Sonja, de speurhond uit Uffelte
Geplaatst op: 29 januari 2014 Hoort bij: Drenthe vrogger 1 reactie
“UFFELTE, 13 Juni. Eenige dagen geleden werd de speurhond van rijksveldwachter v.d. Berg, Sonja, ziek. Onmiddellijk werd een dierenarts gewaarschuwd. Hulp mocht evenwel niet meer baten; gisterenmorgen is het dier gestorven.
Het is wel iets bijzonders, als in de kolommen van een krant melding wordt gemaakt van het sterven van een hond. Sonja verdient echter, dat voor haar een uitzondering wordt gemaakt. Daarvoor heeft deze tot in wijde omgeving bekende speurhond gedurende vijf jaar te veel nuttig werk ten dienste van de gemeenschap verricht. Heel wat delicten, welke anders wellicht nimmer tot opheldering gebracht zouden zijn, heeft Sonja, samen met haar baas, tot een snelle oplossing weten te brengen. Wat voor het gewone politioneele opsporingswerk verborgen bleef, daar bracht de scherpe neus van Sonja meermalen uitkomst. Vele zijn dan ook de gemeenten, ook buiten de provincie, waar men voor het doen van nasporingen de hulp van den rijksveldwachter en zijn herdershond inriep.
De heer v.d. Berg zal ongetwijfeld slechts noode van zijn trouwe metgezel hebben kunnen scheiden. Het zou echter gewenscht zijn, daar deze politieman blijkbaar de moeilijke kunst verstaat, goede speurhonden op te kweeken, dat hij spoedig in het bezit van een nieuwe hond gesteld wordt.”
Aldus de Meppeler Courant van 16 juni 1939. Die krant is helaas niet gedigitaliseerd en op internet gezet, iets waarmee de firma Boom die hem uitgeeft, veel goodwill zou kunnen kweken. Minder plaatselijke kranten die wel via internet in te zien zijn, noemen Sonja echter ook wel.
Zo was er begin september 1937 een bijenkorf met de honing er nog in van een erf in Busselte gestolen. Brigadier Van de Berg kwam toen met Sonja uit Uffelte over. Op het erf vond hij voetstappen en een stuk krant, waar hij Sonja aan liet ruiken. Meteen ging de hond zoeken over enkele akkers en bleef staan bij een eikenbosje naast de weg. Daar liep het spoor dood. Vermoedelijk was de dief ter plaatse op de fiets gestapt en over het verharde fietspad richting Havelterberg gereden, waardoor de hond niets meer kon uitrichten. Maar de politie wist nu wel waar ze de dader zoeken moest en vond in Havelterberg een arbeidershuis, waar de kapotgesneden bijenkorf lag met het andere stuk krant, naast een intact opzetstuk van de Busselter boer en een emmer vol met honing. De verdachte zoon des huizes bekende en gaf aan dat Sonja tot de plek waar hij op zijn fiets was gestapt het juiste spoor had gevolgd.
Was dit een half succes, bij een inbraak in Blesdijke, waar de dief – waarschijnlijk een bekende van het slachtoffer – er eveneens op een fiets vandoor ging, was de inzet van de hond van nul en generlei waarde. Dat gold eveneens bij de vermissing van een jongetje uit Steenwijk. Speurhonden willen dus nog wel eens meer tot de verbeelding spreken, dan effectief zijn.
Brigadier Van de Berg kreeg inderdaad een opvolger voor Sonja, die hij Damon heeft genoemd. Damon kwam nog veel vaker in het nieuws dan Sonja, maar ook zijn inzet leverde lang niet altijd succes op.
Aanbesteding met een klein bouwschandaal in Dwingeloo
Geplaatst op: 17 januari 2014 Hoort bij: Drenthe vrogger, Familie 1 reactie
Westeinde 65a, later Heuvelenweg 17 in 1965. Foto: Dwingels Eigen (met dank!)
In mijn familie was het eigen woningbezit bij de vier jongste generaties dominant, wat qua historisch onderzoek grote voordelen biedt. Eigenaar-bewoners zijn namelijk door de bank genomen veel gemakkelijker naspeurbaar dan huurders. Niet alleen zijn er geheid koop- en hypotheekaktes in notariële archieven bewaard, via ouwe kranten kan je bovendien particuliere aanbestedingsprocedures reconstrueren.
Zo liet mijn grootvader Albert Vondeling in 1939/1940 het bovenstaande dubbele woonhuis met werkplaatsen en winkelruimte bouwen aan het Westeinde van Dwingeloo (later herdoopt tot Heuvelenweg). De architect ervan was R. Koeling Pzn. uit Eemster, die volgens de aankondiging, op 2 juni 1939 in de Meppeler Courant, ook de aanbesteding voor mijn grootvader regelde:

Foto van beeld op leesapparaat voor microfiches, Drents Archief. Helaas is de Meppeler Courant niet via internet beschikbaar.
In deze tijd speelde een verhaal dat mijn moeder wel eens vertelt om aan te tonen hoe “loos” mijn grootvader was. Die werkte sinds het voorjaar van 1939 als electriciën in Dwingeloo. Aan dagelijks op en neergaan vanuit Zuidhorn viel natuurlijk niet te denken bij het toenmalige (openbare) vervoer en zolang hij nog geen huis in Dwingeloo had, logeerde hij er in hotel Mulder aan de Brink, terwijl zijn gezin nog even in Zuidhorn bleef wonen. Of het nou in hotel Mulder of bij een klant was weet mijn moeder dus niet, maar op een gegeven moment kwam mijn grootvader een klein bouwschandaal ter ore. De aannemers uit Dwingeloo en omgeving maakten gemene zaak en hadden afgesproken “er een kop op te doen”, dus hun inschrijvingen met een gelijk bedrag op te hogen, dat ze dan naderhand onder de verliezers zouden verdelen. Mijn grootvader liet zich vervolgens tegen deze en gene ontvallen, dat ook een aannemer uit Zuidhorn gading maakte naar de klus. “En toen deden ze de kop eraf”, aldus mijn moeder.
Het Nieuwsblad van het Noorden berichtte op 14 juni 1939 over deze aanbesteding:

De hoogste inschrijvers waren dus zo’n 20 % duurder dan de laagste. Volgens een iets uitgebreider bericht in de Meppeler Courant van een paar dagen later, waren er 11 inschrijvers geweest voor het timmer-, metsel-, grond- en stucadoorswerk, terwijl zich 8 gegadigden voor het verven en behangen hadden aangediend. De concurrentie was dus redelijk groot. Overigens dong er geen enkele aannemer uit Zuidhorn mee.
Uiteindelijk gunde mijn grootvader het werk niet aan de laagste inschrijvers, in wie hij kennelijk onvoldoende vertrouwen had. Volgens de Meppeler Courant van 21 juni mocht aannemer R. Koning uit Ruinerwold het pand gaan bouwen, terwijl B. Eggink uit Dwingeloo het glas- en schilderwerk ging doen. Welke bedragen hiermee gemoeid waren, bleef helaas onvermeld, maar we kennen in elk geval de bandbreedte – al met al zal het pand mijn opa zo’n 6000 gulden hebben gekost.
Het rechter gedeelte, met de winkel, werd vast het eerst afgewerkt. Het linker gedeelte verhuurde mijn grootvader naderhand aan de onderwijzer Benus en diens vrouw, ook mensen met een Groningse achtergrond.

Meppeler blad voor huisvlijt
Geplaatst op: 15 januari 2014 Hoort bij: Drenthe vrogger, Media Een reactie plaatsen
Fraaie Jugendstil-advertentie, voorkomend in het allereerste nummer van het blad Huiselijke kunst, dat in april 1910 verscheen. Het betrof een uitgave van G.P. Dikkers Azn., die in Meppel een magazijn voor huisvlijt- en kunstnijverheidsartikelen gecombineerd met een postzegelhandel dreef. Via zijn blad wilde hij lezers op de hoogte brengen van nieuwtjes op het gebied van vlakbranden, kantklossen, houtsnijwerk, batikken en wat dies meer zij. In ettelijke regionale en landelijke kranten werd zijn blad aangekondigd en ook wel positief besproken als
“Een periodiek, waaruit men heel wat mooie dingen voor de huishouding kan leeren maken. Platen en tekst ademen distinctie en goeden smaak”
Toch maakte het zijn eerste jaargang amper vol. Kennelijk was de markt ervoor niet groot genoeg en kon het niet uit. Opmerkelijk was nog dat Dikkers ook advertenties voor transatlantische correspondentie- en uitwisselingsclubs opnam:

Ik kreeg mijn exemplaar, dat voorzien is van het stempel ‘proefnummer’, jaren geleden van Boekito, en vond het vanavond terug in een verhuisdoos. Aangezien ik er verder niets mee doe, denk ik dat ik het maar aan het Drents Archief schenk, want dat heeft het vast niet in zijn collectie.
“Denk niet dat alle koeken van eenerlei maaksel zijn”
Geplaatst op: 1 januari 2014 Hoort bij: Drenthe vrogger Een reactie plaatsen“Brandewijn met boonen” is niet typisch Drentsch, omdat het velerwege in mode is. Maar wat zeker nagenoeg alleen den ouden Drentenaar eigen is, is het gebruik van een ouderwetschen zilveren “kop” (= brandewijnskom, HP) en dito lepel, welke beide traditioneele oudheden hier en daar op Nieuwjaar lustig rondgaan, d.w.z. alle dan aanwezigen nemen telkens, op de beurt af eenen hap met bedoelden lepel uit den “kop”. Reeds vroeg in den morgen wordt daarmee het nieuwe jaar ingewijd.
Maar laat ik eerst al de drukte beschrijven, welke dien gewichtigen morgen en dag voorafgaat. Als ge, lezers, tusschen Kerstmis en Nieuwjaar vele Drentenaren bezoekt, vindt ge er stellig ettelijke meisjes en jonge mannen aan ’t bakken van Nieuwjaarskoeken, en niet slechts eenige dozijnen, maar in vele huisgezinnen hebben een paar jongelui een vollen dag druk werk met dat bakken. Dikke stukken keenhout worden vroeg in den morgen aan ’t vuur gelegd; een stuk spek afgesneden, gedoopt in olie en vastgestoken aan eene vork om zoo te dienen tot het telkens smeren der nieuwjaarsijzers; de eerste mengselpot wordt bereid en men vangt den arbeid aan. Diezelfde mengselpot wordt meermalen aangevuld, nu eens voor kwaliteit van zoo-zoo voor de echte “loopers”, dan weer voor het betere soort met het doel daarop buren en familie te trakteeren.
Want denk niet dat alle koeken van eenerlei maaksel zijn. Anijs en stroop zijn vaste ingrediënten, maar meer of minder stroop, daar zit ‘m de knoop der welsmakendheid en dan … de meelsoort, die van rogge, gerst of tarwe kan zijn, de eerste beide vooral.
Is het spek aan het einde van den dag niet afgeslreken, dan worden de laatste koeken van superieure kwaliteit, nl. dikke spek-nieuwjaars-koeken, die zich goed laten smaken.”
Bron: Drenticus (te B. = Borger?), ‘Zeden en gewoonten in Drente’ 1: Nieuwjaarsgebruiken, Nieuwsblad van het Noorden 7 januari 1900.
Slechts in de achterlijkste uithoeken werd nog gepaft
Geplaatst op: 31 december 2013 Hoort bij: Drenthe vrogger Een reactie plaatsenDe traditie van het Nieuwjaarsschieten was zelfs in Drenthe niet continue:
“Het gevaarlijke schieten met pistool en geweer geraakt uit de mode. Eensdeels omdat het jongvolk vermindert, anderdeels door toeneming van het moderne verkeer, is in de laatste jaren verzachting van zeden te bespeuren en zijn het nog alleen de geïsoleerde dorpen, waar men zooal niet met vrees, dan toch met eenige ongerustheid over den afloop den Nieuwjaarsdag tegemoet ziet.”
Bron: Nieuwsblad van het Noorden 20 september 1908, ‘Uit Oost-Drente’ XXIV., Nieuwjaars viering.
Havelte in de jaren zestig
Geplaatst op: 31 december 2013 Hoort bij: autobio, Drenthe vrogger Een reactie plaatsenIk kon het natuurlijk weer niet laten om op de verzamelbeurs in de sporthal hier vlakbij weer wat prentbriefkaarten van mijn geboortedorp Havelte te kopen.
Allereerst een foto van het keuterijtje aan de Dorpsstraat dat in 1958 nog op de nominatie stond voor sloop, maar dat in 1959 gekocht en gered werd door juffrouw Mesdag, die er zelf in ging wonen. Deze dochter (1909) van een doopsgezonde graanhandelaar kwam uit Groningen, had na haar studie romaanse talen aldaar een poos in Italië gewoond, dreef jarenlang een huiswerkinstituut in Groningen, gaf ook wel eens een cursus Italiaans, was vanaf 1953 lerares Frans aan het gymnasium in Assen en mijn moeder keek zeer tegen haar op:

– Onze gebruikelijke hang out in de zomer, zwembad de Kerkvlekken. Van die hoge duikplank en ik maar één keer afgesprongen, toen durfde ik niet meer wegens hoogtevrees:

Het zwembad was van 1956 en oorspronkelijk een natuurbad, waar ik ook wel eens een salamander in heb zien rondzwemmen. De bassins en de randen waren geverfd in een heldere kleur blauw, wat een frisse indruk gaf. Fris was het ook bij mijn eerste zwemles, begin jaren zestig: 14 graden stond er op het bord. Midden jaren zestig werd het zwembad omgebouwd tot een circulatiebad met een filterinstallatie die er chloorwater inbracht.
Het Piet Soerplein, zoals het oude schoolplein vanaf 1967 genoemd werd:

De rechter kei lag oorspronkelijk bij de Oude Vaart (Beilerstroom), waarschijnlijk als grensmarkering tussen de marken (dorpsgebieden) van Havelte en Uffelte. In 1962 werd hij naar het oude schoolplein overgebracht. Die andere kei kwam er volgen mij later bij. De keien vormden een soort verzamelpunt voor als er bijvoorbeeld naar een voetbalwedstrijd in de buurt werd gefietst. Later schoolde er ook wel dorpsjeugd samen. Het winkelhuis rechts was van oud-smid en rijwielhandelaar Faber. Hij verkocht fietsen, potten en pannen en blikwerk. In een van die grote etalageruiten schoot mijn anderhalf jaar jongere broer eens een miniscuul sterretje met zijn katapult. Hij kreeg een ziedende Faber achter zich aan die bij ons in de bijkeuken schreeuwde dat al zijn ramen aan diggelen lagen.
Tot besluit een met rietmatten van een voormalige koestal afgeschoten zitje. Dit bevond zich bij het atelier van pottenbakker Dirk Staf aan de Brink. Blijkbaar had Staf ook een galerie die hij voor andere kunstenaars openstelde, want veel keramiek zie ik niet, terwijl de abstract-expressionistische, Cobra-achtige schilderijen juist zeer opvallen:

‘Twintig papflessen sneuvelden’ en andere curieuze ongelukken in Havelte e.o.
Geplaatst op: 28 december 2013 Hoort bij: Drenthe vrogger 1 reactieWas een dagje op zoek naar krantenberichten over mijn geboorteplaats Havelte en verwonderde me daarbij over het enorme aantal verkeersongelukken, in de jaren vijftig. Op elk kruispunt loerde het gevaar. Pardoes overstekende kinderen en bejaarden waren naast venters nogal eens de dupe, ook omdat auto’s naar onze maatstaven veel te hard reden en dus nog een veel langere remweg kenden. De snelheidbeperkingen hebben wat dat betreft enorm goed gewerkt.
Naast tragische, waren er curieuze ongelukken. Zo kantelde in 1957 bij de Pijlebrug een tankwagen met ruim 16.000 liter bloed. Er vloog een afsluiter af, zodat de inhoud over een afstand van honderd meter over de weg heen stroomde. Hier er en daar was de laag wel 15 centimeter dik en de lokale brandweer had meer dan een uur nodig om het van de weg af te spuiten.
Een jaar later lag daar niet ver vandaan anderhalve ton aan pakjes boter op de rijksweg. Een vrachtwagenchauffeur was die ongemerkt kwijtgeraakt. Automobilisten reden door de pakjes heen, waardoor er een enorme smurrie op de weg kwam, andere automobilsuten raapten nog intacte pakjes op en kregen, voor zover de politie ze kon achterhalen, een bekeuring aan de broek.
Je reinste slapstick met zuivel was er in 1956 in Uffelte. Een boerenpaard schrok bij het uitspannen zo van een wapperende overall aan een waslijn, dat het de benen nam en de dorpskom in galoppeerde. Hier denderde het een bakfiets compleet met melkventer omver, die gezamenlijk in een bermsloot belandden. “Twintig papflessen sneuvelden”, aldus de krant, terwijl de melkventer een gekneusde schouder opliep. De schade zou men onderling regelen.
Soms blijkt ook iets van collectief mededogen met iemand die een ernstig ongeluk meegemaakt had. In mei 1955 was een timmerman bij een aanwakkerende storm bezig om een dak af te dekken met een dekkleed, Terwijl hij daarmee bezig was wierp een rukwind hem met dat dekkleed en al over het dak heen. De zwaar gewonde man kwam eerst in een ziekenhuis in Groningen terecht en werd naderhand langdurig verpleegd in Amsterdam. Toen hij met de kerstvakantie dat jaar tien dagen “met verlof in zijn gezin aanwezig” was, gaven de drie vrouwenverenigingen hem een radio, een radiotafeltje en een gratis abonnement op de VPRO-gids Vrije Geluiden. “Dat deze verrassing zeer op prijs werd gesteld, is te begrijpen,”
Een toverheks op de Veendijk (1879)
Geplaatst op: 27 december 2013 Hoort bij: Drenthe vrogger 1 reactie“Op de eerste maandag van het nieuwe jaar, dat was vroeger gebruikelijk in Havelte, waar mijn ouders op de Veendijk een boerderij hadden, werden een paar manden met aardappels klaar gezet voor de armen die daar wat van konden komen halen. Bij het dorp woonde een oude vrouw die algemeen de “toverheks” werd genoemd. Wij als kinderen, ik was toen zeven jaar, waren bang voor haar. Zij kwam aardappels halen en riep mij bij zich.
Ik weet nog dat ik het even benauwd had. “Loat mien oe handtie ies eem zien”, zei ze, en streek met haar vingers over de lijnen in mijn hand. “Ie wurden later dominee!”, zei ze. Mijn vriendje, ook een boerenzoon, keek ze ook in de hand: “En ie zullen later burgemeester wurden”.
Ik geloof nu nog altijd dat het een echte toverheks is geweest, want ik wérd dominee en mijn vriend is een poos loco-burgemeester van Havelte geweest.”
Aldus de emeritus-predikant Hendrik de Groot (95), een paar maanden voor zijn overlijden in de rubriek Noorder Rondblik van het Nieuwsblad van het Noorden, 13 februari 1967. Het geval dat dominee zich zo levendig herinnerde moet zich dus in 1879 hebben afgespeeld.
Bastaards Willem II naar Frederiksoord?
Geplaatst op: 4 december 2013 Hoort bij: Drenthe vrogger 1 reactieEen mooie legende, opgedist door mijn ouwe kameraad Wil Schackmann:
Storm en storm is twee
Geplaatst op: 28 oktober 2013 Hoort bij: autobio, De actuele wereld, Drenthe vrogger 9 reactiesOpvallend aan een berichtje over de doden bij de orkaan van 1972, is niet alleen de dubbeltelling van het enige Havelter slachtoffer – nee, het valt me op dat het meest mannen van in de vijftig zijn. Ze gingen toch op stap, alle waarschuwingen om binnen te blijven ten spijt.
Bij die orkaan van 13 november 1972 viel bij Havelte een heel bos omver. Zeer indrukwekkend was dat. Het betrof een fors dennebos, gelegen in de zogenaamde Homanbossen langs de Van Helomaweg. Dat was op de hoofdroute naar school, zodat je nog jaren aan die storm herinnerd werd.
In mijn herinnering duurde die storm veel langer dan die van vandaag:
Van Tolbert naar stad
Geplaatst op: 21 oktober 2013 Hoort bij: Drenthe vrogger, Ommelanden, Onlanden 4 reactiesGeïsoleerde, maar zeer uitbundige manifestatie van de herfst bij de Cazemier- of Frewewalda-boerderij in Tolbert:

Even buiten Leek richting Roderwolde:

Groeizaam weer, nog vrij veel vee in de wei – zoals ook in de laagte bij Nietap:

Patroon in boomstronk:

De blik achterom naar het eerste stukje weg tussen Leek en Roderwolde:

Boerderij in Leutingewolde:

Hoewel er dus best wel sappige grassprietjes zijn. prefereren deze gedegenereerde koebeesten in de Onlanden bij Roderwolde droog hooi:

Een stelletje ganzen, daar vlakbij:

De Zuidlaardermarkt anno 1797
Geplaatst op: 15 oktober 2013 Hoort bij: Drenthe vrogger 6 reactiesVanaf de dertiende eeuw wordt ze gehouden, op de derde dinsdag van oktober. Die derde dinsdag was altijd een traditionele tijdsmarkering: in de herinnering kon iets er zoveel dagen of weken voor of na gebeurd zijn. Voor die dag moest een boer ook, wilde hij zich niet de meewarigheid van zijn collegae op de hals halen, klaar zijn met ’t najaarswerk, zoals aardappelrooien; na die dag mocht eindelijk de kachel voor het eerst weer aan. “Bie ons is Zuudloard’r maark as de zeeg’n op ’t waark” zei men dan ook wel.
In de tijd dat paardentractie nog de enige tractie was, op die van mensen na, was de Zuidlaardermarkt de grootste paardenmarkt van Europa. Was de derde dinsdag van oktober weer daar, dan zwermden uit alle windrichtingen de paardenkopers en -verkopers richting Zuidlaren, met in hun kielzog ‘wichter’ en ‘jongs’ op zoek naar verkering. De vrijlustigen onder het publiek gaven uiteraard niet zoveel om de handjeklap-taferelen, al werd een geslaagde koop dan ook afgesloten met “geluk”. Nee, zij zochten elders hun vertier, in de herbergen, in de eendagsgelagen die in gewone huizen gehouden werden en – niet te vergeten – in de danstenten.
Maar laat me de Groninger arts Jacob van Geuns aan het woord, zelf nog vrijgezel, als hij in het najaar van 1797 aan zijn in Utrecht wonende vader verslag doet van de Zuidlaardermarkt:
“Ik heb laatst eens de Zuidlarensche markt bezogt. Dewijl dit een der drukste boeremarkten is in onze ommestreken en ik nog nimmer op een boeremarkt geweest was, bekroop mij de lust om deeze te gaan zien. Ik had eene goede gelegenheid om met neef Van Bergen er nae toe te gaan, die in zijn wagen een plaats over had en ze mij aanbood.
’s Morgens 10 uur reden wij hier vandaan en waren om 12 uur daar. Verbazend en onbegrijplijk groot is de toevloed van menschen daar heenen; op de groote plaats of brink werd men gestadig bijna verdrongen door de boeren. Wij bezogten de eigenlijke marktplaatsen, alwaar sterk gehandelt werd in jonge veulens, magere koeien en ook melkkoien. Hier kon men rijkelijk zien en horen het in de handen slaan en kloppen bij het handelen en dingen gebruikelijk. Trouwens, dat wilde ik ook liever doen als het gevoel hebben van die zware eeltige handen!
De kramen van koopmanschappen zagen wij ook, als ook de dans- en speeltenten. Hier was het minder vol en druk – schoon de vermaaklijkheden van ’t dansen eerst met den avond regt beginnen, zoo zag men toch hier en daar voor de viool dansen. Dewijl in dien dag alle de huizen in Zuidlaren herbergen zijn en ook bijna alle vol, namen wij ons quartier bij een bakker, alwaar wij van onze medegenomene provisie wat aten, met Drentsche stoete en een glas wijn. Men kan enigsints over de consumptie in die dagen in dat dorp oordeelen, daar de bakker daar wij waaren reeds 300 stoeten verkogt had en er zijn nogal verscheiden andere bakkers in Zuidlaren.
Namiddags na alles rondgewandelt en bezien te hebben reeden wij weer nae de stad, doch nu was het onbegrijpelijk drok met rijtuigen. De geheele weg van Zuidlaren nae Groningen was een bijnae aanhoudende passage van rijtuigen; bij Haren komende moesten wij wel bijnae 1/4 uur wagten eer wij door de aldaar samengepakte hoop van pleisterende chaisen en wagens konden komen.
’s Avonds thuis komende was ik wel blijde dit eens gezien te hebben, doch zoude geene sterke begeerte hebben nog dikwijls die reis te doen.”
Eerder verschenen in De Oosterpoorter (ca. 1995) en op een opgeheven website (2004).
Meester Bymholt over Darp als huttendorp
Geplaatst op: 6 augustus 2013 Hoort bij: Drenthe vrogger 5 reactiesBij de 14 miljoen krantenpagina’s, die de KB onlangs online zette, zitten nogal wat van De Telegraaf. Omdat ik eerder al eens de indruk kreeg dat meester Bymholt rond 1900 onder andere correspondent van die krant was, ging ik daarin maar eens zoeken op berichten uit zijn woonplaats Uffelte.
Vrijwel meteen was het raak. Een bericht uit 1897 heet weliswaar afkomstig van “een onzer Drentsche plattelandscorrespondenten”, maar dat de (christen-)anarchist en bibliotheekpionier het schreef, staat voor mij buiten kijf. Allereerst vertrekt de auteur van het bericht uit 1897 voor zijn wandeling vanuit Uffelte. Dat zou nog toeval kunnen zijn, ware het niet dat de overeenkomsten met soortgelijke verhalen die Bymholt anno 1903 en 1905 in De Amsterdammer publiceerde, ook verder legio zijn. Betreft het daar sfeervolle impressies van een sociaal bewogen mens, zo ook hier. In beide periodieken heeft de auteur het bovendien over grijze planken als voorgevels en het bruin der heide. En in beide media roept hij uit: “Arm Drenthe!” Zowel in het dag- als het weekblad confronteert hij verder de schoonheid van het landschap met de deplorabele sociale omstandigheden. Het ontbreken van aandacht voor Darp later in De Amsterdammer, laat zich ook verklaren door de aandacht die de auteur er eerder in De Telegraaf aan schonk. En waar hij anno 1897 nog niet in een hutje durfde te komen met zijn nette herenuiterlijk, maakt hij dat, zoals hij toen al beloofde, later goed.
Darp bij Havelte is in feite het middeleeuwse, maar naderhand sterk verarmde boerendorp Westerhesselen, het eerste dorp waar de Utrechtse bisschop als landsheer doorheen kwam, als hij Drenthe bezocht. Eigenlijk is Darp de oudste kern van het huidige Havelte – Darp betekent ook gewoon: dorp. Omdat plaatsbeschijvingen sowieso al zeldzaam zijn, wat des te meer geldt voor het armelijke Darp, laat ik de plaatsbeschrijving van Darp en het annexe Havelterberg hier in extenso volgen:
Ik dacht (…) u te vertellen hoe de hutten hier er uitzien. Het huttendorp in deze streken bij uitnemendheid, is het op een uur van hier gelegen Darp met een aangrenzenden Havelterberg, gewoonlijk ‘de barg’ genoemd. Mijn reisplan gold dus ‘de barg’.
Op een zaterdagachtermiddag sloeg ik den breeden zandweg in van Uffelte naar Darp. Weerszijden heidevelden, hier en daar een boschje, heidevelden en boschjes door slootjes — waarin water — afgescheiden van den streperigen weg. Die strepen: repen geel zand, repen hei en repen grijze vastgetrapte looppaadjes. Eeuwen zijn er, gis ik, noodig geweest om die looppaadjes grijs en vastgetrapt te krijgen, althans als er altijd zoo weinig loopers zijn, als op dien zaterdag-achtermiddag, toen ik vol groote plannen, mijne 65 kilo lichaamszwaarte aanwendde om grijsheid en vastgetraptheid te vermeerderen. Want geachte lezer, er kwam mij geen ‘sterveling’ tegen.
(…)
Na verschillende filosofische overdenkingen, kwam ik eindelijk bij het eerste huis van Darp. Dat huis was een hut. Zoo’n hut lijkt iets op een ouderwetsche doodkist, maar is wat grooter, niet veel — ook op een kuil, waarin de boeren aardappels bewaren, maar zoolang de aardappels er nog inzitten, heeft de kuil meer waarde. In zoo’n hut toch, wonen slechts menschen.
De gevel der hut was driehoekig en bestond uit elf grijze, bejaarde planken. De langste plank liep van den tophoek tot den grond en was iets langer dan een volwassen mensch, de andere, voortdurend in lengte afnemend, tot een voet toe, schaarden zich ter weerzijden, als een tien stuks grijsgejaste Atjeh- en Lombokstrijders om een langen korporaal. Twee hoopen aarde bij de basishoeken van den grijzen driehoek steunden het geveltje.
De korporaal en de langste twee kolonialen waren hun borst kwijt. Daar was ruimte uitgespaard voor twee onnoozel kleine venstertjes waarin enkele stukjes groen glas als katoogen naar de achtermiddagzon gluurden.
De achtergevel van het hutje was als de voor gevel, minus de katoogen. De zijgevels: eenige planken, grijs en bejaard.
Het dak: grauw stroo uit een vorig decennium.
Voilà tout!
En het inwendige van zoo’n hut?, vraagt u. Ik weet het niet. Want ik miste den moed om onder eenig voorwendsel binnen te gaan met gepoetste schoenen, overjas, hoed, stok en sigaar. Als ik eens, na die dingen die van een man een ‘heer’ maken, afgelegd te hebben, dit waag, dan zal ik u ook het interieur beschrijven.
Ik wandelde verder Darp ln, den Bisschopsberg 1) op, die met zijn 20 m. hoogte — toch nog het hoogste punt der drie noordelijke provinciën — nog minder recht op den naam van ‘berg’ heeft als onze Geldersche en Limburgsche heuvels.
En ik zag nog meer dergelijke hutten, enkele wat minder sjovel, met een steenen voorgeveltje, maar alle klein en armoedig.
Overal is de vloer van leem, naar de hoofdonderwijzer van het dorp mij vertelde. Alleen zijne woning en die van een boer, wiens zieke vrouw’s voeten het koude leem niet konden verdragen, kunnen roemen op een houten vloer.
Gansch een dorp van hutten, lezer ! Daarin leven menschen, daar ademen, eten en slapen zij; daar wellicht, misschien beminnen zij en bouwen plannen voor de toekomst.
Arm Drente!
En mijn medelijden werd groot met de daar in die hutten voortvegeteerende arme menschen, arm en leelijk, de vrouwen hoekig en scherp, lijvig als mannen, met doffe, grijze oogen.
O, het is mooi, die schilderachtig hier en daar planloos neergeplaatste hutten op de heuvelachtige heide, en vaak bleef ik staan om de natuur te bewonderen die met zulke eenvoudige middelen zulke schoone dingen kan voortbrengen.
Maar wat hebben de arme hutbewoners aan die mooiheid! Zij zien het niet. Zij kunnen het niet zien, daar ze geheel worden in beslag genomen door de practijk des levens.
Vóór ik terugkeerde, genoot ik nog van een mooien zonsondergang. Op bet bergje staande, zag ik de zon, dalende tusschen twee ‘bergtoppen’ door, prachtig werken met haar rood goud op het bruin der heide en het veeltintig groen van boschjes en heideplanten.
Toen het donker werd, ging ik terug, den eenzamen, streperigen zandweg langs. Weer ontmoette ik geen ‘sterveling’. lk liep alleen voort door avondgrauw en boschzwart.
1) Boven sprak ik van Havelterberg of ‘de barg’. Dat is het dorp en de Bisschopsberg is het heuveltje waar bet dorpje op ligt. Meer noordelijk is weer een heuveltje, de Havelterberg geheeten.
—
Bron: ‘Uit het Drentsche „Huttendorp”’, De Telegraaf van 6 mei 1897.
De democratisering van het orchestrion
Geplaatst op: 31 juli 2013 Hoort bij: Drenthe vrogger, Geschiedenis, Stad toen 3 reacties
Sommige reaguurders hier meenden zich erg negatief te moeten uitlaten over het verschijnsel orchestrion. De een deed zijn beklag erover dat het apparaat live-muzikanten het brood uit de mond stootte. Een ander was alsnog verheugd dat dergelijke instrumenten in 1911 te Groningen het zwijgen werd opgelegd.
En dat terwijl het volk zo lang heeft moeten wachten op orchestrions binnen zijn dagelijkse bereik.
In 1790 speelde het eerste Orchestrion, dat van de Duitse musicus Vogler, al in Amsterdam. Dit “meesterstuk”, naar Voglers ontwerp gemaakt door de Rotterdamse uurwerkmaker Kunkel, werd gedefinieerd als een orgel van 16 voeten (bijna vijf meter) groot. Dit telde vier klavieren en heette orchestrion
“vermits daarin alle instrumenten vereenigd zijn en een volkomen orchest oplevert”.
Lange tijd zag men dergelijke, voortdurende verbeterde kunststukken alleen op kermissen, of men moest er speciaal voor naar een echt grote stad als Amsterdam. Pas in juni 1895 werden de eerste orchestrions in Groningen door een winkelier verkocht:
De heer A. J. Jonkhoff, Oude Boteringestraat, annonceert in dit blad een nieuw instrument, zijn piano-orchestrion. Er is in de laatste jaren op het gebied van automatische muziekinstrumenten heel wat geproduceerd, waaronder werkelijk goede instrumenten, maar het piano-orchestrion spant de kroon. Het is het volmaaktste wat er tot nog toe op dat gebied is geleverd, en men maakt zich, als men het instrument hoort spelen, ongerust over wat in de toekomst het lot der piano-onderwijsgevenden zal zijn, want het piano-orchestrion geeft zonder bespeler alles van de volledige opera-fantaisie tot „Trek maar an ’t touwtje” zoo goed — met alle fortissimo’s en piano’s en in de juiste maat— als de beste pianino mèt een bespeler, met een verdienstelijke zelfs.
Als instrument kan men zich werkelijk niets beters denken, en als meubel zal het in elk salon op zijn plaats zijn. Zoodat wij den heer Jonkhoff wel succes met dit instrument durven voorspellen.”

Dat 1895 als het jaar mag worden gezien dat het orchestrion te onzent in veler bereik kwam, moge ook nog blijken uit een advertentie in de Winschoter Courant van de 16e oktober. Hierin bood een Jacob Appeldoorn uit Paterswolde orchestrions te huur aan voor kasteleins:

Deze Appeldoorn, geboren in 1858 te Bolsward, was bij zijn huwelijk met een Paterswoldse arbeidersdochter in 1881 nog boendermakersknecht. In 1929 stierf hij echter als ober van het Familiehotel in Paterswolde. Volgens zijn patroons was hij daar “vele jaren tot genoegen” in hun dienst geweest. Ik denk daarom dat Appeldoorn in 1895 niet voor eigen rekening handelde, maar als agent voor een fabrikant van elders. Het moet een bijbaantje voor hem zijn geweest. In het Familiehotel zal bij wijze van demonstratiemodel vast ook zo’n orchestrion hebben gestaan, de horden Groningers die er op hun traditionele zondagsuitje langskwamen, zullen ongetwijfeld voor mond-tot-mond-reclame hebben gezorgd.

Piano-orchestrion in museum Vosbergen, Eelde.
Gymnasiaal uitje naar Roderwolde (1936)
Geplaatst op: 13 februari 2013 Hoort bij: Drenthe vrogger 6 reacties“Men schrijft ons: Wie op den Peizerweg bij Bommelier westwaarts trekt komt bij een idyllisch plekje. Daar zaten dinsdagmiddag 30 juni omstreeks 2 uur een 34-tal gymnasiasten bij het voetveer. Daar ter plaatse heeft het Peizer Diep een meander, vanwaar een kanaal loopt naar Roderwolde.
Het Peizer Diep is omzoomd met oevers van moerassen. Van de flora trok het meest de aandacht de kalmus met zijn geurige wortel. Kalmus wordt gebruikt in Deventerkoek, haarwater, aetherische tincturen, tegen haaruitval, als spiritus met kalmus.
Over een uitgetreden paadje reden wij naar Roderwolde met zijn interessanten molen. Daar bij dien molen genoten wij van het uitzicht over de groene landouwen mét verspreid geboomte, overkoepeld door een kleurenrijke hemel vol van de schoonste tintenpracht zatgezogen. Op het stille kerkhof schaarden de gymnasiasten zich om het zandsteenen doopvont waar drs. G. D. Jonker een stemmingsstuk voorlas van ds. D. van Dijk.
Over den Roderwolderdijk ging het door onlanden, waar de wulpen riepen. Na een koele pauze in Hoogkerk ging het huiswaarts.”
Bron: Nieuwsblad van het Noorden 1 juli 1936

Recente reacties