Stadstypes door Akbar1947

Geplaatst op 30 september 2007

Iemand die graag stadstypes fotografeert, is Akbar1947. Op Flickr heeft hij verschillende portretten staan, ook van mensen in Groningen. Zoals de bedelende vrouw voor de zij-ingang van de Pathé-bioscoop aan de Ubbo Emmiusstraat, de dakloze die altijd voor ’t Grand-Theatre zit, de mondharmonicaspeler  en een bekende antiekhandelaar van de Grote Markt.

Deze foto’s doen me denken aan die van Diane Arbus. Om ze te kunnen maken moet je aan de ene kant niet behept zijn met schroom. Aan de andere kant helpt ‘t, als je enige sympathie hebt voor de geportretteerden.

Hoe je er zelf uitziet, maakt waarschijnlijk ook verschil. Van iemand in driedelig kostuum pikken ze het vast niet. Maar Akbars verschijning is ook enigszins doorleefd, dus van hem wordt het wel geaccepteerd.


Gruwelijk hoge parkeertarieven, daar in Groningen

“Als een stel Amerikanen en Canadezen discussieert over de vraag, waarom de Amerikaanse binnensteden niet autovrij kunnen zijn, komt er één op de proppen met het voorbeeld Groningen:

“The car-free center of Groningen in the Netherlands is probably the best example of the benefits of restricting car traffic. By all accounts, Groningen is a more prosperous and far more humane place than it would have been with the usual free rein granted to motor vehicles.”

Max van de Berg en Jacques Wallage mogen trots zijn op hun Verkeerscirculatieplan. Een andere discussiant echter, meneer !Jones, vraagt nummer één of hij er ooit geweest is, daar in Groningen. Deze !Jones wel. Hij doceerde in 1999 een half jaar aan de RUG en had er de tijd van zijn leven. Financieel hield het niet over, maar de stad vond hij prachtig:

“Back then, you were allowed to drive; however, parking cost about $1.50 a minute at the meters and the tow trucks were there within 90 seconds if it expired. A car was considered a luxury beyond the means of most citizens… seems like on-campus parking was $700 a month or so. Whatever it was, we didn’t consider it.”

Dat laatste – het niet eens hebben overwogen – zal hem parten spelen. Volgens de parkeertarieven 2007 van de gemeente Groningen betaalt iemand die metterwoon in de binnenstad gevestigd is, immers maar 1,70 euro per uur voor het parkeren van zijn auto op straat in de binnenstad. Meneer !Jones beweert dus dat dat in 1999 al 90 dollar per uur was. Zelfs als we de euro van nu en de dollar van toen gelijkstellen is dat al meer dan vijftig maal zoveel. Wat u zegt, overdrijven is ook een kunst.

Zou die meneer wel eens in Groningen geweest zijn?


Vossenplaag in Stad

Geplaatst op 29 september 2007

Die beesten worden steeds brutaler. Nu dringen ze al door tot in hartje stad. Ik zeg je: het is een kwaad, het is een bezoeking, het is de Vossenplaag


Vals licht over de Stad

Wat deze week ook zo begon op te vallen is die laaghangende zon.

– Het Stadhuis, ’s ochtends om even voor negen uur:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

– Het Zuiderdiep, ’s middags na vijven:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

– De Oosterhaven, ietsje later nog:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

– Mercurius op de Korenbeurs, ’s avonds even na zessen :

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA


De dood van een journalist

Onder het tussenkopje Winschoten stond er een dik rouwkader. Met daarin de mededeling dat kort voor het ter perse gaan van dit nummer, het vierde van 1894, de redactie van de Winschoter Courant het treurige bericht bereikte dat haar mede-redacteur W.J.N. Landré, tevens notaris alhier, na een zeer korte ziekte overleden was.

Ik had vanochtend even een uurtje over, was toch al op het archief, en vroeg dus de legger van dat jaar aan. De berichten over Landré troffen het meest in de tien nummers die ik door kon nemen. Niet zozeer omdat de man het notarisambt combineerde met de journalistiek, want dat deden wel meer notabelen in die tijd. Maar door zijn loopbaan, die tamelijk exemplarisch was, terwijl ik werkelijk nog nooit van de man had gehoord.

In het volgende nummer stond een in memoriam. Landré werd geroemd om zijn grote kennis, zijn vlugge begrip, zijn ronde karakter en zijn heldere oordeel. Landré aarzelde niet om te zeggen wat hij voor recht en waar hield. Door dat oordeel van hem had hij tal van vijanden gemaakt, zo lezen we. En soms waren die vijanden ook wel machtig.

Hij was geboren in 1841 te Haaften als zoon van een predikant en had eerst zelf ook theologie gestudeerd. Naderhand koos hij voor een juridische loopbaan. Hij werkte eerst mee aan de Middelburgsche, en later aan de Rotterdamsche Courant. Bij die krant was hij tegen de opname van artikelen door prins Alexander geweest. Die zou eerst erg boos op Landré zijn geweest, maar hem naderhand gelijk hebben gegeven, en zou er de hand in hebben gehad dat Landré de notarisstandplaats in Vlijmen kreeg.

Daar in Vlijmen bleef Landré schrijven, onder andere over land- en tuinbouw, en voor De Economist. In 1890 verhuisde hij naar Winschoten, van waaruit hij in de redactie zat van het Tijdschrift voor Notarissen. Bovendien schreef hij voor de Winschoter Courant, en verzorgde hij recensies voor Het Leeskabinet. Het was een man van onvermoeide ijver, die woekerde met zijn gaven.

Tot zover het in memoriam. Het begrafenisverslag, elders in dit nummer, maakte nog melding van zijn lidmaatschap van de Winschoter Tentoonstellingscommissie. De man liet negen onvolwassen kinderen na, die geen van allen al zelf de kost verdienden.

Pas in het zesde nummer stond de overlijdensadvertentie van de weduwe MC Landré-Krah en de weduwe Gori-Landré. Dit familiebericht werd nota bene opgegeven in Leiden.


'Groningen het brandpunt van Friesland'

Vanmiddag de cabareteske Liuwe Westra – dominee, classicus en vertaler van ‘In de Ban van de Ring’ in het Fries – even mogen meemaken bij een bijeenkomst van de UB. Volgens hem is Groningen de grootste Friese stad. “Want op vrijdag en zaterdag hoor ik hier meer Fries dan Gronings spreken. Laatst moest mijn vrouw een nieuwe jurk aanschaffen en ze werd hier in het Fries geholpen. Dezelfde zaak heeft in Leeuwarden ook een filiaal, maar daar staan ze je in het Nederlandse te woord.”

Ook heeft Groningen de grootste Friese studentenvereneiging (Bernlef, waarvan Westra zelf voorzitter was): “En omdat hier zo veel Friezen studeren en denken komen hier de meeste ideeë vandaan.” Zo zouden de afsluiting van de Lauwerszee en de Afsluitdijk in Groningen door Friezen zijn bedacht. “Groningen is het brandpunt van Friesland. Wie Friesland een zware slag wil toebrengen, moet Groningen bombarderen.”

In zijn dankwoordje aan Westra zei UB-bibliothecaris Alex Klugkist dat hij zich altijd al had afgevraagd wat voor taal dat toch was, als hij op zaterdag met zijn vrouw in de stad aan het winkelen was…


VERA in de jaren zestig

Nieuwe leden werden bekogeld met rot fruit en dan ging de brandspuit erop. Toch kenmerkte de Groningse studentenvereniging VERA zich door zorgzaamheid, aldus de lichting 1962. Hun jaarclub Tricor komt na al die tijd nog steeds bij elkaar.

De eerste avond kwam kapper Piëst de jongens kaalscheren. Die ene met lang haar werd alleen aan de ene kant kaalgeknipt, en kreeg aan de andere kant vlechtjes die hij niet mocht verwijderen. De meisjes hielden hun haar, maar moesten knullige groene kapjes in elkaar knutselen die ze de hele groentijd ophielden.

Elke ochtend was er gezamenlijk appel. Dan moesten ze hun namen en nummers noemen, in alfabetische volgorde graag. Tenzij het een Russisch appel was, want in dat geval moesten ze hun namen van achter naar voren opzeggen. Soms viel iemand flauw in de ruimte, waar ze met zijn allen precies inpasten.

In de grote zaal en op de kamers moesten ze handtekeningen van ouderejaars in hun groenboekjes verzamelen. Moeilijke vragen kregen ze voorgelegd: “Zeg feutmans, waarom mag ik geen ruitje uit je das knippen?” “Zeg feutmans, wat vind je van de uitverkiezing?” “En waarom zou je nou niet blaffen, feutmans?”

Bij de meisjes ging het er wat subtieler aan toe, daar was het vooral zaak om een theekopje goed vast te houden. Deed je dat, dan pakten ze je op je dubbele achternaam.

De meisjes hoefden ook niet mee te donderen, op de laatste avond van de groentijd. Van de groenteveiling kwam er dan een vrachtwagen vol met rot fruit, en de jongens moesten een uitgestippeld parcours door de sociëteit heentijgeren, terwijl ouderejaars ze met dat fruit bekogelden. Na afloop ging de brandspuit erop. Zodoende gingen de feuten nat naar huis, en waren ze de volgende dag allemaal wat snottererig.

Toch ging de ontgroening op VERA, want over die voormalige studentenvereniging aan de Oosterstraat gaat het hier, ook weer niet al te fanatiek aan toe. Romaniste Myra Kuijper Boone, nu Dijksma, kan zich niet herinneren dat ze sancties kreeg, toen ze nog moest nagroenen, maar in plaats daarvan lekker ging winkelen.  En de ouderejaars die Vindicaters mee lieten doen met het koeioneren op hun kamer, kregen volgens socioloog Jan Buiter “dik op hun lazer”.  Volgens farmaceut Martien van de Poll namen acht jaargenoten tijdens het rotte ooftbombardement zelfs straffeloos een notoire sadist te grazen: “Want tijdens zo’n spervuur kon je je heel goed verdedigen”.

Mede daarom kijken de leden van jaarclub Tricor positief terug op hun groentijd van eind september 1962. “Het heeft de solidariteit bevorderd”, zegt Van de Poll. “Het versterkte de saamhorigheid”, beamen Myra Dijksma en sociaal-geograaf Victor Timmer. “Ik heb het niet als vervelend ervaren”, aldus Dijksma. Timmer: “Je leerde heel veel mensen kennen op verschillende niveaus, dat was het leuke”.

Afgelopen zaterdag waren ze dan ook van de partij, bij de reünie ter gelegenheid van Tricors’ negende lustrum, die onder meer een rondleiding door de UB, een rondvaart door de diepenring en een bezoek aan een stadshuis van een jaargenoot aan de Zoutstraat omvatte. In totaal deden daar 34, nu merendeels gepensioneerde jaargenoten aan mee, van de ongeveer 110, 120 die de lichting 1962 bij VERA vormden.

Maar heel weinig jaarclubs komen na zo’n lange tijd nog steeds samen. “Wij waren altijd al een heel hecht jaar”, zeggen Dijksma en Timmer over het onderscheid met andere jaarclubs. Buiter wijst erop dat het ook een “heel actief jaar” was: “Wij leverden het VERA-bestuur twee voorzitters”. Daarnaast is het zo dat verschillende bestuurders uit dit jaar iets progressiefs aankleeft. Zo was Dijksma, toen Kuijper Boone, de eerste vrouwelijke voorzitter ooit van een jaarclub op VERA en behoorden jaargenoten tot commissies die het kaalscheren van eerstejaars en het jasje-dasje in de sociëteit wilden afschaffen. “Ik denk dat wij een jaar in de golf van de liberalisering waren”, zegt Van de Poll dan ook, een van beide VERA-voorzitters uit de lichting ’62. In zijn bestuursjaar 1965/1966, toen VERA ongeveer duizend leden telde, heeft hij van zichzelf wel eens stevig op de rem moeten trappen.

In zijn eerste studiejaar was Van de Poll “heel bewust” nog geen lid van een studentenvereniging geweest. Hij besloot te kijken waar hij zich het meest thuisvoelde, bij Vindicat, Unitas of VERA. “Bij Vindicat”, vertelt hij, “heerste veel meer het recht van de sterkste en dat sprak me minder aan. Unitas was meer voor de onderkant van de studentensamenleving, en bij VERA viel me de onderlinge solidariteit en zorgzaamheid op. Daarom maakte ik, heel rationeel, de keuze voor VERA.”

