De beginjaren van de fotografie in Groningen

4 R

“Het zal omstreeks 1858 à ’60 geweest zijn, dat mijne ouders van een bezoek aan mijne grootouders te Scheveningen een groote nieuwigheid meebrachten: een daguerrotype van hen beiden, in Den Haag vervaardigd. In Groningen is nooit gelegenheid geweest voor het maken van dergelijke afdrukken, en proeven ervan waren zéér zeldzaam, zoodat het schilderijtje heel wat bekijks had.  Naar den tegenwoordigen maatstaf was het maar weinig zaaks: een verzilverde plaat waarop men niet zonder moeite, door het licht erop te laten spelen, eenige vlekken en strepen bespeuren kon, die inderdaad deden denken aan den persoon wiens beeltenis was  opgenomen. Meer dan een succès de curiosité hadden die afbeeldingen niet, en ze werden al heel spoedig verdrongen door de photografie die weldra haar intocht deed, doch dit op schroomvallige wijze.

Wie nu juist de eerste beroepsphotograaf in Groningen geweest is, durf ik niet te zeggen. Wèl weet ik dat een der eersten een gewezen onderofficier was, die Jansen heette, en een zeer bescheiden atelier had in een tuinhuis aan de toenmalige Kruitgracht, nu Kruitlaan.

Ter wille van de grootouders te Scheveningen, die natuurlijk prijs zouden stellen op de beeltenissen van hunne kleinkinderen, werden – ongeveer in 1860 – mijn drie zusjes en ik naar Jansen geleid om daar gefotografeerd te worden.  “Geleid om te lijden.” Want fotografeeren was in de eerste jaren geen kleinigheid: het poseeren duurde enkele minuten (men kon dan leeren hoe lang éém minuut duurde) en zoo was het, vooral voor kinderen, een beproeving om zóó lang rustig te blijven; het hoofd werd gesteund door een ijzeren beugel, die wel eens kneep. Er werden dan ook gewoonlijk een paar opnamen achter elkaar getrokken, om daaruit dan de minst slechte te kiezen.  Als een bizonderheid herinner ik me nog, dat die eerste photo’s van Jansen op linnen genomen waren.

Intusschen maakte de fotografie reusachtige vorderingen. Zoo heb ik nog een portret van mij uit 1862, in Den Haag genomen, dat nu nog een zeer goed figuur maakt.

Nog ééne opmerking. In plaats van de natuur zoo veel mogelijk te benaderen, werd in die eerste dagen vooral veel waarde gehecht aan de “pose”. De ateliers der eerste fotografen waren gevuld met allerlei attributiën, die bij de opstelling konden gebruikt worden. Balkonhekken, kolommen met bloemvazen en dergelijke malle dingen waarmee een gewoon mensch nooit in aanraking komt; geschilderde achtergronden die zalen of parken moesten voorstellen waren er te vinden, en het kostte dikwijls moeite om onder die ongewone dingen een keus te doen. Voeg dan daar nog bij de ijzeren beugel die het achterhoofd omkneld hield, en men kan zich voorstellen wat er vaak van zoo’n opneming terecht kwam. De uit dien tijd nog bewaard gebleven foto’s zijn in onze oogen vaak belachelijk.

Al spoedig bracht de fotografie in haar gevolg de stereoscoop mee: het houten kastje, waarin men door twee openingen twee beelden ziet, die samensmelten. Deze plaatjes, vaak vreemde landen voorstellende, werden spoedig zeer populair, en terecht, want ze vermeerderden de kennis van vreemde landen, gelijk die tot hier toe langs geen andere wijze bereikt kon worden.  De stereoscoop heeft haar recht van bestaan behouden.

De fotografie ging intusschen met groote schreden voorwaarts. De opneming werd steeds korter van duur, wat vooral aan de natuurlijkheid van het beeld ten goede kwam. De hooge prijs bleef aanvankelijk wel een beletsel: tien gulden voor twaalf kleine portretten was niets ongewoons. Op de kermis kon men wel goedkooper terecht, maar het werk was er dan ook naar.

Na Jansen, hiervoren genoemd, kwamen spoedig anderen, die een kostwinning zochten in de nieuwe kunst, maar het waren er slechts enkele. Van deze herinner ik mij nog Hühnerjäger, wonende in de O. Boteringestraat, een paar huizen ten noorden van de Butjesstraat, die goed werk maakte. Hij was een slimme mof, niet beschaafd maar goed gebekt. Op zekeren dag ontving hij het bezoek van de controleur der belastingen, een pompeus man die bij binnentreden zei: “Ik ben Crayvanger”. “Dann sind wir ja Verwandten”, kreeg hij ten antwoord: “Mein Name ist Hühnerjäger.”

Egenberger, kunstschilder en directeur van de academie Minerva, werd ook fotograaf. Het schilderen gaf hem in Groningen geen droog brood, en Minerva weinig meer. Hij had zijn atelier aan de Stationsweg, nabij de viaduct. Daar het nieuwe vak hem vreemd was,  had hij een Duitscher in dienst genomen: een heel bekwaam vakman, die zich weldra van hem losmaakte en voor eigen rekening begon. Von Kolkow, zoo was zijn naam, kreeg het weldra heel druk, en is gedurende jaren wel de beste vakman ter plaatse geweest. Hij kwam uit Oost-Pruissen, noemde zich Freiherr Julius von Kolkow en gevoelde zich zéér, wat men ter wille van het uitstekende werk dat hij leverde, verdroeg. Vooral was hij actief in het opsporen van oude zaken die opgeruimd zouden worden, en menig vergeten brok kunst en natuur werd door hem voor het nageslacht vastgelegd.

Dan had men Kramer aan het Aa-Kerkhof, die eveneens mooie foto’s buiten de hem bestelde genomen heeft.  Godfried de Jong en zijn opvolger Bekkering telden ook mee. Als laatste – en wellicht beste –  noem ik Wijnberg in de Poelestraat, die vele jaren lang in zijn ruim atelier heel wat opnamen gedaan heeft en vooral gevraagd werd voor het maken van groepen, die hij bizonder goed wist weer te geven.  Dat het poseeren hoe langer zoo korter duurde, en de fotografie bijna instantanée geworden was, is natuurlijk aan het welslagen in hooge mate ten goede gekomen.

De fotografie bracht weldra een andere liefhebberij mee: het verzamelen van de prentjes. Daarvoor kwamen al spoedig albums in den handel: groote boeken die vier gewone plaatjes op één bladzijde konden bergen, met mooie banden van leer en fluweel. Iedere familie die zich respecteerde, had zoo’n boek, dat te pronk lag op een tafeltje in de visitekamer. En als dan het gesprek kwijnen mocht, gaf het bekijken van die plaatjes weer stof tot discours. Ook de jonge dames waren niet tevree, alvorens ze in het bezit van zoo’n album waren.

Van zulke albums met foto’s uit vervlogen tijd, zullen er in oude families nog genoeg bewaard gebleven zijn. Het is te hopen, dat men die zaken niet beschouwt als oude prullen, maar ze zorgvuldig bewaart als trouwe getuigen van den tijd waarin ze ontstaan zijn, niet het minst ter wille van kleeding en uiterlijk voorkomen. Ik denk hier vooral aan de coiffure en het schoeisel van de vrouwen en meisjes, dat thans zulk een opvallend verschil toont met de drachten van eene halve eeuw geleden.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 1501 (Verzameling losse stukken Gemeentearchief Groningen) inv.nr. 369.6 (aantekeningen door W.J. Roelfsema Hzn. over het dagelijks leven in Groningen etc., eind 19e – begin 20e eeuw) katern VI, pag. 74-79 (notitie gedateerd augustus 1932).


4 reacties on “De beginjaren van de fotografie in Groningen”

  1. Dick Bolt schreef:

    mooi verhaal, om van te smullen

  2. Siebrand Homan schreef:

    Weliswaar niet werkzaam in Groningen maar wel aldaar geboren: Pieter Oosterhuis, zoon van Haatje Pieters Oosterhuis, uit Tolbert, en Grietje Schuil. Geboren zaterdag 12 november 1816.
    Bekend fotograaf in Amsterdam!. Over hem is een monografie verschenen, deel 3 in de serie Monografieën van Nederlandse fotografen, tekst van Anneke van Veen, “Zijn foto’s van de scheepvaartindustrie en de bruggenbouw zijn ongeëvenaard”. Overleden in 1885.
    Siebrand Homan

  3. Prachtig verhaal weer.
    Ik moet er niet aan denken om onze jongste, o zo beweeglijke kleinzoon zo te moeten fotograferen. Daar zou niets dan vage vlakken van overblijven, vrees ik. 😉


Geef een reactie op Jan K. alias Afanja Reactie annuleren

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.