De erfenis van een vuurwerkmaker
Geplaatst op: 31 december 2010 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsen
Begin juli 1797 overleed de vuurwerkmaker Francois Foucque “op reize met negotie, binnen Leeuwarden”. Zijn thuisbasis was de stad Groningen, waar hij wel wat vastgoed bezat, maar woon- en werkruimte huurde van een schoolmeester aan het Lage der A, bij wie hij mogelijk ook in de kost was.
Omdat ze niet wisten hoe zijn zaken ervoor stonden, vroegen zijn Groninger erfgenamen het beneficium inventarii aan, oftewel het voorrecht van boedelbeschrijving, zodat zij de aanvaarding van de erfenis konden laten afhangen van het saldo, positief of negatief. Daarom werden Foucque zijn spullen geïnventariseerd, waaronder ook de materialen en gereedschappen die hij nodig had voor zijn beroep. Het leek me wel eens aardig, om dit lijstje op een oudejaarsavond te reproduceren:
- 1 grauwpapieren zak met kruit gevulde pijpjes voor kanonnen
- 1 vat met gemaakte en ongemaakte vuurwerken
- 1 open kistje met zwavel als anders
- 3 blokken tot het maken van vuurwerken
- 4 pakken zwermpapier (voor voetzoekers, HP)
- 1 open kist met gemaakte en ongemaakte vuurwerken
- 1 dito met gereedschappen van onderscheiden zoort en vuurradjes
- 1 vatje met gezifte houtskool
- 7 kruitteemsen (teems = fijne zeef HP)
- 1 werktafel tot het vervaardigen van vuurwerken
- 1 korf met gereedschappen tot het maken van vuurwerken
- 1 marmer mortier (= soort vijzel)
- 1 ijzeren vijzel met dito stamper
- 1 bosje stokken
- 3 ijzers tot vuurwerken
- 1 zak met grof kruit pl.m. 50 Ã 60 lood
- 1 zak met grof kruit pl.m. 60 lood
- 1 open kist met pijpjes tot vuurwerken en lugtballen
- 1 leeren sak tot berging van kruit
- 1 vat met kruit pl.m. 40 lood
- 1 vatje met snippels papier
- 1 bak met onderscheiden gereedschap
- 2 vlesjes met vijlsel van staal
- 1 bak met 4 lederen sakken
- 1 bos pijpjes tot vuurradjes
- 1 langwerpig bakje met lond
- 1 lange kist met houten machines behoorende tot het maken van vuurwerken
- 1 glas met vijlsel
- 1 volledige draaibank geheel los uit elkander
- 1 folio boek over de draaikonst met platen
(Ik ben er niet helemaal zeker van of de laatste twee items tot de vuurwerkmakerij behoorden.)
NB: In de achttiende eeuw mochten Groningers eigenlijk alleen vuurwerk afsteken met Gronings Ontzet. Lokale vuurwerkmakers waren er niet veel en iemand als Fouque moest zijn inkomen kennelijk uit een hele ruime regio halen.
Bron: RHC Groninger Archieven, toegang 1534, Volle Gericht van de stad Groningen, inv. nr. 921 (10 juli 1797)
Ook derde Strobos was plek met potentie
Geplaatst op: 30 december 2010 Hoort bij: Drenthe vrogger, Taal 4 reactiesEn toen kwam ik een derde Strobos tegen, in een bundeltje verklaringen uit het eerste jaar van de Bataafse Vrijheid: 1795.
Die verklaringen werden allemaal te Wildervank afgelegd. Ze kwamen van Wildervanksters, en waren belastend voor Wildervanksters, te weten orangisten die hardop durfden te zeggen “dat de Paterjotten schelms waszen” en “dat de Prins weer op de troon moest”. Uiteindelijk, en dat moest het gerecht weten, gingen deze oproerkraaiers er zelfs toe over de leus “Oranje Boven” te scanderen!
Drank maakt overmoedig. Het belangrijkste van deze akkefiejes vond plaats in een herberg, waar schippersknechten een bekende patriot jenden, door orangistische liedjes te zingen en te zeggen dat alle patriotten verbrand moesten worden. Maar die herberg, hoewel druk bezocht door Wildervanksters, stond niet in Wildervank, en evenmin op Gronings territoir. Volgens de geplaagde patriot, Berend Krans, vonden de “ongeoorloofde baldadigheden” namelijk plaats in Drenthe, “ten huijse van Popke Harms op Stroobos genaamt”. Er deed zelfs een “soldaat van de Landschap” mee met het liedjeszingen. Met andere woorden: de lokale Drentse veldwachter was op de hand van de oproerkraaiers.
Een getuige, Lammert Pieters, die Berend Krans later naar huis had begeleid, bevestigde wat er die zaterdag 19 december aan het eind van de middag was gebeurd. Hij had gehoord dat een koopman van de Gasselternijveen doeken zou gaan verloten in de herberg, en nam zelf een paar laarzen mee, dat hem te krap zat, met de bedoeling om dat als extra prijs bij de verloting in te zetten.
Pieters preciseert de positie van Popke Harms’ herberg als “vooraan op het Landschap Drenthe staande”. Dat moet dan vlakbij Wildervank geweest zijn, even over de Semslinie, oftewel de grens tussen Stad en Lande en Drenthe. De enige Popke Harms in de Drentse heerdstedenregisters is inderdaad een keuter met nering te Gieterveen (1804). Wat in 1841 ook de plaats van diens overlijden blijkt. Dan draagt hij inmiddels de achternaam Strobos, die hij nog niet droeg bij zijn doop (1764, Veendam) en huwelijk (1789, Wildervank). De herberg heet dus niet naar de familie, maar de famiilie naar de herberg, wil ik maar zeggen. Bij het eerste kadaster van 1832 bezit Popke Harms Strobos Sectie B nummer 79. Dat is anno 1795, ten tijde van de akkefietjes, inderdaad vlakbij Wildervank en Bareveld aan het uiteinde van het in 1780 gereedgekomen Grevelingskanaal, waarop in 1800 het Nieuwediep aan zou takken.
Business was booming op deze lokatie. En daarmee voldoet ook dit derde Strobos aan de overeenkomst die ik al tussen de eerste twee Strobossen constateerde. Het was:
“een strategische plek aan een nieuw vaarwater. Een plek die kansen bood, een plek waar mensen zich graag als pioniers vestigden.”
Doordat de geplaagde patriot Krans zegt dat het huis van Popke Harms “op Stroobos” heet, wordt de naamsverklaring die ik anderhalve maand geleden opperde, nog wat plausibeler. Popke was er vlak voor 1795 als het ware “op een stroobos komen aandrijven”, maar maakte zijn kansen meer dan waar. Toen hij er kwam, was hij een armoedzaaier, maar eind 1795 was hij een man in bonis, mede dankzij al die Wildervanksters die even over de provinciegrens hun politieke gemoed kwamen luchten.
Bron: Groninger Archieven, toegang 731 Gerechten in het Oldambt inv. nr. 5971: Stukken betreffende het vooronderzoek naar politiek onwelgevallige uitlatingen in herberg ‘Het Strobos’ op de grens van Drenthe en Groningen, 1795.
Schaatsvlakte op vliegerfoto’s
Geplaatst op: 29 december 2010 Hoort bij: Drenthe 3 reactiesKAPturer liet zijn vlieger op bij de Helper molen, aan het Paterswoldsemeer, waar volop geschaatst werd en veelkleurige mensen snert aten bij een koek- en zopietent; slideshow
De oma van mijn oma liep een paar modes achter
Geplaatst op: 29 december 2010 Hoort bij: Familie 5 reacties
Ik vroeg Rein Lotterman of hij eens naar de foto’s van mijn betovergrootmoeder wilde kijken, en dan vooral naar het oorijzer, Behalve een vriend van mijn moeder is hij klederdrachtdeskundige, vandaar.
Volgens Rein draagt ze over een witte ondermuts (een tipmuts) en een zwarte tussenmuts een oorijzer “dat al helemaal uitgegroeid is tot een helmvormig geheel”. “Dat is de laatste fase van de ontwikkeling van het oorijzer”, zegt hij. En: “Het oorijzer kan van goud zijn, van verguld zilver of van koper.”
Zelf ben ik dan al gauw geneigd te denken dat het van koper was, want zulke grove stukken edelmetaal kan ik me in haar landarbeidersmilieu helemaal niet zo goed voorstellen. Hoewel ik in de rechterlijke archieven van het Oldambt ook wel eens een arbeider tegengekomen ben, die een beste som geld had gespaard. Vanouds vormde opsmuk een spaarpotje. Als het tegenzat en er moest geld komen ging dat het eerste weg.
“De stiften zijn meestal van goud”, aldus Rein, die helaas niet goed kan zien wat voor soort stiften mijn betovergrootje droeg. “Je hebt cannetille (of cantille) en draadwerk en stampwerk. Ik denk dat het ’t eerste is. Over het oorijzer een kantenmuts, de zogenaamde floddermuts. Aan weerskanten mutsenspelden, roosjes.”
Wat ze om de hals draagt, noemt hij “typisch Gronings-Drents”. Het gaat om “een gouden slot van cantille en draadwerk met zijstukken, Het jak dat ze draagt is uit de mode 1860-1870.”
Zoals ik in het vorige stukje schreef, moet de foto gemaakt zijn tussen 1886 en 1895, toen Heiman Benjamin Sanders zijn atelier aan het Hoogstraatje hier in Groningen had. De opoe van mijn opoe liep dus wel twintig, dertig jaar in de mode achter.
“Oudere vrouwen gingen niet zo gauw meer met een nieuwe mode mee”, aldus Rein: “Ze bleven de kleding langer doordragen, ook al was die dan wat ouderwets”. Als oorijzerdraagster behoorde Fennechien Mantjes tot een bijna uitgestorven soort. Rein: “Oorijzers gingen in Groningen na 1850 al snel uit de mode, eerst bij de rijke bovenlaag en in de stad. Op het platteland werd het oorijzer nog het langst gedragen.”
De oma van mijn oma
Geplaatst op: 28 december 2010 Hoort bij: Familie 8 reacties
Een oude vrouw met een klederdrachtkapje, een oorijzer, en strengen bloedkoralen met een slotje. De foto komt uit de boedel van mijn grootmoeder Fennechien Perton – Lindeman en mijn oud-tantes vertelden me later dat het een portret is van haar grootmoeder. Het stelt dus de oma van mijn oma voor. Iets wat ik gelukkig heb genoteerd.
Maar net als andere mensen had mijn oma twee oma’s en welke van de twee is het? De Beerster naaister Pieterke Pras (1816-1877) die in 1842 trouwde met de timmerman Jan Martens Lindeman uit Midwolda? Of de uit Meeden afkomstige dagloonster en arbeidster Fennechien Mantjes (1821-1898) die begin 1845 trouwde met de in Westerlee wonende boerenknecht Haiko Derks Vos?
Het blijkt de laatste, Fennechien Mantjes. De eerste, Pieterke Pras, overleed namelijk op een tijdstip dat het laten maken van een fotoportret nog niet echt gemeengoed was. Bovendien kwam het portret uit het atelier van H. Sanders & Co. aan het Hoogstraatje in Groningen. De joodse fotograaf Heiman Benjamin Sanders vestigde zich hier in 1886 en bleef er nog tot 1895 zijn atelier houden. In die periode moet het portret dus gemaakt zijn. En dan leeft alleen Fennechien Mantjes nog. Alleen zij komt dus in aanmerking. Zij is ook de oma, waarnaar mijn oma genoemd was, misschien mede de reden dat er veel later een vergroting naar het portretje werd gemaakt.
Zoals gezegd kwam Fennechien Mantjes uit Meeden, waar haar vader, Pieter Jans Mantjes arbeider was. Niets bijzonders. Diens vader Jan Pieters fungeerde echter als kerspeldienaar. Dat was een soort van bode voor de schatbeurder en de dijkrechters ter plaatse, een ambt waarvoor je in elk geval moest kunnen lezen en schrijven. Wat lang niet alle arbeiders konden.
Hoe dan ook, in 1844 werkte Fennechien in Finsterwolde, waar ze zwanger raakte. Pas een maand na de geboorte van haar zoon trouwde Haiko Derks Vos haar in die plaats, waarbij hij het zoontje Derk erkende. Misschien is er een vaderschapsproces geweest, dat moet ik nog maar eens gaan uitzoeken.
Fennechien en haar man bleven in de gemeente Finsterwolde wonen, waar ook al hun zes overige kinderen werden geboren. Een daarvan overleed als zuigeling, diens naam ging, zoals gebruikelijk, over op een volgend jongetje. In 1867 overleed Fennechiens man en kwam zij er als weduwe alleen voor te staan. Van de oudste vier kinderen, in leeftijd oplopend vanaf dertien jaar, zou je kunnen veronderstellen dat die hun weg wel hebben gevonden als boerenknechten en -meiden, inwonend op boerderijen. Maar de jongste twee, waaronder mijn overgrootmoeder Hindertje, waren daarvoor nog te klein, met hun vier en zeven jaar. Daarvoor moest Fennechien als weduwe dus blijven zorgen.
Vanaf 1876 zouden haar kinderen trouwen, meest met boerenknechten. dienstmeiden en dagloonsters uit de gemeente Finsterwolde. Eén dochter, mijn overgrootmoeder, kwam met een timmerman uit dezelfde gemeente thuis, een andere dochter met een huisschilder uit Eexta, en haar oudste zoon zoon met een meisje, waarvan het beroep me onbekend is.
Dat meisje woonde op de Ganzedijk. En Ganzedijk, dat nu vermaarde gehucht, was ook de plaats waar mijn betovergrootmoeder Fennechien Mantjes in 1898 stierf. Ze woonde ze daar medio jaren 1880 in bij die zoon, wiens vrouw jong stierf en ze nam daar de zorg op voor drie piepjonge kleinkinderen.
—
Het hulpmiddel voor het dateren van de foto:
Henk Wierts ea – Photograhieën & Dynastieën: Beroepsfotografie in Groningen 1842-1940 (Bedum 2000). Zie pag. 140 voor H. Sanders & Co.
Op visite bij mijn overgrootvader Lindeman
Geplaatst op: 27 december 2010 Hoort bij: Familie 2 reactiesZonder ernaar te zoeken, vond ik een boedelinventaris van mijn overgrootvader Fokko Lindeman, timmerman te Finsterwolde. Het stuk stamt uit september 1891. Zijn eerste vrouw was een paar maanden eerder overleden, ruim een jaar later zou hij trouwen met zijn tweede vrouw, mijn overgrootmoeder.
Hij en zijn twee dochters woonden in een eigen huis op bijna 6 are beklemde grond, Finsterwolde sectie C 1186 – 1188. Ik moet nog uitzoeken waar dit vastgoed precies lag, maar het lijkt op Finsterwolderhamrik.
De huisindeling was:
- Voorkamer
- Keuken
- Kelder
- Achterhuis
- Timmerwinkel
- Zolder
In de voorkamer was veel zitgelegenheid, want er stonden maar liefst tien “sneden” stoelen en een “rieten leuningstoel”. In twee van die stoelen lag een stoelkussen voor een gerieflijker zit. In het midden van de ruimte stond een tafel met een lamp erboven. Langs de wanden onder meer een linnenkast en een commode, beide met ongespecificeerde ornamenten, de commode bovendien met een kastklok. Verder onder meer een turfvat, een kinderwagentje, een tinnen waterpot en een koperen ketel.
Er hingen géén schilderijen aan de muur, de kast-ornamenten vormden de enige opsmuk. Wel stonden er in een van de kasten twee karaffen met acht glaasjes, en daar lag ook het gewerkte goud en zilver van wijlen Lindemans vrouw, namelijk een gouden broche en twee dito oorknoppen, een zilveren reukdoosje – dat mijn grootmoeder nog wel eens geërfd kan hebben – en een “knipje” met een zilveren beugel. Ook aan zulke voorwerpen kon het oog zich laven.
De voorkamer zal wel pronk- en nette bezoekkamer geweest zijn, terwijl er in de keuken meer geleefd werd. Daar stonden bij de kookkachel vier stoelen om een tafel, terwijl er op een kastje een “wekkerklokje” stond. In dat kastje treffen we dan nog een koffiemolen, een blikken koffiepot en enig theegoed aan, naast een partij spek die op het respectabele bedrag van 28 gulden getaxeerd werd.
In de kelder en het achterhuis de voorraden en werkspullen van de ontbrekende vrouw des huizes. De voorraden in vaten en grof aardewerk. En verder het materiaal voor het doen van de was: akers, tobben, emmers en linnenrekken.
In de timmerwinkel (= werkplaats) een schaafbank, een draaistel en een slijpsteen, dan allerlei ongespecificeerde gereedschappen, “een trappen” en acht kippen die gemiddeld een gulden waard bleken. Op de zolder boven de werkplaats lag de voorraad hout, maar ook een flinke partij klompen. Kennelijk was mijn overgrootvader tevens klompenmaker geweest.
Gezien de positie van het beddegoed, het huishoudelijke linnen en de kleren waren er op de zolder een paar slaapplaatsen afgetimmerd.
Wegens zijn timmerwerk had mijn overgrootvader nog ƒ 268,30 onder de mensen zitten. Op zijn spaarbankboekje van de (Nut?)spaarbank te Beerta stond “een kapitaal” van 750 gulden. Aan contanten was er 60 gulden in huis. Al met al leverden deze bedragen en de getaxeerde inboedel een begrote somma van ƒ 1749,05 op.
De totale schulden daartegenover bedroegen slechts ƒ 237,70. De grootste crediteur was Jan Poppes Hommes, de bekende anarchistische logementhouder bij wie Domela Nieuwenhuis nogal eens kwam spreken en logeren. Deze Hommes was ook actief als aannemer en houthandelaar. Van hem betrok Fokko Lindeman het meeste hout.
De op één na grootste schuld was die aan dokter Schönfeld, de huisarts, voor de geneeskundige behandeling van wijlen Lindemans vrouw. Die op haar graf een paal had staan, welke geleverd was door een zerkhouwer uit Winschoten.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, toegang 110, notarissen te Finsterwolde (standplaats 36) inv. nr. 82, acte nr. 187 dd 29.9.1891 van notaris A.H. Koning.
Komt een student bij de rector
Geplaatst op: 25 december 2010 Hoort bij: UK + RUG 2 reacties
In het decembernummer van Broerstraat 5, het alumniblad van de RUG, staat het laatste stukje van Frans Zwarts. De scheidend rector-magnificus, inderdaad een hele toegankelijke man, vertelt dat medewerkers en studenten gewoon bij hem konden binnenlopen. Wat ze volgens hem ook deden. Zwarts:
“Het mooiste vond ik,die keer dat een student naar het bestuursgebouw in de Oude Boteringestraat 44 was gefietst. Hij klopte aan en toen ik hem binnenvroeg, zei hij: “Ik heb een vervelende mededeling, ik ben weggestuurd bij het college.” “Zo”, zei ik, “dat is niet zo best.”
Helaas is de rector hier wat weinig specifiek. Bij het lezen van deze passage vroeg ik mij dadelijk af of deze student wellicht door een docent eruit was gestuurd met de mededeling: “Ga maar naar de rector”. Een directief dat deze student dan braaf had opgevolgd, hetgeen weer een treffende illustratie zou vormen bij de stelling dat de universiteit verschoolst.
Een moment of wat later bedacht ik dat het ook een studentengrap kon zijn, of het gevolg van een weddenschap:
Uitdager: “Durf jij zomaar bij de rector binnen te stappen?”
Aannemer: “Natuurlijk wel. Waarom niet? het is een hele toegankelijke man, zeggen ze.”
Uitdager: “Maar wat voor smoes bedenk je dan?”
Aannemer: “Nou, dat ik uit college ben gestuurd.”
Bij de ene lezing komt de student eruit als een dociel wezen, dat braaf doet wat hem gezegd wordt: de vleesgworden zesjescultuur. Bij de andere lezing is de student iemand die initiatief neemt, moed toont of om mijn part ondernemingszin. Dit hele verhaal kan me veel teveel kanten op en het verdient daarom zeker een nadere uitwerking.
Beste Frans, wij gaan dood van nieuwsgierigheid: wat voor student was het?
Spoetnik was mijn drankje niet
Geplaatst op: 24 december 2010 Hoort bij: autobio, Geschiedenis 5 reactiesMocht je je vervelen, de komende dagen, dan hier een tip: de NOS heeft gister alle jaaroverzichten sinds 1956 online gezet, en wel hier.
Heb net de eerste drie bekeken. Veel is me natuurlijk van achteraf bekend, maar het wereldnieuws drong toch ook wel door in het leven van een peuter en kleuter.
Zo gold 1957 als het jaar van de Sputnik, de allereerste kunstmaan in een baan om de aarde, waarmee de Russen een voorsprong in de ruimte namen op de Amerikanen. Welnu, deze sateliet leende zijn naam aan een kinderdrankje. Volgens de recepten op internet maakte je het door een flinke schep suiker in een glas te deponeren, die te mengen met een scheut koffiemelk, om het glas vervolgens langzaam te vullen met limonadegazeuse of priklimonade. Het effect was dat er flink wat schuim in het glas omhoog kwam. Bij mijn grootouders in Dwingeloo kregen we op familiale hoogtijdagen dit drankje wel voorgezet en wat ik me nog herinner is dat ik er steevast misselijk van werd. Om die reden vond ik het eigenlijk helemaal niet zo lekker. De spoetnik was aan mij niet zo besteed.
In 1958 kwam de hoolahoop in de mode, een ronde plastic buis die je om je middel moest wentelen en met je heupen op gang moest zien te houden zonder je armen te gebruiken. Daar moet ik wat later kennis mee hebben gemaakt. Het was vooral een meisjesding, volgens mij. Ik had er geen en kon het ook niet goed, als ik er eventjes eentje mocht lenen.
De kwaliteiten van een dekhengst (1793)
Geplaatst op: 23 december 2010 Hoort bij: Geschiedenis 1 reactie
“De qualiteiten van de Springhengsten die goedgekeurd zullen kunnen worden, zullen moeten zijn: ras en welgesloten van lijf, rond van ribben, helder van oogen, fijn en wel besneden van kop, schoon en hoog uitgewassen van nek, spits van ooren, droog en zuiver van beenen, kantig en luchtig op den draf, groot althans vijf houtvoeten en zes duim Gron[inger] mate, te meten van den grond af tegens den schoft met een reije, waterpas daarop te leggen (…) daar benevens niet mishairig, ’t zij van blessen of witte voeten, noch schuil of slodoorig, spekhalzig, volvoetig, dempig, overhoevig, krebbebytig, spattig, maanoogig of met eenig andere kwaal of toeval beladen, of niet voorzien van zodane hoedanigheden als tot een schoone hengst en de goedkeuringe van denzelven vereischt wordt.”
Bron: Ordonnantie van Burgemeesteren en Raad in Groningen op het houden van springhengsten in den Oldambt, Gorecht, Sapmeer cum annexis, Westerwolde, Bellingewolde en Blijham cum annexis.
(Deze verordening dateert van 1793, maar in een placcaat uit 1734 stonden de meeste van deze eisen al precies zo genoemd. Alleen waren die eisen in onbruik geraakt waardoor de toestand van paarden in Groningerland, “dewelke anders overal hoog geschat en mede voor de beste gehouden wordt, zeer zoude komen te verbasteren…” )
Schoolmeesters en hun vakanties
Geplaatst op: 22 december 2010 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsen
In 1756 hadden de meesters van de twee stad-Groninger armenscholen vakanties van de kerstdagen tot 2 januari, en verder in de paasweek, in de pinksterweek, en van 20 juni tot en met 20 juli.
Al met al zeven weken. Dat lijkt nu wellicht weinig, Maar het was veel in de tijd dat men zes dagen in de week werkte van zonsopgang tot zonsondergang. Alleen heren namen toen vakantie.
Zo bezien had het Groninger stadsbestuur het goed met de meesters voor.
Schoolmeesters en hun vakanties
Geplaatst op: 22 december 2010 Hoort bij: Stad toen 3 reactiesIn 1756 hadden de meesters van de twee stad-Groninger armenscholen vakanties van de kerstdagen tot 2 januari, en verder in de paasweek, in de pinksterweek, en van 20 juni tot en met 20 juli.
Al met al zeven weken. Dat lijkt nu wellicht weinig, Maar het was veel in de tijd dat men zes dagen in de week werkte van zonsopgang tot zonsondergang. Alleen heren namen toen vakantie.
Zo bezien had het Groninger stadsbestuur het goed met de meesters voor.
Evenwichtskunstenaars
Geplaatst op: 22 december 2010 Hoort bij: autobio, Geschiedenis 3 reactiesDeze taferelen herinner ik me nog. Als kleine jongen was ik vervuld van bewondering voor deze mannen, die met volle dienbladen op schouderhoogte meeholden met de treinen en hun laatste kopjes koffie altijd nog net op tijd door die opengeklapte bovenramen wisten te krijgen. Nooit viel er een kopje, laat staan een kan of een dienblad. Altijd incasseerden ze zonder mankeren de betaling. Daar maakte ik me wel eens zorgen over, dat ze geen loon naar werken kregen. Dat de trein weg zou rijden voordat iemand zijn dubbeltjes uit de portemonnee had. Of dat iemand expres zou treuzelen met al dat kleingeld. Maar dat gebeurde dus niet, Iedereen stelde deze evenwichtskunstenaars hogelijk op prijs. En niemand deed ze tekort.
Bron van het filmpje: Drents Archief
Perton en het chanson
Geplaatst op: 20 december 2010 Hoort bij: autobio, Muziek 13 reactiesToen ik een jaar of elf. twaalf was, in het midden van de sixties, heb ik nog een poos gitaarles gehad. Ik kwam tot het zesde gitaaarboek van Ilja Croon. Daarna was de lol er voorlopig af.
Die Croon, ontdek ik vanavond, heette in werkelijkheid Theo Ettema. Hij schreef niet alleen lesboeken voor gitaar, maar ook voor harmonium, blokfluit en accordeon, en dat steeds onder andere pseudoniemen. Vraag me nu af of hij alles wel bij de belasting opgaf.
In elk geval zijn z’n gitaarboeken niet onomstreden. Terwijl de een het een “goede basis” noemt, vind een ander het maar oubollige draken. Tegenwoordig tref je ze nog regelmatig op Marktplaats aan. Ze moeten behoorlijk hoge oplagen hebben gekend.
Mijn gitaarleraar – ik ben zijn naam helaas kwijt, maar hij werkte voor de Meppeler Muziekschool – schreef in een apart bruin notenschriftje ook populaire liedjes uit. Nou ja populair, het moest vooral niet al te wild zijn. Mede daarom had hij een voorkeur voor het Franse chanson. Een specimen dat ik vrij vlot onder de knie kreeg was L’eau vive van Guy Béart, dat volgens mij ook een Nederlandse vertaling kende, die ik nu niet terugvinden kan. Béart speelt het zelf in bovenstaand filmpje. Gelieve dat behoedzaam tot u te nemen, want anders kleeft dat wijsje dagenlang in uw hoofd vast.
Op de middelbare school kwam ik Béart nog een keer tegen. Onze leraar Frans,de heer A.A.J.I.M. Smeele, vond het een goed idee om de meisjes bij ons in de klas via Béarts Fille d’aujourd’hui op bedekte wijze te waarschuwen dat ze beter niet al te vroeg aan de vrijerij konden beginnen:
“Tout s’est passé trop tôt et trop vite:
J’étais jolie et j’étais petite,
j’ai couru trop tôt et mon corps n’était pas prêt.
Je ne pouvais plus arrêter après”
(Alles kwam te vroeg en ging te vlug / ik was knap en ik was klein / ik liep te hard van stapel en mijn lichaam was er niet klaar voor / en ik kon er achteraf niet meer mee ophouden.)
Winterwelvaart 2010
Geplaatst op: 19 december 2010 Hoort bij: Stad nu 2 reactiesDe schepen die normaal in winterkwartier liggen in de Oosterhaven, liggen er nu nog wat fotogenieker bij aan het Hoge en het Lage der A. Muziek erbij en kraampjes met eten en drinken en voila, je hebt een evenement waar zelfs bij zes graden onder nul nog drommen op afkomen.










Recente reacties