Nieuwjaarswens van de Drekmenners (1852)
Geplaatst op: 1 januari 2014 Hoort bij: Oosterpoort, Stad toen Een reactie plaatsenWat we nu de Oosterpoort noemen, lag voor de ontmanteling van de vesting Groningen buiten de Oosterpoort van deze stad. En daar had je, zo’n beetje tussen het huidige cultuurcentrum en het tegenwoordige Zuiderpark in, een belangrijke stedelijke voorziening, namelijk de Drekstoep, oftewel de plek waar straat- en huisvuil, menselijke fecaliën en mest werden gemengd voor verzending naar de veenkoloniën.
Bij deze voorziening kon het behoorlijk stinken. Dat gold ook voor de mannen die er al het vuil heenbrachten, verwerkten en inlaadden. Drekmenners of Gele Rijders werden ze wel genoemd, en hun wagens heetten ook wel ironisch Boldootkarren.
Quasi uit naam van deze mannen nu, is een nieuwjaarsgedicht geschreven, dat ik aantrof op de eerste pagina’s van het Groninger tijdschrift De Huisvriend, jaargang 1852. Hoogstwaarschijnlijk was deze pastiche, die alle conventies van het toenmalige nieuwjaarsgedicht volgt, het werk van de bekende Jan Goeverneur. Als redacteur van De Huisvriend plaatste hij een noot bij het gedicht, waarin hij verantwoordde dat hij het bewuste ingezonden stuk plaatste in het vertrouwen, “dat niemand onzer Lezers uit dit stuk een booze lucht toewaaijen zal”.
Goeverneur hoopte dus, dat de lezer hem de plaatsing niet kwalijk nam. In zijn gedicht dringen de drekmenners namelijk aan op het verwijderen van wat resterende luchtjes uit de Groninger burgerhuizen en boerderijen – geurtjes die samenhingen met allerlei minder fraaie menselijke eigenschappen als twistzucht, drankzucht, eigenwaan, gokzucht, politieke en religieuze partijzucht, trots, behaagziekte en geldzucht. Hier is het gedicht:
OOK NOG VUIL IN HUIS?
——-
EEN NIEUW LIED,
AAN DE ACHTBARE BURGERS IN STAD EN LAND
BIJ DEN AANVANG VAN DIT NIEUWE JAAR
DOOR HUNNEN ONDERDANIGE DIENAARS
DE ASCH EN KARRELUI
EERBIEDIG OPGEDRAGEN.Welvroede Mannen! van wat kleur,
Wat deeg of stof gij ook mogt wezen;
Wel schoone Vrouwen! als de geur
En bloem van de aard met regt geprezen:
Kortom, zeer achtbre Burgerschaar!
Gelijk al menig duizend jaar
De koopliên uit het Oosten kwamen
En bragten wierook, aloë,
Met kostelijke mirrhe meê,
Zoo ziet ge ons, aschliên, thans te zamen,
Optreên uit ons òòk riekend oord,
Gelegen buiten de Oosterpoort,
Waar de uchtendzonne bloost en gloort,
Om, zij ’t geen geur van specerijen,
Toch op den eersten dag van ’t jaar,
Als onze gave op ’t feestaltaar,
U heil en groet en beê te wijën.——-
Gij weet, van tweeden nieuwjaarsmorgen
Tot ultimo December toe,
Betoonden wij ons ’t werk niet moe,
Maar zaagt ge ons onverdroten zorgen,
Dat wat in huis en stad niet hoort
Gebracht werd buiten de Oosterpoort.Potscherven, lompen, lorren, vodden,
Tuig, afval, ’t vuile beddestroo,
Omballing, heel uw rommelzoô
Van oude sloffen, flarden, todden,
Gootmodder, asch, vuil en zoo voort,
Wij bragten ’t buiten de Oosterpoort.Al wat ge onnuts, wat – met permissie! –
Ge vuils, naars, goors en stinkends vondt,
Met wat u stuitte of tegenstond,
Met heel uw smerige commissie
Belastet ge ons tot aan den boord,
En dan – ’t ging buiten de Oosterpoort.Wat moet dus ’t geurig bij u wezen!
Wat moet, welk huis we ook binnengaan,
Een zoete lucht ons tegenslaan,
Nu al, wat kwaden reuk doet vreezen
En ’t rein van d’atmosfeer verstoort,
Gebragt is buiten de Oosterpoort!Dus mijmerden wij, karremannen,
Toen wij, ons zondagspakjen aan,
Dees morgen kwamen aangegaan;
We waanden allen stank verbannen,
En toch…. uit menig huis komt voort
Een luchtje als van onze Oosterpoort.Hoe, Burgers! kan dat mooglijk wezen?
Hoe Burgeressen! kan dat zijn?
Och, – wordt niet boos, weest niet sjegrijn,
Als we u in ’t kort de les reis lezen! –
Niet AL, wat bij u thuis niet hoort,
Gaaft gij ons mee naar de Oosterpoort.Twist, Tweedragt, Ruzie, Kijverijen,
Verschil staag tusschen man en vrouw,
Rook ’t niet dààrnaar in dit gebouw,
We zouden de eigenaars benijen,
Och menschen, wat uw rust zoo stoort,
Geeft ’t mee, geeft ’t mee naar de Oosterpoort!Drank! – Goede God! die stank der stanken
Verpest hier zoo de lucht in huis?
Kapot de flesch! Het glas in gruis!
Ge zult in eeuwigheid ’t ons danken.
Weg met de pest van de ergste soort!
Geeft ze ons mee buiten de Oosterpoort.Mijnheer! we willen graag gelooven,
Dat wat gij denkt, schrijft, leert of speekt,
Goed is; doch: “Wijs- en waarheid steekt
Alleen in mijn begrip!” te boven
Gaat dat ons dom verstand. – Och voort
Met zulk een Waan naar de Oosterpoort!Gij die bij dagen en bij nachten
Bij jas of lanter nederzit,
Slechts uit den Kaartenbijbel bidt,
En vrouw en kindren laat versmachten,
Och, eer soms ge in den grond u boort,
Geeft mee dat vuil naar de Oosterpoort!En gij die, om gaauw rijk te wezen,
In ’t Koninklijk Hazardspel deelt,
Dat talloos tal van jammren teelt,
Och, ook uw hoopen en uw vreezen,
Dat u de rust der ziel vermoordt,
Geeft ons ‘t, geeft ons ’t voor de Oosterpoort!Hier staan we voor een boerenwoning;
Had Praalzugt, Trots, Hoovaardigheid
Er niet zoo’n booze lucht verbreid,
Men zou er huizen als een Koning.
Mijnheer! Mevrouw! och hoort ons woord:
Geeft mee dat vuil naar de Oosterpoort.Kabalen links; regts ook kabalen!
Het kuipen groot, de ambitie flaauw, –
Veel kiezers aan hun pligt ontrouw, –
Getob om stemmen op te halen, –
Och, jeetje! wien dat ook bekoort,
Wij wenschen ’t buiten de Oosterpoort.Mejuffers die met gekke snufjes
Ons mannen, naar ge meent, behaagt,
Die roemt op wat ge al uitbaks draagt,
Niet op wat ge inbaks hebt, och nufjes!
Koketterij…. vertrouwt ons woord!
Wordt eens oud vuil voor de Oosterpoort.Hier woont er een die al zijn dagen
Den snooden Mammon heeft gewijd.
Ligt, dat hem menigeen benijdt;
Maar wij, we moeten hem beklagen.
Geld-, Gouddorst, Woeker, al dat soort
Hoort thuis bij ons vòòr de Oosterpoort.Religietwist, Verkettring, Hating
Van wie niet bidt, gelijk Gij bidt.
Van wie in andren kerkstoel zit,
Stank, stank is daarvan de achterlating;
Wàt ge ook gelooft, gelooft ons woord:
Die stank moet buiten de Oosterpoort.Och, wat nog drek en vodderijen!
Wat kunnen we, eer het overal
Schoon, rein en geurig wezen zal,
Nog niet een vuil en modder rijen!
Dus Burgers! luistert naar het woord
Der mannen van uit de Oosterpoort:——-
Elk huis in deze stad moet net en zind’lijk wezen;
Geen lucht waaije er, die er niet hoort!
Dat we onzen pligt niet doen, wilt, Burgers! dat niet vreezen,
Onze aschkar rolt bestendig voort;
Doch, ligt nog kwade stof bij genen of bij dezen,
Om ’t even maar van wat voor soort,
Geeft een nieuwjaarsfooi ons, voor ’t rijm door u gelezen,
En gooit ons al dat tuig aan boord.
We wenschen dat alom eens deze stad geprezen
Zij, als heel Neerlands geurigst oord,
Waar de allerfijnste neus op zijn gemak kan wezen,
Behalve…. buiten de Oosterpoort.

Recente reacties