Onwaarschijnlijke paarden van Troje
Geplaatst op: 8 februari 2008 Hoort bij: Kunsten 10 reacties
Bij een verhaal over klassieke retorica plaatste de UK deze week deze pica van Tiepolo uit de achttiende eeuw. Een gevangen genomen belegeraar heeft de Trojanen diets gemaakt dat het kolossale paard dat achterbleef een offer aan de godin Athene is, en met zijn allen doen ze hun best om het binnen de muren van hun stad te slepen. Tiepolo heeft daarbij vooral de begeerte der Trojanen in beeld willen brengen. Het duwen en sjorren gebeurt nogal fanatiek, zelfs de vrouwen doen eraan mee.
Tiepolo’s schilderij, dat ik niet kende, deed me sterk denken aan een ouder werk, dat een anonieme Antwerpse meester, mogelijk Gilles van Valckenborch, rond 1620 maakte:

Hier zijn we al een eind verder in het verhaal en komen de verstopte soldaten ’s nachts uit het holle paard, om de wachten te overrompelen en de poort van de stad open te zetten.
Misschien heeft Tiepolo dat oudere schilderij gezien. In elk geval komen de paarden overeen in die zin, dat het nogal onwaarschijnlijk lijkt dat ze zoveel soldaten zouden kunnen bevatten. Bij het Paard van Troje stelde ik me ook altijd iets veel groters en primitievers voor. Hoewel overrompelingen van steden door kleine, binnengesmokkelde detachementen wel degelijk voorkwamen, denk maar aan het turfschip van Breda.
‘In de misdadige hope van omwenteling’ (1799)
Geplaatst op: 7 februari 2008 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen
De brief bevat een prachtige taxatie van de politieke stemming op dat moment in het Oldambt. Hij werd op 22 juli 1799 verzonden door ds. Johannes Mensinga, de stokoude predikant van Meeden, maar dan in zijn rol van voorzitter van het Plaatselijke Bestuur. Want ook in het Oldambt speelden predikanten een belangrijke rol in de patriottenbeweging.
Die Plaatselijke Besturen, de eerste, nog patriotse gemeeentebesturen, waren in het Oldambt niet bepaald geliefd, zo blijkt uit Mensinga’s brief. Populair waren evenmin de grondvergaderingen, waarin de patriotse burgers hun keuzes bepaalden. Velen durfden niet eens zo’n stemgerecht burger te worden, zo Orangistisch was de heersende opinie in het Oldambt. Daar weigerde men een buitengewone belasting te betalen en vervloekte men de burgerwapening, een soort van dienstplicht. Mensinga was bang dat de vlam in de pan zou slaan en vroeg het Departementaal Bestuur in Leeuwarden om de overkomst van een klein detachement soldaten, dat de lokale gemoederen vrees in moest jagen.
Hier zijn taxatie:
“Dat het alom bekend is, hoezeer men in ’t algemeen alom in het Oldamt, als deeze plaats in ’t bijzonder, zeer verbittert en tegenkantig is tegens de tegenswoordige Regering en orde van zaaken. Zodat wist men eenigen weg en durvde men die ondernemen tot omkering van zaaken op heeden, men an morgen niet zou wagten. En des de plaatselijke Bestuuren niet alleen dodelijk gehaat zijn, en zoo veel mogelijk is, en men durft en kan tegenloopt, en konde men dezelve alsmeede ook de grondvergaderingen heden uit den weg krijgen, niet zou nalaten. Gelijk ook vele zijn die uit vreze hunner nering te verliezen geen Burgers durven worden, of in de grondvergaderingen compareren.
Dat men ook hier met allerleye gerugten en uitstrooisels elkanderen stijft, en al lange gestijft heeft, in de misdadige hope van omwenteling met een 8 à 14 dagen à 3 weeken te wagten. En daardoor desgelijks ook in wanwilligheid en agterblijven in de betaling des Extra-ordinaire geldheffingen, onder allerleije uitvlugten en voorwendzels, en zelfs alsof men wegen de menigte der agtergebleven, de boete nooit zou konnen en durven executeren.
Dat wij wel tot nog toe niemand wegens openbare misbedrijven en bandeloze daden van oproerigheden of aanstokerijen konnen en durven beschuldigen, het evenwel openbaar is dat de gemoederen zo alom als hier vrij heet en onvergenoegd zijn. Zoo wegens de boeten, die men thans hoort dat zonder conniventie (= oogluiking, HP) zullen geheven worden wegens de onbetaalde termijnen van geldheffingen eeven vermeld, alsmede ook inzonderheid wegens de opschrijving der Ingezetenen tot de bij elk gevloekte Burgerwapening, eeven als of alle ouders haar kinderen gezamentlijk tot buitenlands soldatendienst, en tot een onvermijdelijke slagtbank moest opbrengen, gelijk men elkander wijs maakt en daartegen opzet en woedend maakt. Zoodat wij niet ontveinsen konnen, neffens veelen niet te zijn zonder vrij wat vrese en bekommering van gevaar van oproer, wanneer eens een of ander booswigt of dronken bolle in gelegenheeden van volksverzamelingen, als bij verkopingen etc. – daar ook elk nog al zijn deel van de drank neemt, en gelegenheden van instigatie daartoe zijn – losgelaten wierd, tot zulke wanbedrijven of ophitzing van reeds zeer verhitte en verbitterde, ja woedende gemoederen, zoodat wij met alle onze attentie en waakzaamheid daarvoor niet reponderen konnen.”
De Pete Best van Solution
Geplaatst op: 6 februari 2008 Hoort bij: Muziek Een reactie plaatsenAd Kooi ken ik voornamelijk van mijn vroegere stamcafé, waar hij vaak om half een ’s nachts arriveerde en enkel spa of jus dronk, en nimmer alcohol. Ik vroeg me dan altijd af wat daar nou aan was, als een geheelonthouder naar de kroeg gaan, maar goed, dat is nu even irrelevant. Eens vertelde Ad me daar, dat hij eind jaren zestig deel had uitgemaakt van de befaamde Groninger symfonische rockband Soulution. En ook, hoe hij totaal onverwacht uit die band was gegooid. De andere jongens dachten dat ze een betere bassist konden krijgen, maar durfden hem dat niet rechtstreeks te vertellen. Daarom lieten ze de moeder van een van hen Ad opbellen, om het slechte nieuws te brengen.
Niet veel later veranderde de band zijn naam van Soulution in Solution, en begon ze nationaal furore te maken. Zoals de Beatles Pete Best hadden, had Solution Ad Kooi. Dertig jaar na dato kon Ad zich nog kwaad maken om de rotstreek die ze hem leverden. En ook nu lijkt hij er zich nog over te kunnen opwinden. Lees het interview maar, dat het Poparchief Groningen onlangs op zijn site plaatste.
Beelden van het reunieconcert van Solution (2006):
Martinitorenliefde
Geplaatst op: 5 februari 2008 Hoort bij: Kunsten Een reactie plaatsenDusdanig groot is de liefde van Groningers voor hun Olle Grieze, dat ze hem in allerlei materialen nabouwen. Zoals in:
– borduurgaren:
– golfkarton:
– keramiek:
– en zilver:
De verblinde brugwachter
Geplaatst op: 4 februari 2008 Hoort bij: Stad nu Een reactie plaatsenEven na vijven, vanmiddag. Het is niet meer donker, als ik van mijn werk kom.
Befaamd etiquetteboek volledig online
Geplaatst op: 3 februari 2008 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsenFascinerend geschrift, dat Hoe hoort het eigenlijk? van Amy Groskamp-Ten Have. Sinds eergisteren is de vierde editie van 1940 in de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren (DBNL) opgenomen, en ik heb er urenlang in zitten grasduinen.
Je kunt er wel uit blijven citeren. Maar dat zal ik maar niet doen. Immers:
“Voor echte beschaving geldt: In de beperking toont zich de meester.”
Veel aanbevelingen van mevrouw Groskamp zijn ook wel erg gedateeerd. Wist u bijvoorbeeld dat er voor de oorlog in hotels en restaurants beroepsdansers aanwezig waren? Indien een dame met zo’n man wenste te dansen, moest zij hem na na afloop discreet een geldstuk in de hand zien te drukken. “Dit kan nooit minder dan ƒ1.- zijn”, aldus mevrouw Groskamp.
Voorbij, voorgoed voorbij is ook het aanzoek doen bij de vader van een beminde. Dat bleek een aangelegenheid waarvoor je ruim de tijd diende te nemen:
“Mijnheer zegt hij, ik ben gekomen om Uw toestemming te vragen om mij met Marietje te mogen verloven. Ik begrijp, dat U natuurlijk graag alles van mij en mijn familie en mijn omstandigheden wilt afweten.
De jonge man somt op: Namen zoowel van vaderszijde als van moederszijde van grootouders en ouders, beroep van vader en grootvader benevens de mogelijk in zijn familie voorkomende algemeen bekende persoonlijkheden. Voorts: zijn leeftijd, gezondheid, godsdienst, opleiding, evt. studie, diploma’s, betrekking, verdiensten, vooruitzichten en eenige namen van te goeder naam en faam bekend staande lieden, die bereid zouden zijn referenties omtrent hem te verstrekken.”
Het hoofdstuk dat mevrouw Groskamp aan de beletiquette wijdt, bezorgde me een fijne déja vu. Mijn ouders hadden rond 1960 namelijk als enige een telefoon in de straat en de buren kwamen dus bij ons telefoneren:
“Zij, die geen telefoon bezitten en voor het gebruik maken zijn aangewezen op welwillende buren, behooren hun aandeel in de kosten te betalen en als de buren daarvan niet willen hooren eischt de wellevendheid, dat zij door het zenden van bloemen met Kerstmis of een eetbaar geschenk met Sint-Nicolaas of door het bewijzen van een of andere beleefdheid, iets vergoeden.”
Dat gebeurde ook werkelijk. Tot de verzakelijking toesloeg en er om reden een tikker naast de telefoon kwam te hangen. Die tikkers bestaan inmiddels ook al niet meer, dacht ik.
Toch staan er naast veel obsolete ouderwetsigheden ook enige zaken in de Groskamp – ten Have, waarvan je het betreuren kunt dat ze zo erg in vergetelheid zijn geraakt. Knikken we elkaar bijvoorbeeld nog toe in de trein? Voor mij zou dat wel weer wat meer usance mogen worden. Zoals men ook Groskamps’ waarschuwing tegen zich vervelende kinderen wel weer ter harte zou mogen nemen:
“Zij, die met kinderen reizen dienen er voor te zorgen dat er voor de kleinen voldoende afleiding in den vorm van boeken, spelletjes, puzzles e.d. wordt meegenomen op een lange reis, daar men van kinderen onder de 12 jaar niet kan verwachten, dat zij urenlang stil zitten kunnen zonder veel te zeggen.”
Haast is lelijk, en de desbetreffende paragraaf bij Groskamp doet je weer eens beseffen hoe lelijk de wereld in dit opzicht geworden is. Ook haar hoofdstukje over sensatie snijdt nog zeker wel hout:
“Sensatie is een ander woord voor opzien, opschudding, verwondering en de zucht naar sensatie, die in onzen tijd bedenkelijke vormen begint aan te nemen, is de honger naar het buitennissige, het ongemeene, het erge, het hevige, dat men tracht te vervangen door het opblazen van onbenulligheden tot schrikkelijke gebeurtenissen.
De zucht naar overdrijving, die aan deze onpleizierige eigenschap ten grondslag ligt is allen beschaafde lieden vreemd: Rustig en weloverwogen zullen zij huns weegs gaan zonder zich in welk opzicht ook aan grove overdrijving, aan het verspreiden van alarmeerende berichten of het aanwakkeren van vreesaanjagende berichten schuldig te maken.
Het strijdt tegen de etiquette zich te verlustigen in schandaaltjes, kletspraatjes, kwaadsprekerijen, schande en ongeluk van derden. Beschaafde lieden houden zich niet bezig met dergelijke onderwerpen, omdat zij beter en belangwekkender onderwerpen hebben om over te praten.”
Betovergrootmoeder van Eije Wijkstra blijkt slachtoffer van moord
Geplaatst op: 3 februari 2008 Hoort bij: Geschiedenis 3 reactiesJan Blaauw sr. ontdekte dat de betovergrootmoeder van Eije Wijkstra, de man die begin 1929 vier veldwachters doodschoot in Doezum, ruim een eeuw eerder vermoord werd in Zuidhorn. Daarbij vraag je je af of dat verhaal ook in zijn familie is blijven hangen.
“Vooroorlogse uitstraling”
Geplaatst op: 3 februari 2008 Hoort bij: Stad nu Een reactie plaatsenIk vraag me dan af wat mensen, afgezien van de maatvoering, bedoelen met ‘vooroorlogse uitstraling‘.
Stedebouwkundig is er langs de vroegere ‘Brede Merct’ sowieso een heel andere situatie dan op het schilderij van Eerelman. Het is er veel minder ruim dan in 1920. Zo’n peerdekeuren zou je er nu niet meer kunnen organiseren.
Qua noordzijde zie je op dat schilderij van links naar rechts eerst een streep van Café de Unie. Dat was toen eigenlijk nog nieuwbouw, opgetrokken in Jugendstil. Dan volgen een negentiende en een achttiende-eeuwse pui (de laatste met het hekwerk op het dak) en daarnaast vind je dan weer een handvol Renaissance-gevels, voornamelijk uit de vroege zeventiende eeuw. Ik vermoed dat mensen bij ‘vooroorlogse uitstraling’ vooral aan die Renaissance-gevels denken, en minder aan de negentiende-eeuwse soberheid. Hoewel die er ook was. Wel degelijk.
Die Renaissance-gevels vinden we mooi om de ornamentiek: de spekbanden in het metselwerk, de tympaantjes en kopjes van engeltjes boven de ramen etc. Maar sinds Adolf Loos is ornamentiek uit de gratie bij architecten. Je zult er nauwelijks een vinden die daar nou zo in gelooft. Bovendien is het duur, zeker als er handwerk aan te pas moet komen, zoals bij die ‘vooroorlogse’ panden. Het gevaar is dat het al snel gedateerd wordt gevonden, en voor de ondernemers die straks alles moeten betalen zit het alleen maar in de weg, die willen zoveel mogelijk glas waar de klant doorheen kan kijken, glas dat ze kunnen optuigen met hun eigen reclame. Het uiteindelijke resultaat van alle touwtrekkerij zal dus eerder de negentiende-eeuwse soberheid zijn, dan iets wat refereert aan de Renaissance.
Als ik zou mogen kiezen tussen negentiende-eeuwse soberheid, en iets meer eigentijds en gedurfds, zou ik het wel weten. Zoals Max Dendermonde zei: “Je kunt nooit zuiver meer naar vroeger”.
Benjamin zoekt sponsors
Geplaatst op: 3 februari 2008 Hoort bij: Oosterpoort Een reactie plaatsenBenjamin (22) zit in een rolstoel en woont in De Klaproos, een instelling voor jeugdigen met een handicap, hier vlakbij aan de Barkmolenstraat. Benjamin vindt dat de leiding daar mekkert. Inmiddels zou de situatie onhoudbaar zijn, en hij wil vervangende woonruimte in de vorm van een vrachtwagen. Maar dat kost geld, veel geld. En daarom is Benjamin nu op zoek naar sponsors.
Gave woonark total loss door hoog water
Geplaatst op: 2 februari 2008 Hoort bij: Oosterpoort 6 reactiesGister is de gezonken woonark bij de Oude Graansilo weer op het Winschoterdiep getild – zie berichten a , b en c. Alleen c geeft een oorzaak van het zinken: “waarschijnlijk de hoge waterstand van twee week geleden”. Deze maakte dat de boot schuin aan de wal ging hangen en volliep. Alleen in het DvhN (op papier) komt de verzekeringsinspecteur aan het woord. Deze meldt dat de boot hoe dan ook een total loss is. “Eenmaal kopje onder, heeft de houten opbouw van een ark zwaar te lijden, en is er na een paar uur al geen redden meer aan”.
Volgens diverse media was de boot nog niet zo lang geleden op de helling geweest. Dat wil ik ook wel geloven. Een paar jaar terug klaagden sommige nieuwe flatbewoners van ‘Het Baken’ aan de overkant over de verveloze staat van de toen nog donkerbruin opgeschilderde woonboot, maar R. deed echt wel haar best om haar onderkomen ook een beetje toonbaar voor de overburen te maken. Toevallig kwam ik, eveneens gister, toen ik in mijn collectie op de tag Winschoterdiep zat te grasduinen, deze foto’s tegen:


Beide zijn van anderhalf, twee jaar geleden. Van vorige week zondag zijn deze:


Het zal je maar gebeuren. R., sterkte d’rmee.
‘Er gaat niets boven (HVB) Groningen’
Geplaatst op: 2 februari 2008 Hoort bij: Stad nu Een reactie plaatsenSinds de sluiting van het oude Groninger Huis van Bewaring, een poosje geleden alweer, zag ik meerdere fotoseries op het web voorbijkomen, onder andere gemaakt op de open dagen die er nog na de sluiting zijn geweest. Die series hadden het net niet, voor mij. Maar nu heeft ene EfromG een reeks op Flickr gepost, die zowel breder kijkt als dieper graaft dan de andere. Ziehier de slideshow.
Man verhangt vrouw, of de functie van een gerucht
Geplaatst op: 1 februari 2008 Hoort bij: Drenthe vrogger Een reactie plaatsenOp 19 februari 1760 schreef schulte Rudolf Steenbergen van Havelte aan D.G. baron van Dongen, hoe hem “gerugtswijse” ter ore kwam
“dat eenen Reynt Coops woonende aan de Havelder Koedijk syn vrou sou hebben opgehangen, dog dat het tou sou zijn gebroken”.
Baron Van Dongen, Assessor bij de Etstoel, de rechtbank van Drenthe, stuurde het briefje van de schulte terug naar Havelte, om precies te zijn naar huize Overcinge, waarvan de bewoner, Landschrijver (officier van justitie) Jan Kymmel, het verzoek kreeg om een onderzoek in te stellen. Ook verwittigde Van Dongen de allerhoogste justitiële en politieke autoriteit van Drenthe, Drost Van Heiden, die op dat moment in ’s Gravenhage verblijf hield. De Drost drong in een schrijven d.d. de 23ste februari eveneens bij Landschrijver Kymmel aan op een onderzoek.
Het was nog winter, de wegen waren bijna onbegaanbaar, maar Kymmel hoefde dit keer niet ver van huis en haard. De plaats waar de verdachte Reind Coops woonde, de Koedijk, bevindt zich immers tussen Overcinge en het Lok. Binnen een paar dagen had de Landschrijver dan ook een lijstje van maar liefst vijftien getuigen opgesteld. Dertien woonden in het kerspel Havelte en twee onder de klokslag van Nijeveen. Deze getuigen kregen allemaal de plaatselijke schulte of pander aan de deur, die ze aanzegde dat ze zich op zaterdag 1 maart om twaalf uur ’s middags in de herberg van R.J. Eppinge te Havelte moesten laten vinden om getuigenis der waarheid te geven.
Die bewuste zaterdagmiddag kwamen vijf van de vijftien getuigen niet opdagen. Maar geen nood, vijf andere mensen bleken bereid om voor de afwezigen in te springen. Waaruit we mogen opmnaken dat veel mensen op de hoogte waren van het ophangingsgerucht. Waarschijnlijk ging het als een lopend vuurtje rond in de omgeving.
Bij de verhoren wilde de Landschrijver uiteraard aan de weet komen of Reind Coops – op de heerdstedenlijst van 1754 nog een tweepaardsboer met de toenaam Vos – inderdaad geprobeerd had om zijn vrouw Margien op te hangen. Maar de getuigenissen werpen licht op veel meer dan dat. Ze laten ons zien wat een vrouw in het oude Drenthe kon ondernemen tegen mishandeling door haar man. Om die reden citeer ik de getuigen ook niet in de tamelijk willekeurige volgorde van opkomst, maar in de chronologie van een ontsporend en naar het schijnt weer helend huwelijk.
De getuige die tegenover de Landschrijver op de proppen kwam met de oudste herinnering aan de problemen tussen Reind en Margien was Andries Monies (37), een snijder (kleermaker) uit de omgeving. Hij herinnerde zich dat Margien twee jaar eerder al eens tegen hem klaagde over het gedrag van Reind. Toen al had Reind de gewoonte om brood en boter van merkjes te voorzien als hij het huis uitging. Blijkbaar was Reind, misschien omdat ze het niet al te breed hadden, bang dat Margien in zijn afwezigheid teveel van de gezamenlijke provisie zou verorberen. Maar bij dat wantrouwen bleef het niet – Reind had ook al eens een bot naar Margiens’ hoofd geslingerd, of haar ermee om de oren geslagen, zo precies wist Monies dat niet meer. In elk geval hadden Reind en Margien het nog wel zo breed dat er vlees op tafel kwam.
Jan Pieters Eppinge (ca. 60), een eenpaardsboer die in de directe omgeving van het echtpaar woonde, was net als Monies al langere tijd op de hoogte van de problemen tussen Reind en Margien. Ten tijde van de laatste Ruiner najaarsmarkt had Margien hem ’s nachts eens wakker gemaakt met het verzoek om met haar mee te komen, dan zou hij bij haar thuis kunnen zien hoe Reind daar “meester speelde”. Eppinge ging inderdaad met haar mee. In huize Coops bleek een broer van Reind, Jacob, al aanwezig. Een onhandelbare Reind sloeg Eppinge de muts van het hoofd, waarop de onfortuinlijke buurman maar weer wegging. Hij kreeg zijn hoofddeksel de volgende dag terug.
Maakten Monies en Eppinge melding van een langere voorgeschiedenis, de andere getuigen gingen louter in op de periode van ongeveer half januari tot half februari 1760. Albert Wolters Doot (53), een driepaardsboer, was met andere mensen op 18 januari op visite bij Reind en Margien. Margien tikte hem bij die gelegenheid steeds op de schouder, iets wat Doot ging irriteren. Uiteindelijk had hij gezegd: “Margyn, dat mag ik niet hebben”. Toen ze het achterhuis in ging was hij haar gevolgd en had hij haar gevraagd waarom ze dat eigenlijk deed, dat tikken op zijn schouder. Ze zei:
“Mag ik u bidden, gaat dog weg, en maakt dat het ander volk ook weg komt, anders kan ik bij Reynd niet verkeren”.
Hij vertelde haar wat voor praatje er rondging over haar ziekelijk jaloerse echtgenoot: dat die haar in de schoorsteen zou hebben opgehangen en nog een vuurtje onder haar zou hebben gestookt ook. Margien wist er niets op te antwoorden en had alleen maar stil geschreid.
Het gerucht ging dus midden januari al rond, en het zou nog een maand duren voordat de Havelter schulte er werk van maakte. Jan Geugies Eppinge (60), een vierpaardsboer, kwam op de avond van 24 januari samen met Reind en diens broer Roelof van Meppel. Reind, die dronken was, begon na aankomst in zijn huis meteen op Margien te schelden: “Blixemsche hoer”. Ook dreigde hij haar te slaan, maar daar kwam het niet van, wellicht dankzij tussenkomst van zijn beide metgezellen. Toen Reind weer enigszins bedaard was hield Jan hem voor “hoe hij 10 duivels wesen kon”, iets wat Reind als belediging opvatte, waarvoor hij Jan een blauw oog sloeg. Maar de volgende dag toonde Reind hierover “groot berouw” en verzocht hij Jan het geval stil te houden. Reind wilde blijkbaar niet aangebracht worden op de goorspraak, iets wat hem hem ook een lieve duit had kunnen kosten. Overigens hoorde Eppinge pas acht dagen later van Evert de Boer dat het “al slimmer” werd met Reind, en dat Reind zijn vrouw in de schoorsteen had opgehangen en onder haar een bos stro op het vuur had gelegd.
De getuigenissen van Arent Coops Woltman (40), die op de Galgekamp onder Meppel woonde, Albert Wolters jr. (23), de zoëven al ter sprake gekomen Evert Arends de Boer (28) en Pouwel Gerrits (30) betroffen alle een dag op het eind van januari. Woltman, tegen wie Margien eerder al eens klaagde dat Reind haar had willen verdrinken, kwam die bewuste avond op zijn paard van Diever, samen met de Nijevener Hindrik Hoekman. Om een uur of acht à negen passeerden ze huize Coops, waaruit ze “gekrijt en geschreeuw” hoorden komen. Woltman sprong van zijn paard en liep het huis in. Daar zag hij dat Reind Margien tegen de grond had geslagen. Woltman greep Reind bij de lurven en zette hem tegen de deur, waarop Reind “agter in de bulte” de benen nam. Na een poosje vroeg Margien Woltman of hij Reind weer in huis wilde halen,
“om reden dat sij, wanneer getuige en Hoekman wegwaren bij hem niet verkeeren konde”.
Zo gezegd, zo gedaan, Woltman haalde Reind weer in huis en vertrok toen die geheel bedaard leek te zijn.
Dezelfde avond kwamen Albert Wolters jr. en Evert Arends de Boer uit de tegenovergestelde richting, van de Nijentap. Ter hoogte van huize Coops hoorden beide geruzie en waren ze gaan luisteren. Ze hoorden Reind roepen “dat hij liever bij het bonte peerd in de stal wilde liggen als bij haar op bedde”, “dat wanneer Margyn dood was hij beter de kost kon winnen als nu”, “dat het er so niet langs sou of souden sij elkander ophangen”, “dat het hem niet scheelen kon al hingense elk in een hoek van het huis” en uiteindelijk “dat hij hadde een goed wijf en hoopte dat hij den Hemel mogt krijgen en sij ook”. Op het moment dat Reind begon te zingen, dropen de luistervinken af.
Uit veel verhoren laat zich opmaken dat Margien hulp zocht bij mannelijke schoonfamilie en mensen uit de directe omgeving. Dat de informele zwager- en naberhulp in dit geval weinig uithaalde en dat er de dreiging van een zwaardere en formele sanctie aan te pas moest komen, blijkt uit het volgende getuigenis.
Albert Harms Vrind (45), tweepaardsboer, kwam samen met Jan Sol (50), die zijn boerenwerk met één paard deed, begin februari in huize Coops. Reind was afwezig en Margien begon meteen tegen beide mannen over de “quade behandelinge, die sij van haar man moest uitstaan”. Reind gunde haar het eten niet en merkte brood en boter als hij uitging. En als hij daarna dronken weer thuiskwam moest ze altijd zorgen dat ze de messen en de “asschenschuppe” (asschop) verborgen hield. Ze had Reind wel eens moeten ontvluchten in de hooihoek of op de balken, waar hij haar met mooie praatjes van af kreeg, maar haar dan desondanks om de oren sloeg met een builtje geld. Ze vertelde erbij dat Reind haar eens “de verborgene delen des Lighaams an den onderbuik hadde willen opscheuren of opsnijden”. En die bewuste morgen nog had Reint haar zo geslagen dat haar billen er bont en blauw van waren. Albert en Jan moesten dan ook niet raar opkijken als ze eerdaags te horen kregen dat ze dood was, maar dan was dat niet op een natuurlijke manier gebeurd.
Net als Doot eerder, hield Sol haar het gerucht voor, als zou Reind haar in de schoorsteen hebben opgehangen. Margien gaf hier niet direct sjoege op, maar vroeg Sol wel om Coert de scheper (een broer van Reind) eens bang te maken door Coert te vertellen dat de Landschrijver al kennis van dat gerucht had. Sol praatte inderdaad met Coert, maar of die het er met zijn broer over had gehad, wist hij niet.
Nog voordat justitie werkelijk weet kreeg van het ophangingsgerucht, wilde Margien Reind al door derden laten bedreigen met justitie. Dat deze dreiging effectief was, blijkt uit de rest van het verhaal, maar ook dat het succes ongewenste vormen dreigde aan te nemen.
De al eerder aangehaalde Andries Monies kwam omstreeks 8 februari langs huize Coops. Hij bracht een schepel rogge naar Meppel en Margien riep hem binnen om de nieuwe koe in het achterhuis eens te komen bekijken. Toen het beest van alle kanten gemonsterd was, begon ze over de “gerugten die in het Carspel omgingen van dat Reynd haar hadde opgehangen”. Monies vroeg laconiek of die geruchten dan niet op waarheid berustten en Margien ontkende. Ze voegde er echter aan toe “dat Reynd anders hard genoeg over haar was”.
Een week later kwam Margien bij Femme Freriks (47) buurten. Ze verzuchtte: “Wat er nu gesegt wierde dat haar man haar in de schoorsteen sou hebben opgehangen”. Femme hield zich een beetje op de vlakte en antwoordde dat ze daar wel van had horen spreken, waarop Margien zei: “Ik hebbe het quaad genoeg bij mijn man, maar ik mag wel versinken so mijn man mij heeft willen ophangen…”. Ze gaf evenwel toe dat Reind haar meermalen gedreigd had “de hals te willen uitsnijden, en dat sij altijd moest oppassen om de messen te verbergen”.
De dag voordat de schulte Steenbergen zijn meldingsbrief aan baron Van Dongen schreef was Roelof Jacobs Smit (ca. 44) nog bij Reind en Margien over de vloer geweest. Beide echtelieden hadden bij die gelegenheid het gerucht ter sprake gebracht en beide hadden ze de ophanging ontkend, Reind zelfs met de opmerking, dat als het waar zou zijn, “dat hij als dan op de Berg wel in een voer stro mogte werden verbrand”.
De vreedzame coëxistentie tussen de beide echtelieden scheen dus al enigermate hersteld te zijn voordat het bevoegd gezag in actie kwam. De laatste twee getuigen die ik wil citeren zijn Jantien (45), de vrouw van driepaardsboer Bartelt Wolters en Anne, de vrouw van Coop Borgers (44).
Tegen Jantien had Margien vaak geklaagd over het merken van brood en boter door Reind en over Reinds’ losse handen, waardoor ze meermalen een blauw oog opliep. Ook wist Jantien van Margien dat Reind haar wel eens in het vuur had willen gooien, “maar hadde geen nood gekregen dewijl het ontkomen was”. Toen het gerucht rondging dat Reind haar in de schoorsteen had opgehangen, kwam Margien nog bij Jantien thuis om het te ontzenuwen. Ze vroeg Jantien om de schulte eens te ontbieden om die te zeggen dat het gerucht vals was. Maar Jantien was daar niet aan toegekomen.
Buurvrouw Anne tenslotte, maakte gewag van een voorval dat nog heel vers in het geheugen lag. Dominee Dekker was met de twee ouderlingen het erf van Margien en Reind opgestapt. De kerkeraad wilde eens een hartig woordje wisselen met Reind, maar Reind noch Margien gaf thuis. Nadat de consistorialen onverrichterzake uit zicht waren verdwenen ging Margien bij buurvrouw Anne langs om te vragen wie daar toch aan de deur waren geweest. Margien verklaarde dat Reind bij het horen van vreemde voetstappen op het erf behoorlijk in de piepzak had gezeten; hij dacht dat hij gevankelijk naar Assen zou worden gevoerd. Mocht Anne bijgeval horen dat Reind inderdaad naar Assen zou worden gebracht, dan moest ze Margien maar gauw komen waarschuwen.
Kortom, Margien stak de mishandelingen door Reind niet onder stoelen of banken. Toen de bemoeienissen van zwagers, nabers en verdere kennisen op zich geen blijvend effect sorteerden, wist ze het voor elkaar te krijgen dat Reind via-via met justitie zou worden bedreigd. Hij zou wel eens naar het hondegat in Assen gestuurd kunnen worden en vervolgens op een schip naar Oost- of West-Indië(dat waren sancties in dit soort gevallen). Maar dat justitie zich werkelijk met Reinds geval ging bemoeien, daar had Margien ook weer weinig belang bij. Per slot van rekening verdiende Reind het grootste deel van hun brood, boter en vlees.
Laten we tot slot Margien zelf aan het woord – want ook zij werd door Landschrijver Kymmel aan de tand gevoeld, zij het niet onder ede. Ook tegenover mr. Kymmel verklaarde Margien dat het gerucht voor ophanging ten ene male vals was,
“maar dat het egter waar was dat sij sedert twe jaren herwaarts veel van haar man hadde moeten lijden en uitstaan, als hebbende haar menigmaal gestoten en geslagen, ook wel gedreygd de keel uit te snijden, maar dat sedert het gerugte in het caspel gekomen was van het ophangen, Reynd haar nog met woorden of daden qualyck hadde bejegend of mishandelt, maar dat hij geduirig sedert die tijd niet anders gedaan als krijten en lamenteren dat hij so onschuldig beschuldigt wierde. Gepasseerde donderdag en vandage hadde Reynd tegen haar gesegt: Margyn, laten wij in vrede leven, ik belove u, ik zal u noyt weer uitschelden of anroeren om te slaan, en haar daar de hand op gegeven”.
Met andere woorden: Reind was na het vernemen van het gerucht dat over hem rondging bang en klagerig geworden en zo mak als een lammetje. Hij beloofde Margien plechtig beterschap. Margien had haar doel bereikt. En zo liep het geval met een sisser af…
—
Dit verhaal is gebaseerd op een dossier in het archief van de Etstoel, “Informatiën genomen tot Havelte den 1 maart 1760 over de quade behandelinge so Reynd Coops an de Havelder koedijk wonende an syn vrouw sou hebben gedaan.” Aanvullende gegevens kwamen uit de Havelter heerdstedenlijsten van 1754 en 1764.








Recente reacties