De comeback van het peerdevillersglas
Geplaatst op: 10 juni 2010 Hoort bij: De actuele wereld 5 reacties
Aangezien ik al enige jaren vrij weinig in de horeca kom, ontgaan mij de hedendaagse ontwikkelingen in de vormgeving van het glaswerk. Zo keek ik op het terras van een Hotel Gaasterland in Rijs nogal op van dit borrelglas, maar dan zonder voet.
Tegen de reisgenoot die met het voetloze borrelglas aan kwam zetten, opperde ik dat het me nogal onhandig leek dat je het niet neer kon zetten en dus de hele tijd in je hand moest houden. Maar daarin was ik abuis, want weldra bleek er toch een plat vlak onder de bodem te zitten, waardoor het glas stabiel op de tafel voor ons bleef staan.
Ik had nog nooit zo’n glas gezien. Maar vroeger had je in herbergen wel degelijk ook al glazen zonder voet, die je niet neer kon zetten. In zulke glazen – zo gaat het verhaal – kregen peerdevillers hun borrel. Ze moesten die staande opdrinken en dan heel gauw weer opsodemieteren asjeblieft.
Want ze werden vreselijk veracht, die peerdevillers. Misschien had dat met de stank van hun handwerk te maken, misschien ook met de bijzondere status van het huisdier paard, dat bijvoorbeeld nog steeds een hoofd en benen heeft in plaats van een kop en poten, zoals elke kleuter nog steeds terdege wordt ingescherpt.
Om verachting uit te drukken was peerdeviller ook een van de bekendste scheldwoorden in Groningerland. Inwoners van menig dorp en streek werden zo collectief te kakken gezet. De scheldnamendeskundige Dirk van der Heide noemt bijvoorbeeld Aduarder, Obergumer, Onderdendamster, Uithuizer en Oldambster peerdevillers.
De peerdevillers zijn totaal vergeten, ze vormden een beroepsgroep die je ook niet meer zo gauw op een markt van oude ambachten zult aantreffen. Maar hun glas maakt een comeback! Zij het met een minimale, maar overtuigende concessie aan de hedendaagse eisen van comfort.
Bron:
Dirk van der Heide en Fré Schreiber, Schelden, schelden dut nait zeer (Bedum 1989) m.n. de pagina’s 7, 8, 12, 66, 67, 69 en 94.

Het verhaal gaat dat de Onderdendamster handwerkslieden nooit vlees kregen. Toch viel er geregeld een dood paard dood neer op straat, dat onaangeraakt begraven werd. Het eten van paardenvlees was nu eenmaal een van de grootste taboes in de christelijke wereld. Alleen volledig eerloze lieden, arme landarbeiders bijvoorbeeld, schaamden zich er niet voor. Maar een handwerksman?
Juist in de Franse tijd werd twijfel gezaaid bij veel overleverde taboes. Maar om dan uitgescholden te woorden voor patriot (“potrot”), en als overtrederje eer te verliezen, ja dat ging menig Onderdendamster toch te ver.
En dus spraken de Onderdendamsters af het volgede paard dat dood op straat viel, gezamenlijk te slachten, zodat niemand achteraf met de vinger naar een van hen kon wijzen.
Maar ze hadden buiten de omliggende dorpen gerekend. Vanaf dat moment werden alle inwoners van Onderdendam beschouwd als eerloze peerdevillers.
Persoonlijk zou ik ook liever scheldnamendeskundige zijn dan peerdeviller! Moet je voorstellen: het ANP aan de lijn. Meneer Hans, de minister is gisteren uitgescholden voor…. Kunt u dit even in historisch perspectief plaatsen?
Dus je kunt het peerdevillersglas wel gewoon neerzetten? Ik heb eens een relatiegeschenk gehad, dat bestond uit twee werkelijk prachtige glazen die in een soort punt uitliepen. Je moest ze daarom in een houten blokje met een passend gat zetten. Het zag er geinig uit, maar zoiets gebruik je natuurlijk niet voor wijn of zo. Dat is veel te lastig. Ik heb ze een tijdje als bloemenvaasje gebruikt 🙂
er is ook niet zo heel veel keus in de horeca hoor. in mijn stamcafe kun je kiezen uit een vaasje of een fluitje 🙂
Het door Wieneke omschreven glas is een z.g. “fûgeltsje” (vogeltje).