De avond valt bij het Lettelberterdiep
Geplaatst op: 16 mei 2014 Hoort bij: Ommelanden 6 reactiesKwakende kikkers, zingende vogels, de geuren van vers hooi en fluitekruid. Wat wil een mens nog meer? Nou ja, een beetje uitzicht erbij kan ook geen kwaad:








Souvenir met gevleugelde wielen
Geplaatst op: 15 mei 2014 Hoort bij: Geschiedenis, Stad toen 2 reactiesMijn kamergenoot bekeek vanmiddag recente aanwinsten van de Groninger Archieven, dit met het oog op een kleine presentatie in de hal. Onder andere kwam dit vetlederen album tevoorschijn, dat een gevleugeld wiel op zijn voorkant draagt:

Eerst denk je dat het een receptie-album is, maar er staan alleen maar net afgeschreven namen in een enkel handschrift in. Terwijl een receptie-album zeer ongelijke handtekeningen èn gebruikssporen bevat. Het is dus nog maar de vraag of er überhaupt een receptie voor deze spoorwegjubilaris is geweest:

Op een volgende blad vinden we dat controleur D. Schuitema dit souvenir kreeg aangeboden door het personeel. Onder de bloemen zien we opnieuw een gevleugeld wiel, zij het in een wat andere uitvoering dan op het omslag:

In deze vorm komt het gevleugelde wiel overeen met een ornament dat het Groninger Hoofdstation bekroont:

Schuitema moet een aardig stuk spoorweghistorie hebben meegemaakt. Hij trad in dienst toen Groningen nog maar een paar jaar een directe lijn naar het westen had.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 2698 inv.nr. 2: Album aangeboden aan D. Schuitema, controleur der lopende dienst bij de Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen te Groningen, ter gelegenheid van zijn 25-jarig jubileum, 1898.
Engelsen claimen ten onrechte uitvinding landmetersketting
Geplaatst op: 14 mei 2014 Hoort bij: Geschiedenis 8 reacties
Landmetersketting aan de muur in museum ’t Rieuw, Nuis.
Rare jongens die Engelsen. Ze schrijven de uitvinding van de meetket of landmetersketting toe aan een meneer Edmund Gunther, die deze geodetische innovatie in 1620 zou hebben geïntroduceerd.
Dertien jaar eerder, in 1607, kwam er een kaart van de Hollandse Beemster (toen nog een watervlakte) tot stand. Linksonder op die kaart staat een landmeter. En wat heeft de beste man aan zijn rechterhand hangen en tussen zijn voeten liggen? Juist ja, een meetket:

Landmeter met instrumenten op een kaart van de Beemster door Pieter Cornelisz Cort (1607).
Dan lijkt me toch dat die meneer Edmund Gunther het ergens afgekeken heeft.
Rest het antwoord op de vraag, wanneer de landmetersketting dan wèl voor het eerst gesignaleerd is.
Een knoeperd van een barnsteen (2)
Geplaatst op: 14 mei 2014 Hoort bij: Geschiedenis, Wadden 4 reacties
De barnsteenmeldingen stromen binnen. Vandaag nam Henk Scholte deze oranjerode jongen mee naar het werk. We hebben hem op de brievenweger gelegd en hij bleek ruim 107 gram, dat is dus flink wat zwaarder dan het heldergele Groningse exemplaar dat even voor 1786 in het stadhouderlijke naturaliënkabinet belandde en dat mogelijk nog steeds in Naturalis bewaard wordt.
Henk vond zijn barnsteen jaren geleden bij een flinke noordoostenwind vlak in de buurt van paal 10 op Schiermonnikoog. Hij dacht eerst dat het een gewone steen of zo was, schopte er een paar keer tegenaan en besloot het ding toen op te rapen en aan een nadere inspectie te onderwerpen, Met het gelukkige gevolg dat het hier nu getoond kan worden. Met dank!
Een turbulente broeder: ds. Schonebeek van Leeg- en Hoogkerk (1676-1682)
Geplaatst op: 13 mei 2014 Hoort bij: Hoogkerk 6 reacties
Grafsteen van ds, Tiliking in de kerk van Leegkerk.
Op 1 november 1675 overleed ds. Alexander Tiliking, de predikant van de gereformeerde combinatie-gemeente Leegkerk en Hoogkerk. Zijn weduwe kreeg van de collatoren, de machtige mannen die de predikanten, schoolmeesters en kerkvoogden in de gemeente benoemden, het recht op het ‘genadejaar’: zij en haar gezin mochten dus nog twaalf maanden in de pastorie blijven wonen, en ook leven van de inkomsten die bij de pastorie hoorden. De predikanten van de classis Westerkwartier preekten zolang om de beurt in de kerken van Leeg- en Hoogkerk. Zo regelden ze in maart 1676 welke broeders er het Heilig Avondmaal op Eerste Paasdag zouden voorbereiden. De predikant van Aduard ging de lidmaten van Leegkerk bezoeken, terwijl die van Lettelbert de Hoogkerker visitatie deed.
Intussen stond er al een opvolger voor wijlen Tiliking klaar. Het college van Gedeputeerde Staten had de collatie van Leegkerk en het daarmee voor ‘t zeggen. Al op 20 november beriepen de heren Henricus Schonebeek (ook wel Schoonbeeck ) tot predikant. Deze Schonebeek, geboren ca. 1645-1650, had vanaf 1666 in Groningen gestudeerd, en was nog kandidaat. Hij moest dus nog het afsluitende, classicale predikantsexamen doen, en meldde zich voor dat doel op 15 juni 1676 in de classis (toezichthoudende predikantenvergadering) van het Westerkwartier, die vergaderde in Zuidhorn.
Hier liet Schonebeek, zoals het hoorde, zijn getuigschriften en beroepbrief zien, maar toen de classis deze stukken onderzocht, vond ze de beroepbrief “strijden tegen de practijk deser kercken”. In het stuk had GS als collator namelijk laten opnemen dat er zowel in Leegkerk als in Hoogkerk vier maal per jaar avondmaal zou worden gehouden. En dat was “tegen voorgaende gewoonte”, dat in de héle gemeente vier keer avondmaal zou plaatsvinden. Vanwege de taakverzwaring voor de nieuwe predikant ging een commissie uit de classis naar GS om de heren te verzoeken het bij de oude arbeidsvoorwaarden te houden.
Schonebeek mocht al wel meteen laten zien of hij preken kon. De eerstvolgende zondag moest hij dat in Leegkerk doen, en de zondag erop deed hij dat in Hoogkerk. Voor het theoretische deel van het examen werd hij op 10 oktober in de classis verwacht. Een commissie ging hem dan aan de tand voelen over Mattheus 22 vers 12 – dat laatste nummer zit weliswaar onder een vlek, maar is desondanks leesbaar. In de statenvertaling luidt het vers: “Vriend! Hoe zijt gij hier ingekomen, geen bruiloftskleed aan hebbende? En hij verstomde.”
Schonebeek was inderdaad nog niet getrouwd. Nou maakte dat op zich niet uit, ook vrijgezellen mochten de kansel op, als er maar geen buitenechtelijke omgang in het spel was. En bij Schonebeek gaf dat waarschijnlijk reden voor twijfel. Op 24 juni, nog geen tien dagen nadat de classis hem de omineuze tekst opgaf, trouwde hij in Groningen met Jacomina Engels uit Middelburg, daarmee verdere praatjes voorkomend.
Op 10 oktober bleek de classis behoorlijk tevreden over Schonebeeks preken en theologische inzichten. Alleen was de kandidaat van mening dat het gebod op de zondagsrust niet in alles nagevolgd hoefde te worden. Daarmee toonde hij zich een aanhanger van de enigszins vrijzinnige theoloog Coccejus, die in 1659 had betoogd dat dit oud-testamentische gebod moreel niet meer gold sinds het nieuwe testament bestond. Christenen hoefden het vierde gebod dus niet in alles na te leven, ze mochten desnoods werk op zondag doen. Over deze opvatting waren er landelijk enorme discussies geweest, de meer puriteinse calvinisten namen er nogal aanstoot aan. Kennelijk hadden die ook de meerderheid in de classis Westerkwartier, want deze vermaande Schonebeek om van zijn “onstichtelijck gevoelen” af te zien. Hij zegde dat inderdaad toe en beloofde er noch in het openbaar, noch in het geheim over te preken of te schrijven.

Tien gebodenbord in de kerk van Leegkerk.
Eind november 1676, op de eerste adventszondag, werd Schonebeek bevestigd als predikant van Leeg- en Hoogkerk. Weldra zou echter blijken, dat hij en zijn collega’s van de classis grote moeite met elkaar hadden.
Pijp taback
In de classisvergadering van 12 maart 1677 liep het gelijk al mis. Zo’n vergadering begon, “na aanroeping van ’s Heeren naam” gewoonlijk met een rondje Censura Morum, waarbij gemeld werd welke broeders moreel over de schreef gegaan waren. Dit keer viel er alleen iets aan te merken op ds. Schonebeek, die zich in een vorige vergadering “turbulent” had gedragen. De huidige vergadering moest hij met gebed openen, maar toen de voorzitter hem daarvoor binnenriep, zei hij “dat eerst sijn pijp taback moest uijtdrincken”. En na het uitkloppen van zijn pijp in het vergaderlokaal verschijnend, sprak hij “sommige ouste broederen” verachtelijk toe “met stoute en ongeschickte woorden”.
De broeders probeerden Schonebeek tot de orde te roepen, en de voorzitter vermaande hem ernstig, om “dese ongeregeltheden” te bekennen, te berouwen en beterschap te beloven. Maar Schonebeek verviel opnieuw tot “onbeleeftheijt” en beweerde dat de classis niets over hem te zeggen had. Ook kwam hij op de proppen met de reden voor zijn recalcitrante en oneerbiedige gedrag. Hij zei “dat men hem soodanige tekst hadde gegeven waerdoor hij over de geheele provincie was ruchtbaer geworden”.
Dit sloeg uiteraard op de examentekst over het inkomen zonder huwelijkskleed. Indertijd raakte een predikant in zeer ruime kring in opspraak, als hij zich niet aan de rigoureuze normen en waarden hield.
De classisbroeders beweerden, dat de opgegeven tekst passend was voor de bewuste zondag in het kerkelijke jaar. Ook zeiden ze dat de tekst uit Gods woord kwam. Waarop Schonebeek ze ongezouten tegenwierp, “dat de duijvel en geveijnsde (huichelaars, H.P.) oock Godts woort wisten te gebruijcken”.
De classis vond dat ze nu lang genoeg lankmoedig was geweest. Nogmaals werd Schonebeek vermaand om te zwijgen en te erkennen dat hij “stoute en onbehoorlijcke woorden” gesproken had. Het haalde niets uit, integendeel, Schonebeek zei dat als hij niet mocht spreken, “het hier slimmer als voor Pilatus was”. Waarmee hij doelde op de bijbelse stadhouder die de zwijgende Christus aan zijn moordenaars overgaf. De voorzitter stuurde Schonebeek de zaal uit, wat niet veel goeds voor hem voorspelde. Toen hij weer binnen mocht komen, gaf hij eindelijk zijn wangedrag toe. Het speet hem. De voorzitter gaf hem daarop uit naam van de classis te verstaan, dat hij zich voortaan “christelijcker, modester en sediger” moest gedragen.
Desondanks werd dit vermaan een half jaar later nog eens herhaald. Schonebeek kreeg bij die gelegenheid te horen dat hij zich “geseggelijker sal moeten comporteren” of dat de classis scherpe maatregelen tegen hem zou nemen. Zelfs las men de acte van maart nog eens voor. Op deze plek zit er opnieuw een dikke vlek in de classicale notulen, nu vlak boven de naam van Schonebeek. Het lijkt of iemand van zins is geweest, die naam onzichtbaar te maken, maar ervoor terugschrok. Het notulenboek ging bij alle predikanten rond, een broeder die dat wilde kon proberen zijn naam te verdonkeremanen. Hiervan werd Schonebeek verdacht. Ernaar gevraagd in de vergadering van 11 maart 1678, ontkende hij echter stellig.
Kerkdeur niet open
Een maand later klaagde hij in de classis, dat de voogden over de kinderen van zijn voorganger Tiliking hem financieel tekort deden. Mogelijk hadden ze bepaalde inkomsten, bijvoorbeeld uit pastorieland, niet aan hem overgedragen na het genadejaar. De classis voegde Schonebeek een helper toe, om de kwestie “in vrede ende in der minne bij te leggen”. Verder horen we er niets meer over.
In juli dat jaar klaagde Schonebeek opnieuw. Op de zondag na pinksteren had hij ’s middags in Hoogkerk willen preken, maar kon dat niet doen doordat de koster-schoolmeester de kerkdeur niet voor hem wilde openen. Die dag had de redger (dorpsrechter) een verloting in het dorp georganiseerd. De classis achtte zowel het een als het ander als “onstichtelijcke dingen”. De loterij noemde ze bovendien een “ontheijliginge van den sabbath”. Daarom stuurde ze een onderzoekscommissie naar Hoogkerk. Die kreeg van de schoolmeester te horen dat hij de kerkdeur niet open had gedaan, omdat ds. Schonebeek daar helemaal niet om had gevraagd. Wèl had de schoolmeester geweigerd de klok, die buiten de kerk in een klokkestoel hing, voor de kerkdienst te luiden. Zulks op bevel “van d’inwoonders” (lees boeren), die hem het schatbeurderschap (een fiscale bijbaan) zouden ontnemen als hij de klok wèl zou luiden.

De kerk en de klokkestel van Hoogkerk, ca. 1650. Detail uit een kaart door Ocko Jansen Bockebloet, Collectie Groninger Archieven 817-1057.
Waarschijnlijk vond de verloting plaats op een tijdstip dat de kerkdienst nog aan de gang zou zijn. De redger beweerde weliswaar, “dat se op den laeten avont geweest is”, maar wenste ook, “dat se niet en was geschiet”. In elk geval kreeg de onder druk gezette koster een schrobbering van de classis, die meende dat hij “geensints betaemelijck” had gehandeld.
Intussen bleek ook dat Schonebeek de zaak wel wat al te gekleurd had voorgesteld. Maar zijn beschuldigingen kwamen als een boemerang terug, want de classicale onderzoekscommissie hoorde in Hoogkerk verhalen over “eenige onordentlijckheden” in Schonebeeks “bedieninge ende wandel”. In de classis werd hij met die staaltjes geconfronteerd en vermaand om bij zichzelf na te gaan of hij schuldig was, en zo ja, dan te proberen het in de toekomst beter te doen, “levende in sijn leven heijlighlijck ende hem gedraegende in sijn ganschen dienst op beijde plaetsen neerstelijck, als een eerlijck predicant betaemt”. Zo hij dat niet deed, zou de classis vast nog eens harde maatregelen tegen hem nemen.
Ganzeveer bij arendsvleugels
Drie jaar bleef het rustig rond Schonebeek. Begin 1682 echter, overspeelde hij zijn hand. Dat kwam uit bij het aflezen van de kerkvoogdijrekening van Leegkerk, waarbij zowel de kerkvoogden, als de collatoren, als de predikant aanwezig waren.
Het bleek dat Schonebeek, wiens pastorie in Leegkerk stond, vlakbij zijn huis een nieuwe school wilde laten bouwen. Hij zette Claes Jansen, de boekhoudende kerkvoogd, onder druk om een verklaring te tekenen dat de benodigde bouwmaterialen voor rekening van de kerkvoogdij zouden zijn. Daarop kocht Schonebeek zelf voorlopig alvast die spullen. De heren Busch en De Hertoghe, die namens de collatoren (GS) het aflezen van de rekening bijwoonden, keken er wel van op toen ze dit vernamen. Want een en ander was gebeurd zonder medeweten en toestemming van GS. Op hun verslag haalde dat college een streep door de borgstelling van de kerkvoogd èn de bouw van de nieuwe school. Schonebeek moest de bouwmaterialen zelf betalen, en, erger nog, hij kreeg ook nog een aanklacht aan de broek wegens zijn “quade comportement en extravagante bejegeningen” van de heren Busch en De Hertoghe.

De kerk van Leegkerk.
Die aanklacht behandelden GS zelf, want een scheiding der machten bestond er nog niet en ze vormden zowel een bestuurlijk als een rechtsprekend college. Medio februari werd Schonebeek nog eens gehoord in de Wijnberg, een herberg in de stad. GS namen geen genoegen met zijn verantwoording. Toch zagen ze er vanaf een vonnis uit te spreken. De Advocaat Provinciaal kreeg bevel om een en ander bekend te maken aan de classis Westerkwartier, die dan een “behoorlijcke versieninge” in deze zaak moest treffen.
Op 13 maart deed de Advocaat Provinciaal zijn boodschap in de classis. Nu bleek ook, dat Schonebeek tegen de heren Gedeputeerden “seer verachtelijck van sijn verkregene beroep tot Leeghkerck hadde gesproocken, als ofte hem daer niet aen gelegen was, ofte hij aldaer preedicant verbleef ofte niet”. Zijn ambt kon hem, anders gezegd, weinig schelen, Toen de heren hem zeiden dat iemand die “den handt aen de ploegh in Godes acker hadde geslagen, niet en behoirde te rugge te sien”, had Schonebeek “onbehoijrlijck” geantwoord “dat hij sijne ganseveeren bij haere arendtsvluegelen niet wilde nederleggen”.
Ook vertelde de Advocaat Provinciaal in de classis over Schonebeeks ”ongebonden leven in dronckenschap” en “onvredigh leven met sijn huijsvrouw binnen sijn huijs”. Bovendien had dominee bij verschillende gelegenheden betuigd, “te wanhopen aen sijn saligheijt”. Al met al “disordres ende ergernisse” waartegen “op het krachtigste” moest worden opgetreden.
Dat wilde de classis wel, graag zelfs, alleen was de zondaar afwezig. Pas op 10 april werd zijn zaak behandeld. Intussen waren er nog weer nieuwe beschuldigingen bij de classis binnengekomen. Zo hoorde de broeders hoe Schonebeek “op seker tijdt uit Gronigen gekomen sijnde, sich door den drank so hadde ooverladen, dat hij in seer onstuimig weder an landt gebracht sijnde, op de treckwech noch hadde konnen staen noch sitten”. Bij het in de storm verlaten van de trekschuit was de ladderzatte dominee zelfs aardig wat spullen kwijtgeraakt, “die anders van de schippers konden sijn gebergt”. Ook leefde de predikant “seer onvreedig” met zijn vrouw, “met insmijten der glasen, overal smijten van boeken en vier en andere insolentiën”. Verscheidene nabers konden hiervan getuigen en de opgeroepen kerkvoogden Claes Jansen en Eisse Ennes bevestigden het. Schonebeek beschuldigde hun dan wel van malversaties, ze leverden prompt het bewijs dat GS hun boekhouding had goedgekeurd.
Schonebeek leverde van zijn kant enige verklaringen, dat zijn gedrag , “so in ministeri als in sijn huis” verbeterd was. Maar daar nam de classis geen genoegen mee. Er werd een lijst opgesteld met alle punten van beschuldiging, waarop Schonebeek ook punt voor punt in geschrifte moest antwoorden. Op 13 juni 1682 kwam zijn zaak eindelijk voor. Na “rijpe deliberatie” besloot de classis dat Schonebeek naar de door hem beledigde heren moest gaan, om ze genoegdoening te geven. Wat betreft de “misgrijpingen” in zijn ambtsbediening en huiselijke leven werd hij door de classisvoorzitter “scherpelijck en eernstelijck berispt”.
Naar Ambon
Schonebeek beloofde opnieuw beterschap, maar voelde aan dat zijn positie onhoudbaar was geworden. Hij koos voor een uitweg, die wel meer gekozen werd door mensen uit de betere kringen die zich onmogelijk hadden gemaakt. Hij ging naar Oost-Indië.
Begin juli maakte hij dat voornemen bekend. Eind juli regelde hij in Zeeland de reis, en op 21 augustus kreeg hij in de classis Westerkwartier het ontslag uit zijn ambt in Leeg- en Hoogkerk “als een man, volgens onse en der gemeijnte gegevene getuijgenissen, bequaam omme des Heeren kercke te bouwen, als van den Allerhoogsten met genoegsaame kennisse en gaaven voorsien”.

Gezicht op Ambon, ca. 1720.
Op 14 april 1683 arriveerde hij in Batavia, waar men hem een standplaats op Ambon toewees. Op 1 maart 1684 deed hij daar zijn intrede. Lang heeft hij er niet geleefd, want op 12 juni dat jaar overleed hij er al. In Indië kon je heel rap sterven, als je niet opgewassen was tegen het klimaat en de malariamuggen.
In Leeg- en Hoogkerk deed eind november 1682 de opvolger van Schonebeek zijn intrede. Schonebeeks vrouw, die in Groningen was achtergebleven, overleed daar circa 1689.
BRONNEN
Archivalia:
RHC Groninger Archieven
– Toegang 140, Classis Westerkwartier, inv. nr. 6 (acta 1676-1694);
– Toegang 1, Archief Staten van Stad en Lande, inv. nr. 140 (Acteboek met resoluties GS over 1681-1682), en inv.nr. 426 (Commissiebrieven, ook m.b.t. beroepingen predikanten) fo. 42 d.d. 20.11.1675.
Literatuur:
– W. Duinkerken, Sinds de Reductie in Stad & Lande van Groningen (Groningen 1982) het lemma Henricus Schoonbeek’;
– W.J. van Asselt, Coccejus (Kampen 2008) 32 en 70-73.
NB: dit verhaal verscheen eerder in Op de Hoogte, het blad van de Historische Vereniging Hoogkerk.
Knoeperd van een barnsteen gevonden aan de Groninger kust
Geplaatst op: 12 mei 2014 Hoort bij: Geschiedenis 3 reactiesEen goede kennis die regelmatig de vloedlijn van vooral Terschelling, maar ook wel die van andere wadden-eilanden afstruint, vertelde me laatst dat hij eigenlijk nooit barnsteen tegenkwam. Hij leek ook nauwelijks te willen geloven dat het er ooit redelijk veel lag.
En toch wordt dat met zoveel woorden beweerd in een vervolg op Chomels woordenboek uit 1786.
“Men heeft ze (=barnstenen) ook voormaals aan onze kusten, inzonderheid aan het eiland Urk in de Zuiderzee, in aangespoelde veenbonken, tamelyk veel gevonden, zynde helder geele stukjes, doch naar ’t schynt niet groot. Een stuk van vyfthalf lood, aan ’t Groninger zeestrand voor eenige jaaren opgeraapt, zich in ’t Stadhouderlyk Kabinet bevindende, muntte in deezen uit.”
Vijfdehalf lood, dat Groningse stuk zal dan 4,5 x 15 gram = 67,5 gram geweest zijn. In 1786 kwam alleen nog maar rode barnsteen aan de Nederlandse stranden voor, en dat dan nog maar zeer sporadisch en van buiten meestal nog ruw ook. Naast de kwantiteit, was de kwaliteit er dus op achteruitgegaan. Des te meer viel dat helder gele brok uit Groningen op.
Je vraagt je af of dit stuk barnsteen nog ergens bewaard is, je zou haast denken van wel. Van het stadhouderlijk naturaliënkabinet, waarin het zich bevond, weet ik inmiddels (p. 359) dat het omstreeks 1800 door de Fransen onder Napoleon geroofd werd, maar dat het na de slag bij Waterloo weer naar ons land teruggekeerd is. Daarna zal het een koninklijk kabinet geworden zijn, maar ik kom zo een, twee, drie niet aan de weet bij welk museum of instituut de collecties beland zijn. Iemand die dit raadsel voor me kan oplossen?
Naschrift 1:
Per Twitter wijst Redacteur Erfgoed LC erop, dat er nog wel degelijk barnsteen langs de kust van de Waddeneilanden ligt:
- Kirsten Buddeberg speurt naar barnsteen (NvhN 1999)
- Robert Joustra vindt brok barnsteen van 4,5 kilo (Drachtster Courant 2013)
Naschrift 2:
Met dank aan E. lijkt het raadsel al opgelost. In 1820 gingen de stadhouderlijke naturaliëncollecties naar het Rijksmuseum voor Natuurlijke Historie, in 1878-1893 scheidden de geologische en mineralogische verzamelingen zich daarvan af om te worden ondergebracht in het Rijksmuseum van Geologie en Mineralogie, maar in 1998 bracht men al deze verzamelingen weer bijeen in Naturalis, eveneens te Leiden. Daar gaat dus een mailtje heen.
Het beeld van de Drentsche Laan
Geplaatst op: 11 mei 2014 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsenIn de jaren 1841–1843 had je een beddenwinkel in de Gelkingestraat waar “de Drentsche Laan” uithing:

De Drentsche Laan was wat nu de Peizerweg is en vanouds de zomerweg door het laaggelegen landerijen ten westen van de stad naar Eelde en Peize. Als het uithangbord niet alleen tekstueel was, maar ook visueel, dan moet het beeld dat het bood, voor de klant min of meer karakteristiek en herkenbaar zijn geweest. Maar hoe zag die Drentsche Laan er destijds dan uit?
Van een laan mogen we aannemen dat zij omzoomd is met bomen. De Drentse Laan was, op een dubbele kniebocht na, lang en praktisch recht. Zoveel valt nog met enige zekerheid te zeggen.
Beeldmateriaal is er veel later pas. Onlangs postte HJRNoorden wat foto’s uit 1935 van de Peizerweg. We zien inderdaad een lange rechte laan, omzoomd met jonge eiken, die echter al wel zo hoog opgeschoten zijn dat ze de weg overhuiven, wat er op warme zomerdagen een aangename koelte gaf. Een blik op de zuidkant, ik denk op het stuk land waar je nu de moderne Drentse Laan met zijn rietgedekte villaatjes vindt:
De weg was op zich vrij smal, het lijkt erop dat er schelpenpaadjes onmiddellijk naast lagen voor voetgangers. Langs de noordkant liep het spoor voor de Drachtster tram:

Ook in 1935 was er maar weinig bebouwing. Een boerderij aan de zuidkant, een man staat op straat, een jongen in overall zit op de leuning van het brugje en draait zich net om:

In 1840 moeten bomen eveneens het beeld bepaald hebben. Wat voor bomen dat waren, weet ik niet, maar valt waarschijnlijk nog wel ergens te achterhalen. Hoe je zo’n lange laan op een uithangbord uitbeeldt, blijft mij overigens een raadsel.
In elk geval was de Drentsche Laan/Peizerweg van destijds een stuk aantrekkelijker dan de Peizerweg van nu met zijn non-descripte bedrijfsgebouwen.
Kermis van twee kanten
Geplaatst op: 9 mei 2014 Hoort bij: Stad nu 3 reactiesVanaf de Johan van Zwedenlaan bij Hoogkerk:

Wilde de andere kant ook wel even zien:

Ansen, bouwval
Geplaatst op: 9 mei 2014 Hoort bij: Drenthe 3 reactiesAfanja berichtte laatst neermalen over een schijnbaar reddeloze bouwval in Ansen, waar volgens mij klanten van mijn vader hebben gewoond. Toevallig kwamen we er vanmiddag twee maal langs. Op de terugweg was er wel even wat tijd was om de boel in nadere ogenschouw te nemen:
Gat in ’t dak, waar weldra de bomen uit zullen groeien (zo leert de ervaring):

De linker helft van de achtergevel lijkt nog niet zo lang geleden vernieuwd:

Rechts waren ze ook bezig, maar daar werd al niet meer gevoegd. De achtergevel en de zijmuur zijn hier van elkaar gescheurd:

De bijbehorende schuur:

Nidurland
Geplaatst op: 8 mei 2014 Hoort bij: De actuele wereld 3 reactiesHenk Scholte gunde me vandaag een blik in een schoolatlas die op de Faeröer-eilanden wordt gebruikt. Dit is de Faeröers-pedagogische visie op Nederland. Opmerkelijk: Assen en Middelburg staan er – als enige oude provinciehoofdsteden – niet in, maar Madurodam wel!:

Overigens lijkt dat oyggjar voor eilanden sprekend op het oog dat in veel namen van Waddeneilanden zit (Schiermonnikoog, Rottumeroog, Wangeroog, Spiekeroog etc.).
Een toonbeeld van levensvreugde
Geplaatst op: 7 mei 2014 Hoort bij: Stad toen 11 reacties
Pietje Segaar, ook wel Moal Pietje, was een Groninger stadstype, dat in 1901 overleed in het krankzinnigengesticht van Medemblik Wagenborgen. Van hem zijn er redelijk wat foto’s bewaard gebleven, maar wat hem nou precies tot zo’n populair mikpunt van camera’s maakte, is minder doorgrondelijk dan zijn voorkomen.
Bij toeval vond ik een later getuigenis van een oud-stadsverslaggever:
“Ieder kende Pietje en Pietje kende ieder. Elke morgen al vroeg liep hij in de Herestraat op en neer en raapte al de sigarenpeukjes op, die door de boemelaars ’s nachts waren weggeworpen. En dan liep hij verder de hele dag de Herestraat op en neer, rokend en met een gezicht waarvan de levensvreugde afstraalde.”
Een gelukzalige gek, kortom. Iedereen zou even gelukzalig willen zijn, maar weet ook dat de gekte er dan bijhoort.
Bron van de foto: RHC Groninger Archieven 1986-07271.
‘Thans weer een sieraad van het Noord-Drentse landschap’
Geplaatst op: 7 mei 2014 Hoort bij: Drenthe vrogger 2 reactiesHet Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid heeft vanwege de Molendag, aanstaande zaterdag, een hele zut molenfilmpjes op zijn YouTube-account gepost, waaronder deze over de oliemolen van Roderwolde uit 1959, toen die molen net opgeknapt was. Het filmpje brengt mooi in beeld, wat zo’n oliemolen verwerkt:
Kranenborg
Geplaatst op: 6 mei 2014 Hoort bij: Hoogkerk, Stad toen 8 reacties
Zoekend naar heel andere foto’s uit mijn pre-digitale tijdperk (qua foto’s), vond ik deze terug van de boerderij op de hoek van de Peizerweg en de Hunsingolaan. De foto is waarschijnlijk begin 2005 gemaakt. De boerderij was toen al een poos anti-kraak bewoond geweest en stond vervolgens, als ik het me goed herinner, langdurig leeg. Zakte ze zelf al scheef, dat gold helemaal voor het stookhok aan de westkant. Niet lang daarna is de hele zaak gesloopt, er staat nu een nieuwbouwbuurtje met rietgekapte boerderettes villa’s.
Het binnenstraatje waaraan die nieuwbouw staat, heet Drentse Laan. Dat was van de Middeleeuwen tot ongeveer 1900 de naam van de Peizerweg. De oudste en heel lang de enige bebouwing aan de Drentse Laan was die aan het uiteind, bij de bocht naar Peize. Op de plek van het gefotografeerde pand verrees omstreeks 1770 echter de herberg Kranenborg. Ziehier een beschrijving uit 1827:

Het pand op de foto oogt wel een stuk jonger dan dat. Gezien de afgeronde hoekjes aan de bovenkant van de ramen, zal de voorgevel uit de periode 1860-1880 zijn geweest. Het portaal van de voordeur lijkt echter wat ouder.
Uitdrukkelijk geeft de advertentie aan dat het vastgoed zich ten zuiden van de Drentse Laan bevond, in de gemeente Groningen. Ten noorden van de Drentse Laan (en later dus de Peizerweg) lag ter plaatse de gemeente Hoogkerk. Nog steeds kan je dat zien aan de nogal afwijkende huisnummering aan weerskanten van de Peizerweg.
In dezelfde tijd dat de advertentie in de krant stond, waren ook ambtenaren van het kadaster aan het werk. Zij noemden een sectie aan de noordkant van de Drentse Laan Kranenborg. Tegenwoordig is dat een bedrijventerrein bij de A7, dus ten zuiden van de Peizerweg. Er wordt nogal eens raar omgesold met toponiemen, zeker in de gemeente Groningen.










Recente reacties