De kopschuwe bruid van Pieter Albronda

Begin 1785 logeerde de uit Paterswolde afkomstige, en daar ook gegoede Aukjen Thijsens, weduwe van Hindrik Derks, enige tijd bij Pieter Albronda in de stad Groningen. Ze waren geen familie van elkaar en de rijkere Aukjen (52) betaalde gewoon kostgeld voor haar logies aan haar gastheer Albronda, die wat ouder was dan zij.

Een jaar later begon Albronda een proces, dat pas eind 1788 definitief zou eindigen. Bij dat proces eiste hij, dat Aukjen de trouwbelofte, die ze hem zou hebben gedaan, gestand zou doen.

Een proces waarbij een man zoiets van een vrouw eiste, kwam niet zo vaak voor. Veel vaker was het andersom. In het stereotype geval eiste een bezwangerd meisje, dat haar vroegere geliefde zijn huwelijksbelofte nakwam en haar zou eren door een huwelijk.

Pieter Albronda wilde dus dat Aukjen Thijsens met hem zou trouwen. In de eerste rechtszitting, op 14 maart 1786, ontkende Aukjen dat ze hem hem een trouwbelofte gaf. Aan Pieter om te bewijzen dat ze dat wel had gedaan.

In de belangrijkste, want meest inhoudelijke zitting van het proces, op 4 december 1787 voor het Volle Gericht, bracht Pieter naar voren dat Aukjen bij hem had ingewoond. In die periode had hij “lievde en genegenheid” voor haar opgevat, wat hij haar kenbaar maakte ook. In eerste instantie won ze inlichtingen in over zijn gedrag en omstandigheden, en toen dat allemaal goed leek, had ze zich door trouwbeloften aan hem verbonden.

Helaas voor Pieter mocht Aukjen niet helemaal alleen beslissen. Er waren ook nog mensen die wat van Aukjen te erven hadden, te weten haar kinderen. En die stelden “alle middelen” in het werk, om haar van haar

“wettig engagement af te trekken, het welk dan ook ten gevolge hadde gehad, dat de lievde verkoelde”.

Dat wil zeggen: de liefde van Aukjen, niet die van Pieter. Die drong zelfs nog sterker dan voorheen aan op het huwelijk. Maar tevergeefs, want na veel vijven en zessen hakte Aukjen de knoop door, en zei hem ronduit

“niet voornemens te zijn het huwelijk te voltrekken”.

Pieter probeerde haar huwelijksbeloften te bewijzen met twee getuigenverklaringen. De ene kwam van de koopman Conrad Verver, een vertrouweling van beide voormalige gelieven, en de andere van Catharina Swints, hun dienstbode.

Verver vertelde van de keren dat Aukjen bij hem in de winkel was gekomen en daar gerept had van de trouwplannen. Op 29 januari 1785 was dat voor het eerst gebeurd. Pieter Albronda had haar toen nog maar net ten huwelijk gevraagd en haar gezegd dat ze inlichtingen over zijn persoon en omstandighheden mocht inwinnen bij Verver. De koopman was dus een soort van referentie voor Pieter. Bij dit eerste gesprek met Verver, vertelde Pieters beoogde bruid dat haar kinderen in Paterswolde wilden dat ze haar fondsen door zaakwaarnemers zou laten beheren. Daar had ze niet zo’n trek in, ze voelde meer voor een huwelijk met Pieter, tenminste als Verver een gunstig getuigenis over Pieter kon geven.  Wat Verver uiteraard deed, anders  zou Pieter toch ook niet naar hem hebben verwezen.

Naderhand kwam Aukjen weer bij koopman Verver en vertelde hem dat ze zich “in huwelijks ondertrouw hadde verbonden” met Pieter en dat hun huwelijk voltrokken zou worden als ze wat zaken in de materiële sfeer zou hebben geregeld. Van deze ontmoeting herinnerde Verver zich tevens een relaas van Aukjen,

“dat zij met haar bruidegom over ijs naa Drenthe was geweest, en bij die gelegenheid deerlijk was gevallen.”

Pieter Albronda was de vader van een al volwassen dochter, die ook ging trouwen. Aukjen vertelde Verver hoe ze die dochter enig linnengoed uit Pieters kast verkocht. “Haar bruidegom” was daartegen geweest, waarop zij Pieter had geantwoord:

“Nu olde, hou die maar stille, het is dien dogter en ik hebbe linnen genog, ik wil dien kaste wel weer volmaaken…”

Ook vertelde ze Verver dat haar kinderen niet zozeer tegen het huwelijk op zich waren, als wel tegen een nadelig gevolg voor hen. In de stad zou ze naar Stadswet trouwen, en dat betekende dat ze “haar halve goed zoude verhuwelijken”. Aukje had begrip voor dat bezwaar van haar kinderen, ze vond die nadelige consequentie zelf ook “niet redelijk”, maar door te trouwen op huwelijkse voorwaarden kon die worden voorkomen. Ze verzocht Verver om dit in orde te willen maken.

Verver had liever, dat ze daarvoor een ander zocht en dat werd Artilleriemeester Trip. Deze heer kwam meteen de volgende dag al bij Verver om te overleggen over een concept-huwelijkscontract. Daarin stond dat er tussen de toekomstige echtelieden geen gemeenschap van goederen zou bestaan. Man en vrouw hielden dus hun eigen bezit, alleen voor het huisraad werd een uitzondering gemaakt, dat bezaten ze wel samen. Als de rijkere partner, Aukjen dus, eerder zou komen te sterven, kreeg Pieter voor de rest van zijn leven een toelage uit haar bezit van een daalder of twee gulden per week. Maar haar kinderen mochten dat weekgeld ook afkopen, door Pieter in te kopen in het een of andere gasthuis, waar hij als conventuaal dan voortaan de kost gratis kreeg.

Aukjen kon zich in deze opzet vinden. Verver had het beste met haar voor, zo zei ze, de koopman moest het maar verder in orde brengen.

Bij de uitgebreide verklaring van Verver stelde die van Catharina Swints niet veel voor. Zij verklaarde dat Aukjen, die inmiddels in Peize woonde, haar op 29 januari 1785 had “gehuurd” om Albronda te dienen voor een  loon van 6 stuivers per week (boven de kost en inwoning). Bij dit aannemen als dienstbode had Aukjen tegen Catharina gezegd:

“Gij moet mijn olden man maar goed oppassen, ik zal er u voor betaalen.”

Volgens Pieter vormden de verklaringen van Verver en Swints samen het overtuigende bewijs “dat er waarlijk een engagement tot een huwelijk” tussen hem en Aukjen had bestaan. Van Aukjen hoefden de getuigen hun verklaringen ook niet onder ede te bevestigen. Daar had ze van afgezien en daarom moesten die verklaringen voor waar worden gehouden.

Aukjen was uiteraard een heel andere mening toegedaan. Volgens haar bewezen de verklaringen helemaal niet dat ze een trouwbelofte deed. Want volgen de Stadswet viel zo’n belofte alleen te staven door twee belangeloze getuigen, of een “wettelijke ondertekening van de verloofde perzoon”. En Pieter had noch het een, noch het ander. De beide getuigen die hij wel aanvoerde, hadden die trouwbeloften enkel van horen zeggen. “hetgeen in rechte niets opereerde”. Dat begreep Pieter ook zelf wel, omdat hij in aanvulling op de getuigenverklaringen gevraagd had om onder ede over de zaak te mogen worden gehoord. Bij tussenvonnis van 14 november 1786 was dit verzoek door het Volle Gericht afgewezen, en bij die gelegenheid had Pieter ook erkend dat zijn zaak door de dood van Artilleriemeester Trip er zeer zwak voor stond.

Dat vond het Volle Gericht ook  Het wees Pieters eis af. En hoewel Pieter in hoger beroep ging, waarvoor hij in april 1788 maar liefst negen getuigen opriep, veranderde dat helemaal niets voor het Volle Gericht. Het oordeel van de heren stond vast – zij bevestigden hun eerdere uitspraak. Het huwelijk van Pieter en Aukjen ging definitief niet door.


2 reacties on “De kopschuwe bruid van Pieter Albronda”

  1. Dick Bolt schreef:

    bijzonder interessant verhaal

  2. boomkruiper schreef:

    Gelukkig met een goede afloop voor Aukje 🙂


Geef een reactie op Dick Bolt Reactie annuleren

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.