Groningens Topmodel 2009

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Een reclameposter met Hans (alias Boekito) schijnt nu overal in het land te hangen.

Ik kreeg een exemplaar van Godert Walter. (Bedankt nog!)

Graag wil ik lokaties te zien krijgen waar Hans hangt. Onder de inzenders van foto’s verloot ik het themanummer over baksteen van Stad & Lande.


Politieke correctheid over Wilders even geweken

“Explosief is vooral dat Wilders volgens de wetenschappers de sociale cohesie en democratie ondermijnt. Ergo: hij vormt een gevaar voor de staatsveiligheid. Daarmee benoemen de onderzoekers wat velen binnen overheidsinstanties vinden, maar wat niemand in het openbaar durft te uiten,”

Aldus De Volkskrant van vandaag.

Met andere woorden: We zitten opgescheept met een nieuwe politieke correctheid. Waar we eerder niet mochten foeteren op Marokkaans straatschorum, mogen we nu niet meer zeggen dat een geblondeerde politicus ons graag in een burgeroorlog stort.

Net of de waarheid zich laat verknettergekken.


Een handvol tichelaars

Jan-Willem Swane - Ruïne van veldoven in Ooij, Gelderland. Flickr cc.

Bij mijn verkenning van de Oldambster boedelinventarissen kwam ik ook een handvol tichelaars tegen. Een tichelaar was een ondernemer met een steen- en pannenbakkerij, in de achttiende eeuw doorgaans nog een vrij primitieve veldoven. In het lange zomerseizoen groeven ploegen gastarbeiders uit Lipsland klei in de onmiddellijke omgeving van het tichelwerk, vormden dit in houten mallen op vormtafels, stapelden de gedroogde vormelingen op een bepaalde manier met turf op in de oven, die ze vervolgens dagenlang vakkundig stookten. Er kwam heel wat bij kijken, bij het maken van bakstenen, Lees daarvoor maar eens het laatste nummer van Stad & Lande, dat helemaal over baksteen gaat,

A propos, dat handvol Oldambster tichelaars:.

De tichelaar Jan Jans, 1730
Plaats onbekend.
Had een behuizing met tichelwerk op eigen land, met daarbij voorraden gegraven klei, stenen en pannen, en turf. Maar het boerenbedrijf lijkt veel belangrijker voor hem en zijn vrouw. Verreweg hun grootste gewas is  boekweit, ze zullen dus wel dicht op het veen hebben gezeten. De inventaris is waarschijnlijk niet helemaal compleet, want de uitstaande vorderingen en eigen schulden ontbreken bijvoorbeeld. Juist aan zulke lijstjes kan je vaak alsnog een lokatie bepalen, als die in de aanhef of bij het vastgoed ontbreekt.

De tichelaar G.L. Scheltes, 1745
Opnieuw is de plaats onbekend. De naam zou wel eens vaker als Scheltens gespeld kunnen zijn.
Naast het tichelwerk als vastgoed is er sprake van groenland in Bovenburen bij Winschoten, en ongespecificeerd land in de Wupping en bij Bourtange. Vermoedelijk bevond het tichelwerk zich bij Winschoten.
Op deze inventaris staat ook een voorraad produkten van het tichelwerk:
– 50.000 bakstenen
– 40.000 pannen
– 9000 drielings (kleine bakstenen)

I. de Jonge, 1754
Plaats onbekend
Had een chirurgijnswinkel en was dus chirurgijn, ik denk in Winschoten (zie de volgende). Daarnaast bezaten hij en zijn vrouw nog een huis in de Pekela, drie kampen land genaamd de Kostverloren, al met al 5 deimt groot, en een klein stukje veenbouwte genaamd de Ketellapperie,
Bij het pan- en steenwark lagen deze voorraden:
– 60.000 gare bakstenen
– 40.000 pannen

De tichelaar Sipko de Jonge te Winschoten, 1774
Bewoonde met zijn vrouw een huis in de Witte Vrouwenstraat aldaar en had net als voorgaande (zijn vader?) een chirurgijnswinkel. Ook komt dit stuk onroerend goed bekend voor: een vierde part in een plantage bomen de Kostverloren genaamd, staande en gelegen bij de Hessenbril aan de vaart te Winschoten.
Het tichelwerk bevond zich te Winschoten aan de Trekvaart. Bij het tichelwerk lagen dit keer slechts:
– 6000 gare pannen

H.S. ten Have, tichelaar te Winschoten, 1810
Vermoedelijk hetzelfde bedrijf als de vorige vier, De bedrijfsvoorraad bestond uit:
– 15.000 pannen
– 25.000 stenen
– 2000 vloeren (vloertegels)
– 2000 esters (estrikken?)
Dit keer staat er de waarde bij. De pannen zijn getaxeerd op 300 gulden en de stenen op 325. Per 1000 zijn de pannen dus 20 gulden en de stenen 13. Pannen vormden ook een wat bewerkelijker product, denk ik. De vloeren moesten met elkaar 1000 gulden opbrengen, ze kostten dus 50 gulden de duizend. Dan kon je beter esters nemen. Die had je al voor 20.

Wat opvalt bij deze laatste inventaris is dat de voorraden pannen en stenen veel kleiner waren dan in 1745 en 1754. De productie van vloeren en esters was nieuw. Maar er werd ook nog op een andere manier aan assortimentsverbreding gedaan. Bij het bedrijf lagen 60 ton meelkalk en 30 ton veldkalk, tesamen 260 gulden waard. Achtergrond van de smallere core business en het bredere assortiment was waarschijnlijk de bouwcrisis in de Napoleontische jaren. Door de handelsboycot tegen Engeland en de Engelse suprematie ter zee kwam er nog maar weinig hout het land binnen. Zo’n crisis ging natuurlijk ook niet aan een tichelwerk voorbij.

Echt overdreven groot waren de voorraden nooit. Zeker niet als je het vergelijkt met de productiecijfers die steenbakkerijen omstreeks 1850 en 1900 haalden, respectievelijk 450.000 en 1000.000 stenen per bakseizoen. De oude tichelwerken waren relatief kleine bedrijven, meer ambacht dan industrie.

(De foto is van een veldovenruïne in Ooij, Gelderland, en werd gemaakt door Jan Willem Swane)


Akkerbouw domineerde ook in achttiende eeuw al het Oldambt

Geplaatst op 30 oktober 2009  akkerbouw

Aan Oldambster boedelinventarissen kan je mooi zien, in hoeverre dat gedeelte van de provincie Groningen  voor 1811 al een graanrepubliek was. Uit de immense reeks pikte ik boerennamen die me nog bekend voorkwamen van het bronnenonderzoek voor mijn doctoraalscriptie, begin jaren tachtig. Als de hoeveelheid land in deimten (kleine halve hectares) gegeven werd met daarbij de hoeveelheid bouwland, dan noteerde ik die gegevens om de bouwlandpercentages uit te rekenen. Daarnaast noteerde ik waar mogelijk de volwassen paarden en melkkoeien. De kwantitatieve verhouding daartussen zegt ook wat.

Zijlvest Hittjo Gerrits te Nieuwolda, 1732
Behuizing met de provinciale landen daaronder beklemd.
Die specifeert hij niet.
Wel de landen die hij volledig in eigendom heeft:
– ca 25 dt groenland
– ca 14 dt bouwland. Dit vormt van het totaal aan eigen land 36 %.
De zijlvest heeft 10 paarden en 17 koeien. Een en ander doet een gemengd bedrijf vermoeden,

Jan Jurriens Meijer te Finsterwolde, 1747
De landerijen worden met hun maten genoemd, in totaal gaat het om 34,25 deimt.
Maar ook wordt gemeld hoeveel land met wat is ingezaaid: 29,25 deimt. Dat betekent een bouwlandpercentage van 85 %
De levende have bestaat hier uit 10 oude en jonge paarden en 3 oude (= volwassen) koeien. De akkerbouw overweegt hier enorm.

Jurjen Jans Nap te Nieuw Scheemda, 1751
Huis met ca. 48 deimt beklemd land.
Volgens het lijstje met “vruchten op het land” is 25 à 28 deimt bezaaid, maakt 52 à 58 %.
De volwassen levende have bestaat uit 7 paarden en 5 koeien. Al zijn er ook 7 jonge ossen, de akkerbouw overweegt hier,

Ameling Hindriks te Midwolda, 1755
Behuizing met 60 + 17 = 77 deimt,
31,5 deimt is bezaaid en dan nog en dan is er nog 8 mud roggeland met rogge.
Ik vermoed dat iets minder dan de helft van al het land bezaaid is: max 50 %.
Levende have: 3 oude paarden, 3 oude koeien, maar ook hier weer 3 ossen. Gemengd bedrijf met wat vetweiderij.

Ludolf Heeres te Eexta, 1760
90 deimt onder de heerd beklemd en 4 deimt groenland maakt 94 deimt.
53,25 deimt blijkt daarvan bezaaid, maakt  57 %.
Aan levende have zijn hier o.a. 3 olde peerden en 7 melkkoeien, bij 2 driejarige ossen. De akkerbouw overweegt hier enigszins.

Harm Eppes, waarschijnlijk te Noordbroek, 1771
Bij het huis zit 46,5 boute en groen + 8 deimt land – maakt 54,5 deimt.
Het meeste wordt gehuurd van de kerkvoogdij Noordbroek.
37,5 deimt is bezaaid, maakt 69 %.
Er zijn 2 olde peerden en 2 koeien, ook weer een paar (jonge) ossen. De akkerbouw overweegt zeer.

Aapko Jacobs te Nieuw Beerta, 1773
Areaal is 70 deimt onder het huis en nog enige deimten los land (hou ik op 5), maakt ca. 75 deimt.
Koren dat op het veld staat is zeker 60 deimt, maakt 80 %.
Er zijn 8 paarden oud en jong, 7 melkkoeien en 4 jonge ossen. De akkerbouw overweegt enorm.

Daniel Daniels Barenborgh te Finsterwolde, 1777
Boerderij lag aan de weg naar Goldhoorn?
Er zit ongeveer 64 deimt bij, met stukken van 25, 6 en 5 deimt en nog enkele akkers. Maakt in totaal minstens 100 deimt. Bezaaid is 71,5 deimt. hetgeen neerkomt op een akkerbouwpercentage van maximaal 72 %. Er zijn 8 olde peerden  en 5 koeien. De akkerbouw overweegt zeer.

Andrieas Hannes Gramsbargen te Nieuw Beerta, 1778
Bij het huis zit ongeveer 80 deimt land.
71,5  deimt daarvan is bebouwd, oftewel 89 %.
Ook de 7 oude paarden en de 2 koeien en 2 jonge ossen laten zien dat de akkerbouw hier heel erg overweegt.

Hindrik Gosselaar te Nieuw Beerta, 1779
Bij de heerd zit 83 deimt land,
55,5 deimt is bezaaid, maakt 67 %.
Er zijn 7 oude paarden en 4 oude koeien.
De akkerbouw overweegt hier zeer.

Harm Pieters te Nieuwolda, 1785
Heerd met 71,5 deimt eigen en beklemd land.
39,5 deimt is bezaaid, maakt 55 %.
Er zijn 7 oude paarden en 6 koeien, bij 4 ossen.
De akkerbouw overweegt hier.

Harm Jans Haken te Nieuw Beerta, 1792
Behuizing met 85 deimt op de Kroonpolder plus 8,75 deimt dijkland beklemd plus 4 deimt oostwaarts in Nieuw Beerta, maakt met elkaar 97,75 deimt.
De inventaris is van eind maart, op dat moment is 72 deimt enige malen geploegd, en ingezaaid. Dit geeft een bouwlandpercentage van 74 %
Er zijn 11 oude paarden, samen getaxeerd op 770 gulden en 7 koeien die samen 280 waard zouden zijn. De akkerbouw overweegt hier enorm.

Jacob Hinders te Beerta, 1795
Bij de behuizing zit 63 deimt land.
45,5 deimt is bezaaid, oftewel 72 %.
Er zijn hier 5 oude peerden en 3 melkkoeien.
De akkerbouw overweegt ook hier weer enorm,

Jan Alberts te Midwolda, 1801
Boerenplaats met 98 deimt gedeeltelijk eigen en gedeeltelijk beklemd land.
43,5 deimt is bezaaid, maakt 44 %
Er zijn 6 paarden en 6 koeien.
Akkerbouw lijkt hier meer in tel dan veeteelt,

Jan Hindriks Groen te Nieuwolda, 1801
Bij de heerd zit 98 deimt beklemd land.
Slechts 32,25 deimt is bezaaid, maakt 33 %.
Daarnaast wordt 18 deimt hooiland genoemd.
Er zijn 10 paarden oud en jong, die getaxeerd worden op 600 gulden, 8 oude en jonge melkkoeien die op eenzelfde bedrag geschat zijn, en dan nog 5 guste koeien voor samen 400 gulden.
Hier lijkt sprake van een gemengd bedrijf.

Tonnis Tiddens te Midwolda, 1810
Boerenbehuizing met beklemming van ongeveer 87,5 deimt land.
43,25 deimt is bezaaid, maakt 49 %
Er zijn 7 oude paarden en 7 koeien. Als je dat erbij betreft is de akkerbouw hier licht dominant.

CONCLUSIE

Ook in de achttiende eeuw domineerde de akkerbouw al in het Oldambt.

Plaats en jaar % West % Oost
Nieuwolda, 1732 36 %
Finsterwolde, 1747 85 %
Nieuw Scheemda, 1751 52 à  58 %
Midwolda, 1755 max 50 %
Eexta, 1760 57 %
Ws Noordbroek, 1771 69 %
Nieuw Beerta, 1773 80 %
Finsterwolde, 1777 max 72 %
Nieuw Beerta, 1778 89 %
Nieuw Beerta, 1779 67 %
Nieuwolda, 1785 55 %
Nieuw Beerta, 1792 74 %
Beerta, 1795 72 %
Midwolda, 1801 44 %
Nieuwolda, 1801 33 %
Midwolda, 1810 49 %

Maar in het oostelijke gedeelte, bij dorpen als Nieuw-Beerta, Beerta en Finsterwolde, waren de bouwlandpercentages het hoogst. Daar was gemiddeld ongeveer driekwart van het land met granen, zaden en peulvruchten bezaaid. Bij de meer westelijk gelegen dorpen Midwolda, Nieuwolda, Nieuw Scheemda ging het maar om de kleine helft van het land. Daar was het boerenbedrijf wat gemengder dan in het oosten. Mogelijk is er een samenhang met de ouderdom van de Dollardpolders.


Hop in de kist (1)

 

Geplaatst op 30 oktober 2009  hop

In september 1716 overleed de brouwer en solliciteur Peter Luijckens in Zuidbroek. Hij werd begraven op het koor van de kerk aldaar, wat wel wat voeten in de aarde had, want zijn zwager Amsing moest eerst naar Groningen om de kerkvoogd, Rekenmeester Schaffer, over dat graf te spreken.

Na de begrafenis was er de “uittighst”, oftewel de begrafenismaaltijd. Begin zeventiende eeuw kon zo’n maaltijd nog dagenlang duren, De gereformeerde kerk had flink tegen dit overblijfsel uit heidense tijden geprotesteerd, en het al te uitbundige was er rond 1700 beslist af, maar toch werd er ook op de begrafenis van Luijckens het nodige verteerd, gezien een paar pagina’s achterin zijn boedel-inventaris.

Ga maar na. Er bedienden vier mensen. Er waren een os en een kalf geslacht, maar er kwamen ook nog 8 schinken (hammen) op tafel. Maar liefst 5 mud rogge was verbakken tot grof- en kleinbrood. Verder gingen er vermoedelijk een hoop rijst, maar in elk geval 4 spint grauwe erwten, 4 pond krenten en een half pond gember doorheen. Om dit alles weg te spoelen werden er 4 kroes brandewijn, en maar liefst 5,5 halve tonnen bier aangerukt. In totaal ging het om bijna 430 liter bier!

Dat bier werd warm en zoet gedronken. Want er is ook een post wegens het “syroop soo tot het Warmbier is gekomen”. Maar de vreemdste post is nog weer een andere:

“Voor vier mudde hoppe soo in de kiste en anders is gekomen.”

Dat er hop in een doodskist ging, ben ik nooit eerder tegengekomen. Misschien hing het samen met Luijckens’ brouwersambacht? Of was het iets particuliers van hemzelf?

Van hop in bier gaat een conserverende werking uit, Misschien hoopte (de familie) Luyckens dat ook van de hop in zijn kist?

Zie verder


Bakkersturf

 

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Turf, om precies te zijn bakkersturf, die van een mindere kwaliteit was dan baggelturf. Zulke bakkersturf kwam niet in de particuliere kachel, want het goedje gaf nogal een smeerboel, en daar hield de huisvrouw niet van. Wel deden aannemers het in de Oosterpoorter revolutiebouw van rond 1900 tussen de zolderingen van de benedenwoningen en de vloeren van de bovenwoningen. Hier diende het voor geluidsisolatie. Nog steeds komt uit zulke tussenruimtes af en toe een partijtje bakkersturf tevoorschijn. Zoals deze week in de Joachim Altingstraat.


Miljoenste pageview voor Gelkinghe

Staat te noteren dat Gelkinghe vanmiddag zijn miljoenste pageview boekte.

Methodologische verantwoording:

Het aantal pageviews in de hele bestaansperiode van Gelkinghe lag op 699.583, constateerde ik bij de laatste jaarwisseling. Dat was nog op basis van de webstreepjelog-teller. Deze liet ons dit jaar gruwelijk in de steek, reden waarom we voor dit jaar onze toevlucht moesten nemen tot de teller van Onestat. Benodigd waren 300.419 pageviews, op dit moment zijn het er 300.748. Ruim vier uur geleden was het historische moment.


Voltaire in Scheemda

Geplaatst op 27 oktober 2009  a

Dit boek met dichtwerk van de Pruissische koning Frederik de Grote, dat in 1760 te Londen in het Frans verscheen, staat zeven jaar later op de boedelinventaris van wedman Sijpko Stheeman van Scheemda.

Frederik de Grote, die in 1768 het stadhouderlijk hof op ’t Loo bezocht, maar er helemaal niets aan vond. was een grote fan van de verlichte wijsgeer Voltaire, aan wie hij een ode in dat boek van hem opdraagt.

Sijpko Stheeman had ook een werk van Voltaire in bezit: diens biografie van de Zweedse koning Karel XII. Maar verder overwoog toch stichtelijk werk in zijn boekerij. Weliswaar zaten daar enkele wat meer verlichte predikanten tussen – Vitringa, Alberthoma, Busscher – voor het merendeel waren het echter de zwaardere, orthodox-bevindelijke broeders als Brakel, Appelius, Hellenbroek, Verschuir en Lodenstein die Stheemans’ boekenkast vulden.

De redelijk vermogende Stheeman was een invloedrijk man in zijn omgeving. In 1748 kozen de gewapende manschappen van Scheemda hem tot bevelhebber van hun oranje vrijcorps. De wedman wilde eigenlijk onder de benoeming uit, want aanvaarding kon hem zijn functie kosten, maar dat hij gekozen werd stempelt hem wel tot een verklaarde orangist.

In dat Oldambster orangisme van 1748 was het gereformeerd-bevindelijke element vrij sterk aanwezig. Als Stheeman in 1767 Voltaire en Frederik de Grote las, zal hij afstand hebben genomen van dat gedachtengoed.

Dat namen er wel meer in die tijd. Alleen was Stheeman een grote uitzondering in het Oldambt.

14.000 boedelinventarissen online


Gepluimde spanner

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Vliegt van half september tot eind oktober. Een gangbare soort in bossen op lichte zandgronden, maar die heb je dus hier niet in de stad. De veel actievere mannetjes komen wel graag op licht af.

Dankzij Hendrika weet ik de naam. Zie ook deze pagina.


Man met een missie

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Muziekje erbij


Bijnamen uit het archief

Kijk, ook in studentenkringen had je bijnamen. Zo bevat het archief van Vindicat een gedenkboek door W.J. Veenhuizen, de redacteur van de Provinciale Groninger Courant, die onder studenten bekend stond als ’t Wieze Heufd. Terwijl het Reünistenmarslied van 1914 een compositie was van de kennelijk nogal venijnige C.F. Koch, alias Jan Wesp.

Maar, moet er meteen bijgezegd worden, zulke bijnamen uit de hogere kringen zijn goedmoedige luim. Het echte werk vinden we natuurlijk in de gerechtelijke archieven. Bij het schorriemorrie, dat is, en dan vooral uit de achttiende eeuw, omdat de archieven uit die tijd het best ontsloten zijn..

Zo bevat het archief van het Provinciaal Gerechtshof dossiers over de Muntendammer inbreker en dief Jan Keutel en de gewelddadige Slobbe uit Veele.

Beiden opereerden in het oosten van de provincie. Daar kwamen inderdaad de mooiste bijnamen voor. In het Gorecht en Sappemeer had je de dief Piknaald. En in het Oldambt een logementhouder die in de wandeling De Hingste heette, een opruier die door het leven ging als Beere en een mishandelaar die Misverstand genoemd werd. In die laatste naam zit het zinloos geweld al bijna ingebakken.

Ja, hoe oostelijker je kwam, hoe beeldender de bijnamen waren. Oude Pekela spande daarbij zonder enige twijfel de kroon, met types als de Roode Doctor (een ruziemaker), Harm Oorlog (een dief) en Poedel (een mishandelaar)

Daar kon zelfs de stad niet aan tippen, met zachtaardige aliassen als Jan Pannekoek (bendelid en dief), Koffiedik (mishandelaar), Roukou (bordeelbaas), Keekelbekje (schelder) en Pennevogel (dief). De uitzondering, de scharenslijper en dief Pieter Hangop, bevestigt zelfs de regel. Naar ik me meen te herinneren kwam hij niet in Groningen aan zijn voorspelbare eind, maar in Drenthe.

Bron (en dan zoeken met: alias)


Drilkamp op voormalig kloostergoed

Geplaatst op 24 oktober 2009  a

De rekening van de Rentmeester der Kloostergoederen over het boekjaar 1764/1765 staat online. Deze functionaris beheerde een van de belangrijkste fondsen van de provincie Groningen: het geestelijke vastgoed dat in 1594 bij de definitieve protestantisering van Stad & Lande toeviel aan de provinciale overheid.

Van de stad uit gezien even over de Helper Linie, had de provincie een Drilkamp op voormalig kloostergoed. Eens in de zoveel tijd oefenden de soldaten van het Groninger garnizoen hier. Zolang ze dat niet deden gebruikte een boer uit de omgeving de Drilkamp als weide. Hij betaalde de Rentmeester der Kloostergoederen daar de somma van 4 gulden per jaar voor, getuige de met veel zwier opgeschreven post.


Link spul, die tweedehands boeken

Via


Stadswapen Westersingel is weg

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

In de serie kapotgemaakte en/of verdwijnende ornamenten nu deel III. Het stadswapen aan de Westersingel schijnt weg te zijn. Vergelijk deze foto van Suzanne (toestand 14 maart) maar eens met deze foto die Molle Boon de afgelopen week postte. Of zou Molle Boon een veel oudere foto gepost hebben? Morgen toch maar eens kijken.

deel I

deel II


Lange rijen op straat voor de fotograaf

Een van de eerste dingen die de bezetter in 1940 invoerde, was de legitimatieplicht. Elke Nederlander moest een persoonsbewijs of Ausweis met een pasfoto. De fotografen kregen het smoordruk:

Meer oorlogsfilmpjes