De barbier, de studenten en het meisje
Geplaatst op: 8 augustus 2009 Hoort bij: Stad toen 4 reactiesIn het oud rechterlijke archief van de stad bevindt zich de aangifte van Andreas Tuzee waarmee dit verhaal een aanvang neemt. Tuzee, ook wel eens Andries Terzee of Touzee genoemd, was op zijn oude dag nog barbier, zeg maar baardscheerder. Zijn ooit in het leger geleerde ambacht van chirurgijn – oftewel aderlater, ledezetter en amputeerder – had hij er daarentegen al enige tijd aangegeven. In zijn wat ruimer geworden vrije tijd bewerkte hij een tuin aan het uiteind van de Witlattensteeg vlakbij het groenland, ongeveer op de plek waar je nu de hoek Polderstraat/Meeuwerderweg hebt.
Begin juli 1772 kreeg Tuzee daar nieuwe buren. Er kwamen drie studenten in de tuin naast de zijne, een hof met een “hoog verheeven soomerhuis”. Tussen de barbier en die studenten boterde het niet zo en dat lag ook aan de hemelsbreed verschillende levensopvattingen van beide partijen. Tuzee was vroom, zeer vroom en ergerde zich aan het gedrag van de studenten, waarvan er één af en toe zelfs zo ver ging een jonge juffrouw – helemaal zonder toezicht, begeleiding, chaperonne of wat dan ook – mee te nemen naar de gezamenlijk gehuurde hof.
Hoe het precies tot handtastelijkheden kwam is onbekend, alleen ziet het er naar uit dat er het nodige aan vooraf ging.
Tuzee, zo moet men weten, zong bij het werk op zijn hof graag liederen. Vooral uit een bundeltje van Hoofdman Ter Borgh, een van de rechters van Stad en Lande. Dat “liedeboekyn”, zo schrijft Tuzee in zijn aangifte, had de Hoofdman hem zèlf ooit nog eens ten geschenke gegeven. In het zingen van de gezangen uit het bundeltje vond hij “veel verquikingh” voor zijn ziel. Welke teksten de barbier precies zong en of dat ook zuiver en zachtjes gebeurde, staat er helaas niet bij, maar in elk geval waren zijn nieuwe buren er op een gegeven ogenblik flauw van. De studenten verzochten Tuzee om een ander repertoire en zij deden dat in weinig diplomatieke termen:
“Oude hont, singh reys een hoerenlietyn; die kenst stoe ook wel.”
Dat was de lont in het kruitvat. De gebelgde Tuzee beschuldigde de studenten min of meer van hoeren en snoeren met de ongechapperonneerde juffrouw voornoemd, en zijn nieuwe buren van hun kant scholden de barbier uit voor “alles wat sij maer bedenken konden”. Daar bleef het niet bij, ze gooiden ook met stenen naar hem en één van hen sloeg en schopte hem “deerlijk”.
Dat staat in de aangifte van Tuzee. Op een apart briefje gaf hij een aantal getuigen op:
- de zoon van een arbeider op de zaagmolen aan het Winschoterdiep, die staande in het groenland de kloppartij aanschouwd had;
- de zoon van bakker Wieringa, die zo schrok van het gejammer en “moord! moord!” geroep van Tuzee, dat hij dwars door een heg wegvluchtte;
- en een anonieme schoolmeester, die het geval ’s avonds gelukkig aan de zadenkoopman Jan van Alsema en diens zoon verteld had, zodat hij nog wel te achterhalen zou zijn.
De namen van de daders wist Tuzee nog niet. Zij staan weer in een derde stuk in hetzelfde procesbundeltje, een zogenaamde “wondcedel”. Dat is een verklaring van medische beroepsbeoefenaren waarin zij aan het gerecht rapport uitbrengen over verwondingen. Deze wondcedel was opgemaakt door de gerenommeerde chirurgijn Quaestius, die “verscheidene aanmerkelijke kneuzingen” aan de linkerwang, het linkeroog, de rechterhand en beide dijen van zijn oud-collega constateerde en hiervoor de studenten Koppel en Bymholt verantwoordelijk achtte.
De derde van het stel studenten kende Quaestius niet, maar ook met de twee namen die hij wel gaf zat hij fout, zoals nog zal blijken. Het is een teken dat burgers met een toch tamelijk grote kennissenkring – die in dit geval ook medische en andere hoogleraren omvatte – verder niet erg thuis waren in de nog tamelijk overzichtelijke studentenwereld.
Op vrijdag 10 juli, drie dagen na het voorval, werden de wondcedel van Quaestius en de aangifte van Tuzee voorgelezen in een vergadering van Burgemeesteren en Raad, het Groninger stadsbestuur dat ook recht sprak, tenminste over gewone burgers. De heren gaven hun advocaat-fiscaal (dat was hun aanklager of officier van justitie) opdracht om het geval te onderzoeken. Een afschrift van de wondcedel ging naar de Rector Magnificus, de voorzitter van de academische Senaat, welk college van professoren het dagelijks bestuur over de universiteit uitoefende, en recht sprak over studenten die hun boeken te buiten waren gegaan.
In de rechterlijke archieven van de stad is er verder niets meer over het geval te vinden, voor het vervolg moeten we bij de Acta (de handelingen of notulen) van de Senaat zijn. Op 22 juli deed de Rector Magnificus in dit orgaan verslag van een bezoekje dat barbier Tuzee hem bracht. Tuzee, inmiddels iets wijzer wat betreft de identiteit van zijn kwelgeesten, had in zijn onderhoud met de hooggeleerde nog eens zijn grieven naar voren gebracht. Het waren, zo zei hij, student Koocken – dus niet Koppel – en consorten, “door welke hij zwaarlijk bij zijnen hoofd gewond was”.
De bedoelde Antonius Wilhelmus Koocken, de 22-jarige zoon van dominee Henricus Koocken van Valkenswaard, was derdejaars theologie en zou dus net als zijn pa predikant gaan worden. Ook de andere naam was in de wondcedel van Quaestius verkeerd gespeld. Het ging niet om een Bijmholt, maar om een Wijnholt. De juffrouw die op de hof van de jongens kwam was zijn vriendin. Om de Acta van de Senaat te citeren:
“In het gezelschap dier studenten was daar ter plaatse geweest met Wijnholt een zeekere Juffrouw, die daagelijks met Wijnholt wandelt en met zijn consorten meermalen in dien tuin geweest is, dog welke zij alle zeggen niet te weeten wie zij is.”
Wijnholt was zesdejaars en geboren en getogen in de stad. Zijn ‘onbekende’ vriendin verscheen braaf bij de Rector, maar ze weigerde daar haar naam te noemen of iets te vertellen over de toedracht van de mishandeling, waarbij ze kennelijk aanwezig was geweest. Ondanks haar geringe mededeelzaamheid kwam de Rector toch achter haar naam, en wel via haar logeeradres. De juffer was namelijk vreemd in de stad en ze verbleef in herberg het Vaandeltje, waar men haar naam opgaf als Johanna d’Amoor.
Johanna d’Amoor. Het kan inderdaad wel eens een lichtekooi geweest zijn, ware het niet dat er ook een keurig nette orgelmakersfamilie Amoor in de stad woonde en ik me niet graag zou vergissen.
Hoe dan ook, de Senaat nam de zaak behoorlijk hoog op en op zijn verzoek hoorde de stadsfiscaal alle getuigen nog eens onder ede. De fiscaal moest ook een requisitoir opstellen. Helaas zijn de verhoren en dat strafpleit verloren gegaan, we weten alleen dat deze stukken pas na de academische vakantie, om precies te zijn op 18 september 1772, werden voorgelezen in de Senaat, die een paar dagen later tot vonnissen kwam
Student Koocken werd veroordeeld tot het betalen van de gerechtskosten en de “kosten der geneesinge, mitsgaders der geleedene pijn” van barbier Tuzee. Over dit smartegeld moesten de student en zijn advocaat nog een robbertje onderhandelen met de barbier en diens raadsman. Partijen maakten het later af op zestien gulden en twaalf stuivers, een lieve som in die tijd (het equivalent van een maandloon van een ongeschoold arbeider). Ook schorste de Senaat Koocken voor acht dagen “van de publyke tafel der Burse”, dat wil zeggen: hij mocht gedurende die periode niet mee-eten in de gratis mensa. Bovendien kreeg hij duchtig de oren gewassen door de Rector, in het Latijn.
De brutaliteit in woord en gebaar van Koockens kameraad Wijnholt strafte de Senaat af met een boete van vier ducatons (twaalf gulden en twaalf stuivers, ook niet mis) en een gelijksoortige reprimande door de Rector.
Of beide vrinden deze vonnissen zonder wrok hebben aanvaard, kan men betwijfelen. Zowel in de nacht van 26 op 27 april 1773, als die van 12 op 13 februari 1774 werden er glazen ingegooid bij Tuzee’s huis op de hoek van het Zuiderdiep en de Pelsterstraat. De barbier mocht dan aan de ene kant doof geworden zijn, in zijn andere, goeie oor moet een daarbij uitgeroepen scheldwoord toch aardig bekend hebben geklonken: “Oude hond!” Wel bleven de daders onbekend.
Voor Koocken, wiens reputatie naar alle schijn ook verder niet al te best was, kreeg de muis nog een kerkelijk staartje. In juli 1774 verhuisde hij terug naar zijn geboorteplaats Valkenswaard, waar hij zich bij zijn vader thuis voorbereidde op de twee kerkelijke examens. Wilde hij die kunnen afleggen, of in Valkenswaard aan het avondmaal kunnen deelnemen, dan moest hij een attestatie van lidmaatschap tonen, een verklaring dat er op zijn geloofopvattingen en gedrag niets aan te merken viel. Zo’n verklaring moest de kerkelijke gemeente van herkomst, Groningen dus, afgeven. Koocken schreef echter niet zelf een brief naar Groningen, zijn vader deed dat voor hem. En de Groninger kerkeraad weigerde om vader Koocken de attestatie voor zijn zoon toe te sturen. Om op het oog nogal formele redenen: De vader kon wel zeggen dat hij die attestatie voor zijn zoon wilde, maar de wens van de zoon zelf bleef de kerkeraad onbekend, en ook wist de kerkeraad niet of de attestatie alleen voor een kerkelijke gemeente bestemd was, of voor een classis, een examinerende predikantenvergadering. In het laatste geval waren de eisen aan een attestatie natuurlijk wel wat hoger.
Door deze kink in de kabel zat er voor de student Koocken niets anders op, dan zelf de Groninger kerkeraad te vragen om een attestatie. Hij deed dat bij de jaarwisseling van 1774 op 1775 in een kort briefje. Hij had, schreef hij, de verklaring nodig voor Valkenswaard, de kerkelijke gemeente waar hij inmiddels woonde. De Groninger kerkeraad besloot hem inderdaad een attestatie van lidmaatschap te sturen.
Meer in het algemeen constateerde de kerkeraad, dat er nogal wat indirecte aanvragen van attestaties kwamen, dus van vaders en voogden voor studenten die vanwege hun “slordig gedrag” de Academie hadden verlaten. Voortaan zou de kerkeraad bij zulke indirecte aanvragen altijd eerst gaan onderzoeken. waarom iemand de aanvraag niet persoonlijk deed.
Kennelijk had een dergelijk onderzoekje naar student Koocken het een en ander aan het licht gebracht. Want in de attestatie die naar Valkenswaard ging, zei de kerkeraad met opzet helemaal niets over het gedrag van student Koocken in Groningen. En dat leverde een nieuw epistel op van vader Koocken.
De predikant van Valkenswaard beklaagde zich over de omissie. Op deze manier, zo betoogde hij, voldeed de attestatie niet aan de maatstaven, zoals neergelegd in de Kerkorde. Op deze manier kon hij zijn eigen zoon niet eens aannemen als lidmaat. Hij verzocht de Groninger kerkeraad om een nieuwe attestatie, maar dan een naar de vereiste vorm.
Zijn epistel liet Koocken senior gepaard gaan met een verklaring van de kerkeraad van Valkenswaard, dat Koocken junior zich vanaf juli 1774 stichtelijk had gedragen. Desondanks had de Groninger kerkeraad er opnieuw een probleem mee om het verzoek van collega Koocken in te willigen. Dit keer wilde men eerst de afgegeven attestatie weer terugontvangen, waarna men de zaak opnieuw zou gaan bekijken. De Groninger kerkeraad schreef naar Valkenswaard, dat men weliswaar met genoegen de verklaring van de kerkeraad van Valkenswaard had gelezen. maar dat Koocken junior berouw moest tonen over zijn gedrag in Groningen.
De Groninger kerkeraad kreeg zijn zin, want in april 1775 ontving ze weer een brief van ds. Koocken, waarin deze de onvolledige attestatie van zijn zoon retour zond. Pa Koocken schreef dat zijn zoon gewillig zijn spijt wilde betuigen over zijn gedrag in Groningen, niet alleen voor hem, maar ook voor de kerkeraad van Groningen. Dat bleek ook wel uit de bijgevoegde brief van student Koocken zelf. Antonius Wilhelmus zegt daarin berouw te hebben “van de zonden zijner jonkheid in ’t gemeen, en van die der Academie in ’t bijzonder”. Pas na deze voetval streek de kerkeraad met de hand over het hart en kreeg Koocken junior zijn volledige attestatie.
Misschien is het wel aardig om nog iets te zeggen over de loopbaan van Antonius Wilhelmus Koocken als predikant. Die stelde niet echt veel voor. Zijn eerste gemeente was pas in 1778 het kleine dorpje Est in de Betuwe. Daarna stond hij in het Zuid-Nederlandse Doornik, een garnizoensstad, ook niet iets waar je als predikant veel aanzien mee verwierf. Vanaf 1784 stond hij zeventien jaar lang in de Zeeuws-Vlaamse gemeenten Hengstdijk en Sint Pauluspolder en Hoek of Oosthoek, een omgeving waar protestanten een piepkleine minderheid vormden in een zee van katholieken.
In 1801 vroeg de hervormde gemeente Valkenswaard Koocken junior als opvolger van zijn “waardige vader”. Valkenswaard zou ook zijn laatste gemeente zijn, omstreeks 1820 ging hij hier met emeritaat. De schande van zijn jongelingsjaren zal toen wel ongeveer weggepoetst zijn. In zijn laatste jaren als dominee was hij enigszins populair, want je ziet hem in de verschillende gemeenten in de omgeving op de nominatie preken, en als emeritus leidde hij ook diensten, bijvoorbeeld in Roermond.
Op zijn oude dag verhuisde hij nog met zijn vrouw naar Nijmegen, waar ze waarschijnlijk bij een dochter en schoonzoon inwoonden. Daar overleed dominee Antonius Wilhelmus Koocken, ooit de kwelgeest van barbier Tuzee, in het najaar van 1822.
(Herziene en zeer uitgebreide versie van een verhaal dat ooit in wijkkrant De Oosterpoorter gestaan heeft.)

goed en interessant verhaal.
dit in tegenstelling tot de verhalen van
http://realsite.web-log.nl/, die z’n teksten van Wikipedia overneemt zonder bron vermelding.
@Aldert,
Bedankt voor het compliment.
Met je op deze plaats afkammen van andermans weblog ben ik minder blij. Als je iets tegen iemand hebt, moet je dat die persoon maar zeggen en zulks niet indirect via mijn weblog doen.
Ik hoop dat de wenk duidelijk is.
erg genoten van dit verhaal…ik zie ’t voor me!
hebt u meer van zulke verhalen op uw blog?
het studentenleven vroeger?
Ja, die zijn er wel.