomming van alle lokale agenten van De Arbeider in Groningen, Friesland en elders in den lande en Harm Tuin kreeg hierin als vertegenwoordiger te Finsterwold (zonder e) een extra H als initiaal welke verwees naar zijn vaders voornaam, zulks waarschijnlijk om verwarring te voorkomen met een andere H. Tuin ter plaatse:

Uiteraard betaalde Harm Tuin die advertentie niet, dat gebeurde voor De Arbeider zijn eigen rekening. De volgende, vanaf 9 maart 1901 in het weekblad, plaatste hij wel weer zelf om reclame te maken voor een brochure die waarschijnlijk Domela Nieuwenhuis onder pseudoniem geschreven had:
Mogelijk leverde Domela, die later wel eens bij Harm Tuin logeerde en wiens portret er op de schoorsteenmantel hing, de brochures zelf aan.
Tot slot nog een advertentie van de in Amsterdam woonachtige anarchistische uitgever Jan Sterringa, Deze is vanaf 22 februari 1902 in De Arbeider te vinden en noemt Harm Tuin als intekenadres (en agent) voor een in afleveringen verschijnend werk van Kropotkin:

—
Bronnen, afgezien van de gelinkte:
– De aangehaalde passage in het artikel van Houkes en Hoekman over Socialisme in Finsterwolde staat in de bundel van O.S. Knottnerus e.a. (red.), Rondom Eems en Dollard, op pag. 314.

Recente reacties