Blondona

Blondona NvhN 31.10.1946

(Nieuwsblad van het Noorden 31 oktober 1946 )


Dichte gordijnen ten teken van rouw

Geert H. vertelde me jaren geleden een keer, dat in de straat alle gordijnen dichtgingen, als er een buurman of buurvrouw begraven werd. De gordijnen gingen dicht en alle buren gingen buiten en voor hun deuren staan. Men zweeg. De mannen deden hun hoeden en petten af als de rouwstoet voorbij kwam.

Dat was in de Groninger volkswijk de Oosterpoort, in de jaren vijftig, toen mijn zegsman jong was. Maar dat sluiten van de gordijnen was ook een officiële gewoonte, merkte ik onlangs, want bij de begrafenis van gemeentesecretaris Van der Blij in 1932 heet het:

“Van de gemeentelijke gebouwen waren heden de gordijnen ten teken van rouw neergelaten.”

Vanwege deze toevalsvondst deed ik een steekproefje met de zoektermen rouw + gordijnen (+ neergelaten) in de digitale leggers van het Nieuwsblad van het Noorden. Zodoende kwam ik aan de weet dat dit neerlaten van gordijnen gewoon usance was in openbare gebouwen bij begrafenissen van belangrijke personages.

Zo waren bij de laatste tocht van de Van Panhuyzen in 1907 de gordijnen neergelaten in het stadhuis, het provinciehuis, de universiteitsgebouwen en het academisch ziekenhuis. Maar hier niet alleen, want onderweg, op de route door de stad naar het westen, gold dat ook  voor “enige huizen”. Bij aankomst van de stoet in Leek, bleek dat dorp zelfs in zware rouw:

“De gordijnen van de verschillende woningen waren neergelaten.”

De laatste meldingen van dit ooit dus vrij algemene gebruik stonden in 1961 in de krant – het betrof onder meer de begrafenis van Commissaris der Koningin Offerhaus.

Dat het gebruik sindsdien, en waarschijnlijk nog in de jaren zestig uitstierf , blijkt impliciet uit een verhaaltje van Simon van Wattum. Hij schrijft in 1981:

“Niemand droeg meer rouw, zelfs de gordijnen gingen niet meer dicht gedurende de tijd dat de dode boven aarde stond.”

Dit sloeg waarschijnlijk op het sterfhuis zelf, maar als dààr al niet de gordijnen dichtgingen, waarom zouden buren dat bij de begrafenis dan nog wel doen?

Aanvulling, 8  januari 2013

Kor F. wees me op de voorschriften in het etiquette-handboek van Amy Groskamp-Ten Have, Hoe hoort het eigenlijk? Volgens de vierde druk uit 1940, pag. 32:

“In het sterfhuis gaan onmiddellijk alle gordijnen dicht tot na den terugkeer van het kerkhof op den dag van de begrafenis.

De buren ter weerszijde en aan den overkant sluiten de gordijnen op den dag van de begrafenis tot na terugkeer der familie van de begraafplaats.”


Kunstenaarssociëteit de Baboen (1967-1976)

Baboen 3

Midden jaren zeventig had je in een steegje aan de Poelestraat, links naast bioscoop Het Concerthuis, een kunstenaarssociëteit: de Baboen. Ook als alle kroegen met avondvergunningen gesloten waren (volgens voorschift moesten deze om 1 uur ’s nachts dicht), kon je je daar nog na betaling van een gering lidmaatschapsgeld vol laten gieten.

Ik ben er een paar keer geweest. Je kon er over de koppen lopen, tenminste als de atmosfeer – een bijkans snijdbaar mengsel van tabaksrook, alcoholdampen en geslachtshormonen – dat toeliet. Het was voor de hedonistische kant van artistiek en  alternatief Groningen dè plaats om iemand op te pikken.

Bij toeval kwam ik wat krantenberichtjes tegen over deze sociëteit, die aangevuld met wat andere, ons een inzicht verschaffen in haar geschiedenis.

De Baboen was een initiatief van eerstejaars van academie Minerva die graag een centraal gelegen ontmoetingsplek in de stad wilden, omdat hun opleiding er over meerdere lokaties verspreid lag. Begin december 1966 hielden ze een publieke driedaagse actie ‘Poen voor Baboen’ om het geld bij elkaar te krijgen. Van de Grote Markt maakten ze een ‘dynamisch werkcentrum’, waar de mensen  met hun pasmunt mee  konden schilderen aan een ‘kollektief schilderij’, mee konden plakken aan een geldcollage, of mee konden hakken in een boomstronk waar een totempaal uit moest komen.  Ook stonden er een ‘deliriumwagen’ en bakfietsen met pop-art, terwijl in het het voormalige snelbuffet De Kwinke, Herestraat-kraampjes en het Concerthuis  benefietverkopingen van kunst plaatsvonden. Zelfs het nationale TV-programma ‘Van Gewest tot Gewest’ besteedde aandacht aan de actie

Deze bracht 3200 gulden op, wat het nagestreefde minimum overtrof, zodat de herinrichting van de voormalige oud-katholieke kapel aan het steegje naast het Concerthuis kon beginnen. De verbouwing  van dit gemeentelijke eigendom gebeurde om het goedkoop te houden in eigen beheer. Boven de enorme bar kwamen lampen, gemaakt uit bamieblikken met bamboematjes eromheen. Verder stond er veel tweedehands meubilair. Op last van de brandweer, die de zaak inspecteerde, moesten de toegangsdeuren nog worden omgezet, zodat ze naar buiten draaiden in plaats van binnen.

Op 17 november 1967, dus in het nieuwe schooljaar, ging de zaak dan eindelijk open met enige plechtige handelingen door W.E. van Koldam, kabinetschef van de burgemeester en voorzitter van de stedelijke kunstraad. In de soos bleek er ruimte voor 60 personen, veel minder dan ik me kan herinneren. Maar aanvankelijk stonden er ook nog tafeltjes en stoelen, begrijp ik.

Gelijk bij de opening was er al sprake van culturele avonden, met films,  lezingen, teach-ins en muziek, door Minerva te subsidiëren met 100 gulden per avond. In elk geval ging er vanuit de Baboen in het voorjaar van 1968 een Cineclub van start, die in Het Tehuis aan de Lutkenieuwstraat films draaide. In het bestuur van deze club zat onder meer Dick Stapert, die als archeoloog later nationale bekendheid verwierf door het vals verklaren van Tjerk Vermanings ‘paleolitische artefacten’. De Cineclub was duidelijk meer links dan artistiek – in 1968 behoorde ze tot de organisatoren van de 1 mei-optocht waarvoor geen vergunning was aangevraagd en die daarom al bij de start uit elkaar geslagen werd door de Groninger gemeentepolitie.

Later vernemen we niets meer van de filmclub. Qua openbare culturele activiteiten ging er helemaal niets meer uit van de Baboen. In feite sleepte de sociëteit zich van crisis naar crisis. In de zomer van 1972 ging ze al eens dicht,  en eind 1973 sloot ze andermaal. Nadat de brandweer er ’s nachts een in de hens gevlogen gevelkachel moest blussen, bleek namelijk dat de nooduitgang was dichtgetimmerd en ook leken de electrische leidingen nogal gammel.

Net als alle horecagelegenheden in de binnenstad merkte  de Baboen hoe het junkendom opkwam. Zo werd er in 1974 de flipperkast eens leeggehaald. In de winter van 1974 op 1975, ging de soos opnieuw geruime tijd dicht. Ik denk dat de zaak op de fles ging, want er volgde een doorstart onder een andere naam: Artis. In juni 1975 werd dat geopend door cultuurwethouder Jacques Wallage. Overigens burgerde de nieuwe naam niet in – in de volksmond bleef de soos de Baboen heten.  In het laatste jaar van haar bestaan, 1976, was de bekende kunstenaar Tom Hageman voorzitter van het stichtingsbestuur, en zelfs hij noemt de sociëteit in zijn cv Baboen.

Het enige wat nu nog aan de Baboen herinnert is de Baboen-Bokaal, hoofdprijs van het jaarlijkse Pinkstertoernooi voor kroegvoetbalteams. In het tweede jaar van zijn bestaan, 1974, werd dit toernooi gewonnen door Freaks United, terwijl de gedoodverfde winnaar Blue Trippers afdroop na een mislukte strafschoppenserie. Zelf was ik in de jaren zeventig nog wel eens bij de toeschouwers te vinden – hier een sfeerbeeld van het Pinkstertoernooi uit die tijd. Het toernooi om de Baboen Bokaal bestaat nu nog steeds, en zo te zien is er qua ambiance weinig veranderd.

NB: de illustratie is van Emily Balsley (Flickr creative commons).


Groninganus’ Top 40 zoektermen over 2012

De termen Groninganus (1096x),  Harry Perton (96x) en Gelkinge (36x) daargelaten, is dit de top 40 van zoektermen over 2012 – waarbij ik in sommige gevallen dingen heb samengevoegd:

(Groninger) eierbal(len) (maken) 175
veemarkt 72
ron van zonneveld (overleden) 66
distelvinken/putters vangen 64
droedels 63
willy weits (+ organist Groningen) 58
godert walter 56
koe ontploft / onploffende koe 52
hinckaertshuis 43
blauwborgje 30

lagemeeden 29
johan dijkstra 26
transferium, hoogkerk 26
groninger archieven 23
lettelberterdijk 21
eerste / oudste tractor 21
hammond orgel 21
ol grait 19
werf de poffert 19
porrenhuis 18

aagrunol 17
slag bij heiligerlee 17
(draaiorgel) de arabier 17
suikerfabriek hoogkerk 17
hoogkerk (2012) 17
de poffert 17
bruilweering 16
blauw gras 16
buddy hermans 16
(oude) houten schooltas 16

behang 16
dolle kervel 15
antieke woonwagen te koop 15
noordfolk 15
typisch hollands martinitoren 15
familiewapen oosting 14
moeshuis hoogkerk 14
onlanden 14
museumweekend 14
(rondje) tolbert 14

Veel Westerkwartier en agrarische toestanden, kortom. Ik zal dit jaar proberen om weer wat meer stad in dit weblog te stoppen.


Jacques Wallage en de linke lijsterbes

Wallage koninginnedag ca 2007

Jacques Wallage was nog niet zo lang burgemeester van Groningen, toen ik vanuit de burelen van de gemeentelijke dienst Ruimtelijke Ordening aan het Zuiderdiep een licht gemor hoorde opstijgen. De ambtenaren daar vonden de nieuwe burgemeester maar een “ijdel mannetje”. Volgens mijn zegspersoon, zelf werkzaam in die burelen,  zou Wallage zich zich met punten en komma’s bemoeien, en met zaken waar hij zich helemaal niet mee te bemoeien had. Ik mocht dit overigens niet verder vertellen.

Als ik iets niet verder vertellen mag, dan vergeet ik het vaak. Het kwam weer bij me boven,  toen ik vanmiddag de lezing las, die Wallage eind 2011 als voorzitter van de ‘Raad voor Openbaar Bestuur‘ hield voor de conferentie Prettig Contact met de Overheid.

Wallage vertelt in die lezing, dat hij in 1998 nog maar een paar weken burgemeester was, toen hij een brief ontving van een “mevrouw”. Zij schreef dat ze “iets heel raars” meemaakte:

“Bij mij voor de deur staat een lijsterbes en ik kreeg een brief van de gemeente dat die gekapt moest worden en dat ik bezwaar kon maken. En terwijl ik met mijn bezwaar naar de brievenbus liep zag ik dat mijn lijsterbes was gekapt. Wat vindt u daar nou van burgemeester?”

Dus Wallage belt de directeur Groen:  “Leg mij eens uit, hoe werkt zoiets?”

De directeur Groen: “Ga jij elke keer bellen als wij een lijsterbes kappen?”

Wallage: “Nou ja, als dat de relatie tussen overheid en burger raakt misschien wel.”

Directeur:  “Okee, ik zoek het voor je uit”.

Er gaat een dag overheen, dan belt de directeur Groen Wallage terug.

Directeur: “Euhm, ja, we hebben een fout gemaakt.“

Wallage: “Okee, wat voor fout?”

Directeur: “We hebben de verkeerde brief gestuurd. We hadden een brief moeten sturen dat het een noodkap was, want dan hoef je het bezwaar niet af te wachten”.

(Zo’n noodkap kan alleen als een boom gevaar oplevert voor de omgeving.)

Wallage tegen de directeur: “Heb je ooit wel eens van een levensgevaarlijke lijsterbes gehoord?”

Directeur: “Nou nee, dat niet”.

Wallage: “Okee, wat gaan we nu doen?”

Directeur: “Hoe bedoel je?”

Wallge: “Nou, wat gaan we doen? Ik zou zeggen – plant een nieuwe lijsterbes!”

Volgens Wallage, en dat kan ik dus indirect bevestigen, ging dit verhaal bij de ambtelijke diensten rond

“…als het voorbeeld dat je met deze burgemeester wel een beetje op moest passen, want die deed gekke dingen.”

Ook verder trouwens wel een aardig verhaal, die lezing van Wallage uit 2011.


Hoe men een bedeltraditie om zeep hielp

Nieuwjaarscie gem. H. 1891

BronSchager Courant, 1 februari 1891.

Commentaar: Om welke gemeente H. het hier ging, ben ik niet gewaar kunnen worden. De gemeenteverslagen van Hoogkerk, Haren en Hoogezand over 1891 bieden helaas geen aanknopingspunt. Wel doet dat “achterbuurt” in combinatie met dat “rijke boeren” mij het meest denken aan Hoogezand.

Wat hiertegen spreekt is dat Hoogezand een vrij voorlijke gemeente was. Het nieuwjaarslopen was medio 19e eeuw tot een plaag geworden, in Oost-Groningen liepen ieder begin van het jaar bijvoorbeeld honderden Muntendammers vaak troepsgewijs langs de deuren te bedelen. In heel veel gemeenten waren er daarom vanaf de jaren 1840, 1850 al nieuwjaarscommissies, die de goede gaven bij de beter gesitueerde inzamelden en aan ‘echte armen’ uitdeelden, onder uitsluiting van figuren die van elders kwamen. Het valt moeilijk in te zien waarom Hoogezand voor 1891 niet tot deze gemeenten zou behoren.