Microsoft bewijst ons weer een ondienst

Sinds gistermiddag is de Google-reader in het ongerede. Ik kan hem niet meer gebruiken op de manier dat ik dat graag wil. Als ik dat toch probeer, komt de zaak vast te zitten en moet ik er weer uit met control-alt-delete.

Goed, foutenrapport ingezien, vindt MicroSuf dat er maar eens een browser-update gepleegd moet worden. Vooruit dan maar, doen we. Blijkt de hele opmaak in IE nummer 7 weer totaal anders dan in IE 6. Op zich nog niet heel erg, omdat ’t wel went op den duur, maar helaas heeft MS ook de routine van het bookmarks maken naar de kloten geholpen. Als ik een keer een bookmark in een mapje wil plaatsen, betekent dat nog niet dat de volgende bookmark ook in hetzelfde mapje wil, MiSluKte @#%&*$@ MinkukelS !!! van MS.

Waarom zijn softwaremakers zo arrogant om te denken dat hun veranderingen sowieso verbeteringen zijn, die de consument maar moet slikken? Waarom krijgt die consument niet de gelegenheid, om bij een technische update vast te houden aan oude layout en routines?

Als politici zoiets zouden flikken met onze fysieke omgeving krijgen ze giga op hun lazer. En terecht. Maar softwaremakers komen er in onze virtuele omgeving straffeloos vanaf.

Het originele probleem met de reader bestaat intussen nog steeds. Een tijdje geleden heb ik Mozilla Firefox weggegooid, omdat ik die browser toch niet gebruikte en opzag tegen het herschikken van alle los in de ton geflikkerde bookmarks (duizenden stuks). Bovendien vond ik het stelselmatige gebedel van Mozilla om Mozilla op de eerste plek te zetten reuze onsympathiek. Maar ik denk er nu toch sterk over om op hun browser over te gaan. Al halen die natuurlijk precies dezelfde grappen uit, als MS, als het op updates aankomt.


De stad Groningen anno 1923

De stichting Beeld en Geluid heeft dit keer enkele ‘stomme’ stedenfilms op YouTube gezet, waaronder een van Groningen uit 1923. Te zien zijn het station met stoomtreinen, de Grote Markt met het stadhuis, het Martinikerkhof met het provinciehuis, de Vismarkt, het Academiegebouw, het Anthoniegasthuis, de Noorderhaven, de Stationsstraat, de Herestraat – wat is de sokkel van Moeders Graf nog schoon! – het Noorderplantsoen, opnames vanaf het dak van de tram op lijn 1, de Ebbingestraat, de Fongers-fietsenfabriek aan de Hereweg, het bottelen van ranja bij CP (Polak) aan de Viaductstraat (waar later het stadsarchief zat) en Van Calcars’ electrische houtzagerij. Ook van buiten de stad zijn er wat beelden, namelijk van Scholtens’ aardappelmeelfabriek in Sappemeer en de overslag van schepen in Delfzijl. De film besluit echter met de Elevatormaatschappij aan de Oosterhaven:


De schuit van vanochtend

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Deze schuit met zeldzaam ouderwetse tuigage voer vanochtend om iets over negenen door de Trompbrug. Ik zag geen Pippi Langkous aan dek. Een naam stond er ook niet op de spiegel, maar met vrij kleine letters was wel de thuishaven aangegeven: Delfzijl.


IJscokar – 2772 euro

Geplaatst op 19 september 2007

Op de rijtuigveiling in Wapse, afgelopen zaterdag, bracht deze Nederlandse ijscokar van ca. 1930 – oftewel kavel nummer 126 – de somma van 2772 euro op, inclusief ruim een kwart opgeld. Degene die ooit met de gloednieuwe kar ventte, en die er nog ijsjes van 1, 2 en 3 cent uit verkocht, zou er behoorlijk van hebben opgekeken.

Catalogusopbrengsten


Wolven-bestrijding in Groningen en Drenthe

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Otto Knottnerus reageerde vandaag op het stukje over de wolventoponiemen in Groningerland met onder meer een citaat uit 1595 van de predikant van Bunde:

“…dede de Wulff grothen Schaden up dat Letsland manck de Schapen, darna ock binnen Dyckes um Wymehr vnde tho Boen, ock vp Westfalen hen und her.”

Het ging om de streek onmiddellijk over de grens met het Oldambt. Waarschijnlijk had deze regio in 1595 dus eveneens last van wolven.

Otto begon ook over wolvenjachten, en het grappige was dat ik op dat moment nèt een Drentse Volksalmanak bij de UB had geleend met een artikel over dit historische verschijnsel. Hoewel er nog meer Drentse literatuur schijnt te zijn, heb ik vanavond meteen maar even doorgepakt en me naar de Groninger Archieven begeven, waar ik al vlug wat gegevens bij elkaar kon harken over de bestrijding van wolven in Groningerland.

Provinciale Groninger placcaten uit 1595, 1597, 1598 en 1607 noemen de wolf een probleem in het zuidelijke Westerkwartier: Langewold en Vredewold en de streek ten zuiden van het Reitdiep, met name de omgeving Leek. Volgens Gedeputeerden Staten klaagden de bewoners van deze contreien over “merckelicke grote schaeden” aan hun levende have door de wolf, “die soe het schijnt sich op veele plaetsen heefft laeten sien”. Daarom kwam er die jaren in deze omgeving een algemene, soms meerdaagse wolvenjacht, waarbij de ingezetenen zich “mit guet geweer”, dat wil zeggen “roeren, roerjagers, vorcken” en dergelijke moesten voorzien, om de “schaedelicke creaturen” zoveel mogelijk uit te roeien. Gedeputeerde Staten stelden daarbij de Grietmannen als leiders over de drijfjachten aan. Hun aanwijzingen moesten beslist worden opgevolgd, zoniet, dan werden de overtreders van hun geboden naar bevind van zaken gestraft.

De wolvenjachten van 1597 en 1598 vonden plaats in aansluiting op wolvenjachten in de belendende Friese en Drentse gebieden. Tussen het Reitdiep en het Damsterdiep is er nooit sprake van wolven geweest en het oosten van de provincie schijnt iets minder last van wolven te hebben gehad dan het zuidelijke Westerkwartier. In 1598 vond daar een wolvenjacht plaats in de omgeving van Scharmer en het Duurswold en in 1601 gebeurde dat in de omgeving van Slochteren, waar jonker Rengers speciaal voor deze gelegenheid een grote legertrom uit het Provinciale Kruithuis leende. In 1608 wordt dan nog het Oldambt genoemd als lokatie van een wolvenjacht.

Opmerkelijk is, dat het daarna in de hele provincie Stad en Lande lange tijd stil blijft op dit gebied. Pas na exact een eeuw, in 1708, hoort het Groninger stadsbestuur “dat sigh wolven onthielden in ’t Goregt, dewelke reeds veel schade hadden gedaan”. Burgemeesteren en Raad gelasten daarom hun Ambtman in deze stadsjurisdictie, een premie van 100 gulden uit te betalen aan degene die een wolf doodt of levend vangt, welke premie wordt verhaald op de gezamenlijke ingezetenen van het Gorecht. Honderd gulden, dat was in deze periode bijna een jaarinkomen voor een arme sloeber.

In 1737 krijgt het stadsbestuur informatie dat er zich wolven ophouden en verbergen in de stadsjurisdicties in het algemeen, dus niet alleen in het Gorecht maar ook in het Oldambt en Westerwolde. Vanwege het grote gevaar voor schade aan koeien, ossen, paarden, kalveren, schapen en lammeren, breidt het stadsbestuur dan de premieregeling uit. Niet alleen staat er dan 100 gulden op een oude of volwassen wolf, maar ook 50 gulden op een jonge wolf. En de stadsrentmeester moet dan zulke premies voorschieten.

Toch zit er een verschil tussen deze premie-regelingen in de achttiende eeuw, en de drijfjachten in de vroege zeventiende. De premieregelingen zullen individuele en misschien groepen premiejagers hebben aangelokt, maar gaven niet de stoot tot enorme collectieve drijfjachten. Daarvan is in de achttiende eeuw slechts één maal sprake, in Groningerland. En wel in 1772, in Westerwolde. De melding van deze wolvenjacht is tevens het laatste teken, dat de wolf hier in het wild voorkwam.

