Hanebijtersgang

Van Hoytema Haan

Ik was toch even aan het twijfelen gebracht.

In het verhaal over ’t Oude Bosch, laatst, bracht ik aan de hand van Riddering de Hanebijtersgang in verband met de hanegevechten die nog omstreeks 1870 plaatsvonden op de naburige stadswal. In mijn achterhoofd zat ook nog de verklaring voor hanebijterij als hanengevecht, al wist ik op dat moment niet meer waar ik dat ook alweer vandaan had.

Door de stadsatlas van Schroor kwam ik op het idee om een grote scan te bestellen van een kaart die gemaakt is op basis van de oudste Groninger kadastergegevens. Dankzij die kaart zag ik dat de huidige Ubbo Emmiusstraat tussen het Groninger Museum en het Zuiderdiep de erfopvolger is van die Hanebijtersgang. De hanegevechten vonden dus zo’n beetje plaats op de plek van het Groninger Museum, was mijn conclusie.

Maar op de Wikipedia-pagina met Groninger straatnamen staat dat ‘hoanebieter’ Gronings is voor havik of bruine kiekendief. “De gang is mogelijk destijds genoemd naar uithangteken met een roofvogel”, zegt deze pagina.

Inderdaad wordt een kiekendief (of riethavik) in het Gronings en het Fries hoanebieter genoemd. Alleen kwam ik een dergelijk uithangbord nooit tegen in bronnen uit de tijd dat de desbetreffende steeg de naam Hanebijtersgang droeg (ca. 1660 – 1875).

Bij verdere naspeuringen bleek er bovendien nòg een mogelijke verklaring. Volgens een stukje in de Leeuwarder Courant van 25 augustus 1909 is een hoannebijter namelijk een man die bij het koolzaaddorsen “het uitgedorschte stroo op een hoop brengt”. Een “stroodrager” dus. Misschien woonden er ooit dergelijke lieden in de Hanebijtersgang?

Vanavond herinnerde ik me eindelijk weer waar ik mijn eigen verklaring vandaan haalde: uit een proces-dossier van 1761, waarin sprake is van een “Sociëteit van de Hanebijterie”. Het gaat in dit geval om een hanengevecht in herberg de Toren van Babel aan de Laan, een evenement dat zelfs door hoge heren werd bijgewoond.

Ik denk dat ik toch maar vasthou aan mijn eerste naamsverklaring.


6 reacties on “Hanebijtersgang”

  1. Kor Feringa schreef:

    Het probleem moet in de brede kring van je lezers kunnen worden opgelost. In Baflo en Scheemda zijn namelijk ook straatnamen ontleend aan het woord ‘Hanenbijter’. Wellicht is daar iemand die meer weet van de specifieke achtergronden van de naamgeving.
    Kernvraag is of het gebruik van het woord ‘hoanebieter’ in Groningen (en Friesland) beperkt is gebleven tot de roofvogel of is het ook van toepassing geweest op de vroegere hanengevechten?
    J.A.Feith (in de GVA- serie ‘De straten en hare namen’ in 1893) waagt zich niet aan een verklaring, hoewel hij de oude naam zelf nog moet hebben gebruikt.
    Kan Siemon Reker hier uitkomst bieden?
    In de wikipedia heb ik het uithangbord als mogelijkheid opgevoerd omdat nogal wat straatnamen in Groningen gerelateerd zijn aan uithangtekens.

  2. Gelkinghe schreef:

    @Kor,
    Om het echt afdoende te verklaren heb je een bron nodig uit de tijd dat de naam ontstond.
    De drie oudste verzegelingen in Rechterlijke Archieven III x (stad) met de naam Hanebijtersgang, zo bleek mij vandaag, dateren uit 1664, 1665. Het gaat dan om kamers (dwz éénkamerwoninkjes) aan de oostkant van de Hanebijtersgang, tussen deze gang en het Zuiderkerkhof, nabij het Zuiderdiep. Deze kamers hebben er dan waarschijnlijk nog niet zo lang gestaan.
    Eerder lagen er waarschijnlijk al hoven, waarvan de gang de toegangsweg vormde.
    Naar analogie van de Cuba, de Hulzebosch, de Brandenburg, de David en de Bare, herbergen buiten de Ooster- en de Herepoort die hun namen aan hofstegen leenden, zou je dan op de hoek van het Zuiderdiep en de gang een herberg verwachten. Maar in de huisnamenlijst van Doeko Kuiken (Groninger Archieven toegang 1700 – inv. nr. 5) is niet zo’n herberg te vinden. Daarom val ik terug op die term hanebijterij voor hanegevechten (1761), die spoort met de gedocumenteerde praktijk van ca. 1870.

  3. J.P.Koers schreef:

    Inderdaad heeft Scheemda een Hanebijterslaan, of zoal heel mooi in het dialect, een ‘Hoanebietersloane’. Helaas is ook in de kringen van de gemeentelijke historische vereniging niet bekend wanneer de laan, die ver buiten het dorp gelegen is en waaraan vroeger slechts enkele arbeidershuisjes stonden, zijn naam gekregen heeft, of wat de oorsprong is. Beide verklaringen zijn mogelijk: het was een omgeving met veel natuur en dus vogels, maar misschien ook met hanengevechten door de bewoners aldaar.

  4. Het koolzaaddorsen had een interessante hiërarchie van rondstruinende kinderen en oude mannetjes met harken tot een soort hopman of kapitein – de kleedbaas – die aan het hoofd van de werkzaamheden stond. De benamingen wisselden van streek tot streek, maar de rituelen vertoonden sterke overeenkomsten van Vlaanderen tot Sleeswijk-Holstein. Geen wonder, koolzaad – grondstof voor de Zaandse oliemolens – was een soort wondergewas dat veel geld in het laadje bracht. Vaak werdeb nieuwe polders eerst bezaaid met kool- of raapzaad, waarna dijkwerkers en polderjongens bij de oogst hielpen. Deze mobiele groep van arbeiders zal in eerste instantie veranwoordelijk zijn geweest voor het ontstaan van de oogstrituelen.

    De koolzaadoogst moest erg zorgvuldig plaats vinden om onnodige verliezen te voorkomen. Door er iets feestelijks van te maken, werd werd de betrokkenheid van de arbeiders bij het eindresultaat vergroot. Bovendien gebeurde de koolzaadoogst aan het begin van het seizoen: hier kristaliseerden zich de arbeidsrelaties uit die tijdens de graanoogst doorslaggevend zouden zijn. Een boer die zich bij het koozaadfeest van de loyaliteit van een ploeg oogstarbeiders wist te verzekeren, kon de graanoogst eerder binnenhalen. Maar een boer die zich onttrok aan het groepsritueel, liep grote kans in de drukste tijd te weinig personeel te hebben.

    Terug naar het woord ‘hoannebiter’: hij was de baas van het afval, niet van het kostbare zaad. Hij moest het losse stro naast het dorskleed opstapelen, waarna het verbrand werd of verzameld om later als brandstof te dienen. Dat was vermoedelijk de taak van een jong en lenig persoon: meestal een knecht of een boerenzoon. Hij stond onder het commando van de boer, niet van de kleedbaas en was zelf kennelijk weer verantwoordelijk voor het commanderen van de knechten en meiden die moesten meehelpen. Soms was hij ook verantwoordelijk voor het correct neerleggen van de volgende ‘dors’. Maar het belangrijkste was vermoedelijk dat hij controleerde dat al het zaad in het zeil bleef zitten en niet met het afval werd verwijderd. Dat was in het belang van de boer.

    De benamingen waren heel verschillend: ‘hoannebiter’, ‘striebok(king)’ (strooien bokking), ‘hondeboas’ of ‘aaiber’. Die laatste benaming omdat hij als een ooievaar boven op de strohoop stond. In Zeeland sprak men van ‘strohermen’, in Jever de ‘brander’. In Nordfriesland heette hij de ‘strohteufel’, in Butjadingen de ‘strohjunker’:

    “Da nun es gleichsam widerstehend, daß eine angesehene, junge Mansperson sich mit einer so geringen Sach, wie Rapsaats-Stroh, beschäftigen sollte, so hat dieses im Anfange wohl diese Benennung Strohjunker nur Schertzweise veranlasset, und haben die unter den Arbeitern gewesene Witzlinge solchen Namen vermuthlich erdacht…”.

    Soms kreeg hij assistentie van een peulenverzamelaar, vooral waar men de peulen weer als brandstof verzamelde. Dit was de ‘oss’ of ‘höllteufel’ (hel – vanwege het stoffige karakter van deze hoek). De naam ‘duvel’ moet ook in Groningen gebruikelijk zijn geweest, getuige de uitdrukking “Hai is zo hait op ’t gèld as de duvel op ’n zail”.

    Tegelijkertijd met het opstapelen van het strom moest hij kikkers en sprinkhanen van het kleed verwijderen. Benamingen als ooievaar en (sprink)hanenbijter waren daarom meerduidig. De sterke jonge mannen, die het gewas in het zaadkleed legden, heetten daarentegen in Friesland de ‘kikkertsjagers’, de boerenmeiden die het losse stro moesten opzoeken de ‘sprinkhoannen’.

    In essentie was de ‘hoannebiter’ een soort tegenspeler van de kleedbaas, een representant van de boer, een schertsfigguur, een nar. De boer had bij het koolzaaddorsen verder weinig te zeggen, hij moest soms zich onderwerpen aan allerlei vernederende rituelen. De arbeiders waren de baas. Zijn vertegenwoordiger had soms – tenminste in Nordfriesland – het bijzondere recht voorbijgangers uit te mogen schelden. Zodra vreemden voorbij kwamen, werd het werk stilgelegd. Hun werd soms de doorgang belet, ze werden uitgescholden, tot ze een rijkelijk drinkgeld gaven. Vrouwen werden – al dan niet met hun instemming – soms door het stro gerold, wat vooral de boerenmeiden ervoeren, die eten en drinken kwamen brengen.

  5. max schreef:

    Volgens het WNT is een hanenbijter (inderdaad) een bruine kiekendief.


Geef een reactie op J.P.Koers Reactie annuleren

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.