De kost met burgermanspot

Matthias Broekman was in de kost bij Willem Vlugge, maar had daar op 17 augustus 1730 schoon genoeg van. Die dag vroeg hij voor het Volle Gericht van de stad Groningen ontbinding van hun onderlinge contract over kamerhuur, kost, beddegoed en bewassing, dat anders nog niet geëxpireerd was, omdat het voor een vol jaar gold. Broekman wilde bij Vlugge weg, omdat die zijn belofte niet nakwam om Broekman van “goede spijse en dranck” te voorzien.

Het Volle Gericht stelde Broekman in het gelijk, maar Vlugge gng in hoger beroep en dat diende een paar weken later voor dezelfde rechtbank. Bij de eerste sessie, zo voerde Vlugge aan, was hij uit de stad geweest. Als knokenhouwer (slachter) zat hij toen in Drenthe om schapen te kopen. En omdat zijn vrouw, die weinig van het recht snapte, destijds voor hem op moest komen, had hij die zaak verloren.

Om wat voor reden Broekman de kost opzegde, worden we nu pas gewaar. Volgens het contract zou Vlugge aan Broekman de kost conform een “ordentelijcke burger taefel” verschaffen. Maar daar voldeed de slachter in genen dele aan, want dit is wat hij zijn kostganger naar diens zeggen opdiste:

“…outbacken vlees ’t geene muff en bedorven waer en niet konde verkoopen en dat dagh an dagh sonder de minste toespijse, ja selvs op vastendaagen, als Rooms sijnde, seer sober getracteert wierde, konnende van sulken slegten spijse niet bestaen, als hebbende seedert een geruimen tijt de derdendaegse koortse gehadt.”

Dit verweeer van Broekman, die als malariapatiënt wel wat betere kost kon gebruiken, overtuigde de heren magistraten, die een commissie benoemden welke bepalen moest op hoeveel kostgeld en kamerhuur Vlugge nog recht had.

Dat zal dus absoluut niet het volle pond geweest zijn: 100 daalder of 150 gulden. Juist doordat dit bedrag in de proces-acten genoemd wordt, weten wij wat de minimale kosten van levensonderhoud ongeveer waren met een burgermanspot.

Dit bedrag laat zich ook mooi vergelijken met de twee tarieven die golden voor burgers die op een van de stadspoorten werden gezet. In het lage tarief kreeg de cipier 7 stuivers per dag om een gevangene te spijzigen en laven, in het hoge tarief was dat 10 stuivers. Deze tarieven kwamen per jaar neer op 128 gulden, respectievelijk 183 gulden. Tussen die beide bedragen in lag het kostgeld van Broekman bij Vlugge.

Broekman betaalde wel minder dan een student aan kamerhuur en kostgeld betaalde. Zo bleek in 1781, toen de kostbaas Bruin Berends de student H. Amsing voor het Volle Gericht daagde. Berends had van Amsing nog 560 gulden tegoed wegens kamerhuur en kostgeld over de periode van 11 augustus 1778 tot 17 april 1781. Omgerekend kwam dat neer op een bedrag van 212 gulden per jaar. Maar het gros van de studenten was van een wat meer gegoede stand, die verteerden ook wat meer dan de gewone burgermanspot.


3 reacties on “De kost met burgermanspot”

  1. Dick Bolt schreef:

    een heel mooi en leerzaam verhaal

  2. Maar moet je bij die gevangeniskosten ook de inwoning rekenen?

    • groninganus schreef:

      Nee, maar dat gold niet zoveel. Een eenvoudig huisje kon je destijds huren voor 15 à 20 gulden per jaar, en een kale gevangeniscel zou, in het hypothetische geval dat die verhuurd zou worden, veel minder gedaan hebben.


Geef een reactie op groninganus Reactie annuleren

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.