UB zet elitair vriendenboek online
Geplaatst op: 22 oktober 2009 Hoort bij: Stad toen 3 reactiesWorden er nog poesie-albums bijgehouden tegenwoordig? Hoe dan ook, het gaat om een nedergedaald cultuurgoed. In de achttiende eeuw was zo’n vriendenboek nog voorbehouden aan volwassen personen behorende tot de elite.
Zo is bovenstaande notitie in het exemplaar van Claas Willem Kiers, luitenant-ingenieur en als zodanig eerste modellist aan het hof in Den Haag, geschreven door Antoon Adriaan van Iddekinge, een Groninger Raadsheer die dan (1753) in de Raad van State zit, maar nog de machtigste man van de stad en de provincie zal worden. Heel typerend is dat Van Iddekinge begint met een bijbelcitaat. De latere filiaalhouder van Oranje in Stad & Lande was nogal vroom, blijkt ook hier weer.
De UB heeft het liber amicorum van Kiers online gezet. Zo kom ik erop. Wie het album ook in wil zien, kan terecht bij De Wereld aan Boeken, het weblog van de zaal Oude en Kostbare Werken bij de UB. In het luxe boekwerk staan opdrachten van de volgende Groningers:
- het lid der Staten Generaal en de dichter Lucas Trip,
- diens collega J. van Gesseler,
- de raadsheer J. van Hoorn,
- de rector van de Groninger academie Daniel Gerdes,
- de professoren Leonardus Offerhaus,
- Nicolaus Engelhard en
- Antonius Brugman,
- de rector van het gymnasium A. Buning,
- en de predikanten Appelius (Zuidbroek),
- Gronau (Meeden) en
- Meynet (Bellingwolderschans).
Digitalisering NvhN sterk vertraagd en beperkt
Geplaatst op: 21 oktober 2009 Hoort bij: Webdinkies 9 reactiesValt dat even tegen.
Het berichtje stond vorige week louter in de Leeuwarder Courant en het bevatte de herhaalde intentie van de Noordelijke Dagblad Combinatie (NDC) om alle exemplaren van het voormalige Nieuwsblad van het Noorden (NvhN) op het web te zetten. Zoals twee jaar geleden al met de Leeuwarder Courant gebeurde.
Wat er niet in het berichtje stond, is dat de NDC-directie twee jaar geleden al min of meer beloofde om het NvhN compleet op het web te zetten. In 2009 zou dat project afgerond zijn. Blijkbaar heeft men twee jaar duimendraaiend voorbij laten gaan.
Ook komen in eerste instantie lang niet alle leggers van het NvhN – sinds 1888 – op internet. De NDC beperkt de scan-operatie voorlopig tot de kranten die tussen 1988 en 1997 verschenen zijn. “De digitalisering van het NvhN”, zo zegt de uitgever,
“is allereerst bedoeld voor de redacties van de NDC-kranten zelf en voor het ANP, dat de archiefdienst Contendor heeft overgenomen. Daarnaast is het net als bij de LC de bedoeling om het Nieuwsblad voor het publiek open te stellen.”
Deze mededeling zou overbodig en zinloos zijn, als er niet mee werd aangegeven dat het accent hier volstrekt anders komt te liggen dan bij de digitalisering ven de Leeuwarder Courant. Die in één keer helemaal compleet op het web kwam te staan voor àlle lezers, maar vooral de Friese.
De late en karige bedeling van de Groningers en Drenten, in vergelijking met de Friezen, doet vermoeden dat de NDC-directie lezers in Friesland véél liever heeft dan lezers in Groningen en Drenthe.
Niet dat de laatsten dat ook mogen weten. Daarom staat dat bericht alleen maar in de Leeuwarder.
Toen de Veemarktstraat nog Bij ’t Sliekgat heette
Geplaatst op: 20 oktober 2009 Hoort bij: Stad toen 10 reacties
Eind 1998 had ik voor de Oosterpoorter een interview met de toen 93-jarige Klaas Lanting. Hij vertelde me over zijn kinderjaren (1905 – 1915) bij de oude veemarkt. Hieronder de ingekorte, geredigeerde en op de veemarkt toegespitste tekst.
“We waren met een paar jongens van het Sliekgat een keer sterke verhalen aan elkaar aan het vertellen”, herinnert Klaas Lanting zich,
“en één van hen zei: ‘Mijn oom is dubbel boekhouder’. Een andere jongen reageerde: ‘Mijn oom zit in Indië en verdient er heel veel geld’. Toen ik in de zesde klas op een andere school kwam, met veel middenstandskinderen, dacht ik nog: ‘Ik wil dubbel boekhouder in Indië worden’. Dergelijke begrippen stonden ver van ons af, die waren zonderling verheven in onze wereld.”
“We woonden aan het Sliekgat”, verklaart hij:
“Toen ze me later op school vertelden dat ik aan de Veemarktstraat woonde, vond ik dat zo deftig. Die naam Veemarktstraat werd nooit uitgesproken. Op school woonde je opeens aan de Veemarktstraat en voor die tijd woonde je aan het Sliekgat.”
Ooit was Sliekgat een volkse aanduiding voor de Griffe, een kanaaltje dat aantakte op het Winschoterdiep en dat naar een straatvuil- en faecaliënoverslagplaats voerde, de Drekhaven vlakbij de Oosterweg. Op de plek van de gedempte Griffe en Drekhaven werd in het begin van de jaren 1890 de Veemarkt gerealiseerd, daar waar je nu het Cultuurcentrum en de kantoren aan de Trompsingel hebt. Maar kennelijk bleef de naam Sliekgat na de aanleg van de veemarkt nog een paar decennia hangen.
Om wat preciezer te zijn, woonde Klaas tussen 1905 en 1915, toen zijn moeder overleed, op vijf adressen aan de Veemarktstraat, de Houtzagerstraat en de Cubastraat, allemaal in de buurt van de Oosterweg. Van enkele onderkomens weet hij nog bijzonderheden:
“Bij de Houtzagerstraat heb ik roodvonk gehad, mensen van de geneeskundige dienst haalden er de gordijnen voor de ramen weg, die ze net als andere zaken in huis ontsmetten. (…) Op Cubastraat 10 ben ik van de zolder gevallen en heb ik mijn arm gebroken. (…) En Veemarktstraat 35 is later verbouwd tot café Marktzicht. Het bestond uit een voorkamer met een bedstee, een keuken en een grote achterkamer. Achterin de tuin was er een wasschuur, die mijn moeder gebruikte om melk te karnen. Een paar huizen verderop had je een gang met wat slopwoningen. Dat soort huisjes bestond meestal uit een kamer en een achterhuis en wij stegen daar wat boven uit.”
Klaas was de jongste van zes broers. Zijn ouders kwamen uit Noorddijk. Na het huwelijk (1891) werd Klaas zijn vader grootknecht bij de veestalling van A. de Vries op Veemarktstraat 5, een annex van ’t gelijknamige café en hotel, ook weer vlakbij de Oosterweg. “De Vries was daar een van de grotere bedrijven”, stelt Klaas,
“De veemarkt ging dinsdagmorgen heel vroeg open en het vee dat boeren van ver weg aanvoerden werd ’s nachts gedeeltelijk gestald bij De Vries. Bij De Vries bestond de hele bovenverdieping uit kamers, waar veehandelaren uit Overijssel en Friesland de nacht overbleven. Maar De Vries was ook boer en had ook koeien. Hij had dus een vrije stal en nog een stal voor zichzelf. Van die veestalling en dat boerenbedrijf was mijn vader de bedrijfsleider.”
Hij herinnert zich hoe er hooi bij De Vries werd binnengereden op een platte wagen: “Een korre noemden wij dat.” Ook weet hij nog hoe hij als jochie zijn vader hielp bij het verweiden van vee naar Visvliet, waar De Vries oorspronkelijk vandaan kwam:
“Mijn vader zat op de korre en ik zat naast hem op de bok.”
Naast zijn zevendaagse baan bij De Vries, onderhield zijn vader op een binnenterrein nog een moestuin met boerenkool en bietjes. Ook hield pa Lanting kippen bij huis. En op een ander binnenterrein huurde hij samen met een buurman, die bakker was, een hok, waarin ze voor gezamenlijke rekening twee varkens vetmestten. De bakker zorgde voor het voer – oud brood genoeg – en Klaas’ vader deed het werk, zoals het uitmesten van het hok.
Al die agrarische bezigheden roepen de vraag op wat de pot schafte bij de familie Lanting. “Wij aten wat de arbeiders gewoonlijk aten”, is Klaas’ antwoord.
“Net wat we vanmiddag gegeten hebben: snert met pannekoeken na. Vaak ook stamppotten. En wat vlees betreft vooral varkensvlees, maar ook wel schapenvlees en paardenvlees. Mijn moeder kon ook heel lekkere hazenpeper maken, Die hazen waren gestroopt, mijn vader kreeg ze als tegenprestatie van boeren uit Drenthe voor adviezen over koeien.”
Klaas’ moeder verdiende net als zijn vader de kost aan de veemarkt. Zij had een nering als zelfstandig melkvrouw:
“Mijn moeder ging met een schamel – een driepotige kruk – en een emmer naar de markt en molk daar koeien. Als de koeien naar de Veemarkt werden gebracht, hadden de boeren er belang bij dat ze er met volle uiers heengingen. Maar dat was natuurlijk een lijdensweg voor die beesten en ze mochten niet van de markt af, voor ze uitgemolken waren. Nou, dat deed mijn moeder, net als verschillende tantes van mij.”
“Soms zei een boer tegen mijn moeder: Jij mag wel melken, maar dan moet je straks wel de drijver betalen. Als ze van de markt afkwamen werden de koeien bijvoorbeeld naar de verlaadplaats aan de Verlengde Lodewijkstraat gedreven, of anders naar de Bedumerweg om met de boot naar het Hogeland te gaan. Dat drijven kostte een paar stuiver. Op een keer, ik moet een jaar of acht, negen geweest zijn, heb ik ook twee of drie koeien naar die boot op het Boterdiep gebracht.”
Zijn moeder had haar melkstandplaats tegenover café De Vries. “Ze droeg altijd blauw vetkrijt bij zich”, vertelt hij.
“Daarmee werd een koe gemerkt, zodat de boer die koe terug kon vinden. Meestal handelden de boeren en veehandelaren hun zaken in de café’s af en menigmaal vroegen ze mijn moeder als zij de koe al gemolken had nog om haar oordeel. Blijkbaar had ook zij verstand van koeien.”
De koemelksters van de veemarkt werkten allemaal voor zichzelf, maar kregen ergens tussen 1910 en 1915 van gemeentewege uniforme kledij opgelegd, een blauwe mouwschort of jas. “Dat was een soort milieuvoorschrift”, meent Klaas.
“Voor die tijd gingen ze er in hun gewone kleren heen.”
Ook zag de gemeente er volgens hem op toe dat de koemelksters de melk ter plekke zuiverden:
“Er kwam een keer een man van de keuringsdienst naar mijn moeder, die zei dat ze verplicht was de melk door een teems met een doek te gieten. Daarop letten ze, maar wat er verder met die melk gebeurde, daar werd helemaal niet naar gekeken.”
Zijn moeder karnde zelf haar melk, in de schuur achter het huis. “Dat gebeurde met een schommelkarn”, zegt hij, “een grote bak, waarin twee schotten met gaten hingen. Die karn hing in twee ijzers, de bak trok je naar je toe en duwde je van je af en zo kwam het spul in beweging”. Op die manier verkreeg zijn moeder boter die ze kneedde, zoutte en in een houten vorm stampte.
“De klanten voor die boter zullen wel beter gesitueerden geweest zijn, want arbeiders aten alleen kunstboter.”
Vormde boter de hoofdmoot van zijn moeders’ aandeel in het gezinsinkomen, de restante melk en karnemelk stond in de gang te wachten op kopers. Klaas: “Het waren vier emmers van 50 liter. Ze hadden een deksel met een scharnier in het midden, zodat je beide helften kon opklappen.” Mocht de verkoop aan eigen deur de voorraad niet kunnen wegwerken, dan ging zijn moeder met haar melkkar uit venten: “Maar dat gebeurde slechts af en toe, ik denk vooral ’s winters.”
Naast melkvee werden er op aparte vakken van de oude veemarkt kalveren, varkens, schapen en paarden verhandeld:
“Die schapen stonden op een gedeelte, daar keken wij nooit naar. Ook was er een lammerenmarkt in het voorjaar, die drie weken duurde. Op maandagmiddag werden de lammeren gebracht en de hele nacht waren ze aan het blaten. In de eerste week kon je niet slapen, maar de andere weken raakte je gewend aan ’t lawaai.”

Toentertijd stond de veemarkt nog vol met hoge bomen. Klaas maakte mee hoe er in augustus 1914 rails voor de electrische tram langs de Trompsingel werden gelegd. Het waren die van lijn 5, eindpunt Meeuwerderweg:
“Ze werden gelast, dat vonden we zo een wonder! Als jongen van negen jaar snapte je daar niks van. Die tramlijn heeft trouwens een heel stuk van de veemarkt afgesneden. Het was in die tijd ook dat ik de eerste vrachtauto zag. Gewone auto’s was ik al wel gewend, maar toen mijn broer vertelde dat hij er een vrachtwagen gezien had wilde ik dat eerst niet geloven.”
Mede door de ontwikkelingen in het verkeer en vervoer gaf de veemarkt nogal wat negotie. Hij herinnert zich vooral veel horeca: “De hele Veemarkt was omringd door café’s”. Naast De Vries was er een soortgelijk stallings- en horecabedrijf, dat van Scholte. En voorbij De Vries had je de café’s en logementen van Olthoff, Gans en Bambergen. Net als veel veehandelaren, waren Gans en Bambergen van het oude volk. Klaas fungeerde nog als sjabbesgoj: “De Bambergens waren hele vrome joden, ik heb wel eens een cent gehad om op vrijdagavond het licht voor ze aan te steken”. Nog weer verderop lagen op straathoeken de buurtcafétjes van Koster en Bolhuis: “In die kroegjes haalden mensen vrij algemeen drank per maatje op, als ze visite kregen. Mijn eigen hoofddrank, wat ik toen zelf geweldig vond, was grenadine.”
De vele horeca had als bijverschijnsel dat er buiten op straat nogal eens gevochten werd. “In de Eerste Wereldoorlog waren er Engelsen geïnterneerd in het Engelse Kamp“, legt Klaas uit,
“maar die hadden veel bewegingsvrijheid en kwamen regelmatig bij de veemarkt. Het gebeurde vaak dat mannen uit de omgeving met ze gingen knokken en dan zaten wij als kwajongens erbij te kijken op de hekken van de veemarkt. Meestal hadden beide partijen teveel drank op, maar die Engelse soldaten waren veel technischer vechters. Eén keer zag ik hoe een Engelsman naar de benen van buurtagent Doedens dook om hem onderuit te halen. Maar die Doedens was een dikke, zware kerel, en die viel niet te scheppen. De Engelsman schoot Doedens tussen de benen en Doedens kneep zijn benen om zijn hals en begon hem af te rossen met de gummistok”.
Naast de horecabedrijven stonden er aan de Veemarktstraat en de straten erachter nog tal van winkeltjes. Klaas noemt onder meer de grossierderij van Van de Wolde & Zweep aan de Veemarktstraat. Van Wolde & Zweep handelden in groente en brandstoffen, een merkwaardige combinatie. Klaas: “Ze brachten cokes naar het Engelse Kamp, wij zaten achterop de wagens en reden zo het kamp mee in”. Specifieke herinneringen bewaart hij ook aan de bakkerij van Dijkstra op de zuidhoek van de Cubastraat en de Oosterweg:
“Daar kon je toffees kopen waar soms bij wijze van verrassing een cent ingeplakt was. Als er bij De Vries een kalf geboren werd en de koe biest gaf, werd die biest naar Dijkstra gebracht en daar verwerkt in gebak en taarten. Biest in gebak en pannekoeken, dat was heerlijk.”
Tussen de horeca en de winkels door bevonden zich aan de straten en stegen bij de oude veemarkt nog veel op het oog normale burgermanswoningen. Maar de schijn kon bedriegen, want op de kop van de veemarkt bij de Oosterweg stond tussen de horecabedrijven van De Vries en Scholte bijvoorbeeld het huis van ene Rietema, een bediende van het slachthuis:
“Hij was een echte heer in mijn ogen en had een grote voortuin met een grasveld dat als fietsenstalling dienst deed. Op dinsdagen stond het daar altijd hartstikke vol. Ik zie nog vrouw Rietema staan die de fietsen aannam.”
In het buurtje achter de oude veemarkt woonden vooral werklui, losse arbeiders, hellingknechten, stadsreinigers en sigarenmakers:
“Als de mannen op zaterdag geld beurden doken ze vaak de kroeg in. Ook toen al kregen ze bij sommige bedrijven een bewijsje van wat ze verdienden. Eén van de vrouwen liep een keer langs het station en vond het papiertje van haar man. Toen hij haar betaalde riep ze: En nu de rest!”
Van andere vrouwen uit het buurtje herinnert hij zich vooral een, die woonachtig was op de hoek van een doorbraak tussen de Houtzager- en de Cubastraat. Ze verkocht warm water en kooltjes vuur:
“Zij ging uit porren of wekken. Die mannen moesten snel weg. Als ze koffie wilden, moest eerst de kachel aan, maar dat duurde veel te lang. Vandaar dat dat vrouwtje ook warm water en vuur leverde.”
Immens was het standsbesef:
“Ik vond dat heel normaal: door de week liep je op klompen en ’s zondags op schoenen. Nooit kende ik afgunst op kinderen die het beter hadden. Wat je niet begrijpt is het kastegevoel dat er heerste. Je werd als arbeider geboren en als arbeider ging je dood.”
“Thuis hadden we niet veel boeken, alleen Lord Lister en Buffalo Bill“, merkt hij op. Al vroeg kreeg hij door dat ie moest leren, om verder te komen in het leven. Dat kwam door zijn moeder. “Zij was haar tijd vooruit”, zegt hij:
“Want ze leerde de kinderen studeren. Toen mijn broer Etto naar de ambachtsschool ging, vonden familie en buurt dat mijn moeder het hoog in de kop had. Dat deed je niet, de arbeidersgroep was mooi genoeg. Als je op je twaalfde jaar van de lagere school kwam ging je aan het werk, want er moest geld binnenkomen. Maar door haar toedoen is mijn broer Etto naar de ambachtsschool gegaan en heeft er een vak geleerd. Ik wou boekhouder in Indië worden, maar hij is er heengegaan. Bij de Semarang-Tjirebonspoorlijn had hij een hoge post. In de oorlog is hij opgepakt en gestorven in een jappenkamp.”
Harry Perton
Resultaat van een oproep in de krant
Geplaatst op: 19 oktober 2009 Hoort bij: Oosterpoort 8 reactiesDeze oproep, die ik op 25 augustus doorgaf, stond vandaag in het DvhN. Kennelijk is er aardig veel aanbod voor die rubriek.
Tot nu toe reageerden:
- Een lokale historica die eerder twee Friese veehandelaren interviewde. Ze gaf de namen met een introductie.
- Een oud-veehandelaar uit de Woudstreek
- De dochter van een vroegere vee- en varkensweger op de veemarkt
- Een oud-zuivelcontroleur (75) van de Keuringsdienst van Waren op de veemarkt
- Een kleinzoon van caféhouders aan de Veemarkt (73)
- Een man (80) wiens vader in de veestallling van Wichers werkte
- Een mevrouw (81) die geboren en getogen was in een bakkerszaak aan de Veemarktstraat
- Een oud-slager (90) uit De Marne die zijn slachtvee op de veemarkt kocht
- Een oud-slager en veehandelaar (89) uit de streek even ten noorden van Groningen
Dat was wel een lonend oproepje, dacht ik zo. Door sneeuwbalwerking hoop ik aan nog een aantal zegslieden te komen.
Bob Dylan in Noordpolderzijl (IV)
Geplaatst op: 18 oktober 2009 Hoort bij: Stad nu 1 reactieVanmiddag was ten Paleize de uitreiking van het eerste exemplaar van ‘ Fietsen met Bob Dylan ‘, Bill Mensema’s roman waarin de Noordpolderzijl-anecdote aanleiding en rode draad is. Bizarre types liepen er rond:

Eerst coverden de auteur en zijn vrienden een stuk of wat nummers van Dylans’ meest verguisde, want meest christelijke LP:

Het filmpje met de nep-Henk Scholte was op een groot scherm te zien:

En Herman Sandman las zijn versie van het Noordpolderzijl-verhaal voor:

Een multimediaal Gesamtkunstwerk dat de Dylan-antipathie thematiseerde desoriënteerde het publiek enigermate:

Jacob Bolhuis, indertijd namens Mojo tourmanager van Dylan, dacht dat de popster niet was wezen fietsen, maar sloot het toch ook weer niet voor de volle 100 % uit:

De grootste Dylan-lookalike kreeg van Mensema het eerste exemplaar van diens boek en was er danig mee in zijn nopjes:

De nep- en de echte Henk Scholte, die beide het woord voerden over de Noordpolderzijlkwestie, zongen tot slot van het officiële programma eendrachtig meerstemmig het Gronings volkslied:

Fragment uit de nieuwe roman:
“De laatste keer dat ik samen met mijn doodzieke moeder in Noordpolderzijl was geweest, werd het nummer afgespeeld in café Het Zielhoes, bij de haven. Volgens haar was Dylan hier in de jaren ’90 een keer geweest.
– Wat een onzin, mam.”
– Maar de waard heeft het me zelf verteld.
– Wat moet Dylan hier nou? Hier is niets. Twee huisjes, een kroeg en een gemaal, en verder akkers zover het oog reikt.
Intussen staarde mijn moeder dromerig uit over het grijze niets dat ons hier achter de dijk omringde.
– Als ik straks dood ben, dan moeten jullie mijn as hier uistrooien.”
Zernike wint de Nobelprijs
Geplaatst op: 18 oktober 2009 Hoort bij: Stad nu Een reactie plaatsenItem uit een bioscoopjournaal van 1953 met beelden van de kersverse Nobelprijswinnaar Frits Zernike:
Dag van de Groninger Geschiedenis 2009
Geplaatst op: 17 oktober 2009 Hoort bij: Stad nu 8 reactiesBij aankomst zag ik een aantal heren gezellig keuvelen op een zitje tussen een paar antieke legervoertuigen, Op een tafeltje stond dit zend-toestel:
Interieur uit de oorlogstijd. Je zou bijna zingen: “Toen was geluk nog heel gewoon”, maar dat liedje gaat over een paar jaar later.
Drukte op de informatiemarkt:
Vrouwen in Groningse klederdracht. Geen types om de carmagnole te dansen:
Jan Glas van theatergroep S-5 in een glansrol als Dr. Bruckhust:
Deze keuringsarts gaf iedere opgekomen recruut letterlijk een stempel van goedkeuring, zelfs volstrekt manisch-depressieve types die los wilden gaan op Friezen:
Nog een rondje over de informatiemarkt. In de stand van de Historische Vereniging Bedum lagen deze foto’s. Ik kende zulke raatbouwtorens alleen van Warfhuizen en Winschoten en wist niet dat de Luchtwachtdienst er ook een aan de Oude Dijk in Bedum had:
Deze Spaanse soldaat kwam helemaal uit Den Briel. Zijn helm woog bijna een kilo:
Bob Dylan in Noordpolderzijl (III)
Geplaatst op: 16 oktober 2009 Hoort bij: Stad toen 3 reactiesIk vroeg Wim Vuijk of hij als verstokte Bob Dylanfan ook bij dat concert van bijna vijftien jaar geleden in de Martinihal was geweest
“Daar ben ik zeker geweest!”, zei hij:
“Ik heb zelfs nog een poster van het concert en een opname.”
“Goed”, zei ik, “En herinner jij je dat Bob Dylan iets gezegd heeft over een fietstocht op het platteland die hij gemaakt zou hebben?” Helaas, hij herinnerde zich het niet:
“Het zou me verbazen, Dylan was niet zo praterig. Maar ik zou het concert opnieuw kunnen beluisteren.”
Aan de andere kant zou het hem nou ook weer “niet zo enorm” verbazen:
“Dylan zat alleen in het Familiehotel, met een echtpaar dat voor hem zorgde tijdens de tour. Er werd ook gekookt en dergelijke. Dylan ging dus zijn eigen gang min of meer.”
En doorredenerend over de waarschijnlijkheid van Dylan in het Zielhoes:
“Toen Dylan in Brussel optrad is hij een keer met de fiets naar de concerthal gegaan. Maar Noordpolderzijl is behoorlijk ver fietsen voor een Amerikaan die niet Lance Armstrong heet. Bovendien, hij kent de weg hier niet. Hij is er dus of afgezet of met iemand meegereden, iemand van de tour of zo. Het kan niet anders of er moeten wat betrouwbare getuigen zijn. Maar die zijn er niet.”
Historische toogdag draait om oorlog en vrede
Geplaatst op: 16 oktober 2009 Hoort bij: Stad nu 2 reactiesIk dacht dat ik dit model helm wel eens gezien had op een zegel en een miniatuur uit de dertiende, veertiende eeuw. Maar volgens degene die hem namens het Groninger Museum in een ronde vitrine plaatste, was het een ceremoniële helm, afkomstig van een rouwbord uit een Groninger kerk. Er hoorde een vederbos op, hoorde ik naderhand.
De helm maakt deel van een eendaagse expositie over het thema ‘Oorlog en Vrede’, morgen in het gebouw van de Groninger Archieven. Te zien zijn onder meer de beroemde spangenhelm, een deerlijk gehavende Duitse stahlhelm die tevoorschijn kwam bij de opgraving aan het Damsterdiep, een met authentieke spulletjes gereconstrueerde woonkamer uit de Tweede Wereldoorlog, een illegaal seintoestel, en veel foto’s, brochures en kranten uit die tijd.
Het is morgen de Dag van de Groninger Geschiedenis, vandaar. Ook die dag heeft dat thema Oorlog en Vrede. Om 13.00 uur belooft het extra leuk te worden, want dan coveren Kim Janssen, Ruud Slingerland en The Black Atlantic bekende protestsongs tegen de oorlog. De hele dag door duiken ze zonder versterking maar met die songs op verschillende plekken in het gebouw op.
Lezingen zijn er te horen van onder meer:
- Gerit Voerman – over oorlog op Nederlandse verkiezingsaffiches
- Jolien Berendsen – over Majoor Thomson
- Klaas Niemeijer – over de Groninger schutterij tijdens de Belgische Opstand
- Oebele Vries – over de middeleeuwse vetemaatschappij in Stad en Ommeland
- Menno Wielinga – over de Engelse Kamp in de Eerste Wereldoorlog
En verder is er de jaarlijkse informatiemarkt van allerlei instellingen en clubs op historisch terrein, kan je er films en video’s kijken, neuzen op een boekenmarkt en meedoen aan de enige echte Groninger Geschiedenisquiz, Met gemak heb je de hele dag vermaak!
‘Laat de heren maar mooi weer spelen van hun eigen geld’
Geplaatst op: 16 oktober 2009 Hoort bij: autobio 10 reactiesStichting Oude Groninger kerken mag mij uitschrijven als lid. De redactie van haar blad denkt dat ze auteurs volstrekt willekeurig kan behandelen.
Begin deze maand viel een artikel uit voor het komende nummer van ‘Groninger Kerken’. “Met enige spoed” zocht de redactie een vervangende bijdrage. Omdat een van de redactieleden een verhaal van me gehoord had over diaconale collecte-opbrengsten in het Oldambt, dit mede in verband met offerblokken, kwam de redactie op het idee om mij over die materie een stuk te laten schrijven. “Idealiter” zou het er binnen een week moeten liggen:
“Maar mogelijk is dit een onredelijk verzoek.”
Ik berichtte de redactie dat een stuk over collecten en collecte-methoden binnen een week inderdaad iets teveel geëist was. Maar ik had nog een stuk over de bevindelijke dominee Christophorus Eyssonius van Finsterwolde, dat ik zou kunnen optuigen. Ik vroeg of ze er naar wilden kijken:
“Schiet er maar even op.”
Het antwoord kon je voorspellen. Groninger Kerken gaat bijna alleen over materiële zaken, en het aangeboden verhaal heeft die duidelijk niet als thema. Maar als er een materiële opstap gevonden zou kunnen worden, zo dacht de redactie, dan was dat wellicht de mouw om eraan te passen.
“Is er geen grafsteen van die Eyssonius?”,
luidde de vraag. Die bleek er inderdaad nog te zijn. Het grafschrift werd nog mooi gevonden ook. Ten overvloede kreeg ik op het hart gedrukt hoe het stuk zou moeten beginnen:
“Zoals je weet gaat ons tijdschrift primair over kerkgebouwen en hun inrichting en daarom zou het stuk ons inziens geopend moeten worden met een beschrijving van de grafsteen uit 1745 en het aardige grafdicht. Dat deze zerk een persoon bedekt die een groot tumult in het Oldambt veroorzaakte, is dan een goede brug naar het eigenlijke verhaal.”
Wel zat er naar de smaak van de redactie nog te veel “kerkelijke terminologie” in. Of dat niet wat minder kon?:
“…enkele archaische termen geven weliswaar kleur aan het stuk, maar zijn tegelijk voor veel van onze lezers (die voor een groot deel niet-kerkelijk zijn) niet eenvoudig te begrijpen. Een korte toelichting van begrippen als binnen- en buitencollatoren, classis, het consistorie en vaandrig is daarom noodzakelijk, en ook de term bevindelijk zou even moeten worden omschreven.”
Zaterdag bewerkte ik het verhaal. Als ik de ‘moeilijke’ termen er niet uit schreef, dan vertaalde ik ze wel. Omdat de redactie een uitgebreide tekstbehandelingsinstructie meestuurde, was het niet allemaal even aangenaam werk. Bovendien moest het stuk voorzien worden van noten, terwijl sommige van mijn aantekeningen poter bleken. Om binnen het gegeven bestek ruimte te maken voor grafsteen-tekst, lead, tussenkopjes, personalia en noten beende ik de oorspronkelijke tekst behoorlijk uit. Ik was redelijk tevreden over het resultaat. Die tevredenheid vergoedde het gemis van een zaterdag die ik véél aangenamer had kunnen doorbrengen.
Natuurlijk wist ik dat dat de redactie het nog zou bespreken, maar dat leek me geen probleem. Helaas was dat een enorme vergissing. Ik kreeg gistermiddag een mailtje dat de redactie het stuk niet accepteerde. “Bijdragen voor ons tijdschrift moeten gaan over kerkgebouwen of objecten in die kerkgebouwen”, schreef ze,
“…waarbij het zwaartepunt in de materièle cultuur ligt. Soms kan daarvan afgeweken worden, zoals onder meer in onze rubriek ‘Een bijzonder verhaal’ wel gebeurt. Bij jouw stuk is de grafzerk en het grafdicht een aanleiding, maar niet de kern. “
Mij brak de klomp. De afspraak was immers het verhaal te openen met de grafsteen, een aanleiding die “een goede brug” was “naar het eigenlijke verhaal”. Aan die opdracht had ik me gehouden, Terwijl ik dat nu achteraf als verwijt om de oren geslagen kreeg.
Eenzelfde pietluttige geest als uit de auteursinstructie, sprak uit het zogenaamde “inhoudelijke commentaar” dat ik meegeleverd kreeg:
“Zo vroegen wij ons af wat uiteindelijk je conclusie is: gaat het hier om een theologisch conflict, een sociaal conflict of gewoon om een ordinaire onmin tussen personen?”
Volgens mij ligt het er duimendik bovenop dat het primair om een theologisch conflict ging. Maar ja, voor sommige mensen moet je zoeiets uitspellen, blijkbaar. Zonder dat aspect was ik ook totaal niet in het verhaal geïnteresseerd geweest! Uiteindelijk kan je zo’n conflict moeilijk scheiden van persoonlijke animositeit. Het is een historisch verhaal met mensen van vlees en bloed, geen dorre chemische analyse, waarbij alles in zuivere factoren kan worden ontleed!
De redactie:
“Ook vinden we de context van het piëtisme iets te snel verondersteld.: gaat het bij het grafdicht daadwerkelijk om piëtisme of waren vergelijkbare grafdichten ook elders gebruikelijk. Wat maakt het rijm voor Eyssonius bijzonder?”
Eerder moest ik “kerkelijke terminologie” en “archaische termen” vermijden die “niet eenvoudig te begrijpen” waren “voor niet-kerkelijken.”. Nu wilde men dat ik zou uitweiden over de “context van het piëtisme”. Maar zoiets zou toch zéker ten koste gaan van het “eigenlijke verhaal”? Bovendien, je gaat voor een stukje lokale historie van een paar pagina’s toch niet eerst een uitgebreide vergelijkende studie schrijven over grafdichten in allerlei andere dorpen van Stad en Lande? Dat zou nog veel meer ten koste gaan van “het eigenlijke verhaal”.
De redactie:
“Tot slot hadden wij moeite met enkele formuleringen, waar die op ons iets te anekdotisch overkwam (vb. ‘zwartkous’, ‘dikke boer’).”
De formuleringen die de redactie hier anecdotisch noemt (wat weer een angst voor de anecdote, trouwens) zijn niet zozeer anecdotisch, omdat woorden op zich helemaal niet anecdotisch kunnen zijn. Wel zijn die formuleringen populair, dat is zo. Maar het blad ‘Groninger kerken’ is toch geen wetenschappelijk publicatiemedium?’ Het stuk moest toch bevattelijk geschreven worden, met het oog op de lezers die van toeten noch blazen weten?
Men wilde gewoon een ander verhaal dan ik – conform de eerdere instructies – geschreven had. Geen enkel excuus voor het zwalkbeleid, integendeel, men had ook nog de euvele moed om te vragen of ik er nog eens overheen wilde gaan:
“…vraag zou zijn of je het ziet zitten om het verhaal op grond van het genoemde commentaar om te werken. dat zal enige inspanning vergen. Mocht je er niet voor voelen, dan hebben wij daar begrip voor.”
Fijn. Bedankt nog. Ik heb ze teruggeschreven dat hun kritiek innerlijk inconsistent, nogal willekeurig en daarmee onheus was. En dat ik het stuk NIET nog eens een keer ging omwerken. Want dan kwam er vast wel weer andere willekeurige en innerlijk tegenstrijdige en onheuse zwabberkritiek.
Deze redactie boezemt me geen vertrouwen meer in. En omdat ik de indruk heb gekregen dat publicatie in het blad eigenlijk voorbehouden moet blijven aan redactieleden die het maar vervelend vinden dat anderen een plekje in hun zwaar gesubsidieerde speeltuin innemen, heb ik meteen ook maar mijn donateurschap opgezegd van de stichting die het blad uitgeeft.
Laat de heren maar mooi weer spelen van hun eigen geld.
Update vrijdag 6 november 2009:
Na een goed gesprek met de directeur van Oude Groninge kerken heb ik mijn lidmaatschap hervat.
Strijder tegen Satans’ rijk in Finsterwolde
Geplaatst op: 15 oktober 2009 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsenFinsterwolde staat al heel lang bekend als een ontkerstend, onkerkelijk en onkerks dorp. Toch stonden hier ooit zware predikanten op de kansel. Bijvoorbeeld Christophorus Eyssonius. Hij had nogal wat te stellen met zijn gemeente.
In de kerk van Finsterwolde staan op een grafsteen deze regels:
‘Eyssonius, Gods trouwen knegt, bedekt dees Zerk
so nuttig voor ons land, so dierbaar voor Gods kerk
manmoedig voor Gods saak en tegen ’s Satans ryk
die na voltrokken stryd by Godt leeft eeuwiglyk’ .1)
Dat een predikant nuttig en dierbaar was, zegt niets over zijn richting. Maar die ‘voltrokken strijd’ daarentegen, ‘tegen ’s Satans rijk’ laat zien dat het om een zware broeder ging. Zoeen die zich ergerde aan allerlei slapheid, en vurig ijverde voor een verdieping van het geloofsleven. Zoeen die vond dat mensen de gereformeerde dogma’s niet alleen verstandelijk moesten onderschrijven, maar ook emotioneel moesten ondervinden. Je zou Eyssonius ook een fijne, een piëist of een zwartkous kunnen noemen, maar dat zijn scheldwoorden, en daar schiet je weinig mee op.
Eyssonius was eind dertig, toen hij in 1728 naar het nog armoedige garnalenvissersdorpje Finsterwolde werd beroepen. Dat gebeurde op een verdeelde stem van de collatoren, de stemgerechtigde grondeigenaren. Zelf kreeg hij 21 van hun stemmen bij de verkiezing, terwijl zijn concurrent, ds. Costerus, er slechts 12 ontving. 2)
Een mooie meerderheid zou je denken, maar Oldambster predikanten werden veelal unaniem beroepen. Een verdeelde stem was minder mooi. Dat Eyssonius won, dankte hij ook nog eens aan de collatoren van buiten het dorp. Zeker 17 van zijn 21 stemmen kwamen van uitwonende grondeigenaren. Vooral de 10 stemmen van de stad Groningen vallen op. Die gaven de doorslag. Op Costerus daarentegen, stemden louter Finsterwoldigers. Om te beginnen de ouderlingen en diakenen, maar ook de zespaards akkerbouwer Pieter Roelfs. 3) Dat de lokale elite tegen Eyssonius’ komst was, geeft te denken.
Wrevel
Vlak na zijn verhuizing naar Finsterwolde maakte Eyssonius een eind aan een zaak die zijn voorganger inzette. Een van het avondmaal geschorste lidmaat kreeg weer toestemming om, ‘so hij sig beproeft en in de Here waardig vond’, deel te nemen aan het ritueel van brood en wijn. Hoewel Eyssonius later opmerkte dat hij zijn werk al vanaf 1730 ‘met smerte’ deed, ‘sugtende onder allerlei tegenstaat (…) door wrevel van sommige toehoorders’, merk je dat vooreerst niet aan zijn kerkeraadsverslagen. 4) Pas in 1734 openbaarde zich een conflict. De vaandrig (militaire officier) Heddema, dankzij zijn huwelijk een gezeten eigenerfde in Finsterwolde, dacht als collator drie stemmen bij de verkiezing van een nieuwe armvoogd in te kunnen brengen. 5) Hij zag zich echter gedwarsboomd door de kerkeraad onder Eyssonius’ leiding. Ook in de classis, de toezichthoudende predikantenvergadering, kreeg Heddema nul op het rekest. Hij was geen lidmaat. En niet-lidmaten hadden bij dit soort verkiezingen nu eenmaal niets in te brengen dan lege briefjes. In 1735 verwees de classis de dikke boer Pieter Roelfs, die in 1728 al tegen de komst van Eyssonius stemde, en in de classis enige bezwaren tegen dominee in kwam brengen, terug naar de kerkeraad van Finsterwolde. Voor dat orgaan wilde Roelfs samen met een aantal getuigen optreden, maar ook daar stak de kerkeraad een stokje voor. Al was men ‘seer verwondert dat die man ons metten wou voorschrijven.’ 6)
Op de rug
Roelfs was dan ook slechts woordvoerder, en niet de opsteller van de aanklacht die hij bij de kerkeraad deponeerde. De opsteller, het brein achter de schermen, dat was vaandrig Heddema. Diens handtekening stond ook wel onder het stuk, maar de kerkeraad wees hem als getuige af, ‘also hij geen lidmaat zijnde buiten haar regt en magt is’. Toen Heddema hierover opnieuw bij de classis klaagde, ving hij andermaal bot. Roelfs bleef woordvoerder van de oppositie tegen Eyssonius, met nog vijf getuigen tot zijn beschikking.
Hun eerste klacht kwam erop neer dat Eyssonius bij het voorlezen van het avondmaalsformulier de woorden ‘ons en wij’ verving door ‘de sijne of de gelovige’. Waarmee dominee liet merken dat niet iedere avondmaalsganger volgens hem bekeerd was. Verder zou dominee zich in een preek hebben laten ontvallen, dat sommige mensen in de gemeente Finsterwolde hun voorganger weg wilden jagen. Een andere keer zou hij gerept hebben van ‘godloze toehoorderen’, die geen rust konden vinden, voor ze hun ‘getrouwe predikant’ op de rug zagen liggen. Op het verzoek van de klagers om dat eens uit te leggen, noemde Eyssonius alle hem toegeschreven uitlatingen verzonnen. Hij wist niet van heimelijke moordenaars in Finsterwolde. Althans, dat liet hij aan de alwetende rechter over.
Vervolgens koos hij de aanval. Roelfs had hem al meermalen bij mantel en bef gevat en bedreigd, zowel binnen als buiten de kerk. Roelfs was antwoorder in de zaterdagse catechisatie, en stond in die rol onlangs met een ‘verwoet gelaat’ vlak voor dominee, alsof hij deze wilde slaan. Dit tot ontsteltenis van de andere aanwezigen. De dienst werd er bijna om gestaakt. Wellicht kapittelde Eyssonius Roelfs bij deze catechisatie wegens een ‘fout’ antwoord?
De kerkeraad koos de kant van Eyssonius en schorste Roelfs als lidmaat wegens het tekenen van een valse verklaring en wangedrag jegens de predikant. Vier van Roelfs’ getuigen verklaarden nu ijlings, dat ze zich wel konden hebben ‘mishoord’. Een volgende keer, zo beloofden ze, zouden ze eerst eens met dominee zelf praten voor ze actie ondernamen. Ze gaven dominee een hand, en kwamen er met een eenmalige avondmaalsontzegging vanaf. 7)
De kroongetuige van Roelfs – die eerst maar eens berouw moest komen tonen – ontbrak echter op het appel. Vermaningen Van deze Edzo Geerts kwam de klacht over Eyssonius’ eigenzinnige interpretatie van het avondmaalsformulier. Hij had als familiehoofd nog een appeltje met dominee te schillen, omdat deze weigerde zijn nicht te accepteren als doophefster voor haar zusters’ kind. Die nicht, een ‘wilt, ijdel, en tegen de predikant kwaadaardig meisje’ had zich volgens Eyssonius nooit gestoord aan zijn vermaningen om eens catechisatie te gaan volgen. Zij was zelfs op zondagen aan de weg gezien, waar ze zich vermaakte met ijdele kinderspelen.
De keer dat Edzo Geerts wèl aan de indaging van de kerkeraad gehoor gaf werd hij, terwijl dominee buiten de deur zijn nieuwsgierigheid stond te bedwingen, dadelijk voor schut gezet. De ouderlingen vroegen hem of hij inderdaad de bedoelde preken had gehoord. ‘Met veel bijgevoegde driften en toorn’ moest hij toegeven dat dit niet het geval was. Die verklaring voor Roelfs had hij ‘om des pastoors beste’ getekend. Tijdens het verhoor kwam Eyssonius weer binnen, en toen richtte de woede zich tegen hem. Geerts verweet hem, dat hij zijn nicht helemaal nooit aangemaand had tot het volgen van godsdienstonderwijs. Dominee diende hem koeltjes van repliek. Als herhaalde afkondigingen vanaf de kansel niet genoeg waren, dan moesten Edzo en zijn nicht ‘haar veest’ maar ergens anders zoeken. Dit werd Edzo te veel. Hij beende de kerk uit. Wegens het afleggen van een valse verklaring werd hij als lidmaat geschorst 8)
Van beide resterende zondaren kreeg Pieter Roelfs het eerst de dominee en een ouderling op huisbezoek. Hij was op zich wel genegen tot verzoening. Toch duurde het nog zes jaar, voor het zover was. Eyssonius vermaande hem bij die gelegenheid ‘niet alleen op dit uiterlijke in opsigt des H. Avondmaals te rusten, maar te staan na ware grond van salige genade en regte gemeenschap van den H. Jesus.’ 9)
Cajaphas
Met Edzo Geerts daarentegen, kwam het nooit meer goed. Geerts meende dat hij vanwege de doophefferskwestie als lidmaat geschorst was, en noemde dominee een ‘godloos dienaar’ van een ‘heerscher die op leugentale agt geeft’. De kerkeraad kreeg van hem ook nog een veeg uit de pan. Geerts vergeleek dit orgaan met Cajaphas, die Christus zonder wederhoor veroordeelde. Opmerkelijk waren enkele uitlatingen die Geerts Eyssonius aanwreef. Zo zou dominee vanaf de kansel over zichzelf hebben beweerd dat hij zelf ‘so hoog verligt, so wijs, en getrou was’.
Volgens de predikant was dit alles even vals als Edzo’s eerdere beweringen. Na enige contacten in deze sfeer werd de zondaar aan ‘den here overgegeven’, en ging men zijn huis voortaan voorbij. In december 1744 hield de zaak Geerts op, wegens zijn overlijden. Negen jaar lang was hij van het avondmaal geweerd. 10)
Drie maand later, in maart 1745, overleed Eyssonius zelf. Zijn vriend en geestverwant, de bekende ds. Wilhelmus Schortinghuis van Midwolda, beweende hem in maar liefst 22 coupletten. 11) Hier drie stuks:
‘Wie siet niet tot zijn Ziels-verbasen?
Dat Sij die bids en sinnloos rasen
in sporelose vijandschap
Ia, dat Sij die den Hemel tarten
En ’t Salig volk, bedrukt van harten,
Bestormen met hun sot geklap;Dat dese Wijsen, schoon maar Sotten,
Die ’s Geestes ligt en werk bespotten,
Hier bloeyen grijs en Oud bedaagt;
Daar sij die voor den Koning stonden
En ’t heyl verbreiden in Sijn wonden,
hun draad so vroeg wort afgeknaagtSo gaan in donker oordeelsdagen
D’Anbidders heen, en doen ons klagen
Helaas, Wij sien geen teeknen meer!
Wie is er nu die weet hoe lange
Wij treuren en ons harpgesangen
Veranderen en nemen keer?’
NOTEN
1) A. Pathuis – Groninger Gedenkwaardigheden (Assen / Amsterdam 1977), pag. 259, nummer 1203
2) Groninger Archieven, Toegang 731 – Gerechten in het Oldambt. inv. nr. 6145 register stemgerechtigden (= collatoren), verkiezing predikant Finsterwolde 26 augustus 1728.
3) Gerechten van het Oldambt, inv. nr. 2947
4) Groninger Archieven, Toegang 232, inv. nr 1 kerkeraad Finsterwolde, notulen
5) Over Heddema: Pathuis a.w., pag. 259, de nummers 1204 en 1205
6) Kerkeraadsnotulen 8 april 1735
7) idem, ??, 16, 21, 26 en 29 april 1735
8) idem, 6 mei 1735
9) idem 9 december 1735 en 9 juni 1741
10) idem 9 maart, 20 april en 7 september 1736, 1 juni 1738, december 1744
11) Groninger Archieven, Toegang 1772 – Catalogus verzameling pamfletten Gemeentearchief Groningen, inv. nr. 167g, Treurdigt op het seer smertelik. dog zalig overlyden van den wel eerwaarden, seer geleerden en godvrugtigen heere Christophorus Eyssonius’, Groningen, 1745. Schortinghuis ondertekende het gedicht.
Irritantste woord van 2009
Geplaatst op: 14 oktober 2009 Hoort bij: De actuele wereld 17 reactiesKijk, dit hoor je mij niet zo gauw zeggen: “een stukje”; “helemaal goed”, “ik zeg: doen”, “hun hebben”, “kiddoos”, “naar de mensen toe”, “dit gaat helemaal nergens over””, “doei”, “doeidoei” of “doedoei”.
Maar “doe” of “doew” zeg ik dan wel weer. En ook maak ik mij schuldig aan “absoluut”, “eigenlijk”, “uitrollen”, “ik bedoel, …”, “dat is (niet) mijn ding”, “okeeee”, “zeg maar”, “ik irriteer mij aan”, “kids”, “kredietcrisis”, “meest”, “weet je (wel)” en “duh”.
Kortom, ik ben een zondaar. Daarom stem ik maar niet mee bij de verkiezing van het irritantste woord van 2009.
Bob Dylan in Noordpolderzijl (II)
Geplaatst op: 14 oktober 2009 Hoort bij: Kunsten 5 reacties
Henk Scholte zag ’t filmpje pas vanmiddag. “Ik heb der smoakelk om lachen”, was zijn commentaar.
Desalniettemin hield hij onverminderd voet bij stuk wat betreft de verschijning van Bob Dylan in Noordpolderzijl. Dat was de “zuvere woarhaid”. Hij kon de datum zelfs preciseren op 17 maart 1995. Dat was een dag voor het concert in de Martinihal.
Hij wees op een recent stuk van Herman Sandman waarin het hele geval nog eens precies uit de doeken is gedaan. Dat scheelt mij schrijfwerk. Hier heb je het.
De enige andere getuige was dus de waard van het Zielhoes. Maar die hield van Nederlandstalige muziek, “Lucas en Gea en zo” – die kende Dylan niet eens. Die zat zich zorgen te maken of hij de koffie wel betaald kreeg van de rare Amerikaanse snuiter aan de bar.
Volgens Henk heeft Dylan tijdens het concert van de volgende dag tussen een paar nummers door nog wel even aangestipt dat hij op het Groninger platteland was wezen fietsen. Dylan zei toen dat de omgeving hem heel erg aan thuis deed denken. Niet dat Henk bij dat concert geweest is. Dit heeft hij van meermalen horen zeggen.
Helaas is de waard van het Zielhuis “oet tied kommen”. En de concertgangers zijn uit zicht geraakt. We zijn nu naarstig op zoek naar iemand die opnames van dat concert heeft gemaakt. Mocht het niet lukken zo iemand te vinden, dan zijn mensen die het concert hebben bijgewoond natuurlijk ook heel erg welkom! Herinneren zij zich misschien wat Dylan heeft gezegd?
Hopelijk komt er na zoveel jaren een eind aan alle onzekerheid.
—
NB: De foto is van Pieter Musterd
Bob Dylan in Noordpolderzijl
Geplaatst op: 13 oktober 2009 Hoort bij: Kunsten 5 reactiesKom ik bie broeskursus Grunnegers proaten int Akkediemiegebaauw vot – woar ik mie slim nuver verdiverdaaierd heb – en zol ik thoes alle droadsedelkes stroombraifkes eem oafwaarken, zit doar n filmke bie, een dokumintèrre zeg moar, dei oons den aindelieks vertellen zol of Bob Dylan echtwarkelikstaarvenswoar in ’t Zielhoes op Noordpollerziel west het. Tis dizzent lu:
Feiten over hop
Geplaatst op: 12 oktober 2009 Hoort bij: De actuele wereld 4 reacties
In de late Middeleeuwen eerst gedeeltelijk en toen geheel en al de vervanger van gruit (een mengsel van gagel en andere kruiden) als smaakmaker van bier.
In het Drenthe van rond 1650 algemeen geteeld voor lokale behoefte. Waar een brouwer zat, was een hoppekamp.
Maar in Noord-Drenthe was het ook echt een handelsgewas, dat behalve naar kluinstad Groningen, geëxporteerd werd naar Oost-Friesland en het Graafschap Bentheim. Het kerspel Peize spande de kroon bij die teelt, met een derde van de telers en meer dan de helft vaan alle Drentse hoppekuilen. Eenzesde à eenzevende van het totale beschikbare areaal werd er ingenomen door een kleine 400 hoppetuinen, perceeltjes van 30 bij 30 meter met hagen rondom, waarin je dus die hoppekuilen had: plantgaten van 70 centimeter diep in verband met de vele (paarde-)mest en stadsvuil en de ontwikkeling van de wortels.
Hop was een zeer kapitaals- en arbeidsintensieve teelt. Het land was zeven maal zoveel waard als gewoon land. Maar er zaten ook nogal wat risico’s aan vast: weer, ziekte, plagen en prijsschommelingen.
Door de afname van de bierconsumptie na 1650 en het verbod op mestuitvoer uit Stad & Lande vanaf 1699 (alle drek moest voortaan naar de Veenkoloniën) zakte de Noord-Drentse hopteelt in. Anno 1807 was er in Peize nog maar eenderde deel over van de hoptuinen uit 1650.
—
Bron:
Jan Bieleman, Boeren op het Drentse zand 1600 – 1910: Een nieuwe visie op de ‘oude’ landbouw’. (Wageningen, 1987), pag, 533 – 536.












Recente reacties