Hij was lang niet het enige VERA-lid uit een vrijzinnig hervormd nest. Hoewel VERA een gereformeerde grondslag had, leefde die ook niet zo erg meer bij de vele leden met een gereformeerde achtergrond, vaak afkomstig van het Groningse en Friese platteland. Weliswaar tekenden Veranen die grondslag, maar ze kenden deze voornamelijk een symbolische betekenis toe. En baden ze aanvankelijk nog wel voor vergaderingen en voor een gezamenlijke maaltijd in de eigen mensa, ook dat sleet af. “Dat gereformeerde karakter merkte je niet zo”, zegt Timmer, iets wat Dijksma beaamt: “Ik kan me nooit herinneren dat dat nou zo’n stempel op de vereniging drukte.” “Nee, fanatiek godsdienstig was VERA beslist niet”, aldus ook Buiter. “We zaten niet  continu kerkje te spelen, geloof was meer een persoonlijke zaak.”

In bijna elke studentenstad bestond er een studentenvereniging die zich Societas Studiosorum Reformatorum noemde. “En als SSR hadden wij in landelijk verband nogal de naam dat wij liberaal en het meest links waren”, memoreert Buiter. In eigen huis bleek de oriëntatie misschien nog niet eens zozeer uit de kelderbar, die op zeker moment grotendeels rood geverfd werd, als wel uit het heersende vormingsideaal, dat leidde tot serieuze “studiecursussen” over maatschappelijke thema’s. Volgens Van de Poll kwamen er soms wel 600 mensen op zo’n avond af. De oud-preses herinnert zich, dat Gerard Reve eens kwam spreken. “Hij had net een van zijn eerste shockerende romans geschreven. In onze bestuurskamer pakte onze assessor secundus een fles drank, en Reve zei: “Wat is het toch een lekker jochie hè?!”

Kleding had (en heeft) een hoge symboolwaarde. “Jasjedasje was geen punt”, zegt Timmer, “dat hoorde bij heren in de dop”. Buiter: “Je moest pertinent jasjedasje aan hebben, anders kwam je de sociëteit niet in.” De socioloog denkt dat dit voorschrift in 1966 of 1967 afgeschaft is. Preses Van de Poll verzette zich daar nog tegen: “Ik kwam ’s zomers ook wel zonder colbert in de sociëteit, maar wilde strikt de hand houden aan jasjedasje om de anarchisten herkenbaar te maken. En ben daarom als reactionair in de Vrij Nederland neergezet.”

Belangrijk binnen VERA waren de disputen, die leden uit verschillende jaren trokken, en soms eigen panden hadden. Anders dan Vindicat indertijd, was VERA ook een gemengde vereniging: een kwart à eenderde van de leden was vrouw.  Zij hadden hun eigen disputen, en een eigen ruimte boven, de Kemenade. De jongens mochten daar alleen tussen zes en acht komen. Maar omdat de dames meer in de algemene sociëteitszaal zaten, en verder in alle commissies meedraaiden, kwam er ook een eind aan die aparte afdeling, in 1967.

Of er toen nog een ander gebruik in stand bleef? “Als meisjes na twaalven de sociëteit verlieten”, vertelt Timmer, was het de gewoonte om die thuis te brengen. Die kon je zo laat niet alleen over straat laten gaan.” Volgens Van de Poll wees het sociëteitsbestuur de begeleiders aan: “Ik vind dat een voorbeeld van de onderlinge solidariteit en het besef op VERA, dat je taak hebt om elkaar voor vervelende dingen te behoeden.”

Naschrift 3 mei 2015:

Aangezien de UK zijn archief nooit weer terug online heeft geplaatst, heb ik het indertijd gelinkte stuk hier maar geplaatst.

 


Het Noordelijk Archeologisch Depot in Nuis

Geplaatst op 27 september 2007 nad nuis

De vondsten bij archeologische opgravingen hoopten zich almaar op in de provinciale musea van Groningen, Friesland en Drenthe. ,,Rond 1990 begonnen die daar de balen van te krijgen”, zegt Ernst Taayke. ,,Ze wilden er wel vanaf.” Daarom kwam er een gezamenlijk depot in het dorpje Nuis, dat geopend werd door staatssecretaris Nuis. Het Nederlands Dagblad had er van de week een groot artikel over.

Dat stuk noemt ook de website van het NAD. Die kende ik nog helemaal niet. De site is duidelijk in opbouw, en volgens mij is het zoeksysteem ook niet erg geacheveerd, maar ik vond – wonder boven wonder – met een paar muisklikken wèl een foto van de prachtige tinnen lavabo uit de weeme van Leens, waarover ik het van de week al even had.

(Met dank aan René F.)


Een lavabo van het Hogeland

b35d797fc4

Bij de statistiekpagina’s van mijn weblog zit er ook een die de urls opsomt van sites waar bezoekers vandaan komen. Op zo’n site staat dan een link naar Gelkinghe. De meeste adresjes zijn me natuurlijk wel bekend, maar eind augustus zat er iets bijzonders bij: een inmiddels verdwenen pagina van ene Martin uit Delfzijl op de veilingsite Kapaza, met een bodemvondst die volgens hem in 1969 opgegraven was op het Hogeland.

Toen Martin zijn advertentie medio juni plaatste wist hij niet om wat voor voorwerp het precies ging, maar hij vermoedde al dat het een waskom betrof. Volgens hem bestond het voorwerp uit twee aan elkaar gesoldeerde helften. Aan de zijkanten zaten twee handvatten die vormgegeven waren als hoofdjes (man en vrouw). Van tuit tot tuit was de kom 25,5 centimeter breed. Hij was 14 centimeter hoog en woog 2,6 kilogram.

Bij de plaatsing van zijn advertentie vroeg Martin al om informatie over “het ding”. Kennelijk vertelde iemand hem van de zomer dat het om een lavabo ging. Zo kwam hij ook bij mijn weblog terecht, want daarop staat sinds begin maart een pagina over de lavabo van Alkmaar, waar hij naar doorlinkte om belangstellenden informatie te verschaffen.

In de drie maanden dat Martins’ advertentie op het web stond zal deze zo’n 120 maal bekeken zijn. Martin wilde een “redelijk bod”, en verwijderde onzinbiedingen, zei hij. Eind augustus stond er maar één enkel bod genoteerd, van ene Jan die begin juli 25 euro voor de lavabo bood. Blijkbaar beschouwde Martin dat niet als een onzinbieding.

Ik wist niet anders dan dat lavabo’s behoorlijk zeldzaam zijn, en het leek me een bijzonder aardig stuk. Ik dacht er nog even over om zelf te gaan bieden, maar vroeg me af of het Gronings Museum wel een lavabo had. Daarom verwittigde ik een mij bekende conservator.

Hij vertelde dat het museum wel een een stuk of vier, vijf bronzen lavabo’s in de collectie had, meestal met mensenkopjes terzijde. Vaak zijn de kopjes en tuiten hiervan erg versleten en komen de lavabo’s uit de antiekhandel, of zijn het erfstukken uit inboedels. De bronzen lavabo’s, ook in andere musea ruimschoots voorhanden, waren volgens hem nog in de zestiende en zeventiende eeuw gangbaar in huishoudens als keukengerei. Naast de bronzen exemplaren beschikt het Groninger Museum over een zeldzaam, heel gaaf exemplaar uit de weem van Leens. Dat exemplaar is van tin gemaakt en heeft een duidelijk afwijkende versiering.

Helaas leek de lavabo die Martin aanbood van brons, en niet van tin. Hoewel het museum al meerdere exemplaren van het aangeboden type had, vroeg de conservator Martin toch, om even contact met hem op te nemen. Dat was ook omdat hij in de vindplaats geïnteresseerd was. Die kon zelfs reden tot verwerving zijn.

Maar tot op heden heeft Martin zich niet bij de conservator gemeld. Wat niet is kan natuurlijk nog komen, maar ik denk dat ik de volgende keer zelf maar bieden ga, in plaats van het museum voorrang te geven. Als die opgraving waar Martin over sprak, niet helemaal zuivere koffie was, kan de benadering door de conservator hem ook kopschuw hebben gemaakt. Mogelijk had ik het ding voor een euro of veertig, vijftig in handen kunnen krijgen, en als het museum het niet wilde overnemen, had ik er altijd nog een leuk prijsje voor kunnen maken op de vrije markt.


Internationale erkenning

Ziehier


Rust een weinig

Aan de Warffumer Trekvaart tussen Onderdendam en Warffum stuit je op dit oude en fraaie pandje:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Het is de voormalige herberg ‘Rust een weinig’. Het uithangbord van deze uitspanning hangt er nog steeds:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Op de achterkant heeft het bord een wapen in goud, met in sinopel (groen) een diagonale baan, waarop drie verticale haringen staan. Eertijds was dit het wapen van de gemeente Warffum. Bij de deur prijkt geen monumentenbordje, maar het pand is tussen 1970 en 1974 wel degelijk als monument gerestaureerd, getuige dossier 7504 in het archief van de provincie Groningen.

Als herberg lag ‘Rust eens even’ natuurlijk op een strategisch punt, daar bij de Bieuwketil:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Nog even een blik op het pand vanaf de overkant. Het zag er niet erg bewoond uit, en als je het mij vraagt is het opnieuw aan restauratie toe. Niet dat ik erachter heb gekeken, zo brutaal ben ik niet, maar de dwars op het huis staande schuur leek me een doorrit voor paarden en wagens te bevatten:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Jammer dat zo’n herberg op deze’plek niet meer rendabel te maken valt. Ik zou er zeker wat hebben gedronken, als ik de kans had gehad, maar kwam hier ook niet zo vreselijk veel fietsers tegen. Wel een kruisertje, dat vanaf Warffum de smalle vaart doorvoer – maar de wallen zijn ter plaatse tamelijk steil, dus van plezierschippers kan men er ook nauwelijks klandizie verwachten.


Indian Summer in de Ommelanden

– Aalscholvers op poldermolen De Zilvermeeuw achter Onderdendam:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

– Het kerkje van Breede:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

– Arbeidershuisjes op de wierde van Rasquert, het tweelingdorp van Baflo:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

– Gele boom in Rasquert (weet iemand de soort?):

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

– Vervallen kop-hals-rompboerderij bij Ranum:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Er liepen twee paarden in het weilandje ernaast, dat compleet kaalgevreten was. Die paarden heb ik maar wat bermgras gegeven, maar dat is natuurlijk geen structurele oplossing. Morgen A. maar eens bellen, die daar dichtbij woont.

–  Gezicht op Garnwerd vanaf Alinghuizen:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

– Melkvee dat op springen stond, Klein Garnwerd:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

– Er hing iets boven Park Selwerd:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Route: Noorderhogebrug, de Wolddijk, rechtsaf naar Bedum, Onderdendam (stop bij C.), Warffum, Breede, Rasquert, Baflo, Ranum, Winsum, Garnwerd, Hekkum, Wierumerschouw. Paddepoelsterweg etc. In totaal 58 kilometer.


Ouwe steenbulten

“Ach dei ol stainbulten”, riep Freerk, wijlen mijn achterneef, voortdurend uit. “Wat moje d’r mit. Ofbreken dei rommel.” Hij kreeg me er nog mee op de kast ook.

Begin jaren zeventig logeerde ik nog één keer bij mijn oud-tante Lieuwkje en mijn oud-oom Klaas op de boerderij in Feerwerd. Mede dankzij het radioprogramma van Marijke Ferguson over middeleeuwse muziek was ik zwaar geïnteresseerd geraakt in de Middeleeuwen. Het plan was daarom een hele serie oude Groninger kerken op dia te zetten.

Dat deed ik met een cameraatje dat ik een paar jaar eerder, op mijn veertiende of vijftiende, voor 25 gulden op de kop had getikt, de AGFA ISO Rapid I. Het beschikte over een heuse Parator-lens en twee sluitertijden, respectievelijk aangegeven door een zonnetje en een zonnetje met streepjes erdoor en een bliksemschichtje ernaast. In het ene geval werden je dia’s vaak onderbelicht, en in het andere overbelicht, dus ging het om een moeilijke keuze.

Ik weet nog dat het de bedoeling was om die ouwe steenbulten zo tijdloos mogelijk op de dia te zetten, liefst zonder dat het middeleeuwse beeld werd verpest door auto’s e.d. Dat lukte nooit helemaal, altijd was er wel een anachronistisch stukje asfalt of een lantaarnpaal te zien, of een man die met een moderne motormaaier het gazon bij de steenbult kort hield en zo mijn middeleeuwse beeld naar de filistijnen hielp.

Decennia keek ik niet om naar de serie dia’s die ik indertijd maakte. Andere interesses. Maar nu heb ik ze ingescand. Weliswaar waren de meeste genummerd, maar de bijbehorende lijstjes raakte ik kwijt. En hoewel ik de meeste plaatjes wel herkende, leverde de determinatie in ongeveer eenderde van de gevallen hoofdbrekens op. Torens herken ik meestal wel, maar wat doe je met dia’s waar alleen zijmuren op staan? Gelukkig is daar Kerken in Beeld. Dankzij dit nieuwe digitale fotoarchief van het Instituut voor Liturgiewetenschap lieten al mijn ouwe steenbulten zich gewillig thuisbrengen.

Ik bezocht onder meer Aduard, Baflo, Bedum, Bierum, Den Ham, Ezinge, Holwierde, Krewerd, Leermens, Middelstum, Oldehove, Oostum. Stedum, Ulrum, Winsum en Zeerijp. In sommige gevallen was dat vanuit Feerwerd een flink eind fietsen. Voor Bierum, Krewerd en Zeerijp moet ik toch zeker 75 à  80 kilometer hebben gemaakt op die dikke bandenfiets van achterneef Freerk, die zelf allang op een plof reed.

Achteraf vind ik nog het minst aan de tijdloze plaatjes. Je zou ze vandaag de dag ook kunnen schieten, met een veel betere kwaliteit. De leukste dia’s vind ik nu de landschapjes, waarvan sommige verdwenen zijn, door oprukkende nieuwbouw of hoog opschietend groen.

– Bedum:

Bedum

– Godlinze:

Godlinze

– Oostum:

Oostum

– Zeerijp:

Zeerijp


Niets veranderlijker dan een hooggeleerde opponens

Mooi verhaal vanochtend van Alex Klugkist, de bibliothecaris van de UB. Hij vertelde bij een rondleiding dat een hoogleraar scheikunde het indertijd zéér bedenkelijk vond, dat electronische tijdschriften de papieren langzamerhand gingen vervangen. Immers, als wetenschapper zat je wat te bladeren in zo’n papieren tijdschrift, en al zocht je het een, je stuitte toch vaak op iets anders wat bruikbaar was. En dat soort onbedoelde ontdekkingen of serendipiteit ging je missen, als je met die electronische tijdschriften alleen nog maar efficiënte zoekresultaten voor je neus kreeg. Nee, de bibliothecaris kon het mooi brengen, maar hij snapte er niets van. De hoogleraar was mordicus tegen zulke nieuwlichterij.

Een poosje geleden sprak Klugkist dezelfde hoogleraar weer, toen er een nieuw tijdschrift uitkwam dat louter op papier verscheen. Hopeloos ouderwets vond de hoogleraar dat nu. Immers, in zo’n electronisch tijdschrift zocht je als wetenschapper het een, en stuitte je vaak onbedoeld op iets anders wat je gebruiken kon. Met zo’n papieren tijdschrift was de hele serendipiteit weg. Hoe kon Klugkist in vredesnaam het feit verdedigen dat dat tijdschrift louter op papier uitkwam. “U begrijpt er niets van, typisch iets voor een bibliothecaris, dat een tijdschrift gedrukt zou moeten zijn”, zei de hoogleraar nu. Zijn opmerkingen van indertijd bleek hij helemaal vergeten te zijn.


Niets beklijft

Ik ben nu twee avonden zoet geweest met het taggen van mijn dit jaar gemaakte foto’s. Daarbij kwam ik ook weer de slijtende, brekende, begroeide en instortende grafstenen tegen, die ik deze zomer op kerkhoven zag. Mensen willen iets moois op hun graf, dat de tand des tijds weerstaat, daarom schaften ze de houten paaltjes op graven af zodra ze rijk genoeg waren om zich iets van steen te kunnen veroorloven. Maar in het licht der eeuwigheid houdt dat hardere materiaal het niet eens zo veel langer vol, dan dat hout, en hun botten in de aarde.

– Stedum:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

– Baflo:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

– Finsterwolde:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

– Nieuwolda:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA