Noorderbreedte anders

22 noorderbreedte anders

Noorderbreedte heeft haar website vernieuwd. Er staan nu veel meer artikelen op. Zelfs van het laatste nummer een paar, zoals ook De Groene Amsterdammer dat altijd doet. Aardig is de afdeling luchtfoto’s (boven in de donkerblauwe balk) en regelrecht leuk de sectie zoek op kaart, waardoor je toegang tot artikelen over een bepaalde lokatie krijgt.


Lekker leven aan zee

Tien kleine politiekers
bestierden het arme Delfzijl
ze speelden een spelletje beentje licht
en gingen voor de bijl.


Betonbos, Eemskanaal

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Geïmproviseerde hekwerken, weinig Allura. Een bordje aan een lange staak toont de naam die de bewoners voor hun oord verzonnen: Betonbos. Een ander bordje roept gratis parkerende automobilisten toe, dat het neerzetten van hun bolides hier op eigen risico is. “En niet op de voor- in- en uitrit”. Om de afscheiding compleet te maken nog een simpel blikken brievenbusje, zoals je ze ook vaak ziet bij de meer armetierige woonboten.

Op het terreintje stonden die dag vier gemotoriseerde woonwagens. Aan de meest centraal geplaatste hing een Zuid-Afrikaanse vlag. Amandla! Ook stond er een brombakfiets bij. De meest rechtse, rode kampeerwagen was afgedankt door een lokale omroep, ik weet niet meer welke. Ik had het kampje nog nooit eerder gezien en vroeg een meisje dat er in een hoek rondscharrelde of ik even rond mocht kijken. Dat stond ze vrolijk toe, maar plaatjes heb ik er niet geschoten want ik voelde me desondanks een indringer.

Toen, in de zomer, waren de echte avonturiers uitgezwermd. Nu, in de winter, zal het er wel wat drukker bevolkt zijn. Maar of het kampje nog vele seizoenen meemaakt? RTV Noord meldde vandaag dat ‘de’ zeven bewoners een kort geding aanspanden tegen de gemeente. Die wil ze weg wil hebben en voert daarvoor kennelijk een bestemmingsplan als rechtsgrond aan: “Het terrein waarop de caravans staan is bedoeld voor industrie.” Een tweede kaart die de gemeente uitspeelt is dat de eigenaar de beschikking over zijn grond terugwil. Volgens de bewoners doet hij voorlopig niets met het terrein. In elk geval is hij geen partij in het geding en het lijkt ook uitgesloten dat hier aan het Eemskanaal ooit nog weer eens industrie komt. Ergens geef ik de bewoners dus nog wel een kans ook, op basis van enkel en alleen dat korte berichtje.

Update 1 maart
Ze moeten toch weg


Nait soez’n moar stemmen

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Donderdag is hier de campagne ‘Nait soez’n moar stemm’n‘ gelanceerd. De gemeente Groningen wil er de opkomst mee opkrikken bij de aanstaande raadsverkiezingen. En dat vooral onder die delen van de bevolking, welke meer dan gemiddeld de stemlokalen mijden.

Grosso modo zijn dat er twee: ten eerste de bewoners van de vaak wat verder van het stadshart gelegen, na-oorlogse nieuwbouwwijken, en ten tweede jongeren en studenten.

Op de eerste groep mikt het nuchtere adagium ‘nait soez’n’, dat Groningers vanouds tot enige dadendrang moet aansporen. Opvallend is de aan de jaren zeventig refererende beeldtaal voor deze doelgroep. Burgemeester Wallage ontpopt zich als de activist die hij nooit zo is geweest, trekt met een campagnebakfiets de geselecteerde wijken in en neemt daarbij steeds een andere Groninger beroemdheid mee. (Zo te zien is Jacques d’Ancona al aan de beurt geweest.)

In de wijken maken Wallage en zijn passagier van dienst gebruik van de megafoon, om den volke de boodschap toe te roeptoeteren. De lokale TV toont dat in televisiespotjes. Bovendien komen er overal posters te hangen. Natuurlijk plakt de gemeente die niet zelf op, zo’n karwei besteedt ze uit aan een firma die overal illegale reclameborden heeft hangen. Inmiddels kunnen we constateren, dat de SP al dankbaar gebruik maakt van het uitgelezen buitenkansje, en de affiches voorziet van een extra propagandistisch accent.

Uiteraard spreekt de activistische beeldtaal de tweede doelgroep, jongeren en studenten, wat minder aan. Daarom wordt die nog weer apart benaderd. Van de gemeente krijgen ze allemaal een kaartje met Fokke en Sukke in de brievenbus. Helaas missen de populaire eenden nu juist weer een hun bekende, zeer markante Groninger op hun verkiezingsbiljet, zodat het positieve effect dat van de campagne zal uitgaan, al met al twijfelachtig is.


Aangenaam verpozen

En dan trof ik nog dit bankje aan op een Pieterpadweblog. Elders staat op Pieterpadwijzers enerzijds Pieterburen en anderzijds Pietersberg, met de aantallen kilometers naar deze eindbestemmingen, maar de Rembrandt van Mensingeweer negeerde deze opgelegde symmetrie.


Gepimpte brikkies

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Onherkenbaar als ze gestolen zijn. Erg herkenbaar als ze gestolen worden.


Zwartkous zanikt over cartoon

19 zwartkous,  Nico Visscher- adam en eva

Het was me even ontgaan, maar ook Nico Visscher, vaste cartoonist van De Oosterpoorter, bleek de afgelopen tijd verwikkeld in een cartoonrel.

In december maakte Nico voor het blad Binnenlands Bestuur een tekening, waarop een lieftallige, maar zeer decent uitgedoste Eva van de Christen-Unie een verboden vrucht met een vrouwenteken aanbiedt aan een eveneens heel zedig aangeklede SGP-Adam. Ondanks de lijstverbinding en in weerwil van bijbelse verhaal, weigert de SGP-er het CU-presentje aan te nemen. Hij keert zijn gezicht vol walging af, weert het stukje fruit met zijn hand af, en blijft veel liever in zijn paradijs, waar vrouwen een ondergeschikte plaats innemen.

Een zwartkous uit Genemuiden ervoer het als kwetsend dat “een verhaal uit de bijbel wordt gebruikt om iets anders duidelijk te maken”. Nou bestaat de halve kunstgeschiedenis zo’n beetje uit werken die de bijbel gebruiken om ‘iets anders’ te demonstreren. Als we deze meneer zijn zin geven kan het Rijksmuseum dus wel opdoeken. Niet ‘het’ geloof is bovendien het mikpunt in de prent, dat zijn – gezien plot en modebeeld, die nogal van Genesis afwijken – toch duidelijk de politieke partijen die dat geloof voor hun karretje proberen te spannen.

De Genemuider zwartkous vindt het onverteerbaar dat de prent de zondeval aanhaalt omdat die een eind maakte aan het paradijselijk leven: “Adembenemend als je bedenkt hoe het had kunnen zijn: geen dood, geen rouw, geen verdriet en geen zonde.” Eerlijk gezegd lijkt mij het paradijselijke leven zoals hij zich dat voorstelt een strontvervelend bestaan. Omdat er geen vreugde is zonder verdriet – het een valt gewoon niet te definiëren zonder het ander.

Bovendien, wie onder de preek in een zwartekousenkerk komt, hoort weinig anders dan hel, verdoemenis en verwijzingen naar de zondeval, die het leven tot een tranendal zou hebben gemaakt. Impliciet claimt meneer dus een alleenrecht voor zijn credo op dat soort referenties.

Natuurlijk etaleert de Genemuider fundamentalist begrip voor de moslims die zich zo gekwetst voelen over de Deense Mohammed-cartoons. Ook hij pleit voor het opleggen van beperkingen aan cartoonisten, bij het uitbeelden van zaken waarop gelovigen van allerlei slag het monopolie pretenderen te hebben. Geef je zulke fundamentalisten echter een vinger, dan eindigt die concessie met het verlies van de hele hand. En na de invoering van hun sjariah volgen dan de godsdienstoorlogen, want de ene relifanaat denkt er nu eenmaal heel anders over dan de andere en omdat ze beide God op hun hand menen te hebben, moet de ander wel te vuur en te zwaard worden bestreden..


