Walvisstrandingen

Ik was er wat in aan het rondstruinen in de kersvers gewebbificeerde ‘Nederlandsche Historiën‘ van PC Hooft (de man naar wie de tractor is vernoemd), toen mijn oog bleef haken aan een passage op pagina 546:

“Des nachts quaamen [bij] ter Heyde, een zeedorp in Zuydthollandt, dertien oft veertien walvisschen zoo dicht onder ’t landt gezwommen, dat’er een aan strandt klemde. D’andre, om hem te verlossen, bliezen krast van waater ter snuyt uit: en twee der voorbaarighste bekoften hunne trouwhartigheit met gelyk ongeluk. De grootste was lang luttel min dan vyftigh, hoogh by de veertien, breedt tien voeten ruym. Van de zelfste soort ongedierts, was, den tweeden van Hooymaant, in de Schelde tot Zaftinge, een aangekoomen, lang achtenvyftigh, dik in de rondte drieënveertigh, breedt van staart oover de dertien voeten. Deeze zeldzaamheeden, als bediedtzels van genaakende ontsteltenissen, stonden den volke droeflyk voor…”

Ze voorspelde dus niet veel goeds, deze stranding van walvissen, eind 1577, althans volgens Hooft niet, die, hoewel humanist, in de duiding van zo’n buitengewone gebeurtenis op één lijn stond met de meest verstokte calvinisten – het was een vingerwijzing Gods.

Met behulp van het nieuwe zoeksysteem voor de DBNL ben ik vervolgens eens gaan kijken of er in dit digitale fonds nog meer walvisstrandingen voorkomen. Dat bleek inderdaad het geval. De ‘fantastische’ Vlaamse auteur Marcus van Vaernewyck, een paar generaties ouder dan Hooft, meldde er in zijn ‘Historie van Belgis’, pagina 313, eentje voor begin vijftiende eeuw:

“In het jaer 1403, op S. Brixius-nagt [12 november HP], kwaemen te Oostende acht groote walvisschen aen, die daer op het strand bleeven liggen. Ideren dezer visschen was tusschen de muyl en den steêrt meer als 75 voeten lang, en had wel 24 haring-tonnen traen in. Hunne muylen hadden de gedaente van eenen engelschen wolle-zak, en men moest langs de zelve met leederen (ladders, HP) in de buyken daelen, in ideren van de welke veertien of vyftien mannen stonden en werkten, als of zy op eenen vloer gestaen hadden…”

Vervolgens herinnerde ik me ook plaatjes van zulke walvisstrandingen:

– Zandvoort 1594:

Geplaatst op 4 december 2007  a

– Berkheyde 1598:

Geplaatst op 4 december 2007  c

– Beverwijk 1601:

Geplaatst op 4 december 2007  d

– Noordwijk 1614:

Geplaatst op 4 december 2007  e

Drie van de vier betroffen potvissen viel me op. In twee van de vier gevallen vond de stranding ’s winters plaats, net als trouwens die strandingen waar Hooft en Van Vaernewyck over schreven. Bovendien gebeurden er in de periode rond 1600 wel erg veel van die strandingen. Kwamen in ‘de Kleine IJstijd‘ soms extra veel potvissen naar onze kust afzakken?

Ik tikte walvisstrandingen in Google in, en zie, er kwam een speciale website over het fenomeen  walvisstrandingen tevoorschijn. Met een lijst voor elke soort, waaruit bleek dat de potvis zich rond 1600 inderdaad bijzonder vaak op onze stranden wierp. Tussen 1566 en 1656  gebeurde dat 24 maal, waarna ze ruim een eeuw wegblijven en er een plotselinge hausse optreedt aan het begin van de jaren 1760 (met name 1762) met maar liefst 11 stuks. Afgezien van een incidentele verschijnling (in 1781) blijft het dan opnieuw een hele poos rustig. Sinds 1937 wierpen zich 19 potvissen op onze stranden. Zo’n tachtig procent van al deze strandingen vindt plaats in het winterhalfjaar tussen oktober en april. Voor zover bekend ging het steevast om exemplaren van de mannelijke kunne.

Nog wat verder kijkend op die walvisstrandingen-site ontdek ik onder het hoofdje ‘walvisinformatie’ een subhoofdstuk ‘Op het strand gesmeten’. Verdikkie, er blijkt in 1992 in het Teylers Museum in Haarlem een tentoonstelling over het fenomeen geweest te zijn, met een catalogus die hier in extenso gereproduceerd wordt. Uit het subsubhoofdstukje Potvisstrandingen valt te leren dat een klein aantal dieren tijdens de herfsttrek, op weg naar zuidelijker wateren, de Noordzee binnenzwemt. Vooral het zuiden van die zee is te ondiep voor ze. Navigeren met hun sonar lukt ze er maar matig, temidden van al die flauw oplopende kusten en verraderlijke zandbanken. Als de dieren geen uitweg naar het noorden vinden, zitten ze in de val. Blijkbaar gebeurde dat in de Kleine IJstijd wat vaker dan anders.


Plaats een reactie on “Walvisstrandingen”

  1. thea schreef:

    In 2004 was ik op Vlieland toen er een dode potvis of walvis aanspoelde. Het beest verspreide een verschrikkelijke stank.

  2. Aangespoelde walvissen behoorden in de zestiende en zeventiende eeuw over het algemeen aan de landsheer (behalve waar het recht van aanwas gold). Meestal nam hij genoegen met een paar bijzondere onderdelen (zoals de penis) en werd de rest ter beschikking gesteld van de armere bevolking, bij voorkeur om traan van te koken ten behoeve van lampolie of soms ook bakolie.

    Walvissen golden in de zestiende eeuw als een van de natuurlijke hulpbronnen van de kuststreek. Henricus Ubbius schrijft in 1530 dat de zee in Oost-Friesland twee soorten walvissen oplevert. De Groninger Cornelius Kempius stelt in 1588 over Schiermonnikoog: “En het gebeurt wel eens dat de zee op dit eiland walvissen van een aanzienlijke grootte op het strand spoelt, die wegens hun massa en wonderbaarlijke wanstaltigheid de toeschouwers grote vrees en angst inboezemen”.

    Maart 1669 spoelde een narwal van 17 voet aan bij Bunderhammrich (bij Nieuweschans): “…ist am Ufer des Dollart, dem Landdeich gegenüber, ein großes See-Einhorn aufs Trockene gekommen und dort verendet. Die Leute vom Hammrich sahen von ferne die Sonne auf den großen Leichnam scheinen und gingen voller Neugierde hin, um zu erkennen … Die Hammrichsleute hatten den ganzen Winter Licht davon. Die Jemgumer nahmen das Horn mit, aber unser Fürstliche Gnaden ließen es uns abholen”.

    Deze twee publicaties – met veel Nederlands materiaal – zijn overigens niet te versmaden:

    Klaus Barthelmeß & Joachim Münzing, ‘Monstrum horrendum. Wale und Walstrandungen in der Druckgraphik des 16. Jahrhunderts und ihre motivgeschichtliche Einfluß’, Hamburg & Bremerhaven 1991 (Schriften des Deutschen Schiffahrtsmuseums 29).

    Werner Timm, ‘Der gestrandete Wal, eine Motivkundliche Studie’, in: Staatliche Museen zu Berlin, Forschungen und Berichte 3/4 (1961), pp. 76-93.


Geef een reactie op Otto S. Knottnerus Reactie annuleren

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.