‘Sodemieter op, da’s mien koe’

Geplaatst op 3 april 2009  a

Melle Kuikman (88) reageerde op mijn oproep om verhalen over de veemarkt en de horeca eromheen. Zoals hij zegt: “Ik zat altijd op de veemarkt, ik ben er zowat geboren.”

Melle groeide op in de Nieuwstraat, in het gedeelte tussen de Duiker- en de Dijkstraat. Bij zijn ouders kwam ook wel Schaank, die in de jaren twintig nog een poosje een café had bij het pleintje van de Griffestraat. “Toen ik nog een baby was hield mij eens omhoog, boven zijn hoofd”, vertelt Melle. “En ik liet toen wat los. zeg maar. Dei jong het mie mazzel geven, zei Schaank altijd tegen mijn moeder.”

Nadat Schaank zijn café voor gezien hield, werd hij veekoopman, en dat is hij tot zijn dood toe gebleven, vertelt Melle. “Hij was mijn kameraad en heeft mij grootgebracht op de veemarkt. Ik was wijs met hem, ik was altijd bij hem, ik ben jaren met hem opgetrokken, hij heeft mij de handel geleerd. Toen ik later bij Reinier Muller werkte, was ik niet te houden als het marktdag was, dan moest en zou ik naar de veemarkt. Ik zat altijd op de veemarkt, ik ben er zowat geboren.”

Melle wijst erop, dat er ook wat verder van de veemarkt af nog café’s waren, wier bestaan samenhing met de veemarkt. Zo hadden de café’s Roggen aan de Brink en Topper aan de oostzij van het Winschoterdiep veestallingen. Midden in de Houtzagerstraat was er een café, “dat alleen van de markten op dinsdag leefde”. En dan had je café Vos aan de Oosterweg tegenover de Oliemulderstraat. “Daar overnachtten vee-inkopers uit Holland en het buitenland”, vertelt Melle “De man schaften ze vaak 20, 25 koeien aan, die dan naar Holland of zo gingen – naar Holland gingen meest vette koeien die droog stonden.” Café Vos had twee gedeelten en voorin had je een staande bar waar je een “klein klokkie” kon kopen, al moest je wel blijven staan als je dat opdronk. “”Maar”, zegt Melle, “die kooplui dronken echt niet als ze nog moesten handelen, hoor. Voor mijn vader, die melkboer was, bracht ik er ’s morgens om kwart over zeven wel vijf kan melk heen op de fiets. Die melk zat in een busje aan het stuur.”

Het belangrijkste café aan de veemarkt zelf was volgens hem café Wichers, alias De Koppel Paarden, op Veemarktstraat 2, vlakbij de Oosterweg. “Daar was het verzamelpunt van de kooplui, dat wil zeggen buitenlanders en Hollanders. Er zat een veestalling bij en wat die kooplui kochten werd daar opgeborgen”. Eerst moesten dan de koeien die niet droog stonden, en dat waren de meeste, worden leeggemolken. Want melkkoeien werden als ze naar de markt gingen ’s ochtends vaak niet gemolken om hun uiers beter uit te laten komen. “Die uiers”, aldus Melle, “stonden na verloop van tijd hardstikke gespannen. Daarom waren de koemelksters ook zo gewild. Het ging om een stuk of vier, vijf, zes vrouwen, dat weet ik niet meer precies. Ze maakten onder elkaar wel eens ruzie, dan waren ze aan het bekvechten: Sodemieter op, da’s mien koe! Hun melk ging naar de Nijverheid, de zuivelfabriek op de hoek van de Meeuwerderweg en de Van Julsingastraat.”

Als de uiers leeg waren, moest het vee op transport. Melle: “Ik spreek nu van toen ik een kwajong was van een jaar of tien, elf, dus rond 1930. Het was een hele beroerde rottijd, de halve Oosterpoort was werkloos. En daar bij Wichers stonden verscheidene werkloze mannen en die mochten de koeien in koppels van drie bij elkaar naar de Verlengde Lodewijkstraat brengen.” Aan de andere kant van het spoor bevond zich de laad- en losplaats, waar het vee weer op de trein naar de plaats van bestemming werd gezet. “Daar brachten die werklozen het voor een centeprik heen. Misschien verdienden ze er een kwartje per koppel mee, dat kwam zo een beetje stiekem uit de buutse van de inkoper, want eigenlijk mochten ze niets verdienen. Van dat geld kon zo iemand dan een pakkie sigaretten kopen. Die werklozen vochten er wel om of ze de koeien wegbrengen mochten: Het is mien klant! Vaak gingen ze in een colonne langs de Oosterweg, ’s morgens om een uur of 11, en wij stonden er op het schoolplein naar te loeren.”

Geplaatst op 3 april 2009  b

De bekendste aller Groninger veedrijvers heette Douwe. “Een beroepskoedrijver, dat was hij”, zegt Melle: “Douwe hoorde bij de veemarkt. Eigenlijk was hij doodsbenauwd voor koeien, dat was ook algemeen bekend. Hij was niet achterlijk, maar geestelijk ook weer niet helemaal zuver. Nee, ik geloof niet dat hij dronk. Dat heb ik nooit gezien.”

Melle benadrukt dat er niet alleen koeien, maar ook schapen, varkens en paarden op de veemarkt werden verhandeld, die elk hun eigen stuk van de de veemarkt hadden en soms ook eigen marktdagen. “Stieren, die zette men ook allemaal apart, want als die tussen de koeien in stonden werd het een gekkenspul.”

Nauw verbonden aan de schapenmarkt was Levie van Simmeren, die in de wandeling jeude Van Simmeren heette. “Het was een klein old jeudegie”, vertelt Melle, “en hij woonde vlakbij ons in een gangetje. Hij merkte op de veemarkt de schapen, hij stipte ze met vloeibare verf aan om te voorkomen dat er ruzie over kwam. Want als er een over het hek sprong, dan zei de ene koopman dat zo’n beest van hem was, terwijl de ander meende dat het van hèm was. Die kooplui hadden daarom zelf ook vaak stiften bij zich. Soms was zo’n schaap dankzij Van Simmeren helemaal rood van boven. De kooplui  betaalden hem voor dat werk.”

Op maandag was er altijd een grote lammerenmarkt. Melle herinnert zich dat een voerman Van Slochteren, aan het Winschoterdiep naast Topper, die lammeren met paard en wagen naar de veeverlading bij het spoor vervoerde. “Want lammeren, die zijn niet als schapen te drijven. Wèl als de ouden er bij zijn, maar niet als je ze daar bij weghaalt, dan springen ze alle kanten op.”

Melle herinnert zich nog iets van de schapenmarkt, nabij de kop van de Meeuwerderweg: “Daar stond ook het electriciteitshuis en daarbij had je een reparatiewerkplaats voor de tram, met diepe kelders voor herstelwerk en kleine karweitjes.” Een meer persoonlijk gemeentelijk aspect van de veemarkt was de marktmeester, in de jaren waar Melle over praat Muda geheten. Hij woonde in het poortgebouw aan de kant van het Verbindingskanaal. Hoewel er verhalen zijn over allerlei streken die buurtjongens op de veemarkt uithaalden, was daar volgens Melle in zijn tijd geen sprake van. “We konden tussen de spijlen van de hekken door en speelden vaak op de Veemarkt. Muda had niet veel last van ons. Hij joeg ons wel eens weg, maar liet oogluikend wel wat toe en gaf ons een kans.” Beslist en met merkbare stemverheffing: “Nee, we haalden  nooit geen kattekwaad uit.”

Wel stond Melle als jongen versteld van iets anders. “De ingang van de schapenmarkt lag precies in het verlengde van de Bontebrug. Daar stond ook een wachthuisje, waar marktgeld geïnd werd voor elk stuk vee. Bovenop dat huisje zat een spreuk: Behandel de dieren met zachtheid, spaart de vogels. Maar als het voorjaar was, dan hoorde je daar knallen. Dan stond er in dat huisje een politieman verdekt opgesteld, en die schoot de kraaien dood die in de hoge bomen op de veemarkt nestelden. Ze vielen zo naar beneden. Dat gebeurde in het Sterrebos ook. Misschien werd het verordonneerd door de g emeente, misschien stond er ook wel een premie op. Maar de combinatie van die spreuk op het huisje – Spaar de vogels! – en het doodschieten van die kraaien was heel vreemd in mijn kinderogen. Dat doodschieten stuitte mij tegen de borst.”

Geplaatst op 3 april 2009  c

De twee onderste foto’s zijn in 1965 gemaakt door buurtgenoot Cees Smit. Op de eerste staat Douwe met het gezicht naar de lezer iets links van het midden. Op de tweede bracht Cees het handjeklap of de palmslag in beeld.


6 reacties on “‘Sodemieter op, da’s mien koe’”

  1. Dondersteen schreef:

    Je zou ze moeten bundelen, dit soort verhalen over het oude Groningen. Prachtig!

  2. Dondersteen schreef:

    En dan ook zeker mét de foto’s! 🙂

  3. 'Hendrika' schreef:

    Wat een bedrijvigheid en wat een aanvoer van vee: dat kun je je bijna niet voorstellen. Veehouderij stelde nog iets voor en veel mensen verdienden er aan. Interessante persoonlijke herinneringen van meneer Melle Kuikman.

  4. Hendrik schreef:

    O, wat een heerlijke verhalen. Ik vind het geweldig en zeker omdat ik dit tijdperk werkelijk heb meegemaakt.Ik heb er vaak als kind rondgelopen. Toen de veemarkt verhuisde was de charme er voor mij echt af, het hoorde bij de Oosterpoort, de binnenstad.

  5. Cees Smit schreef:

    Moi Harry,
    Leuk dat het zo aanslaat en dat die foto’s daar ook aan bijdragen.Zo zijn ze nog eens funtioneel. Ja, ik zou natuurlijk ook mijn eigen stukje ‘memoires’ over de veemarkt er aan toe kunnen voegen maar het is zo ook al mooi. Misschien weten veel stadjers Dauwe zich ook nog te herrinneren als kaartjes controleur bij de Papiermolen. Dat deed hij eind jaren ’60, begin jaren ’70 nog.
    Nou tot ziens en
    vr. gr. van Cees

  6. Hendrik schreef:

    Wat niet direct op het veemarkt gebeuren slaat maar er toch voor mij veel mee te maken had, het volgende:
    Wanneer je op de veemarktdag kiespijn had en werkelijk niet op een andere dag naar de tandarts kon, had je grote pech. Zeker als je tandarts aan de Radersingel zijn praktijk had. Tandarts T.Bouman was een verschrikkelijke tandarts met nog een vreselijker boor. Dus geen lolletje er heen te moeten. Maar op zo’n veemarktdag (dinsdag?) gingen ook de boeren naar hem toe. Vaak was het een kwestie van alleen kiezen trekken. Daar was het ook echt een tandarts voor. Wanneer je dan als klein kind in de wachtkamer zat kreeg je allerlei commentaar en al die boeren – die ik nooit verstond – maakten een bange indruk op me. Niet op de markt, maar daar wel. En het duurde altijd zó lang eer je aan de beurt was,ik wilde wel wegrennen maar mijn moeder hield me tegen. Zij genoot wel van hun verhalen.
    Het is misschien gek, maar ik associeer de toch zo leuke veemarkt ook nog altijd met die zeer onkundige tandarts met zijn volle wachtkamer met boeren.


Geef een reactie op Dondersteen Reactie annuleren

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.