Vauxhall in Grun’n (III)

18 vauxhall uitsnede vuurwerk

Op het moment dat Napoleon zich opmaakte voor zijn finale nederlaag in Waterloo, trof men even buiten de noordelijke veste Groningen de voorbereidingen voor een dik feest. Zoals de Groninger Courant het aankondigde:

“Op Zaturdag den 20 Mei 1815: Groot FAUXHAL, LANDVERMAAK, ILLUMINATIE, BAL, groot prachtig VUURWERK en groot HARMONIE-MUZYK, onder directie van den Heer JACQUES KINSBERGEN, in het Lokaal de Solitude, buiten de Ooster-poort.”

De man die deze Vauxhall organiseerde, Jacques Kinsbergen, kwam uit Amsterdam en was lid van een soort circusfamilie avant la lettre. Op het moment dat hij buiten de Groninger Oosterpoort opdook was het juist mei-kermis en zette de weduwe Lion Kinsbergen – zijn moeder? – op de Ossemarkt een grote tent op, waarin paardrijders, koorddansers en acrobaten voorstellingen gaven. Latere vertegenwoordigers van de familie Kinsbergen kwamen naar Groningen met Egyptische en Chinese toverkunsten. Maar de Jacques Kinsbergen die met zijn mensen in La Solitude optrad was toch vooral vuurwerkmaker. Hij fabriceerde voetzoekers en vuurpijlen, maar ook ingewikkelde composities als fonteinen en molens. Bovendien was hij ballet- en dansmeester en flageolettist. In die laatste hoedanigheden gaf hij ook les.

La Solitude stond ten zuiden van de Oliemolensteeg, op een groot perceel dat grofweg de hoogstgelegen helft uitmaakte van alle grond tussen de huidige Oliemulderstraat en de achtererven van de Warmoesstraat. Al eerder stond er op dat perceel een herenhuis dat zo heette, maar dat omstreeks 1800 was omgezet in een uitspanning met een overdekte kolfbaan (voor een primitieve vorm van golf).

In aanmerking genomen dat een volwas timmerman hooguit een gulden per dag verdiende, was de entree voor die Vauxhall op La Solitude best hoog:

“De Prys der Toegang voor ieder Persoon is 11 Stuivers. Het Fauxhal zal te 10 uren geopend worden, en het Vuurwerk zal afgestoken worden tusschen 12 en 1 uren. – NB. De genen, die het Fauxhal bywonen, zullen vry van Poortgeld zyn den geheelen nacht. De Billetten zullen het luisterryke Vuurwerk breeder te kennen geven; zullende alles tot gemak van de Aanschouwers ingerigt zyn.”

Bij de Vauxhalls buiten het Kleinpoortje, veertien jaar eerder, was de entree nog een gulden geweest. La Solitude deed het dus wat goedkoper. Maar als er met goedvinden van het stadsbestuur niet iets met de poortier van de Oosterpoort geregeld was, dan zou die Vauxhall buiten de Oosterpoort alsnog een prijzige aangelegenheid geweest zijn, want die poortier kreeg normaliter na tien uur ’s avonds 12 stuivers poortgeld van iedere passant.

Kortom, zo’n Vauxhall was niet weggelegd voor armoedzaaiers, al ging het ook weer niet echt om een uiterst sjiek evenement. Naar ieders tevredenheid verliepen de festiviteiten in La Solitude dan ook niet. De eerste de beste courant die na het evenement verscheen bevatte namelijk een bekendmaking uit naam van dè Groninger studenten, die het sarcastisch ’t graf inprezen:

“De Ondergeteekenden kunnen niet nalaten, hun uiterst genoegen te betuigen voor de heerlyke Vauxhal, Illuminatie, Landvermaak, Harmoniemuzyk, Bal en prachtig Vuurwerk onder directie van den Amsterdamschen Baletmeester JEAQUES KINSBERGEN gegeven in de sAlitude; waar van het zonderlingst was, dat het brillant Vuurwerk het schoonst effect deed, onder faveur van eene sterke motregen, by het opgaan der Zon (in plaats van middennacht), en in ’t welk de naam van den Souverein en Koning allerheerlykst wierdt geMITtamorphoseerd; benevens de vesting en de stad Leipzig, zeer gelykende op de zwarte wolken van een donderlucht, terwyl de Mr. Vuurwerker als een kikvorsch op een Pompeblad, filosoferende over den aart der Waterbeziën, het schoon effect zyner genie met een curieuse attentie naging; – daarenboven over de overheerlykste illuminatie van het gebouw, bestaande uit 13 lampions, waar van 9 brandende; – terwyl het uitmuntend bal, bestaande uit zeer veele personen van verschillenden rang, een aanvang nam onder faveur van het daglicht, en eindigde tot groot genoegen der liefhebbers, welke tevens zeer voldaan waren over het zoo brillant voorzien bufet van den kastelein, waar ALLES te verkrygen was VOOR DE CIVIELSTE PRYS.
Uit naam der Studenten van Groningen
J. DE BRUYN”

De kapitalen in de laatste zin (‘alles voor de civielste prijs’) staan voor een honende uithaal. Je hoort ze bijna schamper lachen, de opstellers van de advertentie. Welbegrepen kwam hun kritiek erop neer dat het beperkte assortiment consumpties in de mager verlichte “sAlitude” (smerigheid) knap duur geweest was, en dat het veel te laat afgestoken vuurwerk door de gestage miezerregen ’s morgens vroeg alsnog volledig de mist inging. Op hun netvlies gegrift stond het beeld van de vuurwerkmaker die hurkend zijn lonten inspecteerde, en zich bleef verwonderen, omdat alles leek te kloppen. Het bal stelde al helemaal geen bal voor.

In de ‘recensie’ vallen ook nog wat politieke zaken op. Het vuurwerk moest de naam van ’s lands kersverse vorst Willem I tonen, maar diens naam of stel initialen lichtte ondersteboven op. En de vesting Leipzig kwam evenmin uit de verf. Bij Leipzig leed Napoleon anderhalf jaar eerder zijn op één na laatste grote nederlaag, in de ‘Volkerenslag’ tegen de Pruisen, Russen, Oostenrijkers en wat niet al. Waarschijnlijk moest het vuurwerk het beleg van Leipzig verbeelden, waarmee het dan in een traditie stond van grote barokvuurwerken. Die brachten, ingeleid door paukengeroffel en trompetgeschal, vaak een evocatie van beslissende belegeringen.

Krakender dan de aangehaalde recensie kon een bespreking haast niet zijn. Maar het vreemde is, dat de naam van degene die de haar ondertekende, J. de Bruyn, noch in het Album Studiosorum, noch in de academie-almanakken van 1815 en 1816 te vinden is.
Maar misschien stond daar ook niet elke student in. In elk geval rijst de vraag in hoeverre deze De Bruyn en consorten werkelijk voor de studenten in het algemeen mochten spreken. Andere ‘academieburgers’ kwamen namelijk voor Van Kinsbergen op:

“De Ondergeteekenden met verwondering gelezen hebbende de, op hunnen naam gestelde, advertentie van den 23 Mei 1815, aangaande de VAUXHALL en het VUURWERK, onder directie van den Heer JACQUES KINSBERGEN, verklaren dat die advertentie niet van hun is, doordien zy de talenten van voormelden Heer, als ook die van den Vuurwerkmaker, beter weten te waarderen; het geen zy niet alleen betoonen door het dagelyks frequenteren van het Spectakel; maar ook, daar zy den Heer Jacques Kinsbergen eenparig verzogt hebben om een TWEEDE VUURWERK af te steeken, ’t welk hy ons ook beloofd heeft, in afwachting dat het weer hem gunstiger mag zyn.
Groningen den 26 Mei 1815
Uit naam der Studenten van Groningen:
H. VAN BEEK.”

Ook deze Van Beek komt weer niet voor in het Album Studiosorm en de academische almanakken. Het dagelijkse bezoek van hem en zijn kameraden zal wel slaan op de voorbereidingen van het mislukte spektakel. Van een tweede vuurwerk door Van Kinsbergen op de tuin van La Solitude is geen sprake. Vauxhalls werden daar helemaal niet meer georganiseerd. Al is er in 1817, alweer tijdens de mei-kermis, nog wel een “Buitengewoon groot brillant vuurwerk” door Hendrik Edens, de poortier van de Boteringepoort.

Het verschijnsel van de Vauxhalls verplaatste zich naar de Stadtlander, een wijnhuis met een grote tuin tussen de Hereweg en de Brandenburgersteeg, waar het tussen 1816 en 1819 iedere zomer furore maakte. Bij zo’n Vauxhall hier, bleef de Herepoort de hele nacht open. Na 1819 adverteert ook de uitbater van De Stadtlander er niet meer mee, al organiseert hij nog wel oplatingen van luchtballons, optredens van ventriloquisten of buiksprekers, danspartijen, een enkel concert van Italiaaanse zangers met gitaren, en niet te vergeten vuurwerken met medewerking van dezelfde Jacques Kinsbergen die ook al bij La Solitude doende was geweest. Het Vauxhall-feest lijkt zo uiteen te vallen in de losse onderdelen. Wellicht deed het samenstel ook een wat al te zwaar beroep op organisatie-vermogens.


Louis Moreau Gottschalk

gottschalk

Hij stierf heel toepasselijk na het spelen van zijn stuk ‘Morte!!!’, keek ook voordien al niet bijster vrolijk uit zijn ogen en droeg tot overmaat van ramp een heel gedeprimeeerde druipsnor.

Maar je kan zeggen wat je wil, Louis Moreau Gottschalk componeerde wel vrolijke deuntjes. Zoals Le Bananier.

De bananenboom was gebaseerd op zijn jeugdherinneringen aan Louisiana, en vooraanstaande critici beschouwden het moppie als machtig exotisch. Indertijd gaf het ook bliksems veel sensatie in Europa.


Vauxhall in Grun’n (II)

17  vauxhall 2

Na 1730 trok de grote recreatietuin in Vauxhall, een dorp ten zuiden van de Theems bij Londen, drommen volk. Het was “a place were everybody went to see and be seen“. De tuin in Vauxhall had een geometrisch grondplan, met boombeschaduwde promenades en strategisch geplaatste poorten, fonteinen en obelisken. Ook waren er paviljoens, opgetrokken in een mengeling van stijlen. Van binnen smukten de belangrijkste Engelse schilders van die tijd, zoals Hogarth en Gainsborough, deze paviljoens op. Bovendien gaven componisten en musici als Händl en Paganini er concerten.

Vaak vonden concerten er ’s nachts plaats. Na zo’n ‘nachtmuziek’ was er bal en intussen flaneerden de bezoekers door de feestelijk geïllumineerde opstallen en tuin. Wandelend op de lanen kon het publiek zich dan vergapen aan acrobaten, goochelaars en vogelimitators. Bij buffetten laafde het zich aan fancy drankjes en hapjes. Magnifieke vuurwerken sloten zulke nachtelijke feesten af.

Genoeg te beleven, daar in Vauxhall. Hoewel moralisten de obers ter plaatse gispten om hun hoge prijzen en kleine porties, en ook aanstoot namen aan de lichtekooien die zich er onder de nachtegalen mengden, vond “Londons most famous pleasure ground” navolging in heel Europa. Parijs, Kopenhagen en Spa kenden weldra hun eigen, permanente Vauxhall-tuinen. Na 1795, toen dansen in het openbaar in Nederland niet langer taboe was, bereikte het verschijnsel ook onze contreien. Zo kwam er in 1797 een Vauxhall in Rotterdam, terwijl een kolossaal opgezette Vauxhall buiten de Amsterdamse Muiderpoort in 1802 bij gebrek aan geld geen doorgang vond.

Ook in Groningen deed men aan de mode mee. Al lijkt het woord Vauxhall hier louter te slaan op de nachtelijke feesten, waarvoor grote tuinen bij wijnhuizen tijdelijk werden ingericht.

Zo’n tuin met een wijnhuis lag er onmiddellijk buiten Kleinpoortje, op de plek van de latere Oosterhaven. In de Groninger Courant van 9 mei 1800 verscheen er een bekendmaking die het eerste echte Vauxhall-feest hier aankondigde:

“ADVERTISSEMENT. Op ZATURDAG den 10. en DINGSDAG den 13 May, zal er, ten huize van B.E. van der DONK, FAUX HALL gegeeven worden, des avonds ten halftien uuren, – het geheele Hof en Huizingen zal geïllumineerd zyn, en een wel ingerigt Orchest zal adsisteren zo voor de wandeling als voor den Dans. De Koude Keuken, alle zoorten van Wynen, warmen Dranken, Orsiaden, Limonaden, Punsch &c., zal na een gereguleerde Lyst te bekomen zyn.- De entré voor een Heer 1 gld. Voor een Heer met een Dame, meede 1 guld. Voor Dames 10 stuiver. De Kleine Poort zal de geheele nagt open blyven.”

Dat de dichtstbijzijnde poort de gehele nacht openbleef, leverde de kastelein potentieel een veel groter publiek op. Gewoonlijk ging de poortdeur namelijk om tien uur ’s avonds op slot, tot vier uur ’s morgens. Voor het openblijven zal de kastelein de poortier schadeloos hebben gesteld, want die ontving normaliter een flink poortgeld voor het ’s nachts ‘ontsluiten’ van de poort.

Op 16 mei 1800 bevatte de krant dezelfde advertentie met nieuwe data. Kastelein Van der Donck ging dus door met het organiseren van zijn nachtelijke feesten. Maar het zat hem niet mee. Op 9 juni gaf hij het stadsbestuur te kennen dat hij zijn Vauxhall door het slechte weer een paar maal had moeten staken. Daardoor kwam hij niet uit zijn kosten. Hij vroeg vergunning om die nacht en gedurende de zomer nog een keer ’s nachts te mogen tappen. Dat vond het stadsbestuur iets te veel gevraagd en het gaf alleen toestemming voor die ene nacht.

Toch boezemden de ervaringen die hij in 1800 opdeed, Van der Donck genoeg vertrouwen in, want in mei 1801 vroeg hij andermaal belet in het raadhuis met het verzoek om een paar keer ’s nachts een Vauxhall te mogen houden. Het stadsbestuur gaf hem permissie voor een serie van acht, maar uitsluitend gedurende de mei-kermis en op voorwaarde dat hij geen vuurwerk zou laten afsteken. En dus adverteerde hij weer in de Groninger Courant, met nagenoeg dezelfde tekst als ’t voorgaande jaar.

Dit keer ging er iets mis met de organisatie, die uiteraard veel werk met zich meebracht. De eerste juni, toen de mei-kermis voorbij was, meldde de kastelein het stadsbestuur dat hij wegens de “kortheid des tijds” slechts vier van de geplande acht Vauxhalls had kunnen houden. Hij wilde dat nog een paar keer doen, maar de heren hielden voet bij stuk. Van der Donck, die de muzikanten al gecontracteerd had, was echter niet voor één gat te vangen en plaatste nu een bekendmaking zonder de term Vauxhall:

“ADVERTISSEMENT. Op aanstaande Donderdag den 11 Juny, is de Castelein B.E. van der DONCK voornemens een NAGTCONCERT te geven, zullende ten eersten een Harmonie, vervolgens een Viool Concert van Mrs. Piassello en een Bravour Aria La Conquista de Messico Mrs. Barthelemon en verder wat ter genoegen van het Gezelschap zal kunnen worden aangebragt, geëxecuteert worden. De Tuin zal geïllumineert zyn, en in alles een prompte en civiele bediening, de Entré voor een Heer 1 Gld. insgelyks met een Dame.”

Anders dan het vorige jaar hoopte Van der Donck dus niet meer op dames alleen. Waarschijnlijk kwamen er het vorige jaar niet veel, ondanks de gereduceerde toegangsprijs en een miniscuul feministisch golfje. Maar ook de rest van de klandizie kon hij nu uit zijn hoofd zetten, want het stadsbestuur ervoer zijn aankondiging als een klap in het gezicht en verbood meteen de hele onderneming.

Buiten het Kleinpoortje is voortaan geen sprake meer van Vauxhalls. Wel buiten de Oosterpoort en de Herepoort, waarover morgen meer.


Vauxhall in Grun’n (I)

16 Vauxhall 1

Boyce – The pleasures of Vauxhall Gardens

“Flora, goddess sweetly blooming,
Ever airy, ever gay:
All her wonted charms resuming,
To Spring Gardens calls aways.
With this blissful spot delighted,
Here the Queen of May retreats,
Belles and beaux are all invited
To partake of varied sweets.

See a grand pavillion yonder
Rising near embowering shades;
There a temple strikes with wonder,
In full view of colonnades.
Art and Nature kindly lavish,
Here their mingled beauties yield,
Equal here, the pleasures ravish,
Of the court and of the field.

Hark! what heavenly notes descending
Break up on the listening ear:
Music all its graces lending,
O ’t is ecstasy to hear.
Nightingales the concert joining
Breathe their plaints in melting strains,
Vanquished now, their groves resigning,
Soon they fly to distant plains”

Vanavond speelde het Gabrieli Consort in het Cultuurcentrum. Op het programma stonden ironische tophits uit de tijd dat de Vauxhall Gardens nog “the place to be” waren. Er zat zelfs een heuse meezinger bij, en een duet met een koekoek. Sopraan Mhairi Lawson en tenor Mark LeBrocq mochten zich uitleven in mini-scetches. Er kon worden gelachen. Ik heb redelijk zitten genieten, bovenin die bij lange na niet uitverkochte grote zaal.

Ik hou wel van de authentieke muziekpraktijk, al strekt die liefde zich doorgaans uit tot muziek uit de Middeleeuwen, Renaissance en Vroeg-Barok. En niet tot de tot de muziek van de Hoog-Barok, laat staan die van de Rococo met haar herders en herderinnetjes. Terwijl ik voor die gruwelijk veronachtzaamde tijd op zich wel veel belangstelling heb.

Juist dankzij die historische interesse had ik een speciale reden om naar dat concert te gaan, een reden waarvan de musici zich ongetwijfeld geheel en al onbewust waren. In een straal namelijk, van een paar honderd meter rond de plek waar ze optraden, bevonden zich in de eerste decennia van de negentiende eeuw maar liefst drie wijnhuistuinen, waarin Vauxhalls plaatsvonden. Over die nachtelijke promenadeconcerten met hun Gesamtkunstwerk-achtige entourages morgen wat meer. Ik verklap alvast dat ik de Vauxhall een mirakels goed concept vind. Hoewel er in de uitvoering nogal eens wat aan mankeerde.

Stemming: helemaal opgemonterd


Wierde of terp

wierdenkam 650

Vorige week vrijdag schreef de Friese naamkundige Karel Gildemacher een leutig stukje Fries proza in de Leeuwarder Courant. Dit naar aanleiding van de wierden-tentoonstelling in het Groninger Museum.

Gildemacher heeft nogal een lange aanloop met tal van sneren naar Groningen nodig, om op zijn punt te komen. Zo klaagt hij er eerst langwijlig over dat Friesland er op die tentoonstelling bekaaid afkomt. Volgens Gildemacher was het net of ze daar in Groningen dachten: “Lit dy Fryske lulmeiers dy’t sa nedich ek in nij museumgebou ha wolle, sels mar ris wat sjen litte. Gnizend bieten se yn har Gröniger kouke, snúfden wat oer dat útstallinkje yn it Fries Museum.

Helaas voor Gildemacher is deze voorstelling van zaken ver bezijden de waarheid. Want noch de tentoonstelling, noch het tentoonstellingsboek verzwijgt Friesland. Dat kan ook moeilijk, want er was feitelijk één langgerekt wierdengebied van West-Friesland tot Sleeswijk-Holstein. Wel had het huidige Friesland beter vertegenwoordigd kunnen zijn op de Groningse wierden-tentoonstelling, maar helaas weigerde het Fries Museum enkele topstukken uit te lenen.

Gelukkig is die nogal lange opmaat van Gildemacher ook zijn enige valse noot. Zijn zinrijke punt is, dat het Groninger woord wierde veel beter voldoet dan het Friese terp. Wierde mag dan een heruitvinding van de Groningers zijn om de Friezen een hak te zetten, maar het is volgens Gildemacher wel vreemd, “dat wy de bult dêr’t Holwert op boud is in terp neame.

Het grondwoord van namen als Holwerd en Ferwerd is immers ‘werd’ of ‘wierde’, wat in het Oud-Fries nog werth was. Als zelfstandige term mag dat ‘werd’ dan in ’t Friesland van rond 1500 uitgestorven zijn, aldus nog steeds Gildemacher, in allerlei Friese plaatsnamen bleef het bewaard.

De naam terp daarentegen komt nooit in plaatsnamen op de Friese klei voor (wel op het zand, bijvoorbeeld in Ureterp). Op de Friese klei noemde men hoger gelegen stukken bouwland aanvankelijk terp, en later beklijfde die naam er abusievelijk voor een nederzetting op een kunstmatig opgeworpen woonhoogte in het kustgebied. En bijna overal in Nederland nam men die vergissing klakkeloos over, “mar net yn Grinslân“!

Op den duur tenminste niet. In de negentiende eeuw hadden ook de Groningers het nog steeds over terpen als ze die bulten bedoelden. Pas vanaf 1907 wordt het woord wierde hier opnieuw gangbaar dankzij de geschriften van archeoloog Van Giffen, die met dat woord wierde ook de Leienaar Holwerda, zijn van origine Friese aartsvijand, wilde treffen. Klaas ter Laan nam dat woord wierde over in zijn Groninger woordenboek, en zodoende vond die term langzamerhand ingang als aanduiding voor Groninger terpen.

De conclusie van Gildemacher: “Ik priizgje de Grinzers dat se wierde der yn krigen hiene. Ik beloofde, ik soe it wurd ek as Frysk ynfiere.

Helaas verbindt Gildemacher aan dit alleszins gerechtvaardigde streven ook een tamelijk onacceptabele voorwaarde. Als het Noorden straks één landsdeel wordt, moet dat Friesland gaan heten. Al mag Groningen – vooruit dan maar – van dat landsdeel de hoofdstad zijn.


Hare opgeleukte Fleurigheid

Fleur Woudstra leukt d’r eigen biografie op de Wikipedia op, althans volgens Geen Stijl.

Gevonden via Gronical


Kervelsoepje

Om een kervelsopje te maken

Verleest vast en kapt de kervel heel kleyn. Koocktse dan in soetemelck totdatse gaer is. Doet er dan 2 of 3 eyeren in en een goet stuck boter, maer met de eyeren en boter moet het niet koken. Snijt dan wittebroodt in een schotel en giet het daer t’samen op.”

Recept uit De verstandige kock of sorghvuldige huyshoudster (1669), een kookboek uit de Gouden Eeuw, waarvan binnenkort een heruitgave verschijnt.


Guusje overleden

guusje

Guusje is gister overleden. Het zat er aan te komen, maar toch waren we er vanochtend allemaal stil van.

Ze was altijd opgewekt. Niet stuk te krijgen zo monter. Een echte levensgenietster, die misschien wel wat te weinig om haar gezondheid gaf.

Als redactiesecretaris van de UK verhief ze het afschepen van ongewenste telefoneerders tot een ware kunst. Ze liet zo iemand eerst lullen, praatte vilein een eind mee, wist de conversatie uiteindelijk om te buigen, waarna de ongewenste telefoneerder dankbaar voor het luisterende oor en zonder enige onlustgevoelens weer ophing.

Menigmaal stonden we in de zijdeur van het UK-pand sigaretjes te paffen, onderwijl commentaar gevend op The Ministry of Silly Walks die het Harmonieplein overstak.

Een jaar na mij ging ze geschiedenis studeren. Vagelijk herinner ik me haar van het instituut aan de Heresingel. Maar geschiedenis verruilde ze weldra voor culturele antropologie, waarin ze ook afstudeerde, als een van de laatsten in Groningen. Later zat ze in het bestuur van het Volkenkundig Museum, maar betaald werk in haar vak heeft ze nooit gevonden. Bij de UK kwam ze rond 1990 terecht.

In de zomer van 1999 vertrok ze er, omdat ze aan iets anders toe was en vond dat ze meer in haar mars had. Sindsdien hield ze zich bezig met de werving van Duitse studenten voor de RUG, waar ze op het terras van café De Klapper ook heel smakelijk over kon vertellen. Op die plek was het, dat ik haar voor het laatst zag, op een zonnige maandagmiddag aan het eind van de zomer. Ze dronk er een glas rode wijn voor haar bus vertrok. De wijn lichtte op in de zon, die nog net over de oude huizen heenpiepte.