Een kat in de weem

Crimineel verhoor onder ede. Rechts de vooraf op papier gezette vraag, links het naderhand opgetekende antwoord.

De vraag:

Of er aan het huis van de dom[inee] ook huisdieren, hetzij katten of honden worden gehouden?

Die vraag was relevant vanuit de gedachte dat een kat of hond ook vuur kon overbrengen, zoals in dit geval in de pastorie van Leegkerk.

Het antwoord van de meid die van brandstichting verdacht werd:

Gedet[ineer]de zegt, zij hadden al een kat, dog geen hond.

Het is een volstrekt irrelevant detail, maar toch heel aardig om te weten dat er in 1809 een kat rondliep in de weem van Leegkerk.

Natuurlijk ligt dat zeer voor de hand in een boerderij-achtig onderkomen waar ook graan, in dit geval haver, werd opgeslagen, maar katten kom je hoogst zelden tegen in overheids- en rechterlijke archieven. Zo vind je ze praktisch nooit op boedelinventarissen. Waarschijnlijk is dat omdat ze geen economische waarde vertegenwoordigden. Schaarste aan katten was er niet of viel vrij eenvoudig op te lossen, en in tegenstelling tot landbouwhuisdieren konden ze maar zo uit eigen beweging weg zijn, waarbij nog komt dat de affectieve waarde niet te taxeren viel.

Vandaar mijn glimlach, bij deze passage. Ik zie er een predikant bij, die in zijn studeerkamer bezig is met het voorbereiden van een preek, terwijl er een kat opgerold op zijn schoot ligt te snorren.

Een tevreden man, die dominee. Tot er brand uitbreekt.


Knecht wil niet opblijven en neemt ontslag

Met iemand die zich Kits noemt zal alles wel snor zitten, denk je dan, maar dat was in dit geval toch niet zo. Deze Kornelis Pieters Kits had ruzie met zijn knecht.

Ze woonden in Niezijl, Kits als boer en naar ik meen ook als koopman, in elk geval als werkgever. De ruzie viel voor in 1808. Tegen zijn knecht, Egbert Hessels, had Kits nog zo gezegd dat hij moest opblijven, als Kits zelf ’s avonds van huis was. En wat gebeurt er?

dat voor enigen tijd op een avond ben te huis gekomen, dat gemelde mijn knegt (…) reeds te bed was…

Aldus Kits in zijn klacht bij de drost van het Westerkwartier. Uiteraard stelde Kits dat hevig teleur. Hij vertelde de drost dat

als toen mijn orders dienaangaande tegens hem heb herhaald, met te zeggen wanneer ik met peerd of wagen uit was, hij tot negen uur moest opblijven…

De knecht zei dat hij het verdomde en vroeg om het loon dat hij bij Kits verdiend had. Kits gaf hem dat geld, maar trok twaalf weken loon van de som af. Waarop de knecht zich tekort gedaan voelde en weigerde het geld aan te nemen.

Blijkbaar wilde Kits de knecht voor wezen. Hij verzocht om een overleg met de knecht in bijzijn van de drost, maar dat goede gesprek heeft niet plaatsgevonden. Mogelijk maakte de knecht de zaak civiel aanhangig, maar die stukken heb ik nog niet gezien.

Het gaat mij ook niet om de afloop. Het is die knecht. Natuurlijk maakte inwonend personeel lange dagen, en stond men veel vroeger op dan nu, vooral op het platteland. Maar een dienstbode die dermate gesteld was op zijn rust als Egbert Hessels, kwam toch heel weinig voor. Bij ontslagkwesties ging het veel vaker over knechten en meiden die te lang uitbleven naar de zin van hun patroons.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (jurisdictie Westerkwartier) inv.nr. 727: rekest 8 december 1808.


Een duivelbanner of wonderdokter van Surhuisterveen

Daniel Nikolaus Chodowiecki, Wonderdokter (1788), uitsnede. Collectie Rijksmuseum.

Op donderdag 20 oktober 1808 werd Pieter Jacobs, bijgenaamd Pieter Scharenslijper, overgebracht naar het rechthuis van Zuidhorn. Waarschijnlijk keken de gerichtsbedienden van het Westerkwartier al een poos naar hem uit, maar nu hadden ze hem dan te pakken, want hij was

bevonden met een pak medicijnen en op de Sevenhuyzen mede rondlopende, sonder enige acte of patent.

Het patent was de vergunning die een handelaar, winkelier of ambachtsman sinds een jaar of wat moest hebben om zijn beroep te kunnen uitoefenen – er ging een belasting mee gepaard. Het andere stuk, de akte, sloeg op de officiële erkenning waarover een medisch dienstverlener moest beschikken. Juist in deze tijd werd er een forse stap gezet in de professionalisering van de medische stand, door een inventarisatie van alle medische beroepsbeoefenaren, waarbij gekeken werd naar hun diploma’s, bekwaamheden en ervaring. Toegelaten personen kregen zo’n akte. Tegelijkertijd keerden Geneeskundige Commissies zich fel tegen mensen die medische diensten leverden zonder dat ze over zo’n akte beschikten. Daarmee kreeg ook de strijd tegen de kwakzalverij een flinke impuls, en dat terwijl veel gangbare medische praktijken toch ook niet bepaald ‘evidence based’ waren – men denke alleen al aan het veelvuldige aderlaten.

Hoe dan ook, Pieter Scharenslijper werd voorlopig vastgezet en de drost stuurde de fiscaal (aanklager) op onderzoek uit. Een week later deed deze verslag van zijn bevindingen. Het was hem gebleken dat Pieter Scharenslijper, woonachtig te Surhuisterveen,

al zedert onderscheidene jaren binnen deze jurisdictie, meestal nabij de grensen van Friesland, heeft rondgesworven, en onder het voorwendsel van medicijnen voor paarden en beesten te verkopen, ook ondernomen heeft medicijnen voor menschen te praepareren en te verkopen, en wel bijsonder voor de sodanige menschen, van welke de siekte daaraan wierd toegeschreven dat zij behekst of betovert souden sijn, hoedanige menschen er ongelukkig in deze meer afgelegene contrainen uit hoofde van een aldaar voortdurend bijgeloof en onkunde nog worden gevonden…

Niet alleen bestond er in de meer afgelegen delen van het Westerkwartier nog een redelijk groot publiek voor de onttoveringsmiddeltjes van Pieter Scharenslijper, ook verhief hij

bij onderscheidene zodane zieken (…) op eene buitensporige wijze de waarde en wonderdoende kragten van zijne medicamenten ter genezing en wegneming ener gewaande betoverij.

Zo bedong de Feanster wonderdokter van “minvermogende en hoogst verlegen mensen” veel meer geld voor zijn “niets beduidende medicamenten” dan ze hoe dan ook waard konden zijn. Kortom, als monopolist gedroeg Scharenslijper zich net zo als de huidige farmaceutische industrie. De fiscaal bracht drie concrete voorbeelden van zo’n exorbitante vraagprijs te berde. Het eerste betrof een Berent Koster “op de Zevenhuijzen”,

welke gezegd wierdt betovert te zijn en van binnen bij zig te hebben een aalreiger, of slange.

Scharenslijper leverde de man twee drankjes, in totaal voor 13 gulden. Bij het tweede geval ging het om een kind van de roderoede (veldwachter) Jan Bakker uit Marum, “hetwelk mede wierd gehouden betoverd te zijn”. Het drankje dat Scharenslijper “ter genezing” van deze patiënt leverde, kostte de vader 4 gulden, een bedrag dat voor hem minstens een weekloon vertegenwoordigde. Het derde voorbeeld gold het kind van Tjebbe Jans en vrouw in Tolbert, dat “nu onlangs” voor betoverd werd gehouden, waarbij Scharenslijper “de verlegene ouders” voor 6,5 gulden een drank verkocht “met nog enige nietswaardige droge kruiden”.

Dit alles werd ook niet ontkend door Scharenslijper, zodat de drost hem schuldig achtte aan

het misdrijf van op eene listige wijze misbruik te maken van de onkunde en verlegenheid, om dezelven langs dezen weg onbehoorlijk hun dikwijls zeer duur verdiende gerede penningen uit handen te brengen, sowel als aan het veroorsaken van onenigheid en wantrouwen in de huisgezinnen en buurten, