Lofdicht op de Zoepenbrij

Lofdicht op de zoepenbrij

Ze zijn nogal verfomfaaid en verstoft, de schriftjes die de Lopster uurwerkmaker Siepko Lameris vanaf 1857 met gedichten en stukjes proza volschreef. De afkalvende marges en het uit elkaar liggen van de blaadjes duiden erop, dat ze zeer vaak ter hand genomen zijn. Waarschijnlijk onderhield Siepko in de omgeving een voordrachtspraktijk, al is het ook mogelijk dat de schriftjes gewoon veel rond zijn gegaan, ook later nog in de familie.

In die schriftjes vind je voornamelijk Nederlandstalige stukjes van destijds bekende nationale auteurs. Maar er staan ook een paar Groningstalige stukjes in, helaas niet altijd compleet (voor zover ik tijd had om de puzzel te leggen). Anders dan bij de Nederlandstalige, zette Siepko bij de Groningstalige nooit de naam van een auteur. Wie ze schreef, is dus onbekend, maar de gedichtjes moeten zeker in de smaak gevallen zijn. Met name deze ode op de karnemelksepap, destijds dagelijkse kost voor zowat iedere Groninger – in menig huishouden hing het spul van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat boven het vuur te dampen, vaak werd het ook gegeten in combinaties met brood of aardappelen die ons nogal vreemd voorkomen:

Lofdicht op de Zoepenbrij
opgedragen aan een jeugdig en bevallig boerenmeisje door een boerenjongen.

De zoepenbrij dij smaokt zoo goud,
Mit stroop of zunder zuite;
Het geft ons fris en jeugdig bloud,
Het geft bie zwart brood kracht en moud
Veur wainig geld en muite!

De stadjer let ‘r wien veur staon;
Maor zel der lank op loeren.
Hij wil der graog ’n uur om gaon,
Ja, luip der wel veur nao de maon,
En vind hom bie de boeren.

Eet doe, mien wigt! maor zoepenbrij;
Het geft ook roode wangen,
(Maor wees nait mit de stroop te rei,
Want din rakst nait van kieven vrij.)
En loat de soeppot hangen.

En of ze zeggen: ’t deugt die nait,
Dat binnen al maor praotjes.
De zoepenbrij, leuv maor da’k ’t wait
Nait al te kold, nait al te hait,
Is beter spul as taotjes.

Het is ’n kost veur alle man
Veur jongen en veur ollen.
Het kind, dat lust ’t ‘r al graog wat van,
En dij ’t nait meer bieten kan
Zel ’t hier nait lank meer hollen.


2 reacties on “Lofdicht op de Zoepenbrij”

  1. Zoepenbrij met stroop dut mie altied denken aan Nije Schaanse .door woonde een taante van mien pa en daor kreeg ik altied zoepenbrij mit stroop.

  2. Bert Visser schreef:

    Bestaat het eigenlijk nog? Karnemelkse pap?


Geef een reactie op Grietje Blaauw-Stokebroek Reactie annuleren

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.