Ballonvaart over het Gorecht

Sander de Jong postte vandaag drie filmpjes van een ballonvaart over het Gorecht. De koers was van de Hoornseplas naar het zuiden van Wildervank. De filmpjes maakte hij respectievelijk


DvhN mist nieuws in eigen kring

Opmerkelijk. Het Dagblad van het Noorden heeft niet het bericht dat de Groningse Annet Zuurveen en haar vriend  in Noordlaren op de loop moesten voor een stel Schotse Hooglanderstieren. Deze Annet Zuurveen maakt nota bene de tekeningen bij de rechtbankverslagen in het DvhN.

Natuurlijk kan zo’n nieuwtje afgevallen zijn in het selectieproces. Maar dat lijkt me niet erg waarschijnlijk.


Bommen Berend in 1972

Ene P. Smilda postte vandaag een zootje foto’s van Bommen Berend in 1972 op Flickr. Jammer genoeg gaf hij die slechts gedeeltelijk de adequate tag, zodat ik wel naar zijn overall account moet linken, maar de foto’s, nu dus nog op zijn voorpagina, zijn het waard.

Smilda maakte o.a. opnamen van de onthulling van het beeld van  Rabenhaupt door de toenmalige burgemeester Harm Buiter. Dat beeld staat dan nog voor de statietrap van het oude, inmiddels afgebroken nieuwe stadhuis. Verder het onvermijdelijke peerdespul op de Grote Markt en de touwtrekwedstrijd van de mannelijke bevolking tegen een ouderwetse stoomwals. Op de achtergrond van de festiviteiten is te zien, dat de lokatie-Naberpassage aan de oostzijde van de Grote Markt nog een groot gapend gat is. Zo lang heeft de wederopbouw van die gevelrij dus geduurd.


Rovers tuk op vogelvoer

Als het wintert, komen er logjes over het voederen van gevederde vrienden. De opmerkelijkste gingen tot nu toe over de rovers, die zich vandaag de dag vergrijpen aan andermans voer. Bij de moeder van Tim Smilda halen muizen acrobatische toeren uit op de vetbol, en bij Ko Arbouw grist een geslepen, in gestingeerd zwartwit geklede bandiet integraal netjes met apenootjes weg, de noodruft van zijn geliefde kool- en pimpelmezen. De eigenlijke doelgroep verbleekt hierbij. Nou ja, Roely Dondersteen had puttertjes voor het raam, vogeltjes die je anders niet zoveel op het zand ziet.


Spanningen in Dwingeloo

Geplaatst op 4 januari 2008 a

Het primitieve tegeltje dateert uit de oorlog. Er staat een visje op, met eromheen de tekst “Leer van het vischje, onder water, spartel rond, maar houd je snater”. Het werd verkocht ten bate van een verzetsfonds en er horen verhalen bij over weggestopte radiotoestellen, clandestien geluister naar radio Oranje, onderduikers, ondergrondse schuilplaatsen, een overval van de Grüne Polizei en Duitse inkwartiering.

In die verhalen speelt mijn grootvader Albert Vondeling (1905-1973) de hoofdrol. Hij kwam uit een gezin met tien kinderen van een schoenmaker in Zuidhorn die ook wel als barbier, leedaanzegger en telegrambesteller fungeerde. Diens vrouw, mijn overgrootmoeder, liep met een broodkar te venten voor een bakker. Het kruidenierswinkeltje dat ze er een tijdje op na had gehouden was geen groot succes geweest en had ze moeten opdoeken. Het gezin woonde aan de Jellemaweg, naast een steeg die uitliep op een smeedijzeren hek met zandloper, zeisen en uilen welke toegang tot het kerkhof verschafte. Die steeg heette in de volksmond ‘Vondelings ree’. Met Pasen stonden er altijd mannen en jongens te “potjen en riesteren” (of neutenschaiten, noten schieten).

Op zijn elfde kreeg mijn grootvader ruzie met de schoolmeester. De man beschuldigde hem van iets dat hij niet gedaan had en begon met een liniaal op hem in te slaan. Mijn grootvader verweerde zich en vluchtte dwars door het raam naar buiten.

Hoewel nog leerplichtig, is hij nooit weer naar school geweest. Hij werd eerst knecht bij een boer in Zuidhorn, voor een rijksdaalder in de week, en kwam er later in dienst bij een electrotechnisch installateur, Beving. Aanvankelijk moest hij bij Beving de eenvoudige klusjes doen, zoals het graven van gaten voor bokpalen, maar hij werd er naderhand, toen hij op avondcursussen bijgeleerd had, electrotechnisch monteur.

In die tijd, tweede helft jaren twintig, was het dat hij trouwde. Mijn grootmoeder Bieuwkje Kroeze was van geboorte Friezin maar kwam van een boerderij op de Dijkstreek, vlakbij Zuidhorn. Hoe ze elkaar hebben leren kennen weet ik niet. Waarschijnlijk was het op een dansavond. Hoe het ook zij, van 1935 dateert een foto waarop hij vol zelfvertrouwen poseert, terwijl zij bijna achter hem lijkt weg te willen kruipen.

Geplaatst op 4 januari 2008 b

Na de geboorte van een kind dat stierf, mijn oom Frans en mijn moeder begon mijn grootmoeder nogal te kwakkelen met haar gezondheid. Ze is een van de eersten geweest, hier in Nederland, bij wie men met succes een nier heeft weggenomen (ca.1932). Een dure operatie, ze lag lang in het academisch ziekenhuis en daarna nog een jaar thuis op bed. Als mijn grootvader vanwege haar ziekte wel eens van zijn werk moest blijven, hield de baas loon in. Ook weigerde Beving mijn grootvader opslag, hoewel hij een goeie kracht aan hem had, een die niet te beroerd was om papieren te halen. Maar wat er ook gebeurde, mijn grootvader bleef op tien gulden in de week zitten. “Crisis, die loopt niet zo gauw weg”, moet Beving hebben gedacht. Emigratie naar Amerika ging immers ook al niet door vanwege mijn grootmoeders matige gezondheid.

Na ruim twintig jaar loondienst dacht mijn grootvader erover om voor zichzelf te beginnen. Het toeval hielp hem. Zijn oudere broer Anton, die in het Drentse Vledder gevestigd was als electrotechnisch installateur, vernam dat de Laagspanningsnetten, het bedrijf dat de door de Groninger centrale opgewekte stroom distribueerde en in zijn verzorgingsgebied electriciëns aanstelde, niet erg tevreden was over een collega in de naburige gemeente Dwingeloo. Deze Roelf Locht (locht=licht) ging door voor nogal zonderling en liet zijn zaken versloffen. Iets wat ook wel af te lezen valt aan de hier bijgaande grafieken: nadat Dwingeloo stroom en straatverlichting kreeg in november 1924, groeide het aantal aansluitingen en het verbruik aan kiloWatt-uren er aanvankelijk gestaag, en soms zelfs sprongsgewijs, maar in de jaren dertig, terwijl elders het kleinverbruik van electriciteit, vooral door toedoen van de radio (en ondanks de crisis) steeg, trad er in Dwingeloo juist stagnatie op. De stagnatie van Roelf Locht. De Laagspanningsnetten wipten hem, en mijn grootvader mocht de vacature komen vervullen.

Geplaatst op 4 januari 2008 c Geplaatst op 4 januari 2008 d

Beving baalde toen mijn grootvader vertelde dat hij zich als zelfstandige in Dwingeloo ging vestigen. Opeens kon er wel meer loon vanaf. Maar het was te laat.

Het eerste jaar in Dwingeloo, 1939, zat mijn grootvader nog bij Hotel Mulder in de kost. Naast zijn gewone werkzaamheden hield hij toezicht op de bouw van de woning, een twee-onder-één-kap aan het Westeinde (later hernoemd tot Heuvelenweg), op een kavel die hij kocht van een boer. Mijn grootmoeder en de beide kinderen bleven zolang achter in Zuidhorn.

In 1939 was de woning in Dwingeloo klaar. “Het was ’n rare tied um een zaak te begunnen.” Onder invloed van de oorlog waren de scherpe kantjes weliswaar van de crisis af en kregen de boeren ietwat betere prijzen voor hun producten, zodat de vele mensen die direct of indirect van de landbouw afhankelijk waren ook weer wat meer te spenderen hadden. Maar het bleef een gok om je als middenstander te vestigen in een streek die voor een van de armste van Nederland doorging. Getuige de grafieken echter moet het mijn grootvader voor de wind zijn gegaan. Het aantal aansluitingen en het stroomverbruik te Dwingeloo namen weer toe en bleven, terwijl er toen nota bene op basis van de cijfers van 1939/1940 gerantsoeneerd werd, ook gedurende de eerste oorlogsjaren stijgen. Zo te zien zette mijn grootvader heel wat radio’s, stofzuigers en wasmachines af. Vermoedelijk betrok hij deze van de Laagspanningsnetten, die een toonkamer en grossierderij hadden in de Groninger Boteringestraat.

Over de oorlog werden, zoals gezegd, nogal wat verhalen verteld. Om te beginnen waren er onderduikers. Vanaf medio 1942 Gerard, mijn grootvaders jongste broer uit Zuidhorn, die na een verlof niet terugkeerde naar Hamburg, de plaats waar hij als dwangarbeider ingezet was. En vanaf 1943 Lammert Smid, een knecht van mijn grootvader, die blijkbaar geen vrijstelling voor de arbeidsinzet in Duitsland had kunnen krijgen. Gerard en Lammert kregen bonkaarten van de ondergrondse, om precies te zijn de Landelijke Organisatie voor Onderduikers (LO). Soms konden ze zich tamelijk vrij bewegen, maar er waren ook perioden dat dit veel te link was. Bijvoorbeeld toen het gemeentehuis van Dwingeloo overvallen werd. Klaas, een andere broer van mijn grootvader, belde een uur later uit Assen op of mijn grootouders het al hadden vernomen – dat was niet het geval – en brak het gesprek abrupt weer af.

Van de meeste NSB-ers in het dorp viel weinig te vrezen, ze hielden zich stil. Ze waren lid geworden om den brode. Driekwart bestond uit kleine boertjes die dachten dat ze het beter kregen. Anderzijds kon er geen sprake zijn van een vrij en niet-gelijkgeschakeld verenigingsleven. Zo werden al in het begin van de oorlog de activiteiten van de Boerinnenbond, waar mijn grootmoeder lid van was, geheel en al stopgezet.

Voor knecht Lammert werd een keer een fietsband versierd. De distributie-ambtenaar in het gemeentehuis gooide het verscheurde aanvraagbriefje in een prullebak, waar het weer uit werd gevist door een NSB-sympathisante die het gemeentehuis schoonmaakte. Zij was niet in aanmerking gekomen voor een fietsband en schopte een scène: “Ik gien fietsbaand en onderdukers wel?”

De postkantoorhouder uit Zuidhorn belde mijn grootouders. Hij had de politie daar door moeten verbinden, het telefoongesprek afgeluisterd en begrepen dat men op zoek was naar Gerard. Zijn seintje werd overigens omkleed met de nodige voorzichtigheid: “Ik verbind u door met de politie van Zuidhorn….met Vondeling? Oh nee, ik moet het postkantoor hebben”. Niet dat het seintje werd misverstaan: de onderduikers gingen gelijk aan de tippel. In de Dwingeler bossen waren twee holen uitgegraven voor dit soort gelegenheden. Het stikte er trouwens van de onderduikers – één daarvan leerde mijn moeder zwemmen in de Dwingeler stroom.

Oom Gerard kwam de volgende ochtend zo moe thuis dat hij zich naast oom Frans, mijn moeders broer, op bed stortte. Frans hoorde op een gegeven moment geronk buiten, keek uit het raam, en zag overvalwagens staan. Grüne Polizei. Wel acht of negen man. Meteen was mijn grootvader boven: “Kom gauw Gerard.” Hij duwde zijn broer door het luik van de vliering en zei: “Blief noast ’t loek zitt’n, as er wat is bist toch verleurn”. Toen hij weer goed en wel beneden en onder aan de trap stond drukten de laarzen hem opzij en stormden ze naar boven. Ze hebben overal gezocht, op de slaapkamers, in de winkel, in de kelder, in de schuren, op de zolder van de werkplaats, maar de vliering in het huis zagen ze over het hoofd. Mijn grootmoeder zat al die tijd stijf aan tafel met de handen eronder, uit angst dat de Duitsers het trillen van die handen zouden zien. Anders was ze nooit zo benauwd. Nog dezelfde avond ging Gerard door bossen en velden naar Roden, maar toen hij veertien dagen later weer terugkwam – de vrouw van het opvangadres was zenuwziek – zag hij nog steeds zo wit als een doek.

Mijn moeder logeerde op dat moment bij haar opa en oma in Zuidhorn. Daar werd ze op straat uitgevraagd door ene Datema, een foute brandstoffenhandelaar. Maar mijn grootmoeder had haar goed geïnstrueerd. “Leer van het vischje, onder water, spartel rond, maar houd je snater.”

Mijn moeder kreeg ook lang niet alles te horen. Nog in de vroege jaren zestig lag er achter het huis in Dwingeloo een stapel overbodig geworden en bemoste houten palen. Daar mocht ze in de oorlog nooit bij wieden, hoewel het onkruid er hoog opschoot. Vlak na de oorlog liet mijn grootmoeder haar zien waarom niet. Onder de palen zat een onderduikershol. Mijn moeder keek haar ogen uit: “Zo prachtig was het ingericht, met stro, dekens en autokussens”.

In 1943 werden de radio’s door de Duitsers in beslag genomen. Mensen hadden er lang voor gespaard, zo’n ding kostte “een hiele cent”. Voor menige familie bewaarde mijn grootvader de radio; er zaten uiteindelijk wel een vijftien onder de vloer van de winkel, achter de schuifdeuren met de glas-in-loodramen. Hij gaf dan een “oud beestje” terug, waar niet zoveel aan verloren kon gaan. Die konden ze dan eventueel inleveren.

Ook het register van verkochte radiotoestellen, dat mijn grootvader voor de omroepbijdragen moest bijhouden, verstopte hij onder de winkelvloer, in een apart ervoor gegraven gat. Hij kreeg er nog aardig wat gedonder mee toen men kwam vragen waar het was. Zijn smoesje dat hij het kwijtraakte werd niet geloofd. Na de oorlog kwam het boek totaal verschimmeld weer uit het gat onder de vloer tevoorschijn.

Aan het eind van de oorlog namen de rantsoenering van electriciteit en de verduistering steeds strengere vormen aan. De centrale werkte al niet meer naar behoren, door de slechte kolen die men aanvoerde. Het kwam, ook dankzij luchtaanvallen, regelmatig voor dat de stroom haperde of uitviel. Bekijkt men de grafiek van het verbruik te Dwingeloo dan ziet men vooral in het jaar 1945 een enorme val. Vanaf november 1944 mochten gezinnen nog maar acht kiloWattuur per twee maand gebruiken – electrisch koken was toen ook verboden, evenals stroomverbruik op sperrtijden. Een paar maand voor de Bevrijding werden veel huizen zelfs van het net afgekoppeld, en waren de bewoners voor licht weer aangewezen op van de zolder gehaalde “pietereulielaampm”.

In die tijd moet het geweest zijn dat mijn grootvader het draadje naar de Ortskommandantur doorknipte, onder het motto: “Wij gien stroom, dan zij ook gien stroom”. Met de mitrailleur in de aanslag werd hij van huis gehaald, in zijn klimschaatsen geholpen en de bokpaal ingejaagd.

Mijn moeder haalde achtergehouden melk van Muggen en Santing op ’t Strovledder. Ook kwam het wel voor dat melkrijders vanaf hun melkwagen een pul achter de heg neerzetten. Hoewel er minstens een jaar gevangenisstraf stond op het “verzwaren van de stoffelijke nood van het Nederlandsche volk”, hielp dat de hongerenden in het westen van het land bar weinig. In het algemeen zagen de noorderlingen de distributie-autoriteiten als handlangers van de bezetter. Vandaar dat men afgekondigde maatregelen op allerlei manieren ontdook en saboteerde. Zo deden verscheidene Dwingeler boeren, ondanks de ver doorgevoerde registratie van vee, aan illegale huisslacht. Bij het vaak nachtelijke slachten was uiteraard licht nodig en mijn grootvader zorgde voor tijdelijke clandestiene aansluitingen. In ruil daarvoor kreeg hij vlees. “We hadden zoveel slachterij, dat het bij de buren in de wiemel hung.”

Minder prettig was dat NSB-ers er lucht van kregen, en mijn grootvader onder druk zetten om ook hen bij gelegenheid eens aan te sluiten.

Op een keer kwam hij uit Lhee fietsen met een half schaap in een stofzuigerdoos achterop. Onderweg stond een patrouille NSB-politie (landwachters) die iedere passant naar het persoonsbewijs vroeg. Mijn grootvader verzocht ze of ze het ding zelf uit zijn binnenzak wilden halen, anders zou die stofzuiger van zijn fiets kunnen donderen en was hij nog veel verder van huis. Zijn ausweis werd in orde bevonden: “Ried maor deur”.

Dat vlees was voor eigen gerief, maar mijn grootvader had ook, ten behoeve van de nood-energievoorziening van het Wilhelmina-ziekenhuis in Assen, een installatie voor het persen van olie uit koolzaad in de schuur staan. Die was plotseling verdwenen. “Veel te link.”

In de herfst van 1944 werden er twee Duitsers bij mijn grootouders ingekwartierd. Ze kwamen op het kamertje te liggen onder de vliering van oom Gerard. Beide mannen waren van middelbare leeftijd, en al dan niet noodgedwongen, om frontdienst te ontgaan, lid geworden van de SA en als zodanig bij de Organisation Todt ingedeeld, die het dorp door middel van loopgraven, mangaten en vooral tankvallen in staat van verdediging bracht. Hierbij werden duizenden Drenten en Friezen tot hand- en spandiensten geprest. De ene opzichter, of zullen we zeggen Feldwebel, heette Karl, en was, hoewel oorspronkelijk gymnasiumleraar, een grove kerel, die zonder boe of bah uit de keuken wegpikte wat van zijn gading was. Zijn collega Emil Bundtzen, van een meer normaal postuur, van professie eigenlijk kapper, huisvader met twee kinderen te Chemnitz, vroeg daarentegen steeds vriendelijk als hij iets nodig had, ook al ging het maar om wat water uit de snelkoker voor een potje thee. Bij het werk liet deze Emil de dwangarbeiders de lijn trekken. Zaten ze rustig te kaarten. Tenzij er een hoge mieter in de buurt was, natuurlijk. Ook nam Emil wel eens saksische leverworst mee, die had de OT dan over en werd ’s zaterdags uitgedeeld.

Op een gegeven moment gebood Comello, de NSB-burgemeester van Dwingeloo, dat iedereen aan het werk moest bij de OT op Geeuwenbrug, ook de mannen die tot dan toe vanwege hun werk waren vrijgesteld, zoals mijn grootvader. Op de dag van afkondiging belde Moes, de directeur van de boterfabriek in Eemster, die melk moest leveren aan de Duitsers. Moes hoorde het verhaal van mijn grootvader eens aan en zei: “Die verrekte Comello, weej wat Vondeling, ik maak ies wat kepot en dan zal ik hum de peinse volschelden dat hej oe an ’t wark ezet hef.” Zo gezegd, zo gedaan, en op de dag dat mijn grootvader net als in zijn jonge jaren aan de schop stond, belde Moes Comello en gaf hem de wind van voren: “Hoe haal ie oe dat in ’t heufd godverdomme, hoe kunj dat now doen; zit ik met de boel kepot en he’k gien elektrisjèn om de boel te maakn; mooi ist, now hek de febriek stille liggen.” Even later zag men Comello tegen weer en wind in naar Geeuwenbrug fietsen. Mijn grootvader werd per direct vrijgesteld, en is ook niet weer aan het werk geweest bij de OT.

Mijn moeder was er getuige van hoe ze het schoolhoofd, meester Koopman, weghaalden. Hij gaf les in de consistorie van de gereformeerde kerk (want de Openbare Lagere School was door de Organisation Todt gevorderd) toen Tieme, een zeventienjarige jongen van Boers, hem kwam waarschuwen dat er Duitsers aan zijn deur waren geweest. De kinderen zagen hoe hij met Tieme meeliep. Hij had op de boerderij van Tiemes’ ouders al even onder de grond gezeten toen enkele lange jassen, die op de kerktoren met een verrekijker rondkoekeloerden, hem alsnog op het erf ontdekten. Hij stierf in een concentratiekamp. Andere slachtoffers in het dorp Dwingeloo: de gereformeerde dominee Geertsema, twee politie-agenten (waaronder de moedige Dolfing), de plaatselijke commandant van de marechaussée, de boswachter en een bosarbeider. (Straks iets over de joden.)

In huize Vondeling aan het Westeinde werd er bijna iedere avond naar radio Oranje geluisterd, niet alleen door mijn grootouders, maar ook door bezoekers. “De hiele kamer zat soms vol.” Zo kwam daar regelmatig de uit Den Haag geévacueerde en op Oldengaerde woonachtige generaalsweduwe Hasselman, wier zoon piloot op een RAF-bommenwerper zou zijn, en van wiens vluchten boven het frontgebied ze door gecodeerde berichten via Radio Oranje op de hoogte scheen te kunnen raken. Toen oom Jan, de oudste broer van mijn grootvader, eind 1944 vanuit Delft, waar hij chef monteur op de gistfabriek was, naar Dwingeloo kwam om weer op krachten te komen, vroeg mevrouw Hasselman of hij een stuk spek voor haar zuster mee wilde nemen naar Den Haag. Hij moest het wel persoonlijk afgeven. Deed er bij het opgegeven adres een lakei de deur open. Bleek het een paleis van de koninklijke familie.

Op Oldengaerde woonden ook Haagse juffertjes die gemeenzaam omgingen met Duitse officieren. Mijn moeder weet nog steeds niet wat ze daar nou van moet denken, het leek toch niet “richtig” te wezen. Ordinaire moffenmeiden of gesophisticeerde spionnes? Hoe dan ook, als de radio weer eens werd aangezet, kreeg mijn moeder, die toen een een jaar of dertien-veertien was, opdracht liedjes te zingen om de zaak te overstemmen, en zodoende voor de Duitse kostgangers verborgen te houden. “Op de grote stille heide dwaalt een herder eenzaam rond…” “Ach”, verzuchtte Emil Buntzen eens, “was singt das kleine Gretchen doch schön…”

Overdag stond het radiootje uit zicht in de hoek achter een dikke crapaud. Op een avond wees Emil naar die stoel en fluisterde: “Aufpassen”. Men kon beter niet naar de radio luisteren als zijn collega Karl in de buurt was: “Er ist nicht zu trauen; nicht zu trauen, verstehen sie?”. Mijn grootmoeder deed net of ze het niet begreep. Men wist immers niet wat men aan elkaar had.

Vlak voor kerst 1944 ontdekte mijn grootmoeder, toen ze op de kamer van de beide Duitsers zat te snuffelen, dat aan ieder drie flessen schnapps waren uitgereikt. Even tevoren hadden de onderduikers nog verzucht dat ze best wel eens een borrel zouden lusten, iets waarmee mijn grootvader hartgrondig ingestemd had. Mijn grootmoeder goot een scheut jenever uit iedere fles, en vulde die weer aan met kraanwater. “Potverdikkeme”, vroeg mijn grootvader ’s nachts in bed,”hou bist doar an koomm?” Zij vertelde het: “Ze hebt ’t oeteindlek ook van ons esteul’n”. Mijn grootvader was bang dat het uit zou komen maar die vrees bleek ongegrond. “Bij de bezetters heetten de Nederlandse vrouwen niet ten onrechte duivelinnen gelijk.”

Geplaatst op 4 januari 2008 e

Mijn moeder zag ze omlaag komen. Dokter Dinkla bracht ze eerst hals over kop op de motor langs achterafwegjes naar de wijkverpleegster, zuster Aukje ter Heide, de latere vrouw van mijn oud-oom Anton, die bij ene Strijker in de kost was. Bij haar hebben de vliegers een halve nacht onder het bed gelegen, maar daar konden ze niet blijven omdat het geronk van de artsenmotor uiteraard niet onopgemerkt was gebleven. Vervolgens gingen de vliegers naar het Groene Kruisgebouwtje van het dorp. Dokter Dinka haalde ze daar ook weer vandaan. De zaak werd verraden en de Duitsers kwamen op het spoor van Dinkla, die zichzelf even voor hun bezoek een kerf op het voorhoofd toediende om te kunnen zeggen dat hij de piloten niet vrijwillig geholpen had. Zodoende redde hij zijn vege lijf. De piloten wisten via een ondergronds lijntje weg te komen. Jaren later schijnt er in ’t Nieuwsblad van het Noorden een artikel over deze ontsnapping te hebben gestaan: men was op zoek naar de onbekende helpster. Maar tante Aukje heeft zich nooit willen melden. Ze had niet zoveel op met lintjes.

Eveneens vlak voor de Bevrijding nam een Duitser op straat de fiets van mijn moeder af. Ze wilde hem eerst niet meegeven, maar kreeg een flinke tik over de vingers en moest wel loslaten. ’s Avonds vertelde mijn grootmoeder het aan Emil Bundtzen. De volgende dag had mijn moeder haar fiets terug.

Op de dag voor de bevrijding van Dwingeloo (10 april 1945) trokken de Duitsers af naar het noorden, richting Groningen en Delfzijl. De door de dwangarbeiders aangelegde versterkingen bleken van nul en generlei waarde, aangezien ze het front naar het westen hadden en de Canadezen vanuit het oosten op kwamen zetten. De Duitsers vorderden paarden en koeien. De dikke boeren waren zo verstandig geweest hun beesten van stal te halen en de wei in te drijven, maar buurman Eise van der Helm, een keuter (ik heb hem nog gekend als stokoud mannetje) had dit verzuimd en werd zo het slachtoffer. Mijn moeder heeft hem in de kamer zien zitten, schreiend als een kind.

Dezelfde dag heeft ze op de Brink, waar het gevorderde vee ingeschaard stond, leren melken. De melk mocht gratis mee naar huis. Om twaalf uur ’s nachts vertrokken Emil en Karl, maar om half vijf ’s ochtends kwamen ze nog even terug om de allerlaatste spullen op te pikken. Emil snikte dat hij Hitler schrecklich vond en dat opa en oma gute Menschen waren.

Om zeven uur kwamen er Canadezen op de logeerkamer – de britsen waren zogezegd nog warm. De officier van het stel nam oom Frans die dag mee voor een oriëntatie op de omgeving. Van die gelegenheid bewaarde oom Frans een Canadese stafkaart. “Elk weggetje en elk bosje stond erop”. Bij de meisjes van het dorp maakten de Canadese soldaten zich vooral populair met chocoladerepen.

Direct na de Bevrijding werd mijn grootvader gevraagd voor de Binnenlandse Strijdkrachten (BS). Een week later bedankte hij echter alweer voor zijn lidmaatschap uit woede over het gedrag van de plaatselijke commandant, de gereformeerde schoenmaker en postbode Katenberg. Bij het ophalen van de NSB-ers was deze Katenberg in het huis van Hendrik de Ruiter in het wilde weg zijn “spuit” (pistool) gaan gebruiken. De gezochte, die zich op een vliering schuil hield, miste hij op een haar na. Ook maakte Katenberg zich schuldig aan diefstal van serviesgoed uit de uitzet van een aanstaande bruid, Klaasje Dekker. Na de woedende opzegging van mijn grootvader kreeg zij haar spullen terug.

Voor de inkwartiering der Canadezen ontvingen de dorpsnotabelen naderhand vergoedingen. Zoniet mijn grootvader. Hij noemde het wel eens tegen deze of gene autoriteit, maar diende geen klacht in. Zo was hij niet: “Je moet as kleine zelfstandige die lui van de gemiente ook niet tegen die kriegn.”

Na de oorlog ontving de familie Vondeling vanuit de Russische bezettingszone van Duitsland nog een briefkaart van Emil Bundtzen. Hij en zijn familie waren de oorlog heelhuids doorgekomen en maakten het goed. Hij hoopte van de Vondelings hetzelfde. Mijn moeder heeft de kaart nooit te zien gekregen. Mijn grootmoeder had zo’n bloedpest aan de moffen gekregen, dat ze er nooit op wilde antwoorden, hoewel ze later toegaf dat Emil best sympathiek was. Je had ook goeie Duitsers – vooruit.

De joden van het dorp, die kwamen er dus minder goed vanaf. In 1942 of 1943 waren de families Cohen (in manufacturen) en J.van Oosten (ook middenstand) uit Dwingeloo weggevoerd, evenals een alleenstaand “wiefie” van 85 jaar, dat bij de schoolgaande jeugd bekend stond als Jetje. Veel spullen gaven de joodse families in bewaring bij collega-middenstanders, daar waar het ’t minst opviel. Zo kreeg de fietsenmaker fietsen, en mijn grootvader radio’s. Na de oorlog meldde zich een broer van Cohen bij de diverse ‘bewariërs’ met de mededeling dat binnen zijn familie de afspraak was gemaakt dat degene die overbleef de spullen zou krijgen. Mijn grootvader vroeg die broer hoe hij op de hoogte was geraakt van het feit dat hij iets in bewaring had. Die broer antwoordde dat zulks per brief geschied was. “Over de post?”, vroeg mijn grootvader. “Ja”, zei Cohen. Mijn grootvader kwaad. Op “jodenbegunstiging” stond immers concentratiekamp of zelfs de doodstraf, en de Duitsers maakten verdachte post open. De Cohens hadden die afspraak op een andere manier moeten maken. Nee, hij zou zich nog eens uitsloven.

Ook na de oorlog kwam er een enquète-formulier van het Academisch Ziekenhuis in Groningen, bestemd voor alle mensen bij wie ooit een nier was weggenomen. Eenzelfde formulier had mijn grootmoeder in de oorlog ontvangen, maar oningevuld gelaten. Op dit nieuwe formulier stond de vraag waarom ze het eerste exemplaar niet had opgestuurd. Haar antwoord was dat ze gehoord had dat Hitler na de joden alle zwakke mensen wilde afmaken.

In 1944, 1945 en 1946 is het aantal op electriciteit aangesloten huishoudens in Dwingeloo niet toegenomen. Nadien groeit het aantal aansluitingen weer gestaag. Wat betreft het aantal nuttig afgegeven kiloWatt-uren per aansluiting is er vanaf de bevrijding een snelle toename dankzij het eind van de stroomdistributie en herstelwerkzaamheden aan centrale en infrastructuur. Eind jaren veertig is men in dit opzicht zover dat het op basis van vroegere cijfers voorspelbare debiet weer gehaald wordt. Het is een ontwikkeling die zich in de jaren vijftig gewoon doorzet. Mijn grootvader moet tijdens de Wederopbouw hard hebben gewerkt.


‘Doe het electrisch!’

Geplaatst op 3 januari 2008

De DBNL heeft weer een nieuw vrachtje teksten op het web gezet, waaronder de mooiste liedjes van Louis Davids. Daar zit veel bekend spul tussen, zoals ‘Het hondje van Dirkie’, ‘De olieman’, en ‘Een reisje langs de Rijn’. Maar mij persoonlijk sprak toch het meest aan een liedje dat Davids circa 1930 op de plaat zette om reclame te maken voor electrische stroom. Want in die tijd belandden mijn grootvader Vondeling en vijf van zijn broers allemaal in het electricteitsvak, duidelijk een booming business, zoals ruim een halve eeuw later de ict.

Hier is de tekst van ‘Doe het electrisch’.

En hier een uitvoering van het lied:


Foggy Foggy Night

En zo zag de omgeving van het Herewegviaduct er met oud & nieuw uit (diashow).


Gedwongen winkelnering bij regionale cultuurprojecten

Stel er is een overheid en die overheid spendeert jaarlijks een riant bedrag aan culturele projecten. Om voor dit geld in aanmerking te komen moeten mensen of groepjes mensen plannen indienen, die aan bepaalde, vooraf geformuleerde criteria voldoen. Formeel toetsen politieke bestuurders de ingediende plannen aan die uitgangspunten, en wie er het best aan voldoet krijgt geld voor zijn plan.

Tot nu toe niets aan de hand. Maar dan. Voor de toekenning van de subsidie stellen de politici als eis dat bepaalde culturele ondernemers het project zakelijk en organisatorisch trekken. Dat lijkt gedwongen winkelnering, al is daar in een dunbevolkt en laaggeschoold gebied best iets voor te zeggen. Immers, daar is het denkbaar dat zo’n cultuurproject bij alle mooie bedoelingen over geen enkele reële organisatorische ervaring beschikt. En dan is het natuurlijk wel handig om een ervaren professional achter de hand te hebben, want bij zo’n project komt er nogal wat kijken en als je het wiel helemaal opnieuw moet uitvinden loopt er geheid het nodige mis. Bovendien zorgt deze werkwijze voor een permanent stukje werkgelegenheid in een regio waar die professionele ervaring anders wellicht ontbreken of uit wegsijpelen zou.

Er zijn dus wel degelijk argumenten te verzinnen voor zo’n gedwongen winkelnering bij de uitvoering van culturele projecten in een dunbevolt gebied. Maar de bevoorrechte ondernemers moeten dan hun plaats wel weten. Ze zijn uitvoerders, dienstverleners, service-verschaffers. En géén beleidsmakers. Met de selectie van projecten horen ze zich absoluut niet te bemoeien, ook niet als informele adviseurs.

Het lijkt er echter op, dat dit onderscheid in de provincie Groningen sterk aan het vervagen is, en dat de culturele ondernemers, de winkeliers waarbij cultuurprojecten gedwongen organisatorische ervaring moeten inkopen, ook bij de selectie van projecten al een flinke vinger in de pap hebben. De dienstverleners mogen dus, zeg maar, ook nog eens hun eigen klandizie uitzoeken. Vandaar dat we bij al die kortlopende projecten steeds weer dezelfde namen voorbij zien komen. Vandaar ook het wijdverbreide en nauwelijks te ontkrachten geloof, dat deze ‘subsidieslokkers’ verdomd goeie maatjes zijn met de politiek, en elkaar erg handig de bal toespelen.

Waar de politiek culturele ondernemers in het zadel houdt met een gedwongen winkelnering, moet dezelfde politiek bij de selectie van projecten juist geen oren naar die ondernemers laten hangen. In dat geval namelijk, is het verwijt van vriendjespolitiek terecht, en kan je net zo goed die hele projectmatige poppenkast afschaffen, om zo’n organisatiebureau te incorpereren in de ambtenarij. Dan is tenminste helder waar de macht over de gesubsidieerde cultuur ligt.


Schipper luidt Nieuwjaar in met misthoorn

(Dit filmpje werd op 7 januari 2007 op Google-Video gepost. De laatste jaarwisseling was toepasselijker geweest, maar ja.)