Ongegund brood overal aanwezig
Geplaatst op: 6 juni 2008 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen
Bij het doorlichten van Van Lennep en Ter Gouw op Groningen, zag ik dat – zoals Lars Sanders hier ook al meldde – zij eveneens het motief van de kat, de uil en de muis behandelen. Ze geven zelfs maar liefst zes voorbeelden van (pag. 158 – 160). Maar, daar zitten weer niet de gevelstenen in Onderdendam en Ommen bij.
Hun voorbeelden kwamen uit Warnsveld (bakkerswinkel), Utrecht, van de weg tussen Breda en Tilburg (boerenherberg), Veendam (werfhuis voor zeevolk), Dordrecht (uniformen-kleermaker), en van de weg tussen Steenbergen en Wouw (twee herbergen tegenover elkaar). Daarmee blijkt het verschijnsel een landelijke dekking te hebben gehad, en niet voornamelijk Noordoost-Nederlands, zoals ik meende.
Van Lennep en Ter Gouw bewaarden hun lekkerste verhaal voor het laatst. De voorstelling met kat en uil vloeit daarin voort uit een soort wapenwedloop:
“Aan den weg tusschen Steenbergen en Wouw werden Kat en Uil ook gevonden aan twee herbergen tegen over elkander, en daarvan wordt de volgende geschiedenis verhaald:
In de vorige eeuw was de Kat reeds een welbeklante herberg; onder de afbeelding van de Kat las men: in de Kat tapt men. Baas Stock, de bezitter van ’t huis aan de overzijde, besloot zijn konkurrent te worden, en liet een Muis op zijn uithangbord schilderen, en daaronder: in de Muis tapt men. Dadelijk liet baas Broos uit de Kat zijn bord veranderen, en gaf zijn kat een muis in den bek. Dit vond Baas Stock al te bijtend, hij wierp zijn Muis weg, en liet een Uil schilderen die ook een muis in den bek had. Naauwelijks hing die Uil daar, of baas Broos liet onder zijn Kat schrijven:
O Uil, wat dat gij nu benijdt,
De muis die is mij toegezeid.Baas Stock, niet linksch, deed dadelijk onder zijn Uil het antwoord schrijven:
O Kat, hoe zijt Gij zoo vermeten?
Het onrechtsbrood wordt meest gegeten.In 1825 woonden de zoons van beide konkurrenten nog elk in hun tapperij en leefden als goede buren. Doch de beide uithangborden waren toen reeds lang verdwenen, en de herbergen bekend als de Kat en de Muis.”
Van Lennep en Ter Gouw dachten al wel dat hun zes voorbeelden lang niet de enige zouden zijn:
“Vermoedelijk waren ze allen kopijen van een bestaande prent met de bijbehoorende toelichting.”
Ik heb heb meteen gekeken of die prent nog te vinden is. In de kunsthistorische databases die ik vanavond doorlichtte zit hij niet. Eerlijk gezegd denk ik ook nog steeds dat een fabel de bron vormde.

Zag ik je nou vanmiddag fietsen met een tasje van Uitgeverij kleine Uil?
Kan kloppen. Daar hebben ooit eens 3 x 100 gedichten in gezeten, de beste van Groningen, Friesland en Drenthe:
http://gelkinghe.web-log.nl/gelkinghe/2006/11/koopzondag.html
Ik geloof wel, dat ik de strekking begin te begrijpen. Iemand wil iets hebben enkel om de reden te weten, dat een andere of anderen het ook willen hebben. Is dit afgunst?