Die laatste wolvenjacht vond duidelijk plaats in aansluiting op een wolvenjacht in Drenthe. Van die provincie is er ook een gegeven uit de Middeleeuwen bekend, toen er een “oneindelijcke menigte wolven” rondzwierf. Tussen 1679 en 1685 zijn er trouwens soortgelijke klachten, en ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat de Drenten veel erger dan de Groningers door wolven werden geplaagd. Hier waren ook meer aaneengesloten woeste gronden, de grote stille heiden waar schaapskudden rondzwierven als denkbare prooi.

In elk geval kwamen in Drenthe veel vaker collectieve wolvenjachten voor, meestal rond het centrale plateau en het Ellertsveld, maar soms ook in de streek tussen Hoogersmilde en Veenhuizen, en aan de Friese kant van Norg. Deze drijfjachten vonden er plaats in de jaren tussen 1606 en 1612, in 1640, van 1643 tot 1666, van 1679 tot 1685, in 1713, 1736, 1737, 1739, 1740, 1758 en 1772. Hier dus geen honderdjarige pauze russen maatregelen, zoals in Groningerland.

Ook waren de wolvenjachten in Drenthe veel massaler dan in Stad en Lande. De ring rond het Ellertsveld in 1772 was zo ruim, dat ze mannen en gronden van de kerspelen Diever, Dwingelo en Norg in het westen, van Peize, Eelde en Anlo in het Noorden, van Gieten, Drouwen en Emmen in het oosten, en van Schoonebeek, Sleen en Zuidwolde in het zuiden omvatte. Slechts enkele kerspelen, zoals Meppel, Vledder en Havelte bleven buiten die jacht. Aan zo’n Drentse wolvenjacht nam ook een menigte mannen deel. In 1737, toen de premieregeling voor het Gorecht uitgebreid werd met jonge wolven, waren er alleen al in Zuidlaren, Anlo en Gieten 598 deelnemers aan de wolvenjacht, terwijl er nog 12 andere Drentse kerspelen in die jacht participeerden. In totaal valt het aantal mannen dat meedeed aan deze wolvenjacht dus te becijferen op een 2500 à  3000 !

In Drenthe waren de wolvenjachten ook veel gedetailleerder gereglementeerd dan in Groningerland. Ze stonden onder leiding van de schulten (voorgangers van de burgemeesters en notarissen), die zich lieten bijstaan door bezoldigde tromslagers of tamboers. Elke huishouding moest twee man leveren. Deze werden militairement onderverdeeld in rotten van achttien. Voor de diverse gevallen van ongehoorzaamheid waren er uitgebreide, expliciete boeteregelingen die in Groningerland juist ontbraken. In brede linies trokken de mannen over de heiden en velden naar het centrale punt, waar een baken opgesteld stond. Natuurlijk joegen ze in hun steeds nauwere kring ook ander wild op, maar dat mochten ze niet schieten, met uitzondering van wilde zwijnen. Ook was het streng verboden om jachthonden bij de wolvenjacht te gebruiken. Die mochten zelfs zonder pardon worden afgemaakt. Een overeenkomst met Groningen was, dat er in Drenthe eveneens 100 gulden premie op een volwassen wolf stond. Maar Drenthe betaalde slechts 25 gulden voor een jong exemplaar – die kon je dus beter vangen in Groningerland.

Anders dan in Groningen zijn er voor Drenthe ook werkelijk bewijzen van gedode wolven. Bewoners van Hijken, Zuidwolde, en Beilen kregen respectievelijk in 1606, 1608 en 1758 premies uitbetaald. In Drenthe lieten de wolvenjachten zelfs een spoor na in de folklore in de vorm van een lied.

Na 1772 is het zowel in Groningen als in Drenthe voorbij. De drijfjachten van dat jaar in Westerwolde en rond het Ellerstveld waren de laatste. Vier jaar later, dus in 1776, werd naar Otto bericht, de laatste wolf in Oost-Friesland doodgeschoten en zo verwijderde het wolvenprobleem zich ook van onze grenzen.

Harry Perton

NB: voor de bronnen zie de eerste reactie.

Aanvulling


Van Achtereind tot Zwart Schaap

Hongerige Wolf blijkt in weerwil van de gastronomische herkomst ook voor te komen op de lijst met plaatsen waar je niet zou willen wonen, die Holly Moors aan het samenstellen is.


’t Swieneparredies

Geplaatst op 17 september 2007  a

Geplaatst op 17 september 2007  b

Geplaatst op 17 september 2007  c

Geplaatst op 17 september 2007  d

Foto’s gemaakt in 2001 bij een UK-uitje naar ’t Swieneparredies in Nieuw-Scheemda, toen Violette Sanders nog leefde.


Wolf in Groninger toponiemen

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Naast Hongerige Wolf waren er nog enkele Groninger toponiemen met wolf. Voor zover ik weet en in volgorde van vermoedelijke opkomst:

Wolvendijk – bij Groningen
Bij de antenne- en straalzendertoren van de KPN zit er een dubbele knik in de Peizerweg. Het stukje tussen beide kniebochten en het doodlopende weggetje dat vanaf daar noordwaarts naar het spoor en de vloeivelden van de Suikerunie loopt – en dat officieel ook Peizerweg heet – vormen samen een overblijfsel van de Wolvendijk. Vroeger liep dat weggetje (zie foto) helemaal door naar het Hoendiep, waar een tolhuis stond. Ook een tracé parallel aan de Campinglaan achter het Stadspark maakte eertijds vermoedelijk deel uit van de Wolvendijk. De Wolvendijk werd in de dertiende eeuw aangelegd als ontginningsas voor het in cultuur brengen van de enorme strook moeras- en rietland die hier lag. De dijk lag precies op de raai of rechte lijn tussen de torens van Eelde en Dorkwerd, en hij ging als grens fungeren tussen enerzijds de stadsvrijheid en anderzijds Eelde (Drenthe) en Lieuwerderwolde of Hoogkerk (de Friese Ommelanden).
Bron: Jan van den Broek – ‘Een Stad apart‘, diss. Groningen 2007, hoofdstuk II (met name de pagina’s 241 – 271).

Wolfsbarge – tussen De Groeve en Kropswolde
Waar we nu het Zuidlaardermeer vinden, vond in de hoge middeleeuwen een tamelijk grootschalige vervening plaats door de abdij van Aduard. Toen dat meer eenmaal was ontstaan richtte de Aduarder abdij bij Wolfsbarge een Maria-kapel op. Eind dertiende eeuw werd de bewoningskern hier een zelfstandig kerspel, los van Noordlaren. Vanaf 1409 kregen bezoekers van de Maria-kapel in Wolfsbarge een aflaat van veertig dagen, Nog lang na de reformatie bleef de bedevaart populair, want in 1641 klaagden gereformeerde predikanten over de Maria -verering die op Sint Jansdag, midden in de zomer, in Wolfsbarge plaatsvond. Kerkelijk viel Wolfsbarge in die tijd al onder Kropswolde.
Bron: Van der Aa – ‘Aardijkskundig Woordenboek’ (deel met W uit 1849). Zie ook de Wikipedia.

Wolfsland of Wolveland – onder Wagenborgen
Bron: website Otto Knottnerus.

De Wolf – onder Haren
Circa 1760 – 1780 een herberg ten noorden van Haren, later (weer) een hofstede of boerderij, vanaf ca. 1890 een herenhuis.
Bronnen: Van der Aa (zie boven); Rechterlijke Archieven III x (stad Groningen) deel 123 folio 5 vso. Ook zitten er gegevens uit die tijd in Rechterlijke Archieven III a en III ll.

Hongerige Wolf – bij Vrieselo
Herberg? Bron: website Otto Knottnerus.

De Wolf – bij Wedde
Hofstede of boerderij, tevens een herberg.
Bronnen: Van der Aa (1849); Van Goor’s Aardrijkskundig Woordenboek, derde druk bewerkt door A.G.C. Baart (1968).

Aantekening: Opvallend is dat er vooralsnog geen enkel toponiem of huisnaam met wolf in de voormalige Ommelanden (Hunzingo, Fivelingo, Westerkwartier) aangetroffen is. Hier had je ook al cultuurlandschap toen de rest van de latere provincie Groningen nog woest en ledig was. De wolf zal op de kweldereilanden die de Ommelanden vormden veel eerder zijn uitgeroeid, als hij er al rondliep.


Waar komt de plaatsnaam ‘Hongerige Wolf’ vandaan?

Geplaatst op 15 september 2007

The weirdest place name in the Netherlands‘. Onder die titel staat sinds een paar maanden een foto op Flickr, die ons het plaatsnaambord van Hongerige Wolf toont. Zowel degene die de foto plaatste als een vriendin van haar vroeg zich af waar die plaatsnaam vandaan kwam, en toen ik de foto en het vraagteken zag, reageerde ik vrij spontaan, dat bij deze plaats in 1793 de laatste vrij levende wolf van Nederland was doodgeschoten. Maar kwam daar werkelijk die naam vandaan? Naderhand kreeg ik mijn twijfels.

Mijn bron was een mooi verhaal van de oorspronkelijk uit Groningen afkomstige Rik Zaal in de Volkskrant van 11 oktober 1980, een verhaal dat naderhand herplaatst werd in de VPRO-gids. Volgens Zaal schoot een jager bij Hongerige Wolf in hartje winter 1794 (dus niet in 1793) de laatste wolf van Nederland dood, en wel bij het Egypteneind, waar zigeuners zouden wonen. In zijn verhaal werd de wolf bij opbod verkocht, en kreeg een windmolen ter plaatse naderhand de naam ‘Hongerige Wolf’.

Het lijkt er sterk op dat Zaals’ verhaal ook in Hongerige Wolf zelf geloof vond, want het vond hier ingang in gepostdateerde vorm. “Een inwoner van de buurtschap stelt dat de laatste wolf van Nederland hier in 1923 aan de Egypteneinde is afgeschoten”, zegt De Topografische Gids van Nederland (1998). Deze vraagbaak acht het verhaal echter impliciet niet betrouwbaar, waarschijnlijk ook omdat in dit geval de bron een Panorama uit juni 1997 is.

Vanmiddag keek ik niet alleen de Topografische Gids na, maar ook een stel andere toponiemen-woordenboeken. Het oudste daarvan was het Aardrijkskundig Woordenboek door Van der Aa, waarvan de geraadpleegde delen verschenen tussen 1844 en 1851. De naam Hongerige Wolf komt er niet in voor, noch onder de H, noch onder de W, noch in het aanhangsel. Echt alle toenmalige plaatsnamen komen voor in Van der Aa. Het buurtschapje Hongerige Wolf bestond indertijd dus nog niet en daarmee is het verhaal van Rik Zaal ontmaskerd als fictie. Dat er anno 1923 nog een wolf doodgeschoten zou zijn, zoals die inwoner in de Panorama wilde, lijkt ook uitgesloten. Maar waar kwam die naam Hongerige Wolf dan vandaan?

De derde druk van Van Goor’s Aardrijkskundig Woordenboek (1968) geeft geen verklaring. De al aangehaalde Topografische Gids van Nederland (1998) zegt dat de naam vooral bekend is als naam van een herberg. En Nederlandse Plaatsnamen van Gerald van Berkel en Kees Samplonius (2006) herhaalt dit, iets wat in een nog stelliger formulering in de Wikipedia terechtkwam. Overigens zijn elders in Nederland, zoals in Ommen en Stegeren, nog steeds restaurants met de naam Hongerige Wolf, welke de allergrootste schrokops een gevulde maag garandeert. Dus is deze naamsverklaring wèl een plausibele.

Alleen leek een herberg op die plek in de gemeente Finsterwolde mij niet zo voor de hand te liggen. Ik vroeg me daarom af wanneer hier voldoende volk woonde voor een voorziening als een herberg. Van Berkel en Samplonius noemen 1899 als oudste melding van de plaatsnaam. In de atlassen van Hottinger (1773 – 1794) en Huguenin (1819 – 1829) en op de Franse kaarten (1811 – 1813) en de Militaire kaart (1851 – 1855) is inderdaad nog geen Hongerige Wolf te vinden. Ook schittert het toponiem door afwezigheid in Kuypers’ gemeente-atlas (1864). Bij de Bellingwolder en Blijhamster zijltjes tref je op al deze kaarten ook niet of nauwelijks bebouwing aan. De lintbebouwing en de bijbehorende naam Hongerige Wolf zien we pas verschijnen op de Chromotopografische Kaart van 1905. Waarschijnlijk dankt het gehucht zijn ontstaan aan de de Reiderwolderpolder, die in 1862 en 1874 in twee afdelingen van west naar oost werd ingedijkt.

De conclusie moet zijn dat de naam Hongerige Wolf naar alle waarschijnlijkheid afkomstig is van een herberg uit de laatste drie decennia van de negentiende eeuw. Deze herberg bediende eerst de polderjongens die de Reiderwolderpolder bedijkten, en daarna de arbeidersbevolking die er zich vestigde langs de weg die voerde van Finsterwolde naar de boerderijen in de Reiderwolderpolder.

Update 8 december 2009

In een bericht van de Winschoter Courant de dato 3 februari 1877 over de stormvloed die een paar dagen eerder de Reiderwolderpolder en de Stadspolder grotendeels onder water zette, is sprake van “de zogenaamde Hongerige Wolf”. Dat is dan voorlopig de oudste melding van de plaatsnaam. Aan het woordje zogenaamde is intussen te zien, dat die plaatsnaam zeker nog niet officieel was.

Update 9 januari 2022

Ook nu de Winschoter Courant tussen 1873 en 1945 compleet gedigitaliseerd is, heb ik geen oudere melding kunnen vinden dan de bovengenoemde uit 1877. De gelijknamige herberg en het dito streekje in Westerwolde worden eerder en veel vaker genoemd. Ook vaker genoemd wordt een streekje ‘De hongerige Wolf’ in/bij Meerland onder Oostwold, dus gemeente Midwolda. In de raadsverslagen van die  gemeente is nogal eens wat te doen over een modderig voetpad dat er naar toe voert en de indeling van deze Hongerige Wolf qua schooldistrict: moeten de kindertjes naar de school van Oostwold, of die van Meerland?


Open Dag riool

Op verschillende plaatsen in de stad werd vandaag de aandacht gevestigd op het riool, iets wat anders alleen leeft bij het publiek als het uitvalt. Volgens een medewerker van Openbare Werken was de Open Dag eenmalig en uniek voor Nederland. Te zien vielen onder meer:

– De camerawagentjes waarmee tegenwoordig rioolinspecties worden uitgevoerd:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

– Een model van de riooloverstort bij het Gedempte Kattendiep:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

– Een lesje rioolinspectiewagenkunde voor de kids door iemand die op Al Bundy lijkt:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

– En het echte werk, met buizen van 2 meter doorsnee onder het Kattendiep:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

De boel was hier eerst wel schoongemaakt, vertelde de medewerker van het riolenschoonmaakbedrijf die met ons meeliep. Anders lag er een laag van twintig centimeter stinkende drab en zou je er niemand inkrijgen. Hij werkte al twintig jaar bij dezelfde baas, maar had gelukkig nog nooit een kinderlijkje gevonden. Groningen is geen Rome of Parijs. Het vreemdste wat hij ooit aantrof was een keukenkastje. Dat zal dan wel in een straatput gedumpt zijn, dacht ik zo.


Zwarte ambulance

Er staat een zwarte ambulance bij mij in de buurt. Zo’n auto waar een stadslegende bij hoort. Dan is de wagen weg, dan is hij er weer en niemand heeft ooit de eigenaar gezien. Zo ongeveer. In dat genre. Saillant detail: de asbak stroomt over van peuken.

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA


Grote schoonmaak

Vanochtend zaten er nog 361 weblogs in mijn reader. Inmiddels zijn dat er nog 228 stuks. Sommige mensen beginnen wel voortvarend, maar raken op een gegeven moment hun animo kwijt.

Heb vorige week al wat ongebruikte software opgeruimd, zodat ik weer wat ruimte kreeg op mijn harde schrijf. Nu nog de foto’s van dit jaar uitdunnen en taggen, zodat ze gemakkelijk vindbaar zijn.


Bram Hulzebos stinkt weer uren in de wind

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Wat weer onsterfelijk kinderachtig van die Bram Hulzebos. Van de SP-jongerenorganisatie Rood, die gister om reden een ladinkje stront neerlegde op de stoep voor het kamerverhuurbedrijf van Rubingh aan de Eendrachtskade, kreeg deze DvhN-journalist niet de namen en het adres van de kamerbewoners, die door Rubingh benadeeld en bedreigd zijn. De SP-jongeren weten blijkbaar al dat je Hulzebos nooit kunt vertrouwen. En dus nam Hulzebos wraak op de jongeren van Rood. Hij vindt hun strontactie niet alleen naar symboolpolitiek rieken, maar noemt ze ook “gehaaide rattenvangers” in zijn zogenaamde Achtergrondverhaal in het DvhN van vandaag.

Eens te meer geeft Hulzebos blijk van zijn aartsluiheid. Als muckraker had meneer, de grootste rat die ooit bij het Dagblad rondliep, toch zeker zelf wel bij het kadaster kunnen nagaan, welke panden Rubingh en zijn bureau de Kamerspecialist in eigendom hebben? Rubingh, zo had Hulzebos kunnen weten, werd twee jaar geleden ook al bekroond met de twijfelachtige titel van Huisjesmelker van het Jaar. Sterker nog, als die titel indertijd had bestaan, was Rubingh er al voor genomineerd geweest in 1977, 1978 en 1979, toen de Huurdersactie Oosterpoort nog bestond.

Ik dacht dat Hulzebos al in het riool zat, maar nu hij het indirect voor een beruchte huisjesmelker opneemt, blijkt hij nog dieper te kunnen zakken. Toch wel een prestatie, moet ik zeggen.


UK-pand ouder dan gedacht

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

De zijgevel van het UK-pand, Oude Kijk in het Jatstraat 28, wordt opgeknapt. In het kader van die opknapbeurt gingen er wat plakken stucwerk af, en op die manier kwamen er wat zeer grote bakstenen bloot. Ik mat ze gisterochtend even op, de grootste bleken 25, 27,5 en 28 centimeter breed en dat wees er, dacht ik, in elk geval op dat die zijmuur eeuwenoud is. Maar hoe oud precies?, vroeg ik de stadsbouwhistoricus, Taco Tel. Wist hij ’t wellicht uit zijn blote hoofd, of kon hij vanaf een vlug raadpleegbaar tabelletje nagaan, uit welke periode die maat bakstenen stamden?

Taco mailde terug dat hij puur op basis van de maten niet veel zeggen kon over de datering: “De aard van het muurwerk, metselverband, kleur van de stenen etc zijn van groot belang om iets meer te kunnen zeggen over de ouderdom. Verder valt op dat het maatverschil erg groot is, zijn de stenen hergebruikt? Ik fiets er zelf langs om even te kijken.”

Vandaag kwam zijn nadere bericht. Het viel hem op dat het muurwerk uit twee delen bestaat. Het deel dat het dichtst bij de straat ligt, tot iets voorbij de regenpijp, heeft

“een tienlagemaat (10 lagen metselwerk + 1 voeg) van 72 tot 73 cm. Daarachter is dit boven de kelderzone 57 tot 58 cm. Het muurwerk van de kelderzone lijkt op dat van het voorste deel, de vijflagenmaat van 36,5 cm komt ook ongeveer overeen. Het voorste deel en de kelderzone kunnen zeventiende eeuws zijn (eerste helft). De gebruikte bakstenen zijn in ieder geval niet jonger. Gezien de plaats in de straat is een dergelijke datering goed mogelijk. Het deel boven de kelder dateert uit de tweede helft van de zeventiende eeuw of uit de achttiende eeuw.”

Toch hield hij nog een slag om de arm. Weliswaar constateerde hij dat ons pand op de kadastrale minuutplan van omstreeks 1825 al de huidige omvang bereikt had. Maar:

“Pas wanneer het hele pand onderzocht wordt kan de datering met meer zekerheid gegeven worden.”


Hommage aux Muses

Geplaatst op 11 september 2007  hommage

H. kwam weer langs met iets fijns. Een Frans almanakje uit 1828, ‘Hommage aux Muses’, dat hij voor de luttele somma van twee euro op de kop getikt had op een Groninger rommelmarkt. Er staan kalenderblaadjes, gedichten en goeie gravures in, met achterin wat blanco blaadjes voor dingen om te onthouden. Ooit is het boekje, getuige een priegelige notitie op het schutblad, aan een onbekende cadeau gegeven door een Betsy Elias, wellicht een Nederlandse jodin.

Het opmerkelijke is, dat van elk uitgegeven boek, hoe zeldzaam dan ook, de gegevens wel een paar keer op internet voorkomen, op sites van bibliotheken en antiquariaten. Maar van dit Biedermeyer-uitgaafje, dat verscheen bij Marcilly fils, Rue Saint Jacques 21, Paris, ontbreekt verder elk spoor. Kennelijk is het een almanak die slechts één jaar verscheen. Er zijn vast Franse verzamelaars die überbegeesterd zouden raken bij de aanblik van dit werkje. H. wil graag dat ik het op een Franse veilingsite plaats. Hij waant zich al miljonair, en gaat mij grandioos op Frans eten tracteren, als het schip met geld zijn haven binnenvaart.