Galei zonder roeiers

Geplaatst op 12 oktober 2009  galei

Dit is een laat-middeleeuse galei met de maagd Maria hoog in het vaandel, vlakbij het kraaienest. Als je het zo niet zien kunt, door het kleine formaat van deze pika, dan kan je hem hier groot bekijken. En als je dan omlaag gaat langs die mast, zie je een stel trompetters achter dat grootzeil staan. Nog verder naar beneden is een soort draaibassen op de reling gemonteerd. Waarschijnlijk is dit dus een soort van oorlogsbodem. In elk geval varen er pelgrims op die zo nodig naar Jeruzalem moeten. Maar wat nu zo vreemd is: benedendeks zit er niemand aan de riemen. Waar zijn de roeiers? Allemaal met de muziek mee?

Pelgrimsreis


Ook bij een open bekkencollecte was discretie gewenst

Bij begrafenissen stond altijd een bekken (of schaal) van de diakonie op het kerkhof en mensen deponeerden daarin open en bloot hun gift voor de armen. De grootste som kwam van de naaste familie. Of deze gift ook met papier en lint omwikkeld was, zoals in Drenthe, heb ik voor Groningerland nooit kunnen documenteren. Maar dat inpakken was natuurlijk wèl effectief tegen nieuwsgierige blikken. Hoewel de diakenen (kerkelijke armvoogden) die naderhand het geld telden, ook wel eens uit de school zullen hebben geklapt.

In elk geval zeggen de ingezamelde sommen bij zulke begraafcollectes, zoals ze in diaconierekeningen verantwoord zijn, erg veel over de status van een overledene. Chargerend: arbeiders deden in het Oldambt van de achttiende eeuw hooguit een stuiver of tien, gezeten middenstanders rond de vijf gulden, maar bij een beetje boer kwam er minstens twintig gulden uit het bekken.

In het lidmaten- en kerkeraadsprothocol van de nog gecombineerde gemeente Scheemda-Eexta, die op het web gezet is door de onvolprezen Menne Glas en de zijnen, komt een zaakje voor waaruit blijkt dat nieuwsgierigheid naar de grootte van bekkengiften bijzonder ongepast werd gevonden.

In het voorjaar van 1698 overleed dominee Van Oostbroeck. Na de begrafenis zou Albert Jans aan andere bijwoners gevraagd hebben, hoeveel ze in het armbekken hadden gedeponeerd.

Althans, dat beweerde schoolmeester Siwert Klugkist een paar dagen later. Albert Jans pikte dit niet, en stapte op hoge poten naar de kerkeraad. Meester Klugkist gaf daar ruiterlijk toe dat hij de belastende bewering deed, maar zei dat hij deze weer had gehoord van een Sicco Hindricks. Meester was dus niet de bron van het lasterpraatje. Op zich wilde Albert Jans het doorvertellen wel door de vingers zien, en zich met meester verzoenen, maar hij wilde ook zijn naam gezuiverd hebben. Daarom werd ook Sicco Hindricks erbij geroepen. Die zei echter dat hij het gewraakte praatje in het huis van Claas Ubbes gehoord had. En Claas Ubbes, vervolgens eveneens op het matje geroepen, wist van niets. Hoewel Sicco Hindricks nog verklaarde dat het hem speet dat zijn woorden zoveel leed teweeg hadden gebracht, liep Albert Jans kwaad uit de kerkeraadsvergadering weg zonder zich te verzoenen. Waarschijnlijk omdat de bron van de laster niet bereikt was.

Daarom werd er een week later nog een buitengewone kerkeraadsvergadering belegd om partijen vrede te laten sluiten. Wat na een lang verhaal van een ouderling, die er in huize Ubbes bij geweest was, eindelijk lukte.


‘Welk een verbazend gezigt trof mijn oog!’ Een dagje Schier anno 1808

Geplaatst op 10 oktober 2009  schier

Hebelius Potter, ambteloos predikant in Dokkum, proto-romantisch reisbeschrijver en zelfverklaard eilandgek, ondernam in 1808 een tochtje naar Schiermonnikoog. Hij schreef er een brief over naar Londen, die naderhand terechtkwam in zijn boek Wandelingen en kleine reizen: “De vrouwen zijn zeer schuw, loopen weg, of verschuilen zich achter eene deur of ergens anders, zoo dra zij eenen vreemden bemerken.”

Potter stapte aan boord in Oostmahorn, waar toen alleen maar een herberg stond, Daar hoefde hij niet te wachten. Precies op het moment dat hij erankwam, stond een schip op punt van vertrek naar Schiermonnikoog. Aan boord trof de werkloze predikantj een andere Dokkumer aan, en een al wat oudere proponent (aankomende predikant) uit Groningen, die de volgende zondag op Schier zijn preektalenten moest komen tonen.

Er stond een gunstige wind, aldus Potter:

“Ik vond er een zeker genoegen in mij eens wederom op zee te bevinden, en vooral ook in het denkbeeld dat ik naar een eiland voer. Het is toch zoo, sints mijn verblijf op het schoone onvergetelijke Sint Helena, heeft de naam van eiland voor mij iets streelends en bekoorends, hoewel ik ook bij een weinig nadenken gemakkelijk overtuigd kan worden dat alle eilanden geene Sint Helena’s zijn of kunnen zijn.
Intussen gaf het schommelen van het vaartuig mij eene aangename beweging en het geklots der golven was een streelende muziek voor mijn gehoor. Denkbeelden en herinneringen aan voorledene gebeurtenissen en lotgevallen kwamen in mij op, en veraangenaamden zeer dit overtogtje. Het kleine vaartuig maakte echter op deze ondiepe wateren eene geweldige beweging…”

De Groninger proponent, die nog nooit op zee was geweest, werd razendsnel misselijk, en zat lijkbleek te zweten met een scheepsputs tussen zijn benen. Potter vertelt dat hij bij de herinnering aan dit tafereel zijn leedvermaak moest onderdrukken, maar ook dat hij zijn reisgenoot probeerde op te beuren.

“Het eiland op eenen kleinen afstand genaderd zijnde, heeft een zeer bevallig voorkomen. De nette eenvoudige huizen, het frissche groen der boomen en de agter dezelve hoog als bergen oprijzende witte duinen leveren aan het oog een zoo treffend als grootsch en schilderagtig gezigt op. Binnen een uur hadden wij de geheele overvaart volbragt, en bevonden ons op de plaats van onze ontscheping.”

Schiermonnikoog had nog geen haven. Schepen moesten een flink eind van het strand voor anker blijven liggen, een wagen met paarden kwam dan door de golven om mensen en goederen af te halen. Potter had liever een sloep gehad. Hij vond deze methode maar gevaarlijk:

“Wij plaatsten ons dus in of liever op zulk eene niet zeer fraai bewerkte, losse en ongemakkelijke reismachine en reden op eenen vollen draf door de schuimende golven.  Dewijl het op dit tijdstip hoog water was, bevonden wij ons voor eenige ogenblikken op zulk eene diepte, dat de paarden zwemmen moesten. De golven sloegen tegen onze voeten.en wij waren genoodzaakt de ongemakkelijkste en gevaarlijkste houding aan te nemen wilden wij niet doornat worden. Om de waarheid te zeggen: ik had het niet breed op deze pret….”

Maar het gezelschap kwam behouden aan en dronk daar in de herberg “een morgenteugje” op. Daarna ging ieder zijns weegs. Potter wandelde in oostelijke richting:

“Het eerste dat ik ontmoette was de pastorij. Het is eene regt lieve en nette wooning, bevallig verscholen onder rijzend geboomte en omringd van eenen ruimen welaangelegden tuin. De voorgevel van het huis ligt zuidwaarts en geeft aan de vertrekken een heerliijk uitzigt over de Wadden op de Friesche kusten. Voor het overige was deze wooning van binnen maar zeer gemeen (gewoon HP) en niet gemakkelijk, eenige stukken goed weiland behooren bij dezelve, waarvan de predikant de voordeelen trekt.”

Deze collega van Potter was niet thuis. Diens vrouw wel, maar zij was druk bezig met pakken voor een aanstaande verhuizing naar een andere standplaats. Veel tijd voor een gesprek had ze dus niet en Potter liep door…

“…langs eenen zwaren zandigen weg, regt aan op het slot van den jonker Starkenborgh, heer van Wehe en gedeeltelijk van dit eiland. Ik ging intusschen voorbij het huis van jonker Stachhouwer, mede eigenaar van dit land, welk huis echter niets fraais of belangrijks aan het oog vertoonde. Eenige weinige schreden van hier ligt het gemelde slot van den heere van Wehe. Daar ik wist dat mijn reisgenoot de proponent in hetzelve gebilletteerd was, maakte ik aldaar eene boodschap en, schoon hem niet thuis vindende, gaf mij dit toch gelegenheid hetzelve van binnen en buiten te bezigtigen (…)
Genoeg zal het zijn, u hieromtrent te melden, dat het een deftig ruim gebouw is, uit een groot aantal vertrekken bestaande, en te goed om niet bewoond te worden, want, daar de eigenaar van hetzelve meest zijn verblijf houdt te Groningen, of op zijn landhuis te Wehe. en slechts bij gelegenheid eenen enkelen dag op het eiland komt, wordt naar dit huis niet veel omgezien. Het is grootendeels ongemeubeld, en wordt bewoond door een paar bejaarde lieden om het op te passen. Met geringe moeite en kosten zou het voor eenen vriend van eenzaamheid en stilte een bekoorelijk verblijf kunnen worden. Ruime, doch thans slecht bewerkte tuinen en een zeer uitgestrekt bosch omringen hetzelve.”

Potter liep door naar het oosten en kwam bij weilanden:

“En inderdaad had het gezigt van deze groene velden, van het grazend vee, van een paar eenvoudige herders, van enkele groepjes boomen, van de zee aan de eene en de hooge witte duinen aan de andere zijde iets bekoorends en schilderachtigs. Eene enkele hut onder een paar vriendelijke boomen, die eraan ontbrak, zou het gezigt volmaakt en het hart van den wijsgeerigen beminnaar der natuur den wensch ingestort hebben, hier op dit afgezonderd, vreedzaam plekje stille, geruste daagen door te brengen. De weilanden en de nieuw aanslijkende gronden strekken zich uit tot op eenen verbazenden afstand, en verliezen zich geleidelijk in zee. Gelijk het eiland aan de westzijde afneemt, zoo neemt het wederom aan de oostzijde aanhoudend toe.”

Omdat er verder naar het oosten geen ander landschap te verwachten viel, keerde Potter op zijn schreden terug voor het “smakelijk middagmaal”, dat hij ’s ochtends al in de herberg besteld had. ’s Middags bezichtigde hij de andere kant van het eiland:

“De kerk, opgebouwd nadat de vorige met een gedeelte van het land was weggespoeld, is een nog nieuw, doch zeer gemeen gebouw, niets fraais of opmerkelijks bevattende. Zoo zijn ook de drie of vier gelijkvormige rijen huizen laag, donker en meest alle gelijk aan elkanderen, wordende in de meeste het voorste en achterste gedeelte door bijzondere (= afzonderlijke HP) huisgezinnen bewoond. Er zijn geene straten en men moet zich overal door het zware zand henen worstelen.
Van hier begaf ik mij naar de duinen, die bolwerken welke dit eilandje voor eene geheele vernieling bewaren, en beklom het hoogste dat ik vinden kon. Welk een treffend, welk een verbazend gezigt trof mijn oog! Treffend en grootsch was de vertooning van eene geheele keten van ongelijk naast elkanderen oprijzende duinen, door den Schepper der Natuur opgeworpen tot eene verschansing tegen de woedende zee, en tot grenspalen van haar gebied. Voor mij zag ik niets dan eene oneindigheid van water, lucht en wolken. De woeste Noordzee met hare rustelooze schuimende golven, aan beide zijden de trotsche zich in ongelijke gedaanten verheffende witte duinen. Beneden mij overzag ik het geheele eiland, de kleine gelijkvormige huizen, hier en daar een groepje boomen, de sombere kerk en het boven alle gebouwen uitmuntend adelijk slot, zich met eene stille majesteit boven het donker bosch verheffende.
Mij omkeerende, kon ik mijn oog laten weiden over de zich als een zee vertoonende Wadden en de kusten van Friesland en de Ommelanden. Met een streelend vermaak staarde ik op de rustelooze golven, die zich op deze onmetelijke oppervlakte met een zekere trotsche gelijkheid verhieven.”

Terwijl in de verte de branding ruiste, overzag Potter verbaasd en eerbiedig het “grootsch gezigt”, dat hem deed denken aan de “majesteit des Scheppers”. Hij keek naar het westen. “Het vlakke afgebrokkelde strand” aan die kant liet hem opnieuw stilstaan bij het wandelen van het eiland. Ooit zou het zich met het vasteland van Groningen verenigen, was zijn verwachting.

Nu hij alles op het eiland gezien had, keerde hij terug naar zijn herberg, “dronk daar een lekker kopje thee”, en bracht de avond aangenaam door met de proponent, de stadgenoot en een officier van het militaire detachement dat op Schier waakte tegen een Engelse invasie. Terugblikkend leverde de verlichte Potter nog een aantal meteorologische en agronomische observaties:

“Het luchtsgestel is daar, zoo als lieden die jaren op hetzelve gewoond hebben mij verzekeren, kouder dan aan den vasten wal, doch doorgaans zeer gezond. De veld- en tuingewassen komen later tot rijpheid. Aardappelen tieren hier zeer wel en zijn aangenaam van smaak. Alle soorten van groenten willen hier wel voort, doch zijn schaars. Weinige lieden bemoeijen zich met den tuinbouw, waarvan misschien de oorzaak daarin gelegen is. dat het grootst getal der mannen, schippers zijnde, meestal afwezig is, en de weinigen die zich in den zomer op het eiland bevinden, te zeer met andere bezigheden bezet zijn, of tenminsten niet meer dan voor eigenen voorraad bouwen. Van hier schaarsheid en duurte, dewijl meest alles van het vasteland gehaald moet worden.
Zoo is het ook met de vruchten. Boomgaarden zijn er weinige, doch zij die deze aangelegd hebben en behoorlijk voor dezelve zorgen, vinden hunne moeite rijkelijk vergolden. De slottuin leverde voor jaren eenen verbazenden voorraad fruit en fijne vruchten, doch tegenwoordig niets. De boomen zijn verwaarloosd en meestendeels gestorven.”

Over de eilanders kan Potter weinig zeggen, omdat hij er onvoldoende omgang mee had. Maar dit had hij over ze gehoord:

“Hun karakter wordt algemeen geprezen als opregt en gul. De taal is eene aan dit eiland bijzonder eigene, en voor den vreemdeling onverstaanbaar. De kleeding, vooral die der vrouwen, is stijf en onbehagelijk.  Ook zijn deze laatste zeer schuw, loopen weg, of verschuilen zich achter eene deur of ergens anders, zoo dra zij eenen vreemden bemerken, en loeren die dan uit een verborgen hoekje na, zoo lang zij kunnen.
De verkeering (=het sociale verkeer HP) is er stijf en onaangenaam en, zoo als men mij verzekerde, voor den vreemdeling, buiten twee of drie fatsoenlijke huizen, volstrekt niets waardig.
De gewoone dagelijksche kost bestaat uit aardappelen, pannekoeken en visch.”

Met zijn stadsgenoot wilde Potter de andere morgen heel vroeg vertrekken, maar in de nacht kwam een storm op die dat verhinderde. Tegen tien uur luwde de wind. Binnen een uur stonden ze weer op het vasteland bij Oostmahorn.

BRON:

Hebelius Potter, Wandelingen en kleine reizen door sommige gedeelten van het Vaderland, deel I (Amsterdam 1808), pag. 38-49.

Geplaatst op 10 oktober 2009  schier b


Immenga – reclame van een vooroorlogse vakfotograaf

De opruiming van Hans zijn boekenzee is thans in volle gang. De eerste 250 dozen liggen bij City Box. Dat zijn naar schatting van Hans 5000 boeken. Mogeljk zijn er nog 250 dozen te gaan. Dat maakt het totaal dan op 10.000. Woensdag komt de directeur van Patrimonium poolshoogte bij hem nemen.

Uit de boekenzee kwam een zestal plakboekbladen tevoorschijn met spul van een meneer Immenga, die voor de oorlog hier in Groningen een foto-technisch bureau had, eerst aan de Kolfstraat, vervolgens aan de Peperstraat en uiteindelijk aan de Oude Ebbingestraat. Aan die trits – naar steeds beter op stand – kan je zien dat zijn bedrijf succes had. Het maakte bedrijfsfoto’s van interieurs, etalages en industrieproducten, maar deed naast alle reclame ook wel werk voor de pers. In het plakboek plakte Immenga zijn eerste eigen reclame-materiaal, gladde fotopapiertjes met tekeningen, typoscript en collage-achtige elementen, Of het gaat om ontwerpen voor advertenties, dan wel beurs-handouts is moeilijk te zeggen. Hier vier specimina:
Geplaatst op 9 oktober 2009  a

Geplaatst op 9 oktober 2009  b

Geplaatst op 9 oktober 2009  c

Geplaatst op 9 oktober 2009  d


Kroegbazen en de BUMA

a

Uit: De Nieuwe Holevoet van 13 april 1957.


Van wel is dizze Grunniger conference?

“Der binnen paartie lu, dei binnen zo zunig, dei loaten ’t horlosie ’s nachts stilstoan ja.
Dei kieken over de bril hèn, zo zunig binnen ze.”

Uit een leuk stukje Gronings cabaret.

Maar wat voor conférencier er aan het woord is? En wat het met Scheemda te maken heeft? Wie het weet mag het zeggen.


Wethouder geeft oudste marktkeitjes weg

Geplaatst op 7 oktober 2009  a

Het muntje dat onder de oudste bestratingslaag van de Grote Markt werd gevonden, blijkt geslagen ten tijde van de Duitse Koning Hendrik II, die van 1002 tot 1024 regeerde. Die bestrating, bestaande uit veldkeitjes, dateert dus van iets later, en komt daarmee uit dezelfde periode dat de Villa Gruoninga en het Gorecht los werden gemaakt van Drenthe.

De veldkeitjes zijn op twee meter diepte aangetroffen. De markt was in de elfde eeuw veel kleiner dan nu en besloeg zo’n beetje de helft van de huidige Grote Markt. Op de andere helft stonden nog boerderijen met bijgebouwen.

Aanstaande zaterdag om 11 uur deelt Wethouder Frank de Vries honderd van de veldkeitjes uit op of bij het stadhuisbordes. Archeologische waarde hebben ze niet en ze zouden toch niet worden bewaard. Bij de uitdelerij gelden als regels: Wie het eerst komt, wie het eerst maalt, Eén kei per liefhebber, en op is op.

De foto is van Kiekert


Rode Weeshuispoort beschadigd door hoogwerker

Het is bekend waardoor de poort van het Rode Weeshuis beschadigd is. “Er is een schildersbedrijf aan het werk geweest”, zegt Eefje Keuper namens woningcorporatie Lefier, “en zij hebben er een ongelukje met een hoogwerker gehad”.

Het schildersbedrijf maakt in overleg met Lefier een restauratieplan, zo luidt de afspraak. Lefier heeft daarvoor geen termijn gesteld.


Egels Oliemulderstraat steken koppen bij elkaar

De kudde egels achter het huis van André aan de Oliemulderstraat zat vanmiddag in conclaaf bijeen. Een uitgelezen moment voor André om ze even op de foto te zetten:

Geplaatst op 7 oktober 2009  egels olm

Wat ik maar zeggen wil: dat bordje bij de hoek van die straat hangt er niet voor niets!


Eega CdK gaf cursus rolpens

In 1918, aan het eind van de Eerste Wereldoorlog, moesten boeren al hun graan aan de overheid leveren, zonder dat ze er iets van mochten achterhouden. En dus konden ze geen varkens meer vetmesten. De Havelter familie Veldman, die anders in november altijd twee varkens van elk ruim 400 kilo door de huisslachter liet slachten, besloot daarom in plaats van de magere zwijnen in het voorjaar, in het najaar een vette koe te kopen. Alleen zat ze toen wel met een probleem. Hoe je zo’n rund na de slacht moest verwerken, dat wist vrouw Veldman niet. In de buurt, op Overcinge, woonde echter een reddende engel, in de persoon van mevrouw Linthorst Homan – Kymmell (1843-1918). Deze zei:

“Vrouw Veldman dan help ik oe met. Ie doet ’t wark en ik zeg ’t oe wel…”

En zo leerde vrouw Veldman van de vrouw van de oude Commissaris der Koningin hoe ze pens moest schoonmaken en met karnewelk moest verwerken tot rolpens.

In 1967 deed de toen 67-jarige dochter van vrouw Veldman dit curieuze verhaal aan iemand, die streektaal-opnames maakte voor het Meertens-instituut. Sinds kort staat die opname met talloze andere op een website, en zo hoor ik dan het uitstervende dialect van mijn jeugd nog eens in ingeblikte vorm terug.

Die dochter en haar iets oudere man Geert vertellen ook over het bakken van stoet (kort) en roggebrood (lang) in het stookhok, en het koeiendrijven dat de kinderen moesten doen voor ze naar school toe gingen.

Geert en een kennis Roelf, een oud-winkelier uit de omgeving, leggen bovendien uit hoe het hooien ging. Dat werk begon pas na de langste dag, terwijl het in 1967 vaak al in mei plaatsvond, ruim een maand eerder. De madelanden waren begin twintigste eeuw lang niet zo goed als later, want ze werden nog niet bemest, hooguit bevloeid:

“Dat waren allemoal van die blauwgies, dat was blauwgras hè.”

Ook het steken van heideplaggen voor de potstal, de brandcultuur van veenboekweit, het turfgraven en -trappen, de boterbereiding en het dorsen komen ter sprake. Je raakt nog eens op de hoogte van het oude boerenbedrijf in Havelte. Jammer alleen, dat dat de respondenten hun verhaal nogal haastig doen. Voor mij hadden ze best wat meer mogen uitweiden.


“Kiek zegt ze, het is er al!”

“Het meeste viel mij op, dat er bij de mensen die arm waren, daar was de steriliteit niet zo geweldig. Maar de mensen kregen geen koorts of borstontsteking of weet ik wat. En bij de rijkeren, die alles schoon en netjes en steriel hadden, was er om de haverklap een borstontsteking of baarmoederontsteking en van alles, omdat ze het zo schoon hadden.”

Jeanne Pragt (83), vanaf 1952 vroedvrouw in Klazienaveen en wijde omgeving, gister op rtv Drenthe.


Swieneparredies

Deze twee hadden ook een erg vet fijne Dierendag.


Binnentuin Mauritsstraat

Dit insectenhotel met voorgeboorde gaatjes was nieuw voor me:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Peter, de beheerder, legde uit dat hij de stronk van elders uit de tuin overbracht en hier van de zomer rechtop neerplantte. Er zaten al goudwespen in, vertelde hij. Mooie beestjes zijn dat, voor een macro-fotograaf.

Me verder vooral bepaald tot de hop, die het uitstekend doet tegen de oprukkende bamboe. Hier waren de bladeren nog groen:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Terwijl de hopbellen even verderop al verbruinden:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Het waren er een heleboel:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Maar niet zoveel als eertijds in Peize, waar honderdduzenden van die metershoge planten volgens een medicus de “vrije doorspeling der lucht” verhinderden.


Een Californische lofzang op de stroopwafel

Ze zijn allemaal dol op stroopwafels, de buitenlandse studenten bij ons in de buurt. Dat zijn er enige honderden. De vakkenvullers  in de supermarkt kunnen er dus bijna niet tegenaan werken.

Met de stroopwafels maakten die studenten hier in Groningen kennis. Thuis kenden ze ze nog helemaal niet.

Maar ook een Californische die hier nog nooit geweest is, blijkt dol op dit bakprodukt. Dat ze zo definieert:

“The stroop wafel consist of a very thing small waffle that is slivered in half. Then you put this amazing carmel/toffee/cinamin textured in between the waffles. And heaven on earth is made!”

Haar lofzang komt misschien ietwat excentriek over, tot je in de rechterkolom de naam van de weblogster ziet. Hier moet waarlijk sprake zijn van een erfelijke predispositie.


Mooi weer op Dierendag stemt poes tevreden

Prrrr, prrrr, prrrr, prrrr, prrrr, prrrr, prrrr , prrrr, prrrr, prrrr, prrrr, prrrr, prrrr, prrrr , prrrr:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA