Museumsommetjes

Het Noordelijk Scheepvaartmuseum rept van 54.423 bezoekers in 2009.
Eerder meldde het Groninger Museum dat het 228.000 bezoekers ontving
Tiktiktik op mijn zakjapanner: dat is ruim vier maal zoveel.

Helaas kan ik de begrotingen van beide musea zo gauw niet vinden. Maar ik weet wel wat de gemeente Groningen er jaarlijks aan geld in pompt.

Voor het Noordelijke Scheepvaartmuseum is dat 255.600 euro.
En voor Groninger Museum komt dat neer op 3.282.500 euro
Tiktiktik op mijn zakjapanner: Hé, dat is bijna dertien maal zoveel.

Oftewel nog even weer wat anders gesteld:
Het Noordelijk Scheepvaartmuseum kreeg van de gemeente 4,70 euro per bezoeker.
En het Groninger Museum 14,40 euro.

Verschil moet er zijn, nietwaar.


Milieudienst geeft antwoord in zoutstrooikwestie

Het heeft even geduurd, maar ik kreeg gister  een reactie van de Milieudienst op mijn mails over het parkeerterrein aan de Oude Stationsstraat:

“Uw e-mail aan wethouder Visser is doorgezonden naar ons ter afhandeling.

Op het parkeerterrein bij de Oude Stationsweg heeft de Milieudienst een commercieel contract voor de gladheidsbestrijding afgesloten.
Dat was dan ook de reden dat u daar een strooiwagen van de Milieudienst heeft gezien.
Deze contracten staan uiteraard niet in de gemeentelijke strooiroutes.”

Met dit antwoord was ik niet zo tevreden. Ik wist al dat er een particuliere opdrachtgever was. Daarom schreef ik terug:

“Ik vermoedde al zoiets. Maar de kernvraag is natuurlijk of een
commercieel contract ook op de ochtend van Eerste Kerstdag uitgevoerd moet worden op een zo te zien dan nauwelijks gebruikt parkeerterrein, terwijl de prut nog enkelhoog op ettelijke publieke wegen ligt.”

Met andere woorden: verdient een private opdrachtgever voorrang op de openbare taak?”

Het antwoord:

“De routes worden gecombineerd  gereden.
Het gaat overigens om een zeer beperkt aantal commerciele contracten.”

Dit vond ik vaag, daarom stuurde ik nogmaals een mailtje:

Begrijp ik het nu goed dat er helemaal geen prioritering is gelegd bij
publieke wegen? Bijvoorbeeld op zon- en feestdagen, als bedrijven
helemaal niet aan het werk zijn?”

De woordvoerder weer:

“De prioriteit ligt uiteraard bij het schoonhouden van de routes zoals die zijn opgenomen in de winterdienst.
Tijdens die routes worden, als daar tijd voor is, een beperkt aantal “commerciële” terreinen meegenomen.
Daarbij wordt in beginsel niet gekeken of het een zon- of feestdag is. Want anders zouden die terreinen naderhand alsnog schoongemaakt moeten worden, wat een separate route zou betekenen.”

Vervolgens kan je gaan twisten of er al dan niet de hand is gehouden aan die prioriteit, maar daar had ik geen zin in. Wel ben ik van mening dat de Milieudienst zich niet aan dit soort bedrijfsmatige inverdien-exercities moet overgeven.  Laat het sneeuwvrij maken van particuliere parkeerterreinen, hoe beperkt ook, maar aan de vrije markt over. Als je dat niet doet, en dingen uit efficiency-overwegingen nog combineert ook, dan is dat uitermate onhelder en wekt dit allerlei misverstanden bij de burger.


In alle staten naar de kroeg

Deze dateert van voor de oorlog:

Geplaatst op 12 januari 2010  a

Bist du traurig
Geh’ zu Baulig
Bist du froh
Tuh’ ebenso

Deze is van na de oorlog:

Geplaatst op 12 januari 2010  b

We sluiten niet uit dat Koos Kuiper van het café bij de Poelebrug geïnspireerd is door het rijm van hotel Baulig aan de Herestraat.


Levenswetenschappen

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Ik dacht dat dit kavalje in december al opgeleverd en bevolkt zou zijn, maar hier staat dat het pas april wordt. Ik snapte vanmiddag al niet dat ze dat ding van onder nog niet hadden geïsoleerd en afgedekt.


RTV Noord weer eens gefopt

Jonge kunstenaars die inbraken bij het Groninger Museum om er hun eigen werk op te hangen – rtv Noord heeft het bericht terzake, dat vanochtend om half negen nog te horen was in zijn nieuwsuitzending, inmiddels van zijn site gehaald. Dit nadat het een publiciteitsstunt van Kunstbende bleek, waaraan het Groninger Museum zelf meewerkte:

“De organisatie en de musea hoopten dat media erin zouden trappen, wat ook is gebeurd.”

Ik vermoed dat partijen hierover nog wel een hartig woordje zullen wisselen.

Overigens is het foppen van media zooo 2006.


‘Dunkles aus Finsterwolde’

Het in Luxemburg verschijnenden Escher Tageblatt  schreef op 23 november 1950 dit profiel van Finsterwolde, naar aanleiding van het voornemen om een regeringscommissaris te benoemen in die gemeente. De beoogde man was burgemeester Tuin, een neef van mijn grootvader:

Geplaatst op 11 januari 2010  a Geplaatst op 11 januari 2010  b Geplaatst op 11 januari 2010  c Geplaatst op 11 januari 2010  d

De correspondent die dit stuk schreef heette H. Bleich. Bespeur ik nu terecht een enigszins met de communisten sympathiserende toon?

Onthutsend, die vicieuze cirkel waarin de arbeiders van Finsterwolde gevangen zaten. Als werklozen werden ze communist, als communisten bleven ze werkloos.

Ik vond het bericht door met ‘Groningen’ te zoeken in de nieuwe krantendatabase van de Luxemburgse Nationale Bibliotheek.

In totaal leverde dat 191 berichten op, voor het leeuwendeel sportnieuws. Dat ging weer vooral over turnen, schaken en boksen. Wist u dat in Nederland bokstoernooien een tijdlang alleen in Rotterdam en Groningen konden worden gehouden? In andere steden waren ze verboden.

Ook zaten er wat oorlogsberichten bij, wat brandberichten, zoals over de brand van het warenhuis T.A.N.T.E. aan de Vismarkt (1939), en natuurlijk een stuk over de ontploffing van de sleepboot aan de Trompkade (1929).


Stad deur

Sneeuwpop, De Linie:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Van Sijsenplaats:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Openbare binnentuin, Mauritsstraat:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Schutting achter Glaudé aan de Oude Stationsstraat:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

 

Ook vandaag toonde onze dappere Milieudienst zich weer bijzonder vigilant wat betreft het sneeuwvrij houden van dat parkeerterrein aan de Oude Stationsstraat. Helaas nog steeds geen bericht van de Milieudienst gehad, hoe het nu eigenlijk zit.

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

We hadden er vandaag twee prachtige oefen-skipistes bij voor het station, alleen werd er wat weinig gebruk van gemaakt:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Gezicht op het Hoofdstation vanaf de Werkmanbrug:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Folkingestraat:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA


Heimelijk leesvoer

“De freule zegt fluistrend: ‘Toe, beste Johan,
Bezorg mij eens weer een gekruiden roman.
Maar niemand mag ’t weten, hoor, niemand mag ’t zien.’
Johan brengt haar Zola, Paul de Kock bovendien.
Papa zegt: ‘Onze dochter weet meer dan zij moet,
Waar haalt zij ’t van daan? Ik begrijp het niet goed.’
Had Papa met zijn vraag tot Johan zich gewend!
Dat was toch alleen maar den huisknecht bekend.”

Uit: de Huisknecht, een van de Grappige Liederen, een bundel van na 1881 die recent is opgenomen in de DBNL.


Boekito gaf boeken weg

Hans was op de lokale buis, merk ik.


VOC-schip strandt op Nova Zembla

Ik vond de Oostindiëvaarder er wel mooi bijliggen, drie weken geleden. Je zou kunnen zeggen dat hij eindigt op Nova Zembla. Ook deed het beeld me wat denken aan zo’n wrak dat stevig weggezonken ligt in het strandzand. Ik vond het een mooi doel voor het ommetje van vanmiddag.

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Eerder op Gelkinghe over dit schip:


Het toppunt van winter is… (2)

Als de arresleewedstrijden voor de derde keer op rij wegens een teveel aan sneeuw worden afgelast.

Als Paul Heidanus ons een ommetje ontraadt, dan krijg ik er juist zin in. Straks dus even lekker de hort op. Ook goed voor de stookkosten.


Hoe dokter Havinga de benen nam

Geplaatst op 9 januari 2010  a

Op 22 januari 1811 wordt de dertigjarige dienstmeid Hindrikje Roelfs dood aangetroffen in haar diensthuis, de Brandenburg tussen de beide Brandenburgerstegen. De omstandigheden van haar dood geven de Keizerlijke Procureur aanleiding om een lijkschouwing te laten verrichten.

Dat gebeurt door de stadsarts en een chirurgijn. Deze merken op dat Hindrikje kort voor haar dood verlost is van een kind. De baby  is echter in velden noch wegen te vinden. Bovendien blijkt het de Procureur dat Hendrikjes baas, de medisch doctor en voormalige vroedmeester (verloskundige) Schultetus Nicolaus Havinga, zich verdacht met haar heeft gedragen. Hij zou moedwillig met haar hebben “gecoöpereerd tot het verheimelijken der verlossing”.

Havinga legt een verwarde verklaring af. Hij wordt op 25 januari in voorlopige hechtenis op de A-poort gezet. Drie weken later brengt men hem over naar de gewone gevangenis. Men verdenkt hem nog steeds van het opzettelijk verheimelijken van Hindrikjes zwangerschap en verlossing, maar ook houdt men het erop dat hij de oorzaak is geweest van haar dood, en mogelijk die van haar kind. Nu Havinga in criminele detentie zit, worden zijn bezittingen geïnventariseerd met het oog op een eventuele boete.

Als de Rechtbank van Eerste Aanleg hem een half jaar later veroordeelt, blijkt Havinga gevlucht. In het verstekvonnis staat dat hij zijn dienstmeid zelf bijstond, toen ze in de kraam lag. Zowel voor als na de verlossing had hij zich onvoorzichtig gedragen en noodzakelijke dingen verzuimd. Daarom wordt hem dood door schuld ten laste gelegd. In het lijfstraffelijk wetboek – Napoleons code penal – dat net in het bij Frankrijk ingelijfde Nederland van kracht is geworden, staat er drie maanden tot twee jaar gevangenisstraf, plus een boete van 50 à  600 francs op het ongewild plegen van een moord door onvoorzichtigheid, verwaarlozing, of overtreding van een wet. Omdat Havinga verstek laat gaan, krijgt hij de maximale straf: twee jaar en 600 francs boete.

Op dat moment is Schultetus Nicolaus Havinga 35 jaar oud. Hij werd in 1776 geboren in het Drentse Zweeloo. Zijn vader was daar hervormd predikant, maar nam in 1781 een beroep aan van het veel kleinere Bellingeweer, bij Winsum (Gr.). Dat lijkt een flinke stap terug voor een predikant, maar de familie woonde in Stad & Lande, wellicht speelde dat een rol, naast politieke motieven. Schultetus moeder was dochter van dokter Tideman in Coevorden en net als de Havinga’s kwam die uit Groningen. Zowel van vaderskant als moederskant zou je de familie kunnen typeren als welvarende burgerstand. Een oom van moederskant was de bekende verlichte dominee Egbertus van Eerde van Ten Boer.

Schultetus Nicolaus Havinga had een oudere broer en zuster, respectievelijk in 1771 en 1773 geboren in Zweeloo. De broer studeerde tussen 1787 en 1793 geneeskunde aan de Groninger Academie, en sloot die studie met een promotie af, maar is kort daarna waarschijnlijk overleden. Schultetus zelf begon hier in 1792 aan dezelfde studie en promoveerde in 1799 op een disseratie over de auto-immuunziekte van Werlhof. Naar het zich laat aanzien had hij datzelfde jaar al een praktijk in Hoogezand. Hij verhuisde erheen vanuit Bellingeweer, de woonplaats van zijn ouders. In 1804 echter vertrok hij naar Nieuweschans, en in 1809 kwam hij terug naar Groningen, waar hij voor bijna 2200 gulden de Brandenburg kocht, indertijd een welvarende middenstandprijs voor een huis.

Met de Brandenburg, ooit een herberg, nam hij de cichoreifabriek in de achterliggende schuur over. Hier werd cichorei gemalen en geroosterd, een koffiesurrogaat dat in de periode 1780 – 1815 tamelijk populair was, omdat de aanvoer van echte koffie over zee door de voortdurende oorlogen nogal eens stokte. Overigens gold de cichorei uit de Brandenburg als een produkt dat – volgens Havinga’s voorganger –

“wegens deugd en smaak de keurige kenners welkom moet zijn”.

Na zijn verdwijning kwam dokter Havinga niet terug in Nederland. Dan zou hij zijn straf hebben moeten ondergaan, maar zijn naam komt niet voor in de Groninger gedetineerdenregisters.

Waar hij wel uithing, bleek bij de verkoping van de Brandenburg. Op 22 januari 1812, exact een jaar na het drama, vond de veiling van het vastgoed plaats, volgens de advertenties:

“Een BEHUIZINGE en SCHUUR, synde een groot Cichorei-fabriek, bestaande in een Molen met diens Steen en twee Daren; als mede met alle verdere GEREEDSCHAPPEN,  bestaande in een groote en kleine Brander, Hakmessen met Banken, een Stampmes, Stampbakken en Wagen met Gereiden &c.”

De molen zal een rosmolen zijn geweest, een tredmolen voor paarden. De veilingadvertenties maakten ook de indeling van het huis zichtbaar. Het had twee voorkamers (met waarschijnlijk de voordeur en de gang ertussen), daarachter nog een kelderkamer en keuken, en in de schuur was er stallingsruimte voor paarden en tien, twaalf koeien. Desgewenst kon de koper een grote partij gedroogde cichorei overnemen, die er in opslag lag.

Achter de verkoping zat de zwager van Havinga. Die zwager, getrouwd met Havinga’s enige zuster Gesina, was de zeer bekende natuurkundige Jacobus Uilkens (1772 – 1825). Als verlicht predikant van Eenrum experimenteerde Uilkens met nieuwe landbouwtechnieken, hij zou vanaf 1815 de eerste hoogleraar landbouwkunde in Groningen zijn. Maar toen hij in 1812 de verkoping van de Brandenburg notarieel  wilde laten beschrijven, kreeg hij een probleem met zijn volmacht. Deze werd niet erkend, en daarom verzocht hij zijn zwager Havinga om een nieuwe.

Havingas_handtekening_onder_de_usin

Dankzij dit stuk weten we waar Havinga in 1812 verbleef. Het werd eind mei dat jaar opgemaakt in Usingen, ten noorden van Frankfurt in het Taunusgebergte. Havinga moest er voor naar een hertogelijke kanselarij. Het hertogdom Nassau-Usingen was een Frans protectoraat, voor een vluchteling uit Nederland, dan ingelijfd bij Frankrijk, leek zo’n handeling niet helemaal zonder risico, maar alles liep goed voor Havinga af. Hij legitimeerde zich er met zijn eigen naam en met een reispas van de Groothertogelijke Politie te Frankfurt. Hij gaf op dat hij onderweg was naar Münster, en dat een eerdere volmacht voor zijn zwager niet erkend was en dat hij daarom een nieuwe nodig had. Het was er een zonder beperkingen, die ook in erfrechtelijke zaken geldig zou zijn.

Met de nieuwe volmacht kon Uilkens de Brandenburg een maand later eindelijk juridisch overdragen. “Zich thans op reis bevindende”, heet het van zijn afwezige zwager. Volgens de koopacte bestond diens cichoreifabriek uit “twee daren met ijzeren platen, een molen met een paar stenen en verdere gereedschappen”. De Brandenburg bracht 1976 gulden op, een paar honderd minder dan toen Havinga het kocht, iets waar zijn vlucht waarschijnlijk debet aan was, want de prijzen voor onroerend gioed schoten in de Franse tijd omhoog door het stilliggen van de bouw. Duizend gulden bleef als hypotheek over de Brandenburg staan, van de dadelijk betaalde 976 kon Havinga wel een  jaar of wat leven.

In 1816 bleek Havinga, inmiddels 40 jaar oud, op het dan Britse Helgoland te wonen, waar hij zich naar zijn Drentse geboortedorp Van Zweel noemde en onder die schuilnaam ook een dokterspraktijk hield. Kennelijk had hij toen toch wat negatieve ervaringen opgedaan met het leven onder zijn eigen naam. Hij trouwde dat jaar te Brahetrolleborg op Fyn, het centrale eiland van Denemarken,  met een juffrouw Caroline Louise Wilhelmine Schrotter, die op dat moment in de kost was bij de lokale molenaar. Ook zij kwam niet uit de plaats zelf en na het huwelijk vertrok het paar (weer) naar Helgoland. Daar hield Van Zweel nog in 1819 praktijk, want dat jaar staat zijn naam als zodanig op een ledenlijst van een Duits natuurkundig genootschap.

Bij een volgende vrouw moet Schultetus Nicolaus Havinga van Zweel een zoon hebben verwekt. Deze Emil Wilhelm van Zweel werd omstreeks 1830 geboren in Hamburg. Mogelijk met de vrouw, maar zeker met de zoon, kwam Havinga senior omstreeks 1839 aan in Kaapstad, Zuid Afrika. Hij is dan al een eind in de zestig, maar ook in Kaapstad heeft hij weer geleefd onder de schuilnaam Van Zweel.

Op 27 december 1861 sterft hij daar als grijsaard. In de overlijdensverklaring staat summier zijn familiale achtergrond. Als zijn beroep geeft het stuk op: Medisch Doctor.

Harry Perton


De Brandenburg: herberg, hoerhuis, woning

Geplaatst op 7 januari 2010  a

Een boedelscheiding uit 1682 is de oudste acte waarin de naam Brandenburg staat, ter aanduiding van het vastgoed waarnaar nu twee Oosterpoorter straten heten. Volgens dat stuk nemen Lubbert en Annetien Ottens Birza dat vastgoed over uit een onverdeelde erfenis. Het stuk meldt tevens dat het goed reeds in 1646 in bezit was van hun ouders, die het ook weer erfden. Hierbij blijft de functie van het huis in het ongewisse, evenals de naam van de ouders, maar dat waren Otto Reyners Birza, brouwer bij de A-kerk, en zijn weduwe.

In besluiten en beschikkingen van het stadsbestuur tref je beider namen aan. Anno 1666 liet Otto Reyners (Birza) zich regelmatig in het raadhuis vinden. Vanwege de eerste – weinig bekende – inval van de bisschop van Münster (1665) waren namelijk alle opstallen buiten de Here- en de Oosterpoort gesloopt om een vrij schootsveld te creëren en toen de herbouw zijn beslag kreeg, verordonneerde het stadsbestuur dat

“in geen van de nieuw opgetimmerde huizen (…) voortaan eenige tapperie sall worden geëxerceert”.

Reyners en consorten, waaronder de eigenares van herberg de David aan de Hereweg, werden door dit verbod ernstig gedupeerd en verzochten weldra om in hun huizen ten zuiden van de stad toch weer “in alle bequaemhiedt end’ eerbaarhiedt” te mogen (laten) tappen. Ze kregen eerst nul op hun rekest, maar na een herhaald verzoek om er

“tot accomodatie van de reysende man, alsmede tot geryff der borgeren en ingesetenen de tapperneringe door bequame personen in alle eerbaerhiedt te doen exerceren”,

streek het stadsbestuur de hand over het hart. Alleen verbood het de nieuw op te richten herbergen streng om op zon- en feestdagen, voor of na de preek “sittend volck” in de gelagkamer te hebben en bier “bij tapmaete” te verkopen, “onder wat pretext het ock moege sijn”, op straffe van een eerste boete van 80 en een tweede van 160 daalder. Een derde overtreding van dit verbod zou komen te staan op verbanning.

Verder besloot het stadsbestuur dat de nieuwe herbergen niet hoger dan één verdieping mochten worden, dat men er geen “arcunelen” zou mogen aanbouwen, dat men er geen linde- of andere bomen omheen mocht poten en dat er in de tuinen geen priëlen mochten worden neergezet. Al met al bepalingen waarop intrekking van de vergunning als straf stond.

Kortom, de familie Birza had in het midden van de zeventiende eeuw een tapperij ten zuiden van de stad. En aangezien ze daar getuige de boedelscheiding van 1682 geen ander onroerend bezat dan op de door Haubois aangegeven plek, was die herberg de latere Brandenburg.

De maatregelen van het stadsbestuur uit 1666 geven intussen een aardige indruk hoe een dergelijk etablissement er voor de algehele kaalslag moet hebben uitgezien: het had meerdere verdiepingen, een of meerdere dakkapellen die de geachte cliëntèle in de opkamer(s) uitzicht boden op het hovengebied met haar bloesempracht en blommepronk, rijtjes lindebomen voor de deur die de jachtweide beschaduwden en priëlen in de tuin waarin de gasten zich bij mooi weer konden afzonderen. Dit alles gevoegd bij de eveneens aanwezige kolfbaan verklaart de bekoring van zulke uitspanningen.

Door toedoen van het stadsbestuur boette die aantrekkelijkheid sterk aan kracht in: vandaar dat Otto Reyners en consorten, die door de sloop al een duchtige veer hadden moeten laten, zich drie jaar later opnieuw in het raadhuis vervoegden, met een verzoek om afschaffing van het dubbele admissiegeld voor het tappersgilde, dat de uitbaters van hun herbergen buiten de Ooster- en Herepoort anders altijd moesten betalen. En dat de situatie daar ernstig genoeg voor was, moge blijken uit de inwilliging van dit verzoek.

Na Groningens Ontzet (1672) werd de herberg van Otto Reyners ten tweede male wederopgebouwd en naar de keurvorst van Brandenburg genoemd, uit dankbaarheid voor diens in de rug bedreigen van Bommen Berend, toen deze geharnaste prelaat Gruno’s veste belaagde. Een Duitse aanduiding in gotische letters, het heraldische wapen of een konterfeitsel van de hogelijk gewaardeerde keurvorst stond getuige een verkoop-acte van een belendende hof – met zestig kersenbomen! – op een uithangbord ter plaatse.

Eigenaar Otto Reyners was intussen een man van aanzien geworden. Niet alleen trad hij een tijd op als olderman van het brouwersgilde en bereikte hij de rang van hopman in de burgerwacht, ook bekleedde hij de functies van diaken (1650-1654) en (vanaf 1667 tot zijn dood) ouderling in de gereformeerde gemeente.

Juist omdat de bevoorrechte, publieke kerk die hij vertegenwoordigde veel te klagen had over zondags- en nachtrust-verstorende herbergiers – haar armvoorstanders mochten ook geen kinderen in de kost besteden bij “papisten, smuckeltappers, harbargiers ende ander onbequame personen” – zegt zo’n benoeming veel. Hoewel Birza de Brandenburg zal hebben verhuurd, diende hij als verpachter niet alleen bij gelegenheid voor zijn zetbazen op te komen, maar was hij er informeel ook op aanspreekbaar als die over de schreef gingen. Een en ander verklaart ook het feit dat de Brandenburg, anders dan andere gelegenheden, niet in opspraak kwam, tenminste nog niet in deze tijd. Otto Reyners was een man van onbesproken gedrag, die er een eerzame pleisterplaats op nahield, waar op zondagen zeker niet voor zittend volk geschonken werd, laat staan dat er nog aanstootgevender zaken voorvielen.

In het najaar van 1679 overleed hopman Otto Reyners Birza. Twee jaar later vroeg zijn weduwe aan het stadsbestuur of Harmen Hindriks, die haar behuizing tussen de Here- en de Oosterweg sinds 1678 als herbergier bewoonde, mocht volstaan met de betaling van het halve admissiegeld van ’t herbergiersgilde. Inderdaad kreeg Harmen deze korting.

Na de dood van de weduwe Reyners viel de Brandenburg, zoals gemeld, toe aan twee van de kinderen, die het goed in 1690 nog steeds verpachtten, laatstelijk aan een Sander Vrijman. In 1693, 1694 werd het pand echter bij aandelen verkocht aan ene Jasper Schultens. Schultens was pas sinds kort herbergier. Al in 1696 moest hij de Brandenburg wegens financiële problemen van de hand doen. En met deze overdracht begon dan een episode, die de teloorgang van de herberg zou inluiden.

De nieuwe eigenaar werd Reurt Hansen, de man die er enkele jaren eerder als pachter van een bieraccijns een pak slaag kreeg van de toenmalige uitbater. Nu moet men weten dat belastingpachters bij het grote publiek weinig geliefd waren. Ze namen op (half-)jaarlijkse overheids-veilingen de inning van diverse belastingen over tegen betalingsbeloftes en maakten zich nogal eens schuldig aan afpersingspraktijken. Ook Hansen was niet bepaald een man met een onbevlekt blazoen. Zowel in 1687 als in 1689 had men hem een poos gevangen gezet wegens het verwonden van mensen – de tweede keer was dat geschied met een “verholen wapen” dat listig in zijn “pegelstock” (peil-instrument) was weggewerkt. Als waard van de Brandenburg slachtte hij in 1697 een zwijn zonder daar aangifte van te doen en anno 1701 klaagde een buurtgenoot erover dat Hansen ten onrechte een kwartvat bier bij hem in beslag had genomen (de gift voor nabers na de begrafenis van een kind). Ook over 1702 viel er weer een akkefietje te noteren.

In de periode dat Hansen de herberg bezat en bewoonde (1696-1704) fungeerde hij niet als bieraccijnspachter van de stad, want om fraude te voorkomen waren hier de functies van tapper en bierpachter onverenigbaar verklaard. Maar hij bleef wel actief op andere fronten van de geprivatiseerde fiscaliteit. Zo pachtte hij afwisselend stedelijke imposten op de waag, de kraan, de visbanken, manufacturen en Oldambster en Sappemeerster bieren, alsmede provinciale lasten zoals het verlaatsgeld van de Spilsluizen, schoorsteengeld, bestiaal, gemaal, bier- en turfacijnzen, waarvan de inbeuring hem in alle uithoeken van de Stad en Lande bracht. Hij had het zo druk met zijn incasso-werk, dat hij de honneurs aan het thuisfront, waar natuurlijk ook menigeen kwam afrekenen, liet waarnemen door zijn vrouw, die in de wandeling, Anna-moei genoemd werd, vanwege haar leeftijd (ca. 50). Deze Anna-moei nu, die aan jicht leed, waartegen ze een kruidendrankje nam, bleek al spoedig eigenaardige opvattingen te hebben over de bedrijfsvoering.

Op een vroege ochtend in april 1701 werd in de sponde van een opkamer in de Brandenburg een 24-jarige Duitse dienstbode op heterdaad betrapt met een commies, dus een kennis van herbergier Hansen. Bij ondervraging door de magistraat sloeg het wicht finaal door. Samen met een nog oudere vrouw had Anna-moei voor haar het ‘rendez-vous’ bekokstoofd – het meisje was niet “geforceert” (verkracht) door de commies, integendeel, want de man had “haar wille met haar gedaan” op belofte van maar liefst vier schellingen (22 stuivers, ongeveer drie daglonen), die ze echter moest delen met Anna-moei en “het olde wijf”. Ze vertelde erbij dat er wel meer kerels voor hun sexuele gerief bij Anna-moei over de vloer kwamen, anonieme studenten en enkele gehuwde burgers die ze met naam en toenaam kon noemen, o.a. omdat die er hoven in de buurt bezaten. Deze klanten werden overigens ook wel eens ‘geholpen’ door dove Marie uit de Raamstraat en ene Sybrich met haar schoonzus.

Anna-moei kon ontkennen wat ze wilde dat haar “huisyn” diende als relaxcentrum, maar ze was er gloeiend bij. Tijdens de confrontatie hield het meisje, dat soms wel twee maal daags voor een ontmoeting van de geschetste soort in de Brandenburg kwam, haar beweringen staande. De vorige zomer was ze er ook regelmatig geweest, “dog niet als in eeren” , slechts om er in de hof te werken. Anna-moei had haar tot de prostitutie kunnen overhalen omdat ze de waardin nog geld voor kleding schuldig was. Anna-moei speelde misschien niet de eerste viool in het leggen van de contacten, maar ze blies wel degelijk haar partijtje mee en het bedongen loon werd ook altijd gezusterlijk in drie porties verdeeld.

De magistraat was vermoedelijk van het onzedige netwerk op de hoogte geraakt dankzij een verklikker: een Friese souteneur die zijn nogal prijzige dames – volgens Anna-moei “luisen en vlojen” – niet in de Brandenburg onderdak had kunnen brengen en die er door het meisje met een haardtang uitgeslagen was.

Maar de magistraat was dat om het even – hij maakte korte metten met de lichtekooi en de hoerenmadam van de Brandenburg. De eerste werd voor drie jaar uit Stad en Lande verbannen en de tweede voor zes jaar, wegens het “op houden van hoer huys en coppelerie”. De gecompromitteerde commies liet men opdraaien voor de kosten van beider detentie en de gerechtelijke procedures.

Gedurende anderhalf jaar wist Anna-moei zich te Kollum in leven te houden met het wieden van vlas en ander seizoenswerk, maar eind november 1702 kwam ze uit armoe weer terug in de stad, barrevoets over het trekpad en zuchtend onder haar jicht. Manlief Reurt Hansen zette haar echter subiet de Brandenburg weer uit en na een dag of twee werd ze al opgepakt. De magistraat liet haar een half uur aan de kaak staan en zette haar verbanning om in een levenslange.

Reurt Hansen had op dat moment andere problemen aan zijn hoofd, want hij was juist een betalingsregeling overeengekomen met de erven van brouwer Gansevoort. Van hun rekening à  362 gulden wegens de aan hem en zijn huisvrouw geleverde bieren hoefde hij slechts 175 gulden te betalen als hij binnen zes dagen 50 gulden zou schokken en de rest voldeed in de eerste week van januari 1703. Kwam hij deze afspraak niet na dan werd hij zonder pardon en zonder te mogen tegenstribbelen gerechtelijk aangesproken op het volle pond.

Dadelijk na afloop van de gestelde termijn, op 8 januari 1703, werd dit accoord notarieel vastgelegd, geen teken van vertrouwen. Hansen was waarschijnlijk in gebreke gebleven. Een dag later viel er een conflict voor in het timmerliedengilde: de olderman en heuvelingen van dat gilde lieten het gereedschap in beslag nemen van de knechten die bezig waren met het repareren van “het span” (het gebintenstel) van Hansen’s huis buiten de Oosterpoort. Op last van het stadsbestuur werd het gereedschap weliswaar teruggegeven, maar ook de verbouwing stilgelegd. Kennelijk heerste er bij de timmerbazen twijfel aan Hansen’s solvabiliteit. En ongelijk hadden ze niet, want de erven van brouwer Gansevoort begonnen in maart een procedure, die na een jaar tot een beslaglegging op de Brandenburg zou leiden.

Ook Hansens andere schuldeisers lieten zich aantekenen bij de Magistraat: de ontvanger van de provincie en de stadsrentmeester uiteraard voorop, gevolgd door o.a. koopman Steenhuisen vanwege steen- en kalkleveranties en de boekhouder van de Gemene Armen voor geld dat Hanzen ze nog schuldig was “wegens ’t winnen van de tappergilde”.

Op verzoek van deze crediteuren werd de Brandenburg eind 1704 gerechtelijk bij opbod verkocht. De opbrengst was 620 gulden – niet gek voor een herberg die haar goede naam kwijt was, waaraan sinds bijna twee jaar niet meer op rekening geleverd werd en waarvan de casco-renovatie stil lag. Hansen had er acht jaar tevoren 325 gulden voor neergeteld, een teken dat hij er wel wat aan had gedaan.

Vervolgen we nog even het levenspad van Reurt Hansen, die al spoedig zijn vrouw achterna zou gaan. Het einde van zijn pachterscarrière kwam in 1707, toen hij de bijna 1900 gulden die hij de provincie nog schuldig was wegens bierpacht over het jaar 1706 niet kon betalen en er ook niet de verplichte borg bleek te zijn. Omdat Hansen dat jaar weinig had uitgevoerd en de heren hem er bovendien van verdachten dat hij ’t met enige brouwers en waarden op een accoordje had gegooid, werd hij veroordeeld tot kaak, geseling, verbanning uit Stad en Lande alsmede verbeurdverklaring van zijn resterende goed.

Degene die de Brandenburg inmiddels had overgenomen was een kersverse bierbrouwer, die al spoedig stierf, waarna zijn weduwe de afgebouwde zaak al snel weer voor 700 gulden van de hand deed (1709).

Of de Brandenburg nadien nog een herberg bleef valt zeer te betwijfelen. Van geen van de achttiende eeuwse eigenaren staat de naam op de rol van het brouwersgilde. Ook ontbreken hun namen op de rol van het herbergiersgilde. De Brandenburg komt evenmin voor op twee lijsten met herbergen uit 1765 en 1792, die aangelegd werden vanwege het (politieke) toezicht op het vreemdelingenverkeer, terwijl daar toch echt alle van die periode bekende herbergen op te vinden zijn. Wat meer is: na dat roerige eerste decennium van de achttiende eeuw treft men de naam Brandenburg nog maar één maal aan in rekesten, resoluties, proces-acten, verhoren en vonnisen, bronnen die tesamen zeer gedetailleerde informatie geven over het kroegleven in onze stad. En die ene keer gaat het dan nog slechts om een verhoor uit 1730, waarin de Brandenburg de woning van een visserman heet. Tussen 1800 en 1863, het jaar dat het onroerende goed in handen kwam van de eerste Groninger woningbouwvereniging – was het nog wel even in handen van een kastelein (1817-1826) maar voor de rest van de periode ’t bezit van een cichoreibrander, een medicus, een koopman en een koemelker.

Ook hier zaten rare snijbonen tussen, maar daarover een andere keer. De conclusie voor dit moment is dat de Brandenburg na 1709 wegzonk in een anoniem bestaan en hoofdzakelijk een (semi-)agrarische woonfunctie kreeg.

Waaraan de teloorgang als herberg te wijten valt, is intussen duidelijk. Na de ontmaskering als “hoerhuis” in 1701 was de loop er uit – geen ordentelijk burgerman wilde meer in de Brandenburg worden gezien. Otto Reyners Birza moet zich in zijn kerkgraf hebben omgedraaid.

Harry Perton


Havelter horeca in de jaren zestig

Bij de Boskampbrug over de Drentse Hoofdvaart, op de hoek van de Van Helomaweg had je hotel Buter. Een zoon des huizes zat bij mij in de klas op de lagere school. Hier werd gegeten bij het 45- of 50-jarig huwelijksfeest van mijn grootouders. Mijn opa was toen al wat dement. Mijn jongste broer speelde er later als student, toen het bedrijf in andere handen overgegaan was, met de kerstdagen altijd voor kerstman – johojoho – en haalde daar enorme bedragen aan fooi mee op. Ik dacht dat er ook een zaal bij zat voor opvoeringen, maar dat weet ik niet meer zeker.

Geplaatst op 6 januari 2010  a

Gek genoeg vond ik geen zakje van Scholtmeijer, een café met een zaal in het hart van het dorp aan de Brink, met een terrein erachter waar de paaskermis altijd plaatsvond. Belangrijk: op de pui hing het kastje met mededelingen van de plaatselijke voetbalclub (uitslagen, ranglijsten, opstellingen etc.).

Wel is er een puutje van het hotel dat H.J. Götz in 1930 eigenhandig opbouwde bij het mooiste stuk van de Dorpsstraat. Het terras gaf zicht op de ouwe saksische boerderij van de familie De Wit. Hoewel het ging om het jongste horecabedijf in het dorp, bleek zoon Bertus in de keuze van het lettertype uiterst behoudend.

Geplaatst op 6 januari 2010  b

Aan de andere kant van het dorp, bij de Ruiterweg naar Uffelte, had je huisjes en een camping van het NVV De vakbondsleden waren zuinig, want ze hadden een gezamenlijk suikerzakje met de rooien van de PvdA:

Geplaatst op 6 januari 2010  c

Bij de Van Helomaweg en tegenover de weg naar de hunebedden had je dan nog theehuis Faken. Er zat een speeltuin achter, maar volgens mij was het er alleen met echt heel mooi weer druk. Ik meen me te herinneren dat er zo’n automaat hing met kauwgumballen en prullaria in van die halfdoorzichtige plastic ‘eieren’:

Geplaatst op 6 januari 2010  d


Havengebied in de vrieskou

Mijn banjer van een kleine 10 kilometer, gister, voerde ook nog langs de Helsinkiweg, de insteekhavens en de Sontweg.

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Insteekhaven met sleepboot. Op de achtergrond de Tasmantoren bij Oosterhogebrug:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Toen de zon achter de kim zakte begon het rap kouder te worden. Dit is de opgang van de nieuwe Berlagebrug tussen Sontweg en Damsterdiep ter hoogte van de Elevator Maatschappij Groningen (EMG):

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

De IKEA aan de Sontweg was open. Het kost wat energie om zo’n tent open te houden:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA