Het groene kerkhof was niet louter voor de armen
Geplaatst op: 4 april 2014 Hoort bij: Geschiedenis 1 reactieLaatst beweerde ik hier dat het groene kerkhof te Delfzijl voor de armsten bestemd was. Die bewering valt te controleren aan de hand van de Delfzijlster diaconierekening , zoals die vanaf 1777 bewaard is. De diaconie beurde namelijk 6 stuivers voor een graf op het groene kerkhof, terwijl de opbrengst van de begrafeniscollecte, ongeveer tegelijkertijd in de diaconierekening geboekt, iets zegt over de status van de overledene. In het open bekken, door de diaconie opgesteld bij een begrafenis, legde namelijk enerzijds de familie een ronde somma, zo groot als ze het aan haar stand verplicht vond, terwijl anderzijds de bezoekers van de begrafenis kleinere sommen gelds bijdroegen. Beide componenten samen vormen een prima indicatie voor de status en het aanzien van iemand in de lokale samenleving. Hoe hoger de stand en hoe meer bezoekers, hoe groter het gecollecteerde bedrag bij een begrafeniscollecte.
Omdat de status van vrouwen en kinderen een afgeleide was van die van mannen, over wie ook veel meer bekend is, besloot ik mijn steekproef op voorhand te beperken tot volwassen mannen met een eigen huishouden. Wat dat betreft is het begraafregister een betere bron dan het diaconieboek, omdat het meestal de nagelaten familierelaties noemt. Over de jaren 1777-1794 bevat het Delfzijlster begraafboek de namen van 128 van zulke mannen, die ik wat betreft de collecte-opbrengsten bij hun begrafenissen onderverdeelde in zeven groepen:

Voor de onderste categorie, zeven mannen groot, staat er dus geen begrafeniscollecte-opbrengst genoteerd. Deze kleine groep bestond vooral uit katholieke militairen. Bij hun begrafenis collecteerde niet de hervormde diaconie van Delfzijl, maar liet die dat mogelijk over aan de katholieke gemeente van Appingedam.
Meer dan niets, maar minder dan een gulden was de opbrengst bij het gros van de armen. Verder treffen we in deze groep aan een soldaat, een knecht, een schippersknecht, matrozen en een trekarbeider. Deze groep vertegenwoordigt vooral de dienstbare stand.
In de groep waarbij het bekken na afloop van een begrafenis een tot drie gulden bevatte, zitten nog twee uitzonderlijke armen. Verder treffen we hierin veel kleine middenstand aan: een kleermaker, een timmerman, een smid, een tapper, een schipper, een bode, een administrateur en, qua garnizoen, een luitenant en een plaatsmajoor.
Tot de midden-middenstand , met drie tot zes gulden in het bekken, behoren een wedman (deurwaarder en ordehandhaver), een commies, een smid met wellicht wat meer kapitaal en de schoolmeester.
Met zes tot tien gulden in het bekken behoren een commissaris van de trekschuiten, een schipper en een arts tot de hogere middenstand, terwijl een bakker, commies, burgerhopman en collector, een andere medisch doctor en een vestingcommandant met hun opbrengst van tien tot twintig gulden daar weer iets bovenuit stijgen.
Maar de echte elite van de Forteresse Delfzijl brengt meer dan twintig gulden op in het doodbekken. Deze bestaat onder meer uit een tweede hopman van het burgerregiment, drie volmachten/landdagcomparanten, een hervormde predikant en – waarschijnlijk – een grote koopman.
Nu het gebruik van het groene kerkhof. Bij al deze 128 mannen noteerde ik dus tevens, of er 6 stuivers waren betaald voor een graf op die laag-geklasseerde begraafplaats. Dit zijn de percentages voor elk van bovenstaande groepen:

Verrassend lage percentages zien we aan de onderkant van de grafiek. Dat komt doordat de diaconie in deze gevallen de zes stuivers voor het openen van een graf op het groene kerkhof meestal kwijtschold, zoals in enkele gevallen ook expliciet gemeld wordt. Maar een dergelijke kwijtscheldingsregeling gold niet meer voor de hogere strata. Van de kleine middenstand kreeg 71 % een graf op het groene kerkhof, van de midden-middenstand 37 %, van de hogere middenstand 60% (!) en van de sub-elite 37 %. Dat zijn toch considerabele percentages. Alleen bij de echte elite van Delfzijl was de animo om zonder steen onder de groene zoden te liggen gering. Toch bleek er ook hier een uitzondering te zijn: de koopman (?) Olpman Jans (1780).
De conclusie moet zijn dat er niet louter armen en minvermogenden uit de dienstbare stand op het groene kerkhof werden begraven. Ook veel middenstanders en zelfs mensen uit relatief aanzienlijke kringen vonden daar hun laatste rustplaats. Het zou kunnen zijn dat de nabestaanden hier een rol in speelden, begrafeniskosten (die hoger waren op het gevloerde kerkhof en in de kerk) verminderden immers de erfenis. Ik vermoed echter dat het vooral een keus van de overledenen zèlf was, waarbij naast zuinigheid, bijvoorbeeld calvinistische soberheid een rol kan hebben gespeeld.
Hoe dan ook was het groene kerkhof niet louter voor de armen bestemd. Ook meer gegoeden lieten zich er wel begraven.

Scheefwonen dus, ook toen al.