‘Welk een verbazend gezigt trof mijn oog!’ Een dagje Schier anno 1808
Geplaatst op: 10 oktober 2009 Hoort bij: Geschiedenis, Wadden 3 reactiesHebelius Potter, ambteloos predikant in Dokkum, proto-romantisch reisbeschrijver en zelfverklaard eilandgek, ondernam in 1808 een tochtje naar Schiermonnikoog. Hij schreef er een brief over naar Londen, die naderhand terechtkwam in zijn boek Wandelingen en kleine reizen: “De vrouwen zijn zeer schuw, loopen weg, of verschuilen zich achter eene deur of ergens anders, zoo dra zij eenen vreemden bemerken.”
Potter stapte aan boord in Oostmahorn, waar toen alleen maar een herberg stond, Daar hoefde hij niet te wachten. Precies op het moment dat hij erankwam, stond een schip op punt van vertrek naar Schiermonnikoog. Aan boord trof de werkloze predikantj een andere Dokkumer aan, en een al wat oudere proponent (aankomende predikant) uit Groningen, die de volgende zondag op Schier zijn preektalenten moest komen tonen.
Er stond een gunstige wind, aldus Potter:
“Ik vond er een zeker genoegen in mij eens wederom op zee te bevinden, en vooral ook in het denkbeeld dat ik naar een eiland voer. Het is toch zoo, sints mijn verblijf op het schoone onvergetelijke Sint Helena, heeft de naam van eiland voor mij iets streelends en bekoorends, hoewel ik ook bij een weinig nadenken gemakkelijk overtuigd kan worden dat alle eilanden geene Sint Helena’s zijn of kunnen zijn.
Intussen gaf het schommelen van het vaartuig mij eene aangename beweging en het geklots der golven was een streelende muziek voor mijn gehoor. Denkbeelden en herinneringen aan voorledene gebeurtenissen en lotgevallen kwamen in mij op, en veraangenaamden zeer dit overtogtje. Het kleine vaartuig maakte echter op deze ondiepe wateren eene geweldige beweging…”
De Groninger proponent, die nog nooit op zee was geweest, werd razendsnel misselijk, en zat lijkbleek te zweten met een scheepsputs tussen zijn benen. Potter vertelt dat hij bij de herinnering aan dit tafereel zijn leedvermaak moest onderdrukken, maar ook dat hij zijn reisgenoot probeerde op te beuren.
“Het eiland op eenen kleinen afstand genaderd zijnde, heeft een zeer bevallig voorkomen. De nette eenvoudige huizen, het frissche groen der boomen en de agter dezelve hoog als bergen oprijzende witte duinen leveren aan het oog een zoo treffend als grootsch en schilderagtig gezigt op. Binnen een uur hadden wij de geheele overvaart volbragt, en bevonden ons op de plaats van onze ontscheping.”
Schiermonnikoog had nog geen haven. Schepen moesten een flink eind van het strand voor anker blijven liggen, een wagen met paarden kwam dan door de golven om mensen en goederen af te halen. Potter had liever een sloep gehad. Hij vond deze methode maar gevaarlijk:
“Wij plaatsten ons dus in of liever op zulk eene niet zeer fraai bewerkte, losse en ongemakkelijke reismachine en reden op eenen vollen draf door de schuimende golven. Dewijl het op dit tijdstip hoog water was, bevonden wij ons voor eenige ogenblikken op zulk eene diepte, dat de paarden zwemmen moesten. De golven sloegen tegen onze voeten.en wij waren genoodzaakt de ongemakkelijkste en gevaarlijkste houding aan te nemen wilden wij niet doornat worden. Om de waarheid te zeggen: ik had het niet breed op deze pret….”
Maar het gezelschap kwam behouden aan en dronk daar in de herberg “een morgenteugje” op. Daarna ging ieder zijns weegs. Potter wandelde in oostelijke richting:
“Het eerste dat ik ontmoette was de pastorij. Het is eene regt lieve en nette wooning, bevallig verscholen onder rijzend geboomte en omringd van eenen ruimen welaangelegden tuin. De voorgevel van het huis ligt zuidwaarts en geeft aan de vertrekken een heerliijk uitzigt over de Wadden op de Friesche kusten. Voor het overige was deze wooning van binnen maar zeer gemeen (gewoon HP) en niet gemakkelijk, eenige stukken goed weiland behooren bij dezelve, waarvan de predikant de voordeelen trekt.”
Deze collega van Potter was niet thuis. Diens vrouw wel, maar zij was druk bezig met pakken voor een aanstaande verhuizing naar een andere standplaats. Veel tijd voor een gesprek had ze dus niet en Potter liep door…
“…langs eenen zwaren zandigen weg, regt aan op het slot van den jonker Starkenborgh, heer van Wehe en gedeeltelijk van dit eiland. Ik ging intusschen voorbij het huis van jonker Stachhouwer, mede eigenaar van dit land, welk huis echter niets fraais of belangrijks aan het oog vertoonde. Eenige weinige schreden van hier ligt het gemelde slot van den heere van Wehe. Daar ik wist dat mijn reisgenoot de proponent in hetzelve gebilletteerd was, maakte ik aldaar eene boodschap en, schoon hem niet thuis vindende, gaf mij dit toch gelegenheid hetzelve van binnen en buiten te bezigtigen (…)
Genoeg zal het zijn, u hieromtrent te melden, dat het een deftig ruim gebouw is, uit een groot aantal vertrekken bestaande, en te goed om niet bewoond te worden, want, daar de eigenaar van hetzelve meest zijn verblijf houdt te Groningen, of op zijn landhuis te Wehe. en slechts bij gelegenheid eenen enkelen dag op het eiland komt, wordt naar dit huis niet veel omgezien. Het is grootendeels ongemeubeld, en wordt bewoond door een paar bejaarde lieden om het op te passen. Met geringe moeite en kosten zou het voor eenen vriend van eenzaamheid en stilte een bekoorelijk verblijf kunnen worden. Ruime, doch thans slecht bewerkte tuinen en een zeer uitgestrekt bosch omringen hetzelve.”
Potter liep door naar het oosten en kwam bij weilanden:
“En inderdaad had het gezigt van deze groene velden, van het grazend vee, van een paar eenvoudige herders, van enkele groepjes boomen, van de zee aan de eene en de hooge witte duinen aan de andere zijde iets bekoorends en schilderachtigs. Eene enkele hut onder een paar vriendelijke boomen, die eraan ontbrak, zou het gezigt volmaakt en het hart van den wijsgeerigen beminnaar der natuur den wensch ingestort hebben, hier op dit afgezonderd, vreedzaam plekje stille, geruste daagen door te brengen. De weilanden en de nieuw aanslijkende gronden strekken zich uit tot op eenen verbazenden afstand, en verliezen zich geleidelijk in zee. Gelijk het eiland aan de westzijde afneemt, zoo neemt het wederom aan de oostzijde aanhoudend toe.”
Omdat er verder naar het oosten geen ander landschap te verwachten viel, keerde Potter op zijn schreden terug voor het “smakelijk middagmaal”, dat hij ’s ochtends al in de herberg besteld had. ’s Middags bezichtigde hij de andere kant van het eiland:
“De kerk, opgebouwd nadat de vorige met een gedeelte van het land was weggespoeld, is een nog nieuw, doch zeer gemeen gebouw, niets fraais of opmerkelijks bevattende. Zoo zijn ook de drie of vier gelijkvormige rijen huizen laag, donker en meest alle gelijk aan elkanderen, wordende in de meeste het voorste en achterste gedeelte door bijzondere (= afzonderlijke HP) huisgezinnen bewoond. Er zijn geene straten en men moet zich overal door het zware zand henen worstelen.
Van hier begaf ik mij naar de duinen, die bolwerken welke dit eilandje voor eene geheele vernieling bewaren, en beklom het hoogste dat ik vinden kon. Welk een treffend, welk een verbazend gezigt trof mijn oog! Treffend en grootsch was de vertooning van eene geheele keten van ongelijk naast elkanderen oprijzende duinen, door den Schepper der Natuur opgeworpen tot eene verschansing tegen de woedende zee, en tot grenspalen van haar gebied. Voor mij zag ik niets dan eene oneindigheid van water, lucht en wolken. De woeste Noordzee met hare rustelooze schuimende golven, aan beide zijden de trotsche zich in ongelijke gedaanten verheffende witte duinen. Beneden mij overzag ik het geheele eiland, de kleine gelijkvormige huizen, hier en daar een groepje boomen, de sombere kerk en het boven alle gebouwen uitmuntend adelijk slot, zich met eene stille majesteit boven het donker bosch verheffende.
Mij omkeerende, kon ik mijn oog laten weiden over de zich als een zee vertoonende Wadden en de kusten van Friesland en de Ommelanden. Met een streelend vermaak staarde ik op de rustelooze golven, die zich op deze onmetelijke oppervlakte met een zekere trotsche gelijkheid verhieven.”
Terwijl in de verte de branding ruiste, overzag Potter verbaasd en eerbiedig het “grootsch gezigt”, dat hem deed denken aan de “majesteit des Scheppers”. Hij keek naar het westen. “Het vlakke afgebrokkelde strand” aan die kant liet hem opnieuw stilstaan bij het wandelen van het eiland. Ooit zou het zich met het vasteland van Groningen verenigen, was zijn verwachting.
Nu hij alles op het eiland gezien had, keerde hij terug naar zijn herberg, “dronk daar een lekker kopje thee”, en bracht de avond aangenaam door met de proponent, de stadgenoot en een officier van het militaire detachement dat op Schier waakte tegen een Engelse invasie. Terugblikkend leverde de verlichte Potter nog een aantal meteorologische en agronomische observaties:
“Het luchtsgestel is daar, zoo als lieden die jaren op hetzelve gewoond hebben mij verzekeren, kouder dan aan den vasten wal, doch doorgaans zeer gezond. De veld- en tuingewassen komen later tot rijpheid. Aardappelen tieren hier zeer wel en zijn aangenaam van smaak. Alle soorten van groenten willen hier wel voort, doch zijn schaars. Weinige lieden bemoeijen zich met den tuinbouw, waarvan misschien de oorzaak daarin gelegen is. dat het grootst getal der mannen, schippers zijnde, meestal afwezig is, en de weinigen die zich in den zomer op het eiland bevinden, te zeer met andere bezigheden bezet zijn, of tenminsten niet meer dan voor eigenen voorraad bouwen. Van hier schaarsheid en duurte, dewijl meest alles van het vasteland gehaald moet worden.
Zoo is het ook met de vruchten. Boomgaarden zijn er weinige, doch zij die deze aangelegd hebben en behoorlijk voor dezelve zorgen, vinden hunne moeite rijkelijk vergolden. De slottuin leverde voor jaren eenen verbazenden voorraad fruit en fijne vruchten, doch tegenwoordig niets. De boomen zijn verwaarloosd en meestendeels gestorven.”
Over de eilanders kan Potter weinig zeggen, omdat hij er onvoldoende omgang mee had. Maar dit had hij over ze gehoord:
“Hun karakter wordt algemeen geprezen als opregt en gul. De taal is eene aan dit eiland bijzonder eigene, en voor den vreemdeling onverstaanbaar. De kleeding, vooral die der vrouwen, is stijf en onbehagelijk. Ook zijn deze laatste zeer schuw, loopen weg, of verschuilen zich achter eene deur of ergens anders, zoo dra zij eenen vreemden bemerken, en loeren die dan uit een verborgen hoekje na, zoo lang zij kunnen.
De verkeering (=het sociale verkeer HP) is er stijf en onaangenaam en, zoo als men mij verzekerde, voor den vreemdeling, buiten twee of drie fatsoenlijke huizen, volstrekt niets waardig.
De gewoone dagelijksche kost bestaat uit aardappelen, pannekoeken en visch.”
Met zijn stadsgenoot wilde Potter de andere morgen heel vroeg vertrekken, maar in de nacht kwam een storm op die dat verhinderde. Tegen tien uur luwde de wind. Binnen een uur stonden ze weer op het vasteland bij Oostmahorn.
BRON:
Hebelius Potter, Wandelingen en kleine reizen door sommige gedeelten van het Vaderland, deel I (Amsterdam 1808), pag. 38-49.



Wat een prachtige beschrijving, zowel die van onze Dokkumer alswel van onze Perton, applaus!
Prachtig om te lezen. Vooral ook omdat ik er zeer binnenkort een paar dagen door zal brengen. Waarbij de gewoone dagelijksche kost wel uit iets meer zal bestaat dan slechts aardappelen, pannekoeken en visch… Zoo mag ik hoopen.
Wat leuk om te lezen. Schuwe vrouwen, aardappelen en vis. Wat een bestaan, en zo lang geleden is dat allemaal niet eens. Ook bedankt voor de aantekeningen erbij, anders zou het soms wat wonderlijk overkomen, die bijzondere gezinnen en zo.