De Anda en de veenkoloniale coastervaart
Geplaatst op: 5 juli 2016 Hoort bij: Drenthe vrogger 3 reactiesDe Anda is een ouwe coasteren een vaste verschijning op manifestaties van varend erfgoed. In naam kwam het schip uit Gasselternijveen, ooit in grootte de vierde thuishaven van heel Nederland. Anda Vonk, de dochter van de vroegere schipper, vertelt over het leven met dit schip, de veenkoloniale schipperij en de sterke schippersvrouwen van Gasselternijveen:
(Productie van rtv Drenthe.)
Weer eens naar Veenhuizen, en nu heel anders
Geplaatst op: 6 juni 2016 Hoort bij: Drenthe, Drenthe vrogger 11 reactiesJe kunt dus twee totaal verschillende personeelsreisjes naar Veenhuizen hebben. De vorige keer, met de UK, gingen we het museum rond. Dit keer, met de Groninger Archieven, lunchten we daar alleen en bezochten we verschillende attracties rond het museum.
Bij hotel-restaurant Bitter & Zoet deze fantastische libelle die ook met haar vleugels klapperde:

Eerst aan een parcours klootschieten gezet. Waarbij de kloot (of bal) wel eens moeilijk terug te vinden bleek:

Bij het Veenhuizer vee mag de klootschieterij zich mede daarom in een warme belangstelling verheugen:

Onderweg nog een schuur gescoord voor mijn verzameling:

Zoals ik al zei: soms was de kloot moeilijk terug te vinden:

Na de lunch mochten we met de bajesbus door heel Veenhuizen, ook op plekken waar het gevangeniswezen nog volop bestaat:

De reis eindigde bij “De Rode Pannen“, een cellencomplex voor dominante en agressieve types die in andere gevangenissen niet te handhaven waren:

Celdeur met gordijntje voor het kijkraampje:

Cel voor gevangene met gunsten (TV):

Cel voor twee gevangenen:

Cel voor gevangene zonder gunsten:

Isoleercel:

Bed in isoleercel met riemen en gespen om een zeer weerspannige gevangene op vast te sjorren:

Luchtplaats:

Dak luchtplaats:

Onderweg van Bitter & Zoet, waar we op het terras de twee enorme supersonische knallen hoorden, naar Maallust:

Dat is de vrij succesvolle brouwerij van Veenhuizen:

Caramelachtig mout en een van de bieren die ze er maken:

De cockpit van de brouwerij:

In Maallust ook nog warm gegeten (buffet). Smaakte prima.

Reconstructie van onze bunker
Geplaatst op: 2 mei 2016 Hoort bij: autobio, Drenthe vrogger Een reactie plaatsenVandaag kwamen er twee tweets voorbij over een Duitse bunker, aangetroffen in Havelte. Eerst een bericht dat het als feit bracht. Vervolgens de twijfel.
In Havelte ben ik opgegroeid. Je had er allemaal Duitse gebouwen in onze buurt. Eén kazerne zat op honderd meter naar het westen, een andere stond op honderd meter naar het noorden. Achter de laatste, aan de Molenweg, lagen een paar bunkers.
Die bunkers bestonden deels uit vrij lage vierkante, uiterst solide afgewerkte gebouwtjes, afgedekt met een forse plaat beton. Onder die plaat zat volgens mij een spleet. Daar kon je vast doorheen schieten. Aan de voorkant had je een deur, die stevig dichtgespijkerd zat.
Achter het gebouwtje bevond zich een iets minder hoog, dijkachtig zandlichaam, met gras begroeid waar twee luchtpijpen doorheen staken. Als je in zo’n luchtpijp keek, zag je heel ver onderin water staan. Gaven die pijpen nou echo? Of verbeeld ik me dat?
In de beeldbank van het Drents Archief vind ik jammer genoeg geen foto, maar ik heb er zelf eentje gemaakt bij de sloop, ca. 1970, 1971:

Achteraf vind ik het jammer dat ik niet eerder een foto maakte, want het zandlichaam is hier al weggehaald en nu zie je alleen het openliggende karkas eronder. Maar bij nadere bestudering van de foto, blijken de contouren van dat zandlichaam nog wel zichtbaar. En als je die bijvoorbeeld met lichtgroene lijnen aanzet, dan is de verdere reconstructie vrij eenvoudig:

Vertelde ik al dat in de bunkers water stond? Een eng verhaal wilde dat er nog dooie moffen helemaal onderin zo’n bunker lagen. Maar dan zou dat water toch stinken?
’s Winters als er sneeuw lag suisden we joelend met sleetjes van dat zandlichaam af. De kunst was om zo ver mogelijk te komen, onder het prikkeldraad door, tot in het volgende weiland.
Mijn opa in de krant (2)
Geplaatst op: 24 april 2016 Hoort bij: Drenthe vrogger, Familie 2 reactiesMijn grootvader Harm Perton was als commies in Uffelte verantwoordelijk voor het toezicht op de betaling van allerlei directe, persoonsgebonden belastingen, zoals die over de inkomsten, waarvoor hij ook wel (boeren)boekhoudingen in zijn ressort controleerde. Een van de kleinere belastingen, waarop hij toezicht uitoefende, was die op de rijwielen. Zo heb ik hier al eens aan de hand van een Nieuwsbladbericht beschreven hoe hij eind augustus 1927 iemand aanhield, omdat die geen fietsenplaatje leek te hebben. Later bleek dat deze man zich, na een laatste scheerbeurt bij een lokale barbier, van kant had gemaakt door in de Drentse Hoofdvaart te springen. Mijn grootvader was een van de laatste mensen die hem zag.
Blijkbaar waren bekeuringen destijds zo zeldzaam of bijzonder, dat ze nog de krant haalden. In de Provinciale Drentsche en Asser Courant, sinds kort op Delpher, vond ik tenminste enkele berichtjes over bekeuringen, door mijn grootvader uitgereikt aan mensen die een rijwiel bereden, “dat niet voorzien was van een belastingplaatje”. De eerste bon van dien aard dateerde van oktober 1926, toen een J.S. Blok van Wapserveen de klos was. De tweede, in januari 1927, betrof een dochter van de landbouwer O. En de derde, in september 1930, ene T.K. Bij de tweede ging het overigens om een coproductie met de plaatselijke rijksveldwachter Van de Berg, later bekend als opleider van eminente speurhonden.
Zoals een fietsenplaatje een bewijs van betaling der rijwielbelasting vormde, gold het kenteken op motoren en auto’s als een soort van kwitantie voor de motorrijtuigen- of wegenbelasting. Ook op dit vlak was mijn grootvader verbaliserend actief, want van een familieverhaal wist ik al dat de burgemeester van Havelte eens door hem op de bon geslingerd is, toen de man in een auto zonder nummerbord rondreed. Dat geval heeft helaas, naar het zich nu laat aanzien, de krant nooit gehaald, maar wel een ander, te weten dat van de Havelter motorrijder P.M. die in augustus 1929 meende het zonder wegenbelastingkaart te kunnen doen.
Rijksveldwachter Van de Berg en mijn grootvader trokken wel vaker samen op. In 1930 hield de agent een fietsendief aan, terwijl hij met mijn grootvader op pad was. Samen brachten ze de “deugniet” op naar de plaats delict in Smilde. Van eind 1931 dateert het bericht, dat enige Uffelter schoolkinderen in een bosje achter een café een “vreemde, rare kerel” hadden gezien, “die hen bang had gemaakt enz.” Veldwachter Van de Berg trok er samen met mijn grootvader en de caféhouder op af, maar de mannen konden de persoon in kwestie niet vinden. Achteraf concludeerden ze dat er “een mollenvanger of zoiets” aan het werk was geweest, “die eenige grimassen tegen de kinderen heeft gemaakt”. Dit laat echter onverlet dat mijn grootvader blijkbaar een van de eerst aangewezen personen was, die de veldwachter bij zoiets moesten assisteren.
Mijn grootvader gold als “streng doch rechtvaardig”. Of hij zich daar populair mee maakte, weet ik niet. In 1929 schreef een Jan G[uichelaar] een ingezonden brief in de Meppeler Courant, waarin hij ene J.P. beschuldigde van fraude en knevelarij. Wegens smaad voor de politierechter gedaagd, zei verdachte dat hij net zo goed Jan Perton had kunnen bedoelen. Mijn grootvader heette weliswaar niet Jan, maar hij was wel de enige volwassen mannelijke drager van de familienaam Perton in de wijde omgeving. Probeerde verdachte zijn schuld te verloochenen door de aandacht te verleggen naar een misschien even plausibel mikpunt?
Feit is dat mijn grootvader bijna een keer is doodgereden door een vrachtwagen. In het bericht over die zaak ontbreekt weliswaar een ander motief dan gemakzucht, maar toch wordt de functie van mijn grootvader er uitdrukkelijk in genoemd, zodat niet helemaal mag worden uitgesloten dat die functie een rol speelde. Dit geval speelde zich in maart 1934 af op de Pijlebrug tussen Havelte en Meppel. De vrachtwagenchauffeur nam de bocht naar de brug veel te krap, zodat mijn grootvader “zijn lichaam over de brugleuning moest gooien, terwijl hij zijn beenen door het frame van de fiets moest steken, daar hij anders tegen de brugleuning zou zijn platgedrukt”. Nader onderzoek door iemand van de Groninger verkeersbrigade wees uit dat verdachte inderdaad de bocht nogal afsneed. De man werd daarom conform de eis veroordeeld tot 15 gulden boete of tien dagen hechtenis.
Hoe een fietsendief te Uffelte tegen de lamp liep
Geplaatst op: 18 april 2016 Hoort bij: Drenthe vrogger, Familie 2 reactiesGESNAPT
[Uffelte] (26 maart). – Toen de Rijksveldwachter D. van de Berg gisteren voor controle op den weg was met den kommies Perton, hield hij een jongeling aan, aan wien hij direct meende te bespeuren, dat er iets niet in den haak was. Daarom nam hij hem mede naar het arrestantenlokaal, waar de deugniet vertelde te Smilde een fiets te hebben gestolen, toen hij in gezelschap was van twee kameraden, die nu loopende zouden volgen, daar hij de gestolen fiets bereed.Direct werden door den politieman alle middelen in het werk gesteld, om de kameraden ook ingerekend te krijgen. Toevallig vernam hij op datzelfde oogenblik per radio, dat uit Sneek drie jongens de ouderlijke woning waren ontvlucht, waarvan opsporing en aanhouding werd verzocht. De beide andere jongens zijn inmiddels reeds, dankzij de activiteit van een deurwaarder uit Assen, te Meppel ingerekend kunnen worden.
De hier aangehoudene is door den veldwachter en den heer Perton naar Smilde overgebracht en daar bleek dat alles klopte. Ook de eigenaar herkende zijn fiets, zoodat dit jeugdige drietal straks nog wel wat te goed zal hebben en voornamelijk de eigenlijke fietsendief.
De bengels waren resp. 15, 15 en 16 jaar oud. Een van hen, de rijwieldief, is heden ter beschikking van de justitie te Assen gesteld.
Bron: Provinciale Drentsche en Asser Courant 28 maart 1930.
“Het socialisme is daar onbekend. Er is er misschien niet één, die er iets van weet”
Geplaatst op: 14 april 2016 Hoort bij: Drenthe vrogger 2 reactiesTerwijl het zaad van de revolutie in Friesland en Groningen allang wortel had geschoten, viel het in Drenthe nog op een rotsbodem. Dat merkte ook de rooie dominee Van der Heide uit Scherpenzeel, die in 1897 in het Drentse deel van het kiesdistrict Wolvega een verkiezingscampagne wilde organiseren voor een SDAP-kandidaat bij de ophanden zijnde parlementsverkiezingen.
Het kamerlid voor dat district was de liberaal Houwing, die in Havelte woonde, waar hij voordien, en zelfs nog even tijdens zijn kamerlidmaatschap, predikant was geweest. Diens rooie collega uit Scherpenzeel kreeg in Zuidwest-Drenthe geen poot aan de grond. Hij schreef in De Klok, het blad van de Friese progressieven:
“Maandag jl. begaf ik mij op mijn trouwe fiets over Steenwijk de heide op. Ik bereikte Havelte. Daar is het hol van de leeuw. De heer Houwink is daar ‘domineer’ geweest en thans woonachtig. De logementhouder maakte bezwaren mij de zaal te geven. Hij is tevens winkelier, woont nog maar twee jaar in Havelte en is bang dat zijn zaak door het laten optreden van een ‘sosjaal’ zal verloopen.
In het een uur verder gelegen Uffelte (kerkelijk één met Havelte) was het nog erger. “De menschen waren niet lichtgeloovig”, werd er mij gezegd, dus was er voor een socialist niets te halen”.
Twee uren verder ligt Diever. Ook daar werd kortweg de zaal geweigerd. Ik was nog van plan Vledder te bezoeken, maar herinnerde mij tijdig dat ook daar een sterke liberale kiesvereeniging is, die zeker het vergaderen kon beletten.
Zoo ben ik genoodzaakt niet te kunnen voldoen aan wat ik op mij nam. De heer Houwing zit in die buurt, wat men noemt: vast. Bij de boeren en neringdienden zeer vast. Het socialisme is daar onbekend. In die drie plaatsen is er misschien niet één, die er iets van weet.
Toch gevoelen de arbeiders de verongelijking, zooals ik uit gesprekken kon opmaken. Besef hoe het ‘anders kan’ ontbreekt. Alleen zeiden bijna allen mij “dat de riken wel wat meer betalen mosten”.”
—
Bron: De Recht voor Allen van 26 mei 1897, die het bericht uit De Klok overnam.
Havelte gaf meer aan Winterhulp dan Dwingeloo
Geplaatst op: 25 januari 2016 Hoort bij: Drenthe vrogger, Familie 4 reacties
Deze grafiek toont de gemiddelde opbrengst in centen per inwoner van de zeven eerste Winterhulpcollectes in de winter van 1940-1941, en dat voor de gemeenten Dwingeloo en Havelte. De totaal-opbrengsten per gemeente haalde ik uit het Agrarisch Nieuwsblad, dat ook een bevolkingsstatistiek per 31 december 1940 bevat, waarmee je de gift per inwoner kunt berekenen, die een vergelijking tussen de gemeenten mogelijk maakt.
De nazistische liefdadigheidsclub Winterhulp hanteerde verschillende collecte-methodes: met de rammelende bus op straat, maar ook wel met lijsten langs de deur. Lijstcollectes brachten, hoewel er meer administratie aan te pas kwam, met hun sociale controle ook meer op – dat zal mogelijk de piek bij de derde collecte verklaren. Die collecte was ook de enige, waarbij Dwingeloo Havelte qua gemiddelde gift overtrof, zij het maar zeer licht. Bij de andere collectes was de gemiddelde gift in Havelte steeds veel hoger, deze tendeerde zelfs naar het dubbele van die in de gemeente Dwingeloo.
Dat ik zoiets ga uitrekenen, heeft een persoonlijke achtergrond. Mijn moeder mocht op het punt van familiale oorlogservaringen graag Dwingeloo en Havelte vergelijken. Terwijl haar vader in 1943 als electriciën in Dwingeloo met het register van de luistergelden verschillende radio’s van dorpsgenoten onder de winkelvloer verstopte, en zelf ook een radio aanhield om naar de BBC en Radio Oranje te kunnen luisteren, werd de radio van mijn vaders familie in Havelte wèl ingeleverd. Mijn grootvader hier had hem willen verstoppen in zijn bijenstal, maar daar stak mijn wat bang uitgevallen grootmoeder een stokje voor.
Dit familiale verschil in houding (geduid als dapper of angstig), liet zich ook gemakkelijk doortrekken naar de dorpen in het algemeen. In Dwingeloo was het verzet vrij sterk, er kwamen zeker tien, twintig ‘partizanen’ om. In Havelte, met zijn zeer sterke Duitse aanwezigheid, stelde het verzet weinig voor – het bestond hier eigenlijk maar uit één man, de postkantoorhouder Jetten, die als spion het Duitse vliegveld voor de geallieerden uittekende en fotografeerde.
Er was ook een verschil tussen de burgemeesters van beide plaatsen. Die van Havelte, Eggink, mocht de hele oorlog aanblijven. Hij maakte ondubbelzinnig propaganda voor Winterhulp. Die van Dwingeloo, Stork, werd al in 1941 ontslagen en in een Brabants gijzelaarskamp vastgezet. Daaruit vrijgekomen, ontsnapte hij in 1944 ternauwernood aan executie door een Silbertanne-commando. Bovendien waren verschillende andere sleutelfiguren in Havelte, zoals de huisarts en de gemeente-architect, ook ronduit Deutschfreundlich. De huisarts van Dwingeloo, dokter Dinkla, redde daarentegen een geallieerde piloot uit handen van de Duitsers.
Naast zulke verschillen tussen sleutelfiguren bestond er nog een ideologisch onderscheid tussen Dwingeloo en Havelte. In beide gemeenten was volgens de volkstelling van 1930 het overgrote deel van de mensen hervormd, respectievelijk 86,1 en 88,6 %. In Dwingeloo had je echter een redelijk grote gereformeerde minderheid (12,7 %), terwijl het aantal gereformeerden in Havelte weinig voorstelde (2,6 %). Daar was de onkerkelijkheid juist veel groter (4,4 %) dan in Dwingeloo (0,2 %). De kerkelijk gemotiveerde weerstand tegen de nazi-ideologie lijkt in Dwingeloo dan al van meet af aan groter te zijn geweest, dan in Havelte.
Zuidwest-Drentse ooievaarstelling
Geplaatst op: 20 januari 2016 Hoort bij: autobio, Drenthe vrogger 1 reactie
Begin jaren zeventig deed ik ’s zomers wel vakantiewerk bij de familie Veld in Nijeveen. Kratten met antieke tegels versjouwen, het vlintenstraatje vegen, schuren in de carbolineum zetten, dat soort klusjes. Ik verdiende er, meen ik, vijf gulden per middag mee. Die carbolineumlucht ruik je zelden meer, maar als het me een keer overkomt, keert het hele optimistische zomergevoel van toen weer terug, inclusief de radio Tourflitsen met Theo Koomen.
Een ander geluid daar bij de boerderij van Veld, was het geklepper van de ooievaars. Destijds waren die reuze zeldzaam in Nederland, het ging om een van de allerlaatste paren, een paar jaar later zelfs het allerlaatste paar. Bijna elk jaar waren er jongen. Ik mocht graag staan kijken naar het sierlijke af- en aanvliegen van de ouders.
Dankzij de herintroductie, sinds 1981, van ooievaars door de Lokkerij, heb je tegenwoordig daar in de omgeving weer veel bewoonde nesten. In De Wijk zijn sommige inwoners er al schijtziek van – die roepen om minder, minder, minder. Uit wijdere kring verneem je nog niet van zo’n aversie. Maar daar is de ooievaarsdichtheid dan ook nog lang niet op het peil van 1940.
Dat oorlogsjaar werden er in juli, zoals blijkt uit een bericht in het Agrarisch Nieuwsblad, maar liefst 25 nesten geteld in die omgeving. Nijeveen telde er 3 (waarvan 2 bij een familie Veld), Meppel had er 2, De Wijk 1, Koekange 1, Ruinerwold 13, op de Veendijk onder Havelte zag je er 1, terwijl er op Staphorst 4 waren, waarvan eentje bij (of op?) de hervormde pastorie.
Van deze 25 nesten droegen er 18 (= 72 %) jongen: in totaal 40 of gemiddeld ruim 2 per nest. Bij de 7 andere nesten was het misgegaan om uiteenlopende redenen: geen eieren, eieren niet bevrucht, eieren uit het nest gesodemieterd, of ’t hele nest van de paal afgewaaid. Ook het enige Havelter nest, bij J. Schiphorst op de Veendijk, hoorde bij deze betreurenswaardige groep. Om het rapportje in de krant aan te halen: “Eén jonge ooievaar uitgeworpen en verder niets van terechtgekomen”.
Als burgemeester van Havelte niet fout was, hoe fout moest je dan zijn?
Geplaatst op: 19 januari 2016 Hoort bij: Drenthe vrogger, Familie 7 reactiesOver burgemeester Eggink van Havelte gesproken – die is nog een keer bekeurd door mijn grootvader. De burgemeester reed namelijk rond in een auto zonder nummerbord, zodat het zichtbare bewijs ontbrak dat er voor dit magistratelijke vehikel motorrijtuigenbelasting was betaald. Als kommies der directe belastingen moest mijn grootvader hierop letten. Hij heette “streng doch rechtvaardig” in zijn ambtsoptreden, kneep ook in dit geval geen oogje dicht en verstrekte de burgemeester een bon. Wat de relatie tussen beide heren geen goed deed.
Ik was dus al een beetje vooringenomen tegen die Eggink. Hij kwam in 1931 uit Indië, waar hij elf jaar gemeente-ambtenaar was geweest. In de oorlog bleef hij aan als burgemeester van Havelte. Na de bevrijding werd hij eerst op non-actief gesteld, om daarna alsnog eervol ontslag te krijgen.
In het Agrarisch Nieuwsblad vond ik een interview met hem. In 1941 maakte hij met wat andere Drentse burgemeesters een reis naar Keulen, op uitnodiging van de bezetter. Achteraf sprak hij zijn voldoening uit over “de uiterst correcte ontvangst”. Volgens Eggink kon zijn gezelschap de gastheren alles vragen wat ze maar wilden,
“zelfs bleef opbouwende critiek van onze zijde niet achterwege en werd deze ook op prijs gesteld.”
De Havelter burgemeester roemde het Duitse elan:
“De geweldig spontane en enthousiaste wijze van werken was voorts opvallend. Hoe een ieder, man en vrouw, jongen en meisje zijn beste krachten geeft voor zijn werk ten dienste van de volksgemeenschap. Hoe er velen gevonden worden, die zelfs na hun dagelijkschen arbeid, nog vrijwillig een paar uurtjes gaan werken voor de Winterhulp!”
Die Winterhulp, nazi-liefdadigheid, inmiddels ook ingevoerd in Nederland, vond Eggink een “zeer goede instelling”. In Havelte kosstte het hem vrij weinig moeite er collectanten voor te vinden, pochtte hij, omdat
“men in ’t algemeen in zijn gemeente veel voelt voor deze mooie arbeid”.
Wat betreft de tegenwerking die Winterhulp ook ondervond, meende de burgemeester
“dat de geest van die Nederlanders eerst moeten worden omgevormd”.
Hij bepleitte naar Duits voorbeeld een rook-, drink- en variétébezoekverbod voor jongeren onder de achttien, en vertelde iets over een eigen bioscoopbezoekje met de Duitse gastheren. Het betrof een première van een “schitterende Krügerfilm”. Met natuurlijk het bioscoopjournaal:
“De fantastische macht en kracht van de Duitsche weermacht had men voorts op het witte doek kunnen aanschouwen.”
Tot besluit van het interview wees de burgemeester nog op
“…de geest van samenhoorigheid, die het Duitsche volk van hoog tot laag omvat, een geest, die in ons land vaak zoo jammerlijk zoek is.”
Naar deze man is in Havelte dus nog steeds een straat genoemd.
Dorpsjeugd zwom naakt bij Ettelte?
Geplaatst op: 19 januari 2016 Hoort bij: Drenthe vrogger, Familie 6 reacties
Van mijn vader (1927-2004) weet ik, dat de Havelter jeugd van zijn generatie in de Oude Vaart bij Ettelte leerde zwemmen. Of dat ook voor hemzelf gold, weet ik niet meer – op dat punt vertrouw ik mijn geheugen niet. Later zwom hij nooit, vanwege problemen met zijn oren. Hij kon het, dacht ik, wel, maar had er een hekel aan.
Als hij het geleerd heeft, kan dat haast niet bij Ettelte geweest zijn. Want eind 1940 woonde het gezin van kommies Harm Perton nog in Uffelte, terwijl de Havelter gemeenteraad vlak voor de zomer van 1941 per APV-artikel het zwemmen bij Ettelte verbood.
Zoals het wat omslachtig in het Agrarisch Nieuwsblad stond:
“Deze maatregel werd speciaal genomen, daar het B. en W. gebleken is, dat niet alleen door jonge kinderen, maar ook door kinderen van tien jaar en ouder van beiderlei geslacht zonder eenig toezicht veelvuldig wordt gebaad en gezwommen in de Oude Vaart en wel voornamelijk tegenover een perceeltje bosch bij Ettelte (…) en dat er voorts niet voldoende waarborg bestaat, dat er niets geschiedt dat in strijd met de goede zeden zouden zijn.”
Pubers van beiderlei kunne, gemengd zwemmend zonder badmeester in de buurt, zodat de goede zeden gevaar zouden kunnen lopen…
Naar bleek toen de schoolvakantie dat jaar al voorbij was, wilde Gedeputeerde Staten van Drenthe dat de gemeente Havelte het nieuwe APV-artikel zou intrekken. Dit omdat het zwemverbod zoals Havelte dat geformuleerd had, al onder een provinciaal verbod zou vallen. In provinciale ogen was het Havelter artikel dus overbodig.
Volgens burgemeester Eggink van Havelte klopte dat echter niet: het provinciale verbod betrof het zwemmen zonder badpak, terwijl het in Havelte juist om de zwemlokatie ging. De raad besloot om het artikel niet in te trekken, maar het eerst nog even aan te zien. Het zwemverbod bleef dus voorlopig van kracht.
Toen de Veendijk nog een beurtschipper had
Geplaatst op: 18 januari 2016 Hoort bij: Drenthe vrogger 2 reacties
Links een tolhuisje, rechts het vroegere café Rolden (1964). Foto collectie Historische Vereniging Havelte.
Omdat ik van Boekito een Drents pamflet uit het begin van de oorlog ontving, dat opriep om de abonnementen op het steeds foutere Agrarisch Nieuwsblad op te zeggen, besloot ik eens te kijken wat deze krant zoal over Havelte schreef.
Grootste verrassing was een interview met het 55 jaar getrouwde echtpaar Rolden van de Veendijk. De naam Rolden komt me bekend voor, latere leden moeten klanten van mijn vader geweest zijn. Die kan je er natuurlijk niet op aankijken, maar het jubilerende echtpaar van 1941 zal het Agrarisch Nieuwsblad trouw zijn gebleven, want dat vond de ‘nieuwe tijd ‘prachtig. Alle plattelanders moesten van Pieter Rolden maar lid worden van het Agrarisch Front, een gelijkgeschakelde boerenorganisatie: „We hebben reeds lang genoeg gezucht onder het margarinekapitaal”.
Pieter Rolden (1863-1953) was geboren in hetzelfde huis waarin hij in 1941 nog steeds woonde, een café met boerenbedrijf waarvan je wel meer voorbeelden op het platteland kon vinden. Het huis stond aan het begin van de Veendijk en was al vanaf 1804 in de familie. Pieters vader nam het over in 1860. Hij was hier de eerste met de achternaam Rolden, dus een schoonzoon van de vorige uitbater.
Die vader van Pieter was tevens beurtschipper. Hij bevoer de Boervaart en de Drentse Hoofdvaart met een punter. die iedere donderdag de boter naar Meppel bracht en dan veevoer mee terugnam naar de Veendijk. Omstreeks 1880, waarschijnlijk dankzij de komst van een verharde weg die ook een tolhuis met zich meebracht, raakte deze beurtvaart uit de tijd. Sindsdien is de Boervaart dichtgegroeid.
Rolden toonde de verslaggever ook het uithangbord dat vroeger bij hun café uithing. Er stond een schip op, varend onder een blauwe hemel met aan het roer een tevreden, pijprokende schipper. Bij dit plaatje stond als tekst van de schipper:
Sta niet te kijken naar mijn schip, dat kan U niet vermaken!
Kom binnen in dit huis en proef mijn drank Die zal U beter smaken!
Rolden zou als jongen ook nog Andries van der Vlies gekend hebben, de eigenaar van Veenrust, een verdwenen buitenplaats aan de Veendijk. Volgens hem was de man kapitein in het leger geweest:
“Het was een groote, forsche kerel, natuurlijk met een huzarensnor en als hij kwaad was, was zijn militaire loopbaan hem nog wel aan te zien. Dan kwam de „bulder” in zijn stem, de punten van zijn snor verhieven zich tot bijna in de oogen Maar zooals het vaker gaat: ook hier een ruwe bast, maar een kern van goud. Als er ergens in het dorp gebrek heerschte, dan zond „mijnheer Van Veenrust” er een mannetje naar toe en er werd geholpen, hoe groot de nood ook zijn mocht.
„Een beste kerel”, aldus Pieter.
Ook Josef Cohen was dwangarbeider op vliegveld Havelte
Geplaatst op: 8 januari 2016 Hoort bij: Drenthe vrogger 3 reactiesVlak voor kerst 1940 werd Josef Cohen op non-actief gesteld als directeur van de Openbare Bibliotheek aan de Vismarkt in Groningen. De eerste maanden hield hij nog zijn inkomen, maar dat raakte hij op 1 maart 1941 kwijt. Intussen liep hij nog niet rond met een jodenster omdat hij meende dat hij slechts twee joodse grootouders had. Doordat zijn broer David voorzitter werd van de Joodse Raad, liep dat echter in de gaten en voelde Josef zich gedwongen om alsnog het racistische kenteken te gaan dragen. Als gemengd gehuwde jood werd hij (voorlopig) niet weggevoerd en hield hij zich thuis bezig met schrijfwerk, terwijl hij in het najaar van 1941 en 1942 ook wat bijverdiende in de suikerfabriek.
Net als Bennie Behr kreeg Cohen medio maart 1944 een briefkaartje dat hij zich voor een keuring diende te melden in Meppel. Hij moest alvast werkkleren en bestek meenemen. Na de keuring werd hij direct doorgestuurd naar Havelte:
“Hier was een barakkenkamp ingericht voor de arbeiders die graafwerk moesten uitvoeren voor een aan te leggen vliegveld. Er werd gewerkt in kolonnes van zestien man, van acht uur ’s morgens tot zes uur ’s avonds, met anderhalf uur pauze, waarin men een kop warme soep kon kopen voor vijfeneenhalve cent. “Diese Suppe soll jedoch sehr schlecht sein.”
De arbeiders kregen eenmaal in de vier weken verlof en verdienden hetzelfde als ‘arische’ arbeiders. Lang heeft Cohen hier geen graafwerk gedaan. Hij was voor een dergelijk lichamelijk werk niet geschikt en daarom kreeg hij administratief werk. Inderdaad is hij, onder andere met Pasen, enige keren met verlof geweest. Ook in het kamp hield hij de moed erin en hij probeerde dat eveneens bij anderen te doen. Hij zal verhalen verteld hebben, zoals hij in de crisisjaren voor een groep arbeiders in de slikken deed, toen hij ze ademloos liet luisteren naar ‘Faust’.
In september 1944 raakten de Duitsers, na de luchtlandingen bij Arnhem, in paniek. Alle arbeiders in Havelte werden naar huis gestuurd. Vervoer was er niet meer en Cohen, die zichzelf een verlofpasje had verstrekt, is lopend naar Groningen gegaan.
Voor hem, als geoefend wandelaar, niet zo’n opgave, maar als jood met een ster op zijn jas was dat een gevaarlijke onderneming. Hij koos binnenweggetjes en bereikte na een dag Assen. Hier vond hij onderdak bij vrienden van zijn bure in Groningen.
De volgende dag ging hij verder. Twee maal werd hij aangehouden, maar dankzij zijn verlofpasje en door zich van de domme te houden, liet men hem gaan. Na twee dagen kwam hij in Groningen aan. In de tussentijd had het Duitse gezag zich hersteld. Cohen besloot – mede onder druk van zijn familie – onder te duiken.”
—
Bron: Doeke Sijens, Josef Cohen : literator en bibliothecaris (Groningen 1987) 29-31.
Een oplichter van armenkassen en weldoeners
Geplaatst op: 7 januari 2016 Hoort bij: Drenthe vrogger Een reactie plaatsenDaniel Dorenbusch was er gloeiend bij, begin 1717. Deze Duitser vroeg toen bij een Meppeler armvoogd om een milde gift voor een gereformeerd stadje in Rijnland, dat door Franse soldaten deerlijk geplunderd en in de as gelegd was. Met zijn aanbevelingsbrief van drost Van Echten, de hoogste baas van Drenthe, hoopte Dorenbusch ook in Meppel een lieve duit in te kunnen zamelen. Maar dit keer had hij pech. Want de Meppeler schulte, het hoofd der plaatselijke politie, was juist bij de armvoogd op visite, toen Dorenbusch daar kwam. De speurneus zag dat de handtekening van de drost vals was en vatte Dorenbusch in de kraag.
Meteen ontving de drost in Echten bericht. Deze herinnerde zich inderdaad een kerel, die hem daar om toestemming vroeg voor het houden van een collecte in Drenthe. Maar zo’n permissie gaf de drost helemaal niet. Integendeel, hij waarschuwde de man dat hij moest maken dat hij uit Drenthe wegkwam, anders liet de drost hem opsturen naar het Asser hondegat.
Begeleid door twee landschapssoldaten ging Dorenbusch alsnog naar deze onaantrekkelijke bestemming. Omdat veel landerijen en wegen tussen Meppel en Assen onder water stonden, mochten de gevangenbewaarders paard en wagen huren. Anders hadden ze dat hele eind moeten lopen, met de gevangene tussen hen in.
Voor de Etstoel, de Drentse rechtbank die alle lijfstraffelijke zaken behandelde, was het verder gemakkelijk. Dorenbusch had twee soorten inkt bij zich, die overeenkwamen met de inkten op het vervalste geschrift. Ook bezat hij verschillende aanbevelingsbrieven van Friese en Groninger heren, eveneens vals. Kennelijk had Dorenbusch al een hele toernee achter de rug, voordat hij tegen de Meppeler lamp liep. Zijn verweer dat hij in dienst van iemand anders collecteerde, voor de kost en vijf stuivers per dag toe, was in de ogen van de Etstoel ongeloofwaardig.
Omdat Dorenbusch ettelijke kerkelijke armenkassen en particuliere weldoeners oplichtte, en zo plaatselijke armen benadeelde, veroordeelde de Etstoel hem tot geseling, bij welke straf de valse aanbevelingsbrieven boven zijn hoofd moesten hangen. Voor de rest van zijn leven werd de Duitser uit Drenthe verbannen. En de beul verbrandde de brieven, op ééntje na.
—
Verhaaltje dat ik ooit eens opschreef voor De Riepe. Deze versie is iets langer en luchtiger geworden.
Boernbrulfte
Geplaatst op: 2 januari 2016 Hoort bij: Drenthe vrogger, Familie 1 reactieMijn moeder bleek zelf een hele serie foto’s van Oude Koninginnedag 1949 te hebben, weggeplakt op onverwachte plekken, zoals in een plakboek met klederdrachtknipsels en -ansichten.
Zij en haar broer maakten die dag deel uit van een gezelschap jongelui dat op wagen nr. 7 het dorp rondreed. Thema van de wagen was “Boernbrulfte”. Dat staat tenminste op een bord opzij met een groot wapen van Dwingeloo . Links de koetsier, centraal het gezelschap op knopstoelen, met de braandewien op taofel. Links ziten mijn moeder en haar broer:

Blijkbaar was er in Dwingeloo iemand die een voorraad ouwe klederdracht aanhield, want in de jaren 30 en rond 50 werd zo’n beetje elke feestelijke gebeurtenis opgeluisterd met dergelijke kledij. In de jaren 60 was dat afgelopen, misschien zat toen de mot er wel in. We kunnen constateren dat het gezelschap op de wagen in een goede stemming verkeert, want het zingt. Rechts mijn moeder en haar broer:

De bovenste twee foto’s zijn matige kiekjes van een klein formaat, maar deel van de foto’s is ter grootte van briefkaarten en stukken beter van kwaliteit. Tussen de twee mannen rechts zit mijn moeder en in het midden of vooraan haar broer, die de theatrale mogelijkheden van zijn sigaar ten volle uitbuit. En daarmee onbewust een persiflage weggeeft op zijn vader, die werkelijk altijd een sigaar in de mond had:

Voor of na de optocht poseerde het gezelschap met een harmonicaspeler. Voor heel even laat mijn moeders broer zijn sigaar uit de mond:

Maar als de fotograaf inzoomt, zit-ie er weer in:

Mijn moeder heeft de namen van het gezelschap in paren genoteerd:

Diezelfde dag? kwamen ook de fanfare en de gymnastiekclub langs het Westeinde (nu Heuvelenweg):

De fanfare had nog geen uniformen, en eerlijk gezegd vind ik dat ook wel zo’n mooi gezicht:

Het stigma van ’t sociale
Geplaatst op: 31 december 2015 Hoort bij: Drenthe vrogger, Geschiedenis 2 reactiesOver haar studie sociale geografie (1931-1937) schrijft Daisy Stork dat zij en haar medestudenten aan het eind van hun eerste jaar een zelfstandig onderzoek moesten beginnen naar een maatschappelijk verschijnsel. Als onderwerp kiest ze ‘De voeten van de Chinese vrouw’ en haar onderzoeksverslag blijkt uiteindelijk van een dusdanige kwaliteit, dat het goedgekeurd wordt voor een publicatie in het tijdschrift China. Maar dan krijgen zij en haar hoogleraar, Steinmetz, verschil van mening met de China-deskundige prof. Ariëns Kappers sr. Die vindt het namelijk ongewenst dat achter haar naam als auteur ‘sociaal geografisch studente’ komt te staan:
“…dat moet [volgens hem] geografisch studente zijn. Als ik er op wijs dat het heus sociale geografie is, wat ik studeer, luidt zijn commentaar: “dat dit zo slecht zou zijn voor mijn toekomst en vooral voor mijn goede naam, want dat iedereen dan zou denken, dat ik een socialist was”!”
Kappers kreeg zijn zin ook nog. Het is een mooi voorbeeld van hoe een groot deel van de academische elite tijdens het Interbellum nog over socialisme dacht. Destijds, moeten we bedenken, was ook slechts 1 op de ruim 1000 burgemeesters socialist, namelijk Kornelis ter Haan in Zaandam.
Ook in het communiqué-achtige, waarschijnlijk uit officiële bron overgenomen bericht van eind november 1936 over de benoeming van haar partijloze, maar vrijzinnige verloofde Bob Stork als burgemeester van Dwingeloo, wordt haar studie deels verloochend:
“Hij is verloofd met mej. Van der Kuyle te Amsterdam die oeconomische geografie studeert aan de Gemeentelijke Universiteit aldaar.”
In de kennisgeving van haar huwelijk, begin maart 1937 gepubliceerd in diverse kranten, zet de pas afgestudeerde Daisy dit weer recht:

Het is weliswaar tot soc. afgekort, maar iedereen wist waar dat voor stond. “Wat krijgen we nu in huis?”, moeten de conservatieve krachten in Dwingeloo hebben gedacht.

Recente reacties