Sportjournalistieke emotrutterij
Geplaatst op: 30 november 2014 Hoort bij: Media 8 reactiesDe Bredase voetbalclub NAC heeft net thuis met 1-5 verloren. Huilend loopt een speler het veld af. Die moeten we voor de camera hebben, dachten ze bij Studio Sport. Eerste vraag van de verslaggever tegen het hangende koppie met de nog half-betraande wangen: “Can you explain the feeling you have inside?”
Ten eerste is het Engels ontleend aan popliedjes uit Volendam.
Ten tweede betreft het een vraag naar de bekende weg, welke vraag tevens het narrativistische principe met voeten treedt dat je beter kunt laten zien dan vertellen.
Maar bovenal verraadt de vraag een gebrek aan invoelingsvermogen. Terwijl de verslaggever zich voorneemt om emoties bloot te leggen (alsof we die al niet hebben gezien) verraadt hij juist zijn eigen emotionele gemankeerdheid, zijn onderontwikkelde mededogen, zijn absolute gevoelsarmoe.
Hij is een emotrut. Hij wil uit de ander peuren wat hij zelf tekort komt.
Helaas is er veel emplooi voor emotrutten in de hedendaagse sportjournalistiek.
Het stikt ervan. En ze zijn niet te harden.
De paardenbeul van Kronenfels
Geplaatst op: 28 november 2014 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen
Achter Oldekerk heb je de Zandumerweg en de Kroonsfelderweg. Fijne fietsroutes zijn dat, met boerderijen, houtwallen en restanten van het Kolonelsdiepje.
Die Kroonsfelderweg is genoemd naar Kroonsfeld, een verbastering van Kronenfels, een buitenhuis dat hier midden achttiende eeuw verrees en twee pagina’s kreeg in het Ommelander borgenboek van Formsma.
Erg leven gaat de omgeving niet van Formsma’s nogal beknopte relaas, maar ik vond onlangs een verhaal, dat ik me vast en zeker zal herinneren, als ik op mijn fiets weer die omgeving doorkruis.
Eind 1755 liet de Grietman van het Oosterdeel-Langewold namelijk de heer Smellentijn van Kronenfels voorkomen in zijn gericht, omdat Smellentijn een half jaar eerder had geschoten op twee paarden en een veulen van streekgenoot Pieter Mindels. Deze liepen op Smellentijns dijk, vandaar. Alle drie de paarden raakten gewond. Bovendien sloeg Smellentijn een stok of hark op een van de paarden stuk. Een merrie was de volgende dag aan haar verwondingen bezweken.
De heer Smellentijn liet zich werkelijk in persoon in het gericht vinden, bekende daar grif het hem ten laste gelegde feit en verklaarde het graag qua boete op een akkoordje te willen gooien met de Grietman, die hem veroordeelde tot een boete van 40 daalder met de kosten van het proces. Vrij uniek mag Smellentijns betalingsmoraal heten, want hij pakte “anstonts” zijn beurs en telde het geld voor de rechter uit.
De heer Smellentijn was nogal een rusteloos type: hij bleef nooit lang ergens wonen. Oorspronkelijk kwam hij uit Duitsland en van zijn beroep was hij eigenlijk medisch doctor. In 1745 vinden we hem ergens in Oost–Indië, waar hij tevens als administrateur van een apotheek fungeerde. In 1748 woonde hij even met zijn vrouw kind en vier bedienden bij Deventer. Drie jaar later benoemde de Keizer van Oostenrijk hem tot rijksridder. Was dat vanwege een succesvolle behandeling? Niet lang daarna woonde hij in Amsterdam als “Geheyme Commercie-Raad” in dienst van de Koning van Pruissen.
In 1752 betaalde hij er zijn schulden en verhuisde naar Groningen, waar hij een huis in de Oosterstraat betrok en een drukkerij van sitzen en katoenen begon. Begin 1753 kocht hij een heem met 103,5 gras land op ’t Oosterzand onder de klokslag van Oldekerk uit de failliete boedel van De Mepsche van Faan. Het land verhuurde hij, op ’t heem liet hij een buitenhuis met een “tweegoelde schuur” bouwen, dat hij naar zichzelf Kronenfels noemde. Later dat jaar kocht hij nog diverse heerlijke rechten uit de boedel De Mepsche – de bedoeling was duidelijk om zich ter plaatse een aanzienlijke positie te verschaffen.
Maar in de zomer van 1756 had Smellentijn er alweer genoeg van en verkocht hij al zijn goed hier op het Oosterzand aan een VOC-kapitein. Bij het huis Kronenfels zitten dan stallen, een schuur, een (water)molen, wei-, hooi- en veenlanden, alles tesamen 117, 5 gras (of bijna 60 hectare) groot, een klauw of ommegang in de Grietenij Oosterdeel-Langewold en diverse zijl-, boer- en visrechten.
Of het akkefietje met de paarden van invloed is geweest op de wens opnieuw te verhuizen, is onbekend. Maar de boeren en andere buurtbewoners zullen de handelswijze van deze heetgebakerde nieuwkomer niet erg op prijs hebben gesteld. Hij maakte zich hier aardig onmogelijk. Wellicht gold dat ook voor andere woonplaatsen.
Overspelige wedman
Geplaatst op: 27 november 2014 Hoort bij: Geschiedenis, Hoogkerk 6 reacties
Brief uit 1789 aan kastelein Sicco Gerber van de Slingerij die het epistel getuige het gevouwen en sterk vervuilde adresvak een poosje op zak hield, voordat het in een gerechtelijk dossier belandde. De brief kwam van Sicco’s vriend, de wedman van Hoogkerk die er vandoor was met andermans vrouw. Ben op het moment bezig zijn zaak uit te spitten. In een andere brief legt hij uit wat er aan zijn vlucht vooraf ging. Je waant je in een roman.
“Alles te waiten, moakt nait gelokkig”
Geplaatst op: 26 november 2014 Hoort bij: autobio, Oosterpoort 6 reacties
Tekening: Jaap Mollema.
Ik was er nog nooit geweest, want ik at destijds meestal in de mensa. Maar op een avond kreeg ik enthousiaste verhalen over het groentevrouwtje te horen en toen ik dan toch zelf eens een maaltje ging koken, besloot ik naar haar winkel te gaan. En dat beviel zo goed, dat ik er tien jaar klant gebleven ben.
Ze had tot 1988 een winkeltje in een voorkamertje van nauwelijks drie bij vier meter aan de Nieuwstraat. Buiten stonden kratten met de groente van het seizoen. Binnen lagen sinaasappels tegen de ramen opgetast. Daarboven hingen trossen bananen. En tegen de muren stonden, tot aan de nok van het winkeltje toe, stapels blikken op lichtelijk doorbuigende planken. Een ouwerwetse rode weegschaal in de hoek, met zo’n losse zinken bak, completeerde het geheel.
Als je wachten moest, stond je in het gangetje. Daar keek je naar het roodkoperen bord of het geborduurde kleed met het hertentafereel. Maar meestal was er wel iets te bespreken. Daar kon je nauwelijks onderuit bij het groentevrouwtje, die een bron voor kleine buurtgeschiedenissen vormde en daarbij altijd hartelijk en goedlachs was. Want ook al was ze over de zeventig, ze straalde nog altijd pure levenslust uit.
Van de klanten die ik er heb meegemaakt staat me vooral een Russische mevrouw bij die in een Duits werkkamp haar man had leren kennen en op zaterdagen altijd een tas vol spullen voor de borsjt kwam halen. Ook kwam er nog wel eens een jongen die ik kende van de studentenvakbond. Hij was ingetreden in een klooster te Bialystok en droeg het habijt van een Russisch-orthodoxe monnik.
Als je capucijners wilde hebben haalde het groentevrouwtje met dezelfde haakstok, waarmee ’s zomers de hoge tuimelramen geopend werden, een blik van de bovenste plank naar beneden. Je zou misschien verwachten dat de raasdonders hun naam eer aan zouden doen, maar ze ving ze altijd behendig op. Waarna ik gewoonlijk vroeg: “Goh geeft u vroeger op korfbal gezeten?” Ze lachtte op zulke momenten altijd haar hoge , hikkende lachje. Nee, ze had nooit aan sport gedaan. Vroeger deden de mensen dat niet. Ze had als wicht op de tricotagefabriek van Reinier Muller gewerkt – tuutje braaien ja” – en na haar trouwen kwamen man en kinderen natuurlijk op de eerste plaats. (Haar man sprak haar altijd aan met “moeders”).
Als het moment van afrekenen daar was, telde ze de bedragen altijd met statige cijfers op in een lang schrift met een spiralen rug. Sinds een nare ervaring had ze alleen wat kleingeld in kas. Vijfjes en tientjes bewaarde ze opgevouwen in een zakdoek, voor grotere flappen moest ze even naar achteren, naar de woonkeuken.
Mocht je krap zitten, dan kon je het ook laten opschrijven. Wat dat betreft was ze de laatste der Mohikanen onder de middenstanders. Maar haar man mocht het niet horen. Ze pakte je dan samenzweerderig bij de arm en fluisterde: “Alles te waiten moakt nait gelokkig”. Haar manier om een bepaalde zelfstandigheid ten opzichte van haar man te bewaren.
Met dat poffen kwam ze trouwens wel eens op de koffie. Zo was er eens een buurvrouw van me die naar Antwerpen verhuisde zonder de rekening te betalen. Nee, je moest er goed mee uitkijken, met dat poffen.
Ze vertelde me ook eens over het poffen vroeger. Even verderop woonde een vrouw, die vrat de hele winkel leeg: “Vier Nutsies, vief Maars’n, een stuk of wat potjes rolmops’n en och, dou ook moar wat deusies tompoez’n”. Aan het eind van de maand stond er dan zo’n drie- à vierhonderd gulden op de balk, maar al wie er in de winkel kwam, niet de bewuste vrouw. Dan moest het groentevrouwtje er zelf maar achterheen. Steevast gebeurde dat op zondagmorgen. De man van die vrouw, die iedere werkdag voor dag en dauw naar de scheepshelling ging – “een haile goie kerel, dei wos van waark’n” – betaalde dan de rekening, scheldend en tierend en met de vuisten in onmacht geheven. En het groentevrouwtje maar sussen.
Bij je vertrek uit de winkel kreeg je altijd een appel mee. Of een banaan. Of een “saggerijntje”. Soms ook wel eens twee. Want vrijgevig was ze. Daar kon zelfs die tandeloze, bijna negentig jaar oude schipper over meepraten. Op de bodem van het Oude Winschoterdiep troffen ze jaren later, toen de man allang uit de tijd was, bij een baggerbeurt nog een beste berg schroot van hem aan, want de man at zeven dagen in de week ananas uit blik. Tenminste, als het groentevrouwtje hem niet voor de warme prak uitnodigde. Wat heel regelmatig gebeurde.
—
Eerder in iets andere vorm verschenen in De Oosterpoorter van april 1992.
Naschrift 5 april 2015
Hier staat nog een foto met links zichtbaar de uitstalling voor het winkeltje.
De gewezen suikerfabriek
Geplaatst op: 25 november 2014 Hoort bij: Stad nu 3 reacties
(Zondagmiddag jl.)
‘Onnozele’ vechtersbazen verzoenen zich voor strafkorting
Geplaatst op: 25 november 2014 Hoort bij: Geschiedenis, Hoogkerk Een reactie plaatsen“Hoogkerk den 2 November 1798.
Bij het Gerichte gelezen zijnde het Request van Klaas Jacobs Gerber en Pieter Vosdingh (houdende:)
hoe de Suppl[ian]ten zich bevinden in de ongelukkige omstandigheden, van bij het Gerichte te zijn aangeklaagd over eene tusschen Suppl[ian]ten plaats gehad hebbende questie op zondag den 7 October jongst ten Huize van Renger Rijkels te Hoogkerk, waarbij zij onderling handgemeen zouden zijn geweest. Dat Suppl[ian]ten met leedwezen bekennen, dat zij dat zij dadelijk in quaestie zijn geweest, dan het zij de Suppl[ian]ten vergund, aan het Gerichte dienaangaande ter hunner verschoning in te brengen, dat zij wel voor een ogenblik handgemeen zijn geweest, egter van geene van beide zijden met voornemen om elkanderen te kwetsen en zonder voornemens te zijn den Castelein ofte jemand anders daardoor te benadeelen en alzoo in hunne onnozelheid niet hebben voorzien het kwaad dat uit deze hunne handel heeft kunnen voortkomen. En het is in dat licht dat de Suppl[ian]ten verzoeken dat het Gerichte hun gedrag zal gelieven te beschouwen, en hun dus te beschouwen, als meer uit onnozelheid dan uit kwaad opzet in dit hun ongeval zijnde gekomen. Verzoekende de Suppl[inan]ten zeer ootmoedig aan het Gerichte, ten einde ter zaake voorschreeven in submissie te mogen worden geadmitteerd.
(Heeft het Gerichte daar op geapostilleerd:)
Het Gerichte het verzoek accordeerende, heeft de Remonstranten ieder in de breuke van een daler ten voordeele der armen te betalen gecondemneerd.”
Vertaling en interpretatie:
Klaas Gerber (19) een doopsgezinde boerenzoon die later op Kleiwerd zou boeren en Pieter Vosdingh (18), zoon van de herbergier bij de sluis van Vierverlaten – hij zou daar later zijn vader opvolgen – zaten op zondag 7 otober in de kroeg van Renger Rijkels in Hoogkerk, waar ze kortstondig met elkaar handgemeen raakten. Er kwam een zaak van, en om te voorkomen dat beide een hoge boete zouden moeten betalen, wendden ze zich gezamenlijk (!) tot het lokale gerecht, waar ze het feit ruiterlijk toegaven, maar de intentie erachter voorstelden als tamelijk onschuldig – ze hadden niet de bedoeling gehad om elkaar te verwonden of de kastelein of iemand anders te benadelen, het was maar een onnozel gedoe van hun geweest. Daarom vroegen ze ootmoedig om een lichtere straf, dan normaal in dit soort gevallen opgelegd werd. En dat gebeurde: ieder hoefde slechts een daalder aan de armen van Hoogkerk te betalen
Ik heb heel wat oud-rechterlijke prothocollen gezien, maar herinner me niet dat ik zoiets eerder tegenkwam.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (Gerechten Westerkwartier), inv.nr. 769: rechtdagnotulen Hoogkerk 1789-1803, notitie d.d. 2 november 1798.
Terug naar de Schepper met het dubbel doorschoten hart
Geplaatst op: 24 november 2014 Hoort bij: Familie 2 reactiesIn mijn kwartierstaat, als ik die zou maken, nemen Oldambtsters ongeveer vijfachtste van de ruimte in. Een kwart is bestemd voor Friezen. En een achtste deel bestaat uit mensen uit het Westerkwartier, met name Marum, Nuis, Niebert en Tolbert, die omgeving.
Tot nu toe heb ik aan dat deel van mijn komaf nooit veel aandacht besteed. De schakel er naar toe is een kleine, frèle, dappere vrouw, Grietje van der Velde, de moeder van mijn grootvader Vondeling.
Haar moeder, Antje van der Velde, bleek maar liefst vijfvoudig ongehuwd moeder. Met Antje zitten we onmiskenbaar in een landarbeidersmilieu. Toch heeft haar moeder Grietje als familienaam Vossema. Vossema, ook wel Fossema, is de oudere naam van de Coendersborch in Nuis. Omdat die naam getuige Alle Groningers pas omstreeks 1811 opduikt in deze familie, vermoed ik dat deze voorzaten van me onder Nuis land van de borgfamilie pachtten, iets wat nog wel eens valt na te gaan.
Terwijl ik mijn Oldambtster voorfamilie – landarbeiders en vissers – nog niet verder terug heb kunnen traceren dan tot ongeveer 1750, leidt het draadje dat ik met Grietje en Antje en Grietje lostrok, via een grillig pad naar de Late Middeleeuwen.
Althans als ik een bepaalde website wil geloven. Volgen we de daar gegeven lijnen even terug.
De vader van Grietje Vossema was de dagloner Jan Douwes Vossema (Nuis 1774 – Marum 1838). Van diens vader Douwe Freerks (Nuis 1739-1809) is het beroep onbekend, maar dat zal ook niet veel voorgesteld hebben. Als ze braaf en opppassend waren, is er nauwelijks een verhaal over deze landarbeiders te maken.
Nog weer een generatie terug, stuiten we echter op een schoolmeester: Frerik Douwes, geboren in 1715 te Tolbert. Over schoolmeesters is vaak juist wat meer te vertellen, zeker als ze over de schreef gingen, want dan werd de kerkelijke tucht actief. Frerik trad als dorpspedagoog en –schrijver in de voetsporen van zijn pa Douwe Hindriks , wiens levensjaren onbekend zijn. Maar dat zou geen probleem mogen vormen. In elk geval trouwde hij in 1699 in Tolbert met Auckjen Sunkema, geboren in 1673 te Groningen, en aangezien Douwes lijn doodloopt bij zijn vader, vervolgen we de reis naar de Late Middeleeuwen met de lijn van haar.
Haar vader was Sirk Harmens Sunkema, die voor april 1676 overleed. Hij was Hoofdmansdienaar van zijn beroep, zeg maar medewerker van het gerechtshof. Wat hij precies deed voor de kost, staat vast wel in de een of andere officiële instructie. Hij woonde in de stad Groningen, maar was in 1666 in Tolbert met een Eetien Iwema getrouwd. Via haar lijn dalen we nog verder af.
Over haar vader Driewes Iwema is buiten het overlijdenstijdstip (winter 1672/1673) nauwelijks iets bekend. Diens vader Date Iwema (1588-1651) was echter een van de grotere boeren van Niebert. Die trad ook wel op als kerkvoogd. Een belangrijk man ter plaatse, over wie meer te vinden moet zijn. Vermoedelijk woonde hij op de Iwemaheerd, een oud steenhuis in Niebert. In elk geval deed zijn vader Harcke Iwema dat al.
Helaas bestaat er geen volle zekerheid over diens afstamming. Met een slag om de arm daarom de boeren Drieuwes Iwema (Niebert ca. 1532-1600) en Harcko Iwema (Niebert 1485-1544), waarvan de laatste tevens als Grietman te boek staat. Zo’n Grietman was een soort rechter, burgemeester en notaris in één. Opmerkelijk: elders krijgt Harcke de Grietman heel andere leefjaren mee. Daar heet zijn rechtsgebied Westerdeel-Vredewold. Hij zou dit samen met de eigenerfde Hille Fossema hebben bediend. Tevens was hij ‘Schepper tot Niebert’, dus lokaal de hoogste baas in waterschapszaken.
Een Grietman en Schepper stelde echt wel wat voor. In elk geval hadden de Iwema’s een mooi familiewapen, met een dubbel doorwond hart als belangrijkste element:

Zoiets zag je nergens anders dan in het Westerkwartier. Het tekeningetje is ontleend aan het boek van Leo Martinus over de Auwema’s van Tolbert, die hetzelfde teken droegen. Trouwens, ook de Fossema’s van Nuis deden dat. Volgens Leo, die ik eind vorig jaar interviewde voor Stad & Lande, vormden de Auwema’s en de Iwema’s oorspronkelijk wellicht één familieclan: “Zo’n hart”, vertelde hij,
“stond symbool voor de maagd Maria en er zou een verband kunnen zijn met het Cusemer klooster, dat deze familie na een kruistocht uit dank land schonk, maar dat ligt dus in de nevelen der tijden.”
Natuurlijk weet ik dat dit speculatie is en dat je heus niet alles op internet voor zoete koek moet slikken. Zeker bij webgenealogieën zou je eigenlijk alles moeten checken en nog eens checken. En toch maakt het zover kunnen teruggaan in de tijd heel even een tikje euforisch.
Vijfvoudig ongehuwd moeder erkent alsnog kinderen
Geplaatst op: 23 november 2014 Hoort bij: Familie 3 reactiesIn mijn eigen kwartierstaat stuitte ik op een geval dat niet misstaan had in het Loket voor Lief en Leed.
Mijn betovergrootmoeder Antje van der Velde (1837-1909), die haar leven lang in Marum heeft gewoond, kreeg daar vijf kinderen:
- 1861: Grietje (overleed na drie maanden)
- 1864: Aaltje
- 1868: Trientje
- 1872: Grietje 2 (mijn overgrootmoeder)
- 1878: Hendrik
Op zich was het krijgen van vijf kinderen bepaald geen wereldschokkend feit, maar deze Antje, een arbeidster, is nooit getrouwd geweest. Sowieso gold het destijds als een schandaal als een vrouw zonder gehuwd te zijn een enkel kind kreeg, maar Antje overkwam dit maar liefst vijf keer! Ik vraag me ook af hoe instanties daarop reageerden. Uit angst voor een te groot beroep op de armenzorg sloot men in de achttiende eeuw ‘recidiverende’ ongehuwde moeders nogal eens op in het tuchthuis. Maar of dat ook in de negentiende eeuw gebeurde?
Er lijkt nog meer aan de hand, hoewel ’t een spijker op laag water kan zijn. De eerste twee kinderen werden nog aangegeven door Antjes moeder Grietje Jans Vossema, een “inlandsche kramersche”, maar bij de jongste drie gebeurde dat door Antjes stiefvader Klaas Hofstee, een arbeider en timmerman. Bij haar moeder en stiefvader, die trouwden toen Antje 13 was, woonde Antje in de jaren 1870, ver na haar dertigste, nog steeds in huis. Haar moeder was liefst twintig jaar ouder dan haar stiefvader, terwijl die slechts tien jaar ouder was dan Antje. Je zou er dus haast wat van denken.
In 1887 trouwde Antjes oudste dochter Aaltje met de timmerman en latere betonfabrikant Anne Nanninga. Aaltje was toen 22 jaar oud en naar de maatstaven van destijds nog minderjarig. In elk geval was er tot het dertigste levensjaar voor een huwelijk toestemming van de wettige ouders vereist. De huwelijksakte echter, noemt Antje nog wel als Aaltjes moeder, maar verder schittert Antjes naam in dit stuk door afwezigheid. Het belangrijkst is dat de melding van haar toestemming ontbreekt – het waren een voogd en de toeziend voogd die permissie gaven voor Aaltjes huwelijk. Evenmin blijkt moeder Antje getuige bij Aaltjes huwelijk te zijn geweest. Daarom zien we ook niet haar handtekening onder de akte.
Je bent in eerste instantie misschien geneigd te denken dat er verwijdering was tussen moeder en dochter, maar het ging hoogstwaarschijnlijk om heel iets anders. Tot ongeveer 1950 moest een ongehuwde moeder haar buitenechtelijk geboren kinderen uitdrukkelijk bij de ambtenaar van de burgerlijke stand komen erkennen. Zag zij af van deze stap, dan had dat kind voor de wet onbekende ouders. Bij een huwelijk van dat kind was volgens artikel 98 Burgerlijk Wetboek dan geen toestemming vereist van de moeder, maar van een voogd en toeziend voogd. Dàt was er bij het huwelijk van Aaltje aan de hand. Formeel juridisch bestond er geen familierelatie tussen moeder en dochter. En dus werd de moeder niets gevraagd. Antje had bij dit huwelijk niets in te brengen dan lege briefjes en stond aan de zijlijn.
Dat stak en daarom liet ze op 13 december 1890 door de ambtenaar der burgerlijke stand in Marum een akte opmaken, waarin ze haar drie jongste kinderen Trientje, Grietje en Hendrik, dan respectievelijk 21, 18 en 12 jaar oud, alsnog officieel erkende, een erkenning die tevens in de marge werd genoteerd van alle drie hun geboorte-akten.
Bij het huwelijk van Grietje in 1895 en dat van Hendrik in 1906 wordt moeder Antje daarom wèl in de akten genoemd als degene die haar toestemming gaf. Haar dochter en zoon heten dan respectievelijk “meerderjarige natuurlijke erkende dochter” en “natuurlijke erkende meerderjarige zoon”.
—
Met dank aan de oud-ambtenaar burgerlijke stand Ben Doedens voor zijn voorlichting over de juridische kant van dit verhaal en Gert Zuidema voor de verwijzing naar Doedens..
WesterwOldambtster geschiedenisdag
Geplaatst op: 22 november 2014 Hoort bij: De actuele wereld, Geschiedenis 6 reactiesIn Wedde vond vandaag de Dag der WesterwOldambtster Geschiedenis plaats. Ik kwam het kerkje binnen tijdens de openingsceremonie – beneden was er geen plaats meer, op de orgelbeun nog één:

De oeroude folkformatie Folkcorn speelde grouwzame misdaadballades:

Ties Tepper vertelde over de totstandkoming van het nieuwste deel in de Oldambt Historische Reeks: Naar het gerecht. Criminele zaken in het Oldambt 1750-1800:

En trof daarbij een aandachtig gehoor:

Uitreiking eerste exemplaar:

Nadat de kerk leegliep omdat iedereen naar de historische markt in het tegenovergelegen dorpshuis ging, was er mooi even gelegenheid om naar de grafzerken op het koor te kijken. Al het goeie gaat in drieën – hoewel?:

Bak met losse letters voor het schuifbord waarop de te behandelen Bijbelteksten aangekondigd staan voor een dienst:

Vogel op grafsteen in tegenlicht:

In het dorpshuis blijkt het intussen nog steeds poepiedruk:

Letterlap uit 1903 van het conventionele Groningse type:

Postzak met hakenkruis:

Een wat minder beschaamde Vrouwe Justitia:

Discussie tussen heren:

Terug in de kerk – dolfijn op de burggravenbank (die overigens prima zit):

De oud-kantonrechter mr. Gerrit Cazemier bentwoordt vragen na zijn lezing:

Verschillende aanwezigen spreken hun verontrusting uit over de criminaliteit, terwijl die toch zo’n dankbaar onderwerp vormt:

Op het moment zelf kwam ik er niet op, maar achteraf viel me de vraag in of de rechter misschien ooit bedreigd is. En jawel, hij kreeg in 1982 eens een steen ter grootte van een kippenei tegen het voorhoofd gegooid, waardoor hij minutenlang buiten bewustzijn was. Daarna vervolgde hij de zitting gewoon. Bikkel!
Rattenkruid in het pannekoekenbeslag
Geplaatst op: 21 november 2014 Hoort bij: Geschiedenis 2 reactiesHet boerderijtje heette de Oude Watermolen, omdat er eerder een grote watermolen op het heem had gestaan. Dit bevond zich aan de Katerhals, een watertje aan de zuidkant van het Hoendiep, maar nog wel onder het kerspel Noordhorn. Op de plaats woonden Albert Jacobs, zijn vrouw en de twee kinderen die zij uit haar vorige huwelijk had.
Dit hele gezin werd vergiftigd. Op zondagavond 26 juli 1778 aten man, vrouw en kinderen gezamenlijk pannekoeken, zoals ze dat ook op de vorige avond, op zaterdag 25 juli, hadden gedaan. Vrijwel direct na de maaltijd werden ze alle vier misselijk en voelden ze zich ellendig. ’s Nachts stierf eerst de dochter, en op maandagmiddag Albert Jacobs. Ook de hond ging dood – hij had eveneens een stuk pannekoek gegeten. Alberts vrouw en haar zoon waren toen nog voortdurend aan het overgeven en de buren die erbij geroepen waren lieten dokter Bolt van Grijpskerk komen. Hij constateerde dat het weer de goeie kant op ging met beide overlevende patiënten, maar ging ook op onderzoek uit.
In een restantje pannekoekenbeslag vond Bolt rattenkruid. De vrouw des huizes verklaarde dat ze dat spul in geen drie jaar in huis had gehad. Zaterdagavond hadden zij, wijlen haar man, haar zoon en wijlen haar dochter nota bene van hetzelfde meel pannekoeken gegeten, en toen was er niemand ziek van geworden. Dat meel kwam van koopman Luitien van Weperen in Niezijl. Dokter Bolt liet navraag doen. Er bleken meer huishoudingen in de omgeving dat meel van Luitien te hebben gekocht, maar nergens werd er iemand ziek van.
In het huis van de slachtoffers waren tussen zaterdagavond en zondagavond alleen de broer van Albert Jacobs, Jan Jacobs, en diens tien- of elfjarige zoontje Jacob op bezoek geweest. Dat zoontje ging met het latere vrouwelijke slachtoffer erwten en peulen plukken in de hof – en zo was Jan Jacobs even alleen in huis geweest. Nadat grietman Fruytier op woensdag 29 juli de slachtoffers en enkele andere betrokkenen had gehoord en ook nog een lijkschouwing had laten verrichten door twee medici uit de stad, beschouwde hij deze Jan Jacobs als verdachte nummer één.
Maar Jan Jacobs woonde in Enumatil, onder het Vredewold, een andere jurisdictie. En het was midden in de zomervakantie: de grietman van Vredewold bleek noch in zijn rechtsgebied, noch in de stad te vinden. Daarom moest Fruytier noodgedwongen wachten met de arrestatie van Jan Jacobs tot 1 augustus, de dag dat diens broer begraven werd.
Bijna drie maanden later, op 29 oktober 1778, wees grietman Fruytier vonnis tegen de gedetineerde Jan Jacobs, ca. 42 jaar oud, geboren te Midwolde (Wk.) en laatstelijk woonachtig te Enumatil.
Fruytier overwoog dat Jan Jacobs zich zeer verdacht had gemaakt. Het schoteltje rattengif dat dokter Bolt uit het pannekoekenbeslag had gehaald en bovenop een kast had gezet, verplaatste Jan Jacobs daar uit zicht achter een kerkbijbel. Hoewel dit door buren gezien was, ontkende Jan Jacobs dit gedaan te hebben. Eerst beweerde hij dat hij niet eens wist dat het schoteltje daar stond, vervolgens gaf hij die kennis toe maar niet het verplaatsen, en toen hij ook dat laatste in confrontatie met de buren moest bekennen, zei hij dat hij dat deed omdat het schoteltje anders maar voor het grijpen stond.
Bovendien had Jan Jacobs bij zijn arrestatie tegen de roderoede (veldwachter) Ype Boon en nog iemand gezegd, dat het gericht een broedermoord nooit zou kunnen bewijzen zonder zijn bekentenis. Ook dat gold als zeer verdacht.
Grietman Fruytier moest echter knarsetandend toegeven, dat er wel veel aanwijzingen voor de schuld van Jan Jacobs waren, maar dat die met elkaar nog geen doorslaggevend bewijs vormden. De verdenking bleef van dien aard dat Fruytier de verdachte niet als gezuiverd wilde ontslaan van rechtsvervolging. Daarom moest Jan Jacobs plechtig beloven zich ter beschikking te houden van het gericht. Zodra hij een oproep kreeg om daar te verschijnen, moest hij komen. Zoniet dan zou dat als een bekentenis worden opgevat.
Op 5 november, na een toetsing van het vonnis door de Hoge Justitiekamer in de stad, kreeg Jan Jacobs het stuk voorgelezen in de gevangenis aldaar. Ik neem aan dat hij vervolgens onmiddellijk op vrije voeten is gesteld.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (gerechten Westerkwartier) inv.nr. 6: notulen van rechtdagen in criminele zaken.
De belijdenis van mijn overgrootmoeder
Geplaatst op: 20 november 2014 Hoort bij: Familie 4 reacties
De inschrijving van mijn overgrootmoeder (56) in het lidmatenregister van de hervormde gemeente Zuidhorn, op 30 maart 1928. Dat was een week voor Pasen. Op vrijdag deed ze samen met anderen belijdenis in de pastorie van ds. Bange en op zondag werd ze als lidmaat bevestigd in de kerk. Daarbij werd ze eerst gedoopt, want dat was kennelijk nooit gebeurd. Vaag schemerde me iets bij over de kerkelijke meelevendheid van vooral de vrouwelijke Vondelingen, maar dat viel bij het checken van dit register een beetje tegen (of mee, hoe je het maar bekijkt). Naast moeder Grietje deed alleen de jongste dochter Annie belijdenis – die was dan ook lid van de NH meisjesvereniging. De andere twee dochters komen niet in het lidmatenregister voor en dat blijkt evenmin het geval met de zes zoons en de vader. De kerk, zo moet je concluderen, speelde geen grote rol in het leven van de Vondelings. Toch behoorden de Vondelings in het kerkelijk zeer gepolariseerde Zuidhorn onmiskenbaar tot de hervormde partij. Ze hadden een hekel aan cocksianen. Gereformeerden kon je niet vertrouwen, vonden ze, die hadden het achter de ellebogen. Hier een plaatje van mijn overgrootmoeder, terwijl ze samen met haar man de aardappels schilt. Met negen kinderen ging er per warme maaltijd wel een emmertje piepers doorheen: 
Naschrift zondag 23 november 2014:
Volgens mijn moeder ging vooral zij regelmatig naar de kerk, al ging hij incidenteel wel eens mee.
v
Oogmeterij
Geplaatst op: 19 november 2014 Hoort bij: autobio 4 reactiesLaatste fase van de oogmeterij – voor mij althans nieuw – waarbij bekeken wordt hoever de pupillen van elkaar af staan etc.:

Bij mijn vorige bezoek aan de opticien, op een donderdagavond, zag die bij de oogmeting zwarte vlekjes of troebelingetjes en oneffenheden op mijn hoornvlies. Weshalve de oogmeting niet voltooid werd en ik het advies kreeg om naar de oogarts te gaan. Dat is inmiddels gebeurd. De oogarts dacht dat het aangeboren vlekjes waren en er zat in elk geval geen progressie in de vlekkerigheid (over de oneffenheden zei hij niets).
Dus opnieuw naar de opticien met deze boodschap. Die keek een beetje ongelovig en deed opnieuw de proef met kleurstof in mijn oog. Inderdaad zag hij nu minder vlekjes en oneffenheidjes dan bij de vorige oogmeting. Het kan eraan gelegen hebben dat mijn ogen de vorige keer droog waren. In elk geval scoorden ze qua sterkte nu beter dan de vorige keer. Blijkbaar maakt het toch wel wat uit of je je ogen ’s middags of ’s avonds meten laat. ’s Avonds zijn je ogen allicht vermoeider.
Enfin, over een dag of tien heb ik een nieuwe bril en kan ik een heleboel lettertjes weer best lezen.
Schuddeldouk roept gemengde gevoelens op
Geplaatst op: 18 november 2014 Hoort bij: Geschiedenis 6 reactiesDe vaatdoek was weer in het nieuws. Gister begon minister Schippers van volksgezondheid een campagne om mensen te wijzen op alle keukenbacteriën. Volgens de minister moeten we elke dag ons vaatdoekje uitkoken.
Is onze hygiëne de laatste halve zo sterk achteruit gegaan? Dat dacht ik niet. Ruim vijftig jaar geleden promoveerde de arts-dichter Jan Boer op besmettingen met spoelworm in zijn Oost-Groninger dorpspraktijk. En hij wijdde een aparte passage aan de schuddeldouk, zoals de vaatdoek daar heette:
“Op de keukentafek in vrijwel ieder gezin in Tange-Alteveer bevindt zich een natte doek, de zogenaamde “schuddeldouk”, die voor zeer verschillende doeleinden gebruikt wordt.
Naar het woord al aangeeft, zal de primaire functie zijn het afwassen, en soms ook afdrogen van “schotels”, dat zijn etensborden.
Daarna wordt de doek op de keukentafek gedeponeerd en gebruikt om er de tafel nu en dan mee af te vegen en om de vuile handen van de kinderen provisorisch mee te reinigen.
Na het eten veegt ieder der gezinsleden zijn mond af aan deze doek als aan een gemeenschappelijk servet.
Vaak is door mij opgemerkt, dat de huismoeders deze schoteldoek ook gebruiken om de kleuters, die zich met faecaliën verontreinigen, snel even mee schoon te maken.
Deze reiniging vindt dan door de beperkte ruimte in de woonkeuken dikwijls plaats op de keukentafel. In vele gezinnen wordt de tafel niet gedekt en speciaal bij de broodmaaltijd wordt geen gebruik gemaakt van etensborden.
De boterham wordt van de houten tafel gegeten, waarop even tevoren de reinigiging van de kleuter plaats vond – uiteraard werd de tafel voor de maaltijd afgeveegd met de schoteldoek.”
Van 71 gezinnen, waarvan leden besmet bevonden waren met spoelworm, onderzocht Boer de vaatdoekjes. In 28 gezinnen bleken deze de eieren van spoelwormen te dragen. In grote gezinnen gebeurde dit wat meer dan in de kleine.
Overigens wekt de schuddeldouk ook warm-nostalgische gevoelens op. Uit Onstwedde stamt een Lofzang op de Schuddeldouk. Dokter Boer zou er zijn wijze hoofd over hebben geschud (als hij het lied niet schreef).
—
Bron: J.J. Boer, Ascaris Lumbricoides L. in een dorpspraktijk (Groningen 1963), pag. 81 e.v. Met dank aan Henk Scholte voor het lenen van dit proefschrift.
‘Aj mor niet an de schuppe rakt’
Geplaatst op: 17 november 2014 Hoort bij: autobio, Familie 3 reacties
“Aj mor niet an de schuppe rakt”, was zo’n zegswijze van mijn moeder.
De schop stond voor keiharde landarbeid, met de pest in je ziel, het zweet op je voorhoofd en de blaren in je handen. (Zolang je handen nog niet genoeg vereelt waren, tenminste.)
Haar vader was nog een tijd boerenarbeider geweest. Hij wist nog precies zijn aanvangssalaris, hij verdiende er een rijksdaalder per week mee op zijn twaalfde, in 1917. Later werd hij electriciën en nog weer later aannemer van ondergrondse kabelwerken. Maar nadat hij zijn bedrijf verkocht had, nam hij vrolijk de schop weer ter hand: van zijn miniscule tuintje kwamen onvoorstelbare hoeveelheden groente.
Daar lag het niet aan, dat noodlottige odium van de schop. Dat kwam van verder weg in ruimte en tijd. Mijn opa’s voorouders waren boerenarbeiders in de omgeving van Delfzijl en Termunten geweest. Aan de schop raken betekende niet alleen een teruggang in tijd, maar ook een terugval naar de belabberde toestanden van weleer.
Volgens mijn moeder was haar enige broer een briljant wis- en natuurkunde-student. Maar toen hij begin 1954 een meisje bezwangerde, weigerde opa nog langer diens studie te betalen. Broer moest trouwen en eerst maar aan het wark als kabelgraver bij zijn pa in dienst. Hij raakte even an de schuppe, zogezegd.



Recente reacties