‘Enumatil, daar kijken ze gril’
Geplaatst op: 30 september 2013 Hoort bij: Familie 1 reactieAls mijn grootvader Vondeing ons in de jaren zestig ’s zomers in zijn Ford naar Feerwerd bracht en we de brug van Enumatil passeerden, had hij altijd een rijmpje. Het was een spotversje op de bewoners van dat dorp en Briltil dacht ik en Lettelbert zat er volgens mij ook bij. Al vele malen heb ik mensen gevraagd of ze dat spotliedje kenden, maar tevergeefs. Ook krantenonderzoek leverde niets op. Maar van het volgende versje in de Volksverhalenbank, komt in elk geval de eerste regel in de buurt:
Enumatil, daar kijken ze gril
Daar is geen kerk of toren
Maar als de drie uur snik aankomt
Dan blaast de jong op ’t horen.
Met dat jong wordt uiteraard de snikkevaardersjongen bedoeld. Mocht iemand het versje van mijn opa geheel of gedeeltelijk kennen – ik hou me aanbevolen!
Aanvulling 14 december 2013:
Vredewoldius geeft in het Nieuwsblad van het Noorden d.d. 19 juni 1910 (niet gedigitaliseerd bij de KB) deze versie:
Enumatil dat heeft geen wil
Dat heeft geen kerk of toren
Als d’Enumatilster snik aankomt
Dan blaast de jong op ’t horen.
Ottenhoff & Bruins, in zoute drop, Oprechte Winsumer Zalf en Zogdrank voor biggen
Geplaatst op: 29 september 2013 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsenOp de kop getikt – een etiket van Ottenhoff, Bruins & Co., vervaardigd door de steendrukkerij van Van de Ven & Huisinga aan het Damsterdiep in Groningen.

Ottenhoff & Bruins was een groothandel in drogisterij-artikelen, chemicaliën en verbandstoffen die van ongeveer 1914 tot 1957 bestond. Aanvankelijk zat het bedrijf aan de Muurstraat, op 7, vanaf ongeveer 1920 aan de Coehoornsingel, eerst op 44 en later op 75.
Het pand aan de Muurstraat droeg een naam: de Bijenkorf. Die naam zien we als beeldmerk op het etiket terug. Omdat zowel Ottenhof & Bruins, als Van de Ven & Huisinga nog tientallen jaren bleven bestaan, hebben we daaraan weinig houvast qua datering van het etiket. Maar het centrale deel daarvan wordt omlijst door een Jugendstil-achtig motief, zodat het uiterlijk begin jaren twintig zal zijn ontworpen.
Ottenhoff & Bruins adverteerde zelf nauwelijks, maar het bedrijf werd in advertenties voor allerlei middelen genoemd als grossier, ook als het notoire kwakzalverij betrof, zoals de spullen die juffrouw Wortelboer uit Oude Pekela aanbood (1920) en de Oprechte Winsumer Zalf (of Opwinza) van de slager en veehandelaar Jacob de Vries (1917):

Bij Ottenhoff & Bruins kon de wederverkoper tevens inslaan Van Schaik’s Hoestpoeder (1914), het aambeienpoeder Piline (1917), de maagtabletten van apotheker Grootendorst uit Utrecht (1919), allerlei tabletten van Freco zoals tegen de zenuwen (1922), Bayer Certan (1923), textielverf van het merk Vossenkop in Ster (1923), wormdroppels OBO – een eigen fabricaat dat eens tot een vergiftigingszaak leidde (1927) – Dermolin Wondzalf (1931) en Medina anti-roos uit Emmen (1932):

Naast medicijnen voor mensen deed Ottenhoff & Bruins in middelen voor dieren, zoals het wasmiddel tegen schapenmaden, gemaakt door K. Trip te Zuidhorn (1917), een uierzalf van Spaanstalige herkomst (z.j.) en een speciaal soort biggenvoer van vermoedelijk Duitse makelij (1930):

Ommetje Nieuw-Roden
Geplaatst op: 28 september 2013 Hoort bij: Drenthe, Ommelanden 7 reactiesEr zijn vandaag zeearenden gezien boven de Onlanden, en ik hoopte even dat ik er eentje voor de lens had, maar het bleek helaas maar een buizerd:

Niet dat die lelijk zijn, maar ze komen nogal wat meer voor.
Voorspeld was een fikse wind, kracht vijf of zo:

Maar dat viel erg mee, op een vlaagje vier na kwam de gevoelswindkracht nauwelijks boven de drie uit.
Hek bij het Lettelberterdiep achter Lettelbert met het laatste hooiland:

Eindje verder naar Leek toe:

Het Lettelberter kerkje in de verte:

De ‘geamoveerde’ beukenlaan van Midwolde richting Nienoord:

Bij het Vagevuur, in de buurt van de Hel (Terheijl):

Een vrij grote oppervlakte was daar ingezaaid met een wintergewas dat ik niet thuis kon brengen (het leken wel kleine struikjes, met eikeblad-achtige blaadjes):

Typografische misverstanden
Geplaatst op: 27 september 2013 Hoort bij: Geschiedenis, Kunsten Een reactie plaatsen
De Groningse drukker Jacob Bolt gebruikt in 1751 twee lettertypes voor zijn lijstje met werk van zijn onverbiddelijke succesauteur, de theoloog Cornelius van Velzen. Diens latijnse titels, die voor de geleerde wereld bestemd waren, heeft Bolt in een antiqua romein gezet, de Nederlandse en populaire daarentegen in een gotisch type van Nederlandse snit.
We zijn zo gewend aan de romein, dat de keuze van gotische, voor ons veel moeilijker leesbare letters juist voor die volksuitgaven ons verbaast. Maar dan moeten we wel bedenken dat het ooit andersom was, en dat het volk toen veel gemakkelijker gotisch schrift las.
We zijn misschien ook geneigd dat gotische schrift voor het oudste te houden, maar ook dat is een misvatting. Enigszins snobistische humanisten grepen in het Italië van rond 1400 terug op een Karolingisch schrift, dat daar al twee, drie eeuwen niet meer gebruikt werd. Ze vonden dat oude schrift, de lettera antiqua veel mooier, dan het schrift waar iedereen zich van bediende. Ze gingen antiqua schrijven en lieten na 1450 hun in het latijn geschreven werken ook in die letter drukken.
De antiqua veroverde Europa niet bepaald stormenderhand. De mensen konden hem niet meteen lezen, er bestond veel weerstand tegen. In Groningen bijvoorbeeld, gingen klerken zich pas rond 1700 van de antiqua bedienen. Wat betreft drukwerk ontstond er een verschil tussen de geleerde wereld en die van het volk. Juist teksten met het grootste bereik, zoals bijbels en overheidsafkondigingen, bleven nog tot na 1800 met gotische letters gedrukt.
Het hardnekkigst bleek de gotische letter in Duitsland. Daardoor ontstond de idee dat het een typisch Duits schrift was. Niet alleen buiten Duitsland was dat zo, Duitsers namen die gedachte maar wat graag over. Toch schaften juist de nazi’s in 1941 het gotische schrift af, onder het mom dat het een joodse uitvinding was. Toegeven dat het een drempel opwierp voor het lezen van hun antisemitische teksten, deden ze liever niet.
Sindsdien leidt het gotische schrift een gemarginaliseerd bestaan in krantekoppen, pseudo-oorkonden, restaurants in het populaire marktsegment en heavy metalkrochten.
Uiteindelijk hebben de humanisten en geleerden dan toch gewonnen. Op dit ene punt.
—
Bron: P. Gumbert, ‘Tussen scriptorium en sneldrukpers: brug of breuk?’ in Madoc 1996.
Het kluchtig postuur van een gebochelde snijder
Geplaatst op: 24 september 2013 Hoort bij: Geschiedenis, Stad toen 3 reactiesEen paar van de allereerste circusgezelschappen deden ook Groningen aan. Ze brachten vooral paardennummers, serieuze, maar ook komische. De plek waar ze die vertoonden was het weiland achter herberg de Vonk aan het Winschoterdiep.
Anders dan vaak wordt gedacht is het circus zoals wij dat kennen nog helemaal niet zo oud. Het bestaat minder dan 250 jaar. De term circus zoals wij die hanteren werd voor het eerst gebruikt in 1782, toen iemand in Londen een permanent circustheater opende, dat hij The Royal Circus noemde. De man was een voormalige employee van Philip Astley, die vlakbij, maar al veel langer, een soortgelijk gebouw had. Alleen noemde Astley dat geen circus, maar amfitheater of rijschool.
Met deze Astley (1742-1814), wiens circustheater ook beschreven is in The Old Curiosity Shop van Charles Dickens, hebben we de ware grondlegger van het moderne circus te pakken. Tijdens zijn leven was hij al een legende om zijn paardendressuur en -acrobatiek. Feitelijk was hij de eerste die paarden op muziek liet bewegen.
Als jongen viel Astley al op door het gemak waarmee hij paarden wist te manipuleren. Dat talent kon hij helemaal gaan botvieren, toen hij zich tijdens de Zevenjarige Oorlog liet inlijven bij een Engels regiment dragonders, dat de Pruissische koning Frederik de Grote langs de Elbe hielp in zijn strijd tegen de Fransen. Daar in Duitsland onderscheidde Astley zich door zijn moed, en schopte hij het tot sergeant-majoor.

Eenmaal weer uit het leger zette hij zijn zinnen op een rijschool voor de betere kringen. Hij verdiende het daarvoor benodigde geld door het vertonen van allerlei kunsten met paarden. Bij het rijden van rondjes in zijn manege ontdekte hij, dat hij zich dankzij de centrifugale krachten op het paard in balans kon houden, en zo ontstond de allereerste ring. In 1768 verwezenlijkte hij zijn droom.
Paardennummers vormden dus de kern van het moderne circus. Maar Astley, die aanvankelijk alleen optrad, wilde meer variatie. Nou raakten juist in die tijd de traditionele Engelse jaarmarkten danig in verval. De daar nog apart opererende muzikanten, acrobaten, koorddansers, goochelaars en clowns verdienden steeds minder. Zij traden graag bij Astley in dienst en zo bracht Astley de mix van nummers tot stand, die nu nog steeds de circusvoorstelling vormt.
In 1772 liet Astley de ring in zijn amfitheater overkappen. Het gebouw, vlakbij de Westminster Bridge, trok van heinde en verre publiek. Maar Astley maakte met zijn mensen ook reizen naar Parijs, Brussel, Wenen en Belgrado, waar ze aan vorstenhoven furore maakten. Een artiest die hij in Frankrijk engageerde, Franconi, begon later voor zichzelf en werd stichter van de eerste met grote tenten rondreizende circusfamilie.

Ook in Groningen maakten mensen in die tijd de geboorte van het moderne circus mee, zij het dat het hier nog uitsluitend ging om zomers openluchtspektakel. Op 12 juni 1773 vroeg een oudere collega en inspirator van Astley, de eveneens te Londen woonachtige pikeur Jean Simson, aan Burgemeesteren en Raad van Groningen of hij hier zijn “wonderbare kunsstukken in het rijden op paarden” mocht vertonen. Dat was geen probleem. En dus zette Simson een advertentie in de krant, om het Groningse publiek op zijn voorstellingen te attenderen:
“Met permissie van de Ed. Mogende Heeren Borg. en Raad der Stad Groningen, zal de Heer SIMSON, welke de eere gehad heeft, van voor zijn Doorlugstigste Hoogheid den Heere Erfstadhouder in ’s Gravenhage, en nog aan verscheide Hoven van Europa, te vertonen meer dan twintig wonderbaare Kunststukken te Paarde; dezelve alhier mede te doen zien op Dinsdag den 15 Juni 1773, en eenige volgende dagen.”
De ruime “vertoonplaats” die Simson vond, was het land bij herberg de Vonk buiten het Kleinpoortje. Meer precies bevond die herberg zich aan het (oude) Winschoterdiep, op de plek waar nu de Albino-flat staat. Het bijbehorende weiland erachter strekte zich naar het noorden uit tot de Boermandeweg – toen nog de weg langs de stadsgracht, die later grotendeels vergraven werd voor de Oosterhaven.
Wat Simsons advertentie zo aardig maakt, is dat hij zijn belangrijkste nummers noemde. Zo sprong hij in volle vaart van zijn paard af en er overheen, bereed hij staande in een spagaat en met losse handen twee paarden tegelijk, en stond hij op zijn hoofd in het zadel:
“1. In den vollen loop regt en lings over het Paard te springen, en voort daar op weder op den Zadel te zitten.
2. Op beide Paarden te galoppeeren, hebbende het eene been hangende aan den hals, en de voet van het andere been in den mond.
3. Op beide Paarden staande, te galoppeeren zonder toom vast te houden, en drinkende teffens een glas Wijn.
4. De Piqueur, met één Paard, in een vollen galop, tot aan de Barière gekoomen zijnde, springt er lings af, en, terwijl het Paard over de Barière springt, springt hij alles teffens over het Paard en de Barière heen, zoo dat hij aan de regter zijde weder op den grond koomt.
5. Hij staat met zijn Hoofd op den zadel hebbende de voeten om hoog, en galoppeert in deze gedaante;
Te veel om ’t al te melden, en in de Biljetten nader gespecificeert.”
Jammer genoeg zijn die biljetten (zeg maar flyers) niet bewaard. Ook weten we niet of Simson veel publiek trok. Al ligt dat wel in de rede, omdat zo’n verzetje zich hier niet vaak voordeed. Net als Astley bleek overigens ook Simson een talentenjager:
“Zoo iemand geneegen is, de een of andere Kunst bij gem[elde] Heer te leeren, kan zig bij hem adresseeren buiten het kleine Poortje in de Vonk.”

Blijkbaar beviel het weiland achter de Vonk de Engelse kunstenmakers goed, want vier jaar later, in 1777, dienden zich daar twee collega’s van Simson aan, waaronder Price, opnieuw een ouwe kennis van Astley:
“Op HEDEN den 17 Juny en eenige volgende dagen tot Zaturdag voor de laatste maal, ’s avonds om 6 uur, zal de Heer PRICE en de Heer WATSON in de Vonk buiten het Klein Poortje, hunne groote en wonderbaare Exercitiën op één, twee, en drie Paarden op meer dan veertigderley onderscheiden manieren verrigten, waar van de meeste nooit door eenige andere in Europa zyn ondernoomen…”
Kennelijk werden er een eenvoudige tribune met meerdere rangen opgericht in dat weiland achter herberg de Vonk. “Daar is eene goede Zitplaats voor de Heeren en Dames”, verzekerden Price & Watson immers. De entree tot hun show was in elk geval niet goedkoop. Die bedroeg een gulden, ruim het dagloon van een vakbekwame, volwas timmerman.
Anders dan Simson, maar net als Astley, brachten Price & Watson variatie in hun voorstelling aan, door serieuze paardennummers af te wisselen met komische. Zo vertoonden ze “een Engelsche matroos in zyne grappige houding, rydende naar Portsmouth”. Maar ook imiteerde een van hen
“het klugtig Postuur van een gebochelde Snyder; verbeeldende te Paard rydende naar Brentford, om de Hr. John Wilkes te stemmen”.
Met dit laatste nummer toonden Price & Watson dat ze ware navolgers van Astley waren, want de aartsvader van het circus ontwikkelde ‘The tailor’s ride to Brentford’, zoals de act in het Engels heette, zo’n zeven jaar eerder in hoogst eigen persoon. Het was een hilarische farce, waarbij Astley aanvankelijk zelf als Billy Button (zeg maar Wimpie Knoop) in de ring verscheen. Deze kleermaker huurt een paard, maar het lukt hem almaar niet dat ros te bestijgen. En als hij uiteindelijk toch netjes in het zadel zit, weigert het edele dier eerst halsstarrig benen te maken. Plotsklaps echter, gaat het er als een speer vandoor, werpt de mislukte ruiter van zijn rug, achtervolgt hem door de arena. om hem uiteindelijk de ring uit te jagen.

‘The tailor’s ride to Brentford’ werd een klassieker in de circusgeschiedenis. In allerlei varianten voerden circusgezelschappen het nummer nog tientallen jaren op, door geheel Europa en in wat andere vorm wordt het nog steeds wel opgevoerd. Oorspronkelijk baseerde Astley het echter op een actuele, politieke cartoon, voluit ‘The tailor’s riding to Brentford or the unaccountable sagacity of a horse’ getiteld. Deze prent, die het paard dus ook al toonde als de meest wijze, dreef de spot met de Londense middenstanders die achter de (toen nog) radicale en democratische politicus John Wilkes aanliepen. Wilkes was bij een lokale verkiezing in 1768 gekozen als parlementslid van Brentford, even buiten het toenmalige Londen, doordat Londenaren massaal alle wegen naar die plaats afgrendelden voor Wilkes’ tegenstanders. De prent nu, hekelde het feit, dat een eenvoudige ambachtsman zich boven zijn stand wilde verheffen door zich als ruiter te manifesteren en zich met de politiek te bemoeien. Ongetwijfeld was de circusact aanvankelijk behept met dezelfde moraal van schoenmaker blijf bij je leest (of kleermaker laat je naald niet in de steek).

Price & Watson intussen, zetten op vrijdag 20 juni 1777 nog een advertentie in de Groningsche Courant, waarmee ze hun afsluitende optreden voor de volgende zaterdag aankondigden. In de gedeeltelijk nieuwe tekst maken ze ook gewag van kunsten met een touw, en een Juffrouw Bultley, waarschijnlijk dus een koorddanseres. Zelf hadden de heren overigens nog een sensationeel nummertje in petto: “Ook zullen zy een Kogel uit de Pistool schieten en op de punt van een Pennemes vangen”. Met zo’n lokkertje zullen de plaatsen op de tribune wel weer gauw uitverkocht zijn geraakt.

Na hun vertrek moest het Groninger publiek tot juli 1787 wachten, voor het nog eens naar een circus achter de Vonk kon gaan. Het was ook de allerlaatste keer, dat het weiland bij de herberg als circusterrein fungeerde:
“Met Permissie zullen de PAARDERYDERS van den Heer JONES, Directeur van de Groote Manedie te LONDEN, de eer hebben om op Donderdag den 26 July voor de eerste maal en geduurende eenige dagen, hunne extraordinaire Exercitiën en Manoeuvres op een byzondere Manier, dewelke hier nooit vertoond is te vertonen. Men zal met een, twee, drie en vier Paarden ryden, ook zal men te Paard de groote Sprongen doen, als over het Lint, en meer andere te veel om hier te melden.”
Dit keer vormde een variatie op ‘The tailor’s riding to Brentford’ het slotnummer:
“Men zal de Manoeuvres eindigen door Monsieur Dubois, dewelke de Party van de Comique Kleermaker zal vervullen, dezelve komt in de Manegie en vraagt een Paard om een Reis van Londen naar Parys te doen.”
Al droeg de kleermaker nu een Franse naam, hij bleef van het type domme August dat van misverstand naar misverstand strompelde. In een manege huurde men immers geen reispaard, laat staan voor een trip over zee.
Harry Perton
—
Eerder in iets andere vorm verschenen in wijkkrant De Oosterpoorter (ca. 2004).

Napoleon gefatsoeneerd in Veendam
Geplaatst op: 23 september 2013 Hoort bij: De actuele wereld 2 reactiesHet was duidelijk na de Volkerenslag bij Leipzig, dat dit beeld van Napoleon gewrocht werd. De Keizer kijkt in effigie immers nogal grammieterig:

Voordat Zijne Keizerlijke Majesteit op de foto kwam, moest eerst even die weerbarstige lok even worden gefatsoeneerd.
(Bij een bespreking over De erfenis van Napoleon, een tentoonstelling die eind november los gaat in het Veenkoloniaal Museum te Veendam. De pop van Napoleon, uiteraard een pièce de resistance, is een bruikleen van het Legermuseum, dat momenteel verhuist van Delft naar Soesterberg.)
De vriendelijke kant van de herfst
Geplaatst op: 22 september 2013 Hoort bij: Drenthe, Ommelanden 7 reactiesGister –
De akker is geploegd, de akkerrand nog in volle fleur, bij Thesinge:

Alom pompoenen in alle soorten en maten. Afvoer van de oogst bij Sint Annen:

Het drietorensilhouet van Bedum:

Veld met groene kolen bij Noordwolde:

Vandaag –
Grote groep fietsende pensionado’s doorkruist de Onlanden:

Nog redelijk wat vee in het land, zoals hier achter een boerderij bij Roderwolde:

Lijsterbessen (Roden):

Landgeitebok bij Donderen:

De schoorsteenvloot
Geplaatst op: 22 september 2013 Hoort bij: Stad nu 3 reactiesAlle scheepjes als windvanen op Groninger schoorstenen vormen samen een aardige vloot. Enkele voorbeelden:
Omgeving Esserweg:

Hereweg:

Wolddijk:

Spilsluizen:

‘Het verdronken land is vruchtbaar’
Geplaatst op: 20 september 2013 Hoort bij: Geschiedenis 6 reactiesVanmiddag opende Het verdronken land is vruchtbaar. een tentoonstelling in het Groninger Museum van archeologische vondsten uit Noord-Nederland en Ost-Friesland. Naast veel bekende zaken, die tijdenlang niet te zien waren, zag ik toch ook verscheidene ‘nieuwigheden’ onder de geëxposeerde oudheden. Zoals:
– Deze Juno (Romeins). Onder andere door de goede bewaarcondities in wierden of terpen zijn dergelijke beeldjes veel meer in het Noorden tevoorschijn gekomen, dan in het gebied ten zuiden van de grote rivieren, waar de Romeinen werkelijk aanwezig waren

Een verbrede boomstamkano gemaakt van een uitgeholde eik, die door verhitting in de breedte uitgerekt is, 600-640 na Christus. Gevonden ten zuiden van Jemgum, een eindje over de grens bij Nieuw Statenzijl:

Een berg sceatta’s uit de periode 720-740, aangetroffen bij het verdwenen klooster Barthe in de buurt van Leer. Deze Friese muntjes vormden destijds hèt handelsgeld langs de kusten van de Noordzee.

Benen fluitjes, meest met drie gaten:

Stijgbeugels, te onooglijk voor de overigens prachtige catalogus, vormden een middeleeuwse innovatie die volgens de historicus Lynn White jr. de loop van de geschiedenis veranderde:

Evenmin in de catalogus: deze kruik van wit steengoed, Siegburg dacht ik, 16e eeuw. Rond het hoofd staat: “Gedult mot”. De dame zou Bathseba kunnen zijn.

Ik hou van baardmankruiken en ben niet de eerste, want ze werden gemaakt van de 14e tot de 19e eeuw. Deze lijkt een traan onder zijn ene oog te hebben:

Geglazuurde schotel met vluchtend hert, 17e eeuw:

Scholtenmonument, Stadspark
Geplaatst op: 18 september 2013 Hoort bij: Kunsten, Stad toen 4 reacties“Men ziet den forschen kop, in brons gegoten, gemodelleerd door den fijnvoelenden kunstenaar Abraham Hesselink, die met groote liefde de hem bekende figuur schiep. Een tragische bijzonderheid aan dit werk van den meester verbonden is, dat hij plotseling stierf op den dag, waarop hij de laatste hand aan dit kunstwerk had gelegd.”

“Voor de modelleering van het geheele monument was Mulock Houwer met Hesselink in overleg getreden. Dankbaar zullen wij hem blijven gedenken voor zijn artistieke medewerking, die ook Mulock Houwer op zoo hoogen prijs heeft gesteld. Het monument is in hoofdzaak van Beiersch graniet opgebouwd.”

“De bronzen reliëfs en de verdere beeldhouwwerken zijn uitgevoerd door de kunstvaardige hand van den bekenden heer J. W. van Tetterode, medewerker van den heer Hesselink. Zij symboliseer en, naar ik meen op voortreffelijke wijze, de paardensport en de paardenfokkerij waarvoor het bestuur der harddraverij vereeniging den ontwerper welwillend terzijde stond om de paarden van zuivere kwaliteit te doen zijn.”

“Wij zien de jeugdsport, uitgedrukt door de kranige figuren van een jonge vrouw en een jongen man, gereed om op te trekken naar de sportspelen, die in dit park op zoon intensieve wijze worden beoefend, voor de jeugd een bron van gezondheid in de vrije buitenlucht.”


“De kleurige wapens van Stad en Ommelanden toonen aan dat de hulde wordt gebracht door stad en lande samen.”


“De waterspuwers geven, door de klaterende stralen, de levendige geest weer van den man, wien dit werk is gewijd.”
(Niet meer aan te treffen, het bassin onder de spuwers is volgezet met bloemen.)

Bron / meer lezen:
- Onthulling monument J.E. Scholten (Nieuwsblad van het Noorden 5 september 1931)
- Vervolg in tweede katern
- Staat in Groningen
Pis Grijt en de pankouk bakkende heksen
Geplaatst op: 17 september 2013 Hoort bij: Geschiedenis 2 reactiesIn de Mengelingen tot nut en vermaak voor onderscheidene standen uit 1840 staat (pag. 78-90) een lijst met maar liefst 90 “bijgeloovigheden , droomverklaringen, voorspellingen enz., vroeger bij de Groningers in omloop”.
Daar moest ik meer van weten.
Ettelijke van die zaken blijken ook nu nog wel min of meer bekend:
- zwaluwen, die in huis nestelen betekenen voorspoed of geluk voor de bewoners (nr. 31),
- ganzen, in een V-formatie aanvliegend uit het oosten, voorspellen een strenge winter (nr. 74),
- en als de zwaluwen dicht bij het water vliegen, betekent dat regen (nr. 78).
Maar er staan ook heel wat van dergelijke voorspellende zaken op die lijst, die ons nu tamelijk buitenissig voorkomen. Mijn persoonlijke top 10:
20
Wanneer een mol in een woonvertrek den vloer opwerpt, zoo voorspelt zulks binnenkort een sterfgeval.35
Wanneer turf op den zolder onverhoeds dooréén rolt, dan krijgt men groote drukte of bezigheid.45
Als eene tortelduif dikwijls achter elkander roept, beteekent dat het ophanden zijn van regen.47
De tweede dag der hondsdagen, aan St. Margaretha gewijd, wordt bij de Groningers gewoonlijk Pis Grijt genoemd, en het bijgeloof stelt vast dat, wanneer het op dien dag regent, er gedurende zes achtereenvolgende weken dagelijks min of meer regen zal vallen.48
Indien de katten zeer snel heen en weer door huis loopen, alsof ze gejaagd werden, de Groningers zeggen: deur hoes vleigen, is er wind ophanden.53
Als men eene vischvrouw voor haren visch minder biedt dan zij vraagt, en zij denzelven voor dien prijs niet kan geven, voorspelt dat voor haar eenen ongunstigen dag, dat is te zeggen, dat zij alsdan niets verkoopt, en gemeenlijk wordt dan door haar gezegd: Nou kan ik de heile dag sjokken (dat wil zeggen: loopen) en neit verkoopen.
54
Wanneer zulk eene vischvrouw echter dat sjokken verveelt, dewijl zij niets verkoopt, dan verkoopt zij, om het even wat haar geboden wordt, den eersten visch den beste, en zulks uit bijgeloof, dat het dan wel zal geluk ken; terwijl zij bij het overhandigen van dien visch bij zich zelve zegt: Goddank, dat ik de jeude (den jood) van de körf heb.61
In Groningen heeft men tot gewoonte te zeggen: Geen zaturdag zoo nat, of de zon schijnt wat; willende daarmede te kennen geven, dat, ofschoon het op zaturdag den geheelen dag regent, de zon toch zeker wel, al is het slechts voor een oogenblik, zal doorbreken.62
Onder minkundigen heerscht nog, in weerwil van alle verlichting, het geloof aan heksen, en men vertelt, dat die gewaande heksen Pankoek bakken, als het regent en tegelijk de zon schijnt.63
Algemeen heerscht nog in Groningen het bijgeloof aan voorloopen, dat zijn aanduidingen of voorteeekens uit het schimmenrijk, die binnen korten tijd werkelijk zullen vervuld worden.
Overigens gold de prognosticerende waarde van een verschijnsel in het gros van de gevallen ongeluk: sterfbedden, trammelant, regenweer. Het onderkennen van iets negatiefs voor de toekomst, en het daarop eventueel kunnen inspelen, had (en heeft) nu eenmaal meer urgentie dan het vroegtijdig zien aankomen van voorspoed en geluk.
Groninger naturaliënverzamelaars (1825)
Geplaatst op: 16 september 2013 Hoort bij: Stad toen, UK + RUG Een reactie plaatsen“Bijzondere verzamelingen van naturaliën vindt men hier vooreerst bij de volgende hoogleeraren:
- Bij prof. P. Driessen eene van mineralen en hieronder bijzonder van Groninger steenen, versteeningen en kapellen.
- Bij prof. G. Bakker eene van voorwerpen der ontleedkunde en vergelijkende ontleedkunde.
- Bij prof. P. Hendriksz vooral van monsters en zieke beenderen.
- De heer R.K. Driessen heeft eene verzameling van Groninger versteeningen en insecten.
- De predikant J. Martinet Kuipers eene van naturaliën uit alle drie rijken der natuur en daarenboven vele zeldzaamheden, oorspronkelijk verzameld door deszelfs oom J.F. Martinet, te Zutphen overleden.
- De heer J. H. Geertsema eene van inlandsche kapellen.
- De heer S.P van Idsinga eene van opgezette vogels en conchijliën.
- De heer A. van Berchuijs eene van opgezette zoogdieren, vogels en conchyliën.
- De heer S.T. Emmen eene van inlandsche kapellen.
- De heer Criens, bij den papiermolen, eene van opgezette zoogdieren, vogelen en visschen.
Behalve eenige andere verzamelingen, van eerstbeginnende jonge lieden, welke thans nog van minder belang zijn.”
Aldus de Korte handleiding voor vreemdelingen die het merkwaardigste in de stad Groningen willen zien, een toeristisch gidsje dat Theodorus van Swinderen eind augustus 1825 voor eigen rekening liet drukken.
Van de tien aanbevolen verzamelingen waren er drie van hoogleraren geneeskunde: Petrus Driessen, Gerbrand Bakker en Petrus Hendriksz. Verder zien we op de lijst een jurist, een predikant met een ooit beroemde oom, en vier personen uit notabele Groninger geslachten. Tot slot iemand die in het lompensorteerdersbuurtje bij de papiermolen woonde en die dus juist niet van gegoede komaf was.
Zoals ook wel uit reisbeschrijvingen blijkt, konden fatsoenlijke dames en heren zich bij zo’n verzamelaar aandienen voor een bezichtiging van diens kabinet. Wat er verzameld werd, spreekt meestal vanzelf, alleen gebruiken we termen als conchyliën en kapellen niet meer. Met het eerste werden vooral schelpen bedoeld en met het tweede vlinders.
Hoe Dijksterhuis verdween
Geplaatst op: 14 september 2013 Hoort bij: Geschiedenis 21 reacties
In de vestibule van de oude borg Dijksterhuis te Pieterburen stond een Latijnse spreuk, die vertaald hierop neerkwam:
„Moge dit huis blijven staan, totdat de mier de wateren der zee zal hebben opgedronken en de schildpad de gehele aarde zal zijn doorgewandeld.”
De mier heeft nog oceanen te gaan en de schildpad is ook nog lang niet aan het eind van zijn missie. Dijksterhuis daarentegen, is van de kaart geveegd. De wens kwam niet uit.
In het voorjaar van 1902 werd de borg al niet meer bewoond en was hij danig in verval. De vrijgezelle eigenaar, jonker Gerhard Alberda van Menkema en Dijksterhuis, die op de Menkemaborg in Uithuizen woonde, maakte onderdelen van zijn vervallen goed te gelde. Zo liet hij een groot deel van de bomen kappen.
In maart was de hele oostersingel al weg. Daarmee verdween een kenmerkend onderdeel van het landgoed, dat het Algemeen Handelsblad juist in die dagen aldus omschreef:
“Op een afstand gezien vertoont zich over de vlakke landen van Hunsingo het bosch te Pieterburen en daarin staat het slot of de burcht van den heer, die niet alleen dit bosch bezat, maar vele daaromheen liggende landerijen. De woning is hooger dan de omringende boomen, zoodat er een vrij uitzicht is op de omgeving en naar het noorden ziende, vertoonen zich de Wadden.”

Alberda deed de siervazen op de brug cadeau aan zijn familie op Nijenhuis in Heino. Van de inboedel op Dijksterhuis was op dat moment nog maar weinig meer over. Begin april verkocht Alberda de collatie (het benoemingsrecht van predikanten etc.) van de hervormde gemeente Westernieland aan die gemeente. Hij beurde er toch nog een duizend gulden voor.
Op 22 april overleed hij. Dat gaf nadien nog enige consternatie, want van twee archiefkasten bleken de sleutels zoek, “en niemand van het thans levende geslacht schijnt iets van den inhoud te weten”. De kranten speculeerden over “veel gedrukte en geschreven stukken, die nog door geen deskundige zijn nagezien”. De borgbewoners hadden eeuwenlang een grote rol gespeeld in de streekhistorie en daar moesten die ongeziene papieren over gaan.
Medio mei leek het probleem opgelost. Toen ging immers het restant van de inboedel per schip naar Uithuizen. Daar zou een grote veiling plaatsvinden, waar dan tevens spullen uit de Menkemaborg onder de hamer kwamen.
Na de zomer maakten de erven Alberda bekend, dat ze Dijksterhuis wilden laten slopen. In oktober flakkerde er nog een sprankje hoop op, er was althans sprake van dat “eenige vermogende heeren” gezamenlijk de borg wilden kopen, om deze te redden. Maar dit ging niet door en vanaf midden november stonden er aankondigingen in de krant dat Dijksterhuis, of Het Huis ten Dijke, zoals het ook wel heette, “op afbraak” werd verkocht.
Intussen liet het Rijk foto’s van zowel het exterieur als het interieur van de borg nemen. Ook mat een heer Schepers uit Den Haag de hele zaak precies op, en legde zijn metingen neer in bouwkundige tekeningen. Mogelijk bevindt deze documentatie zich in een of ander archief, de foto’s lijken (deels) in de Beeldbank Groningen aanwezig.
Het Algemeen Handelsblad trakteerde zijn lezers nog op een liefdevolle en uitvoerige beschrijving van de borg:
“Dat oude Dijksterhuis kan op schoonheid niet bogen, maar de forsche lijnen, de na eeuwen nog loodrecht uit het water oprijzende muren, ze dwingen tot eerbied.
In zijn stoeren en strengen eenvoud trotsch, ten volle het karakter dragend van de plaats waar het staat aan het strand van de Noordzee, van zijn grijze tinne een blik op die zee gevend, maakt het op den bezoeker een machtigen indruk, verplaatst het hem in vroeger eeuwen. Hij denkt zich de vroegere Heeren, hun bezittingen van die tinne overziende.
Immers de overlevering zegt dat de Noordzee vroeger den voet van dit slot bespoelde, en dat het huis als ’t ware in een bak van zwaar hout – die bij laag water nog moet te zien zijn – uit of op het wad werd opgetrokken…”
Ook herinnerde de krant aan het verblijf van de watergeus Sonoy op de borg, en haalde ze het bekende verhaal van de moor aan, die het dienstmeisje vermoordde, wat een onuitwisbare bloedvlek op de vloer gaf (ondanks het weghalen van de vlek of zelfs de hele plank, kwam deze telkens weer tevoorschijn).
Het stuk besloot met een lyrisch vaarwel:
“Een warme groet — een laatste groet helaas zij U gebracht van deze kille stranden, U, stoere, sombere, stille en toch zoo sprekende reus.”

Op de zes kijkdagen voor de veiling was de entree een kwartje, welk bedrag ten goede kwam aan de plaatselijke diaconie. Ruim 400 mensen hadden dit ervoor over, zodat de hervormde armen er 100 gulden mee opschoten.
De veiling vond plaats op 17 december in een plaatselijk café. De koper van de borg op afbraak bleek ene Van Seumeren uit Tilburg, die 2575 gulden bood. Met de boerderij en het daaronder beklemde land en diverse losse percelen bracht het hele landgoed in totaal bijna 135.000 gulden op.
De verkopers lieten nog wel een bijzondere bepaling in de contracten opnemen:
“Van eventueel te vinden schatten, die wel zouden kunnen voorkomen, daar het slot bijna 1000 jaar heeft gestaan, behouden de verkoopers zich 90 pct voor, terwijl de vinder 10 pct krijgt “
In februari 1903 begon het rooien van de overgebleven bomen:
“Het uitroeien van het bosch rondom het slot „Dijksterhuis” te Pieterburen (Gr.) is thans in vollen gang. Niet alleen zijn daarmede vele arbeiders uit de genoemde en de omliggende plaatsen bezig, maar ook is in het begin dezer week op het terrein van het slot een groote woonwagen met werkvolk uit Sappemeer aangekomen.
Alle boomen moeten vóór 1 Mei a.s. verwijderd zijn. Het hout, dat alsdan nog aanwezig is, wordt krachtens de voorwaarden van verkoop het eigendom van den kooper der boerderij.
Menige photograaf verbeidt niet ongeduld de verwijdering van de boomen in de nabijheid van den merkwaardigen achtergevel van. het slot. Vruchteloos is reeds meermalen getracht dien gevel in beeld te brengen; de zware, wijdvertakte boomen werkten dit tegen.”
Buiten de veiling was het collatierecht van Pieterburen gebleven. De lokale hervormde gemeente kocht dit in maart voor 2000 gulden van de erven Alberda, die als voorwaarde stelden dat de herenbank en de rouwborden van de familie op hun plek in de kerk zouden moeten blijven, “welke voorwaarde door de koopers zeer gaarne is aangenomen”.
Het puin van Dijksterhuis ging via het haventje van Wierhuizen naar de dijk van de Lauwerspolder. Maar er was ook veel nog bruikbare afbraak – o.a. drie antieke marmeren schoorsteenmantels, 150.000 harde metselstenen in vijf soorten, 500 blauwe marmeren vloertegels en 7000 dakpannen, naast balken en kleiner hout – die sloper Van Seumeren via de krant te koop aanbood.
Pas in april 1903, toen de kaalslag al zover gevorderd was dat men de consequenties duidelijk overzag, manifesteerde zich enige onvrede :
“Met leede oogen zien velen en niet het minst de inwoners van het dorp Pieterburen, de verwoesting aan van het aloude slot Dijksterhuis aldaar en van zijn prachtige omgeving. Op het ruime slotplein, aan welks ingang zich nog statig de hooge poort verheft, liggen thans opgestapeld honderdduizend steenen, grootendeels kloostersteenen van groote afmetingen, alsmede allerlei gedeelten van het inwendige van (het) gebouw (…). Reeds zijn de sloopers tot het hooge voorgebouw tot de benedenste verdieping gevorderd. Van den achtzijdigen toren, die een vrij uitzicht over de Wadden gaf, staat nog slechts een stuk van eenige meters hoog.”
Medio juni meldde het Nieuwsblad van het Noorden dat de sloop op een haar na voltooid was;
“…de laatste steenen nog uit de fundamenten gebroken en het bestaan behoort tot de geschiedenis. Het staan van het gebouw in een looden of koperen bak, zooals door velen werd vermoed, is onwaar gebleken.”
De enige bijzonderheid kwam aan het licht bij het vellen van een oude linde naast het voorplein. Onder de wortels en een halve meter puin vond men een mannenskelet met fragmenten van een gebroken zwaard. Sporen van de terechtstelling en ontering van een verslagen vijand? Helaas zijn deze archeologica niet bewaard, zo leerde navraag bij het Groninger Museum. Er kan dus geen onderzoek naar de ouderdom worden gedaan.

‘Koffie thee chocolade limonade!’
Geplaatst op: 14 september 2013 Hoort bij: Geschiedenis 7 reactiesHoe een extended family te Driebergen een hele trein in vlucht en een zucht van koffie voorzag en hoe een gepensioneerd spoorwegbeambte vervolgens de rotzooi opruimde (1959):
Ooievaars bij de vleet in de Onlanden en op de Peizermade
Geplaatst op: 13 september 2013 Hoort bij: Drenthe, Onlanden 5 reactiesIn de Onlanden, aan de Roderwolderdijk tussen de Onlandsedijk en het Waal in totaal negen ooievaars, waarvan dit de kerngroep was:

Ze stonden er maar wat voor zich uit te staren en verschikten af en toe wat tussen de veren. Verderop fourageerden er twee in een stuk groenland:

Aan de andere kant van de sloot nog een paar, met vier reigers op de slootkant:

Het doel van mijn fietstochtje was de reconstructie van het Huis te Peize, wegens Open Monumentendag opgetrokken met steigers en steigergaas:

Eigenlijk moet je de boerderij op de voorgrond wegdenken – die werd in of vlak na 1795 gebouwd van het sloopmateriaal van het steenhuis:

Rooie blaarkoppen bij het Achterstewold:

Waren de negen ooievaars op de heenweg al een record voor mij, het aantal van dertien stuks op de terugweg, in de hoek tussen de Zanddijk en de Woudrustlaan, verpulverde dit record nog eens. Deze tien vormden hier de kerngroep:

Op zich zouden het grotendeels dezelfde ooievaars kunnen zijn, hemelsbreed ligt deze plek een paar kilometer zuidelijker dan de eerste. Ook hier fourageerden de meeste beesten niet, maar stonden ze maar wat voor zich uit te kijken:


Recente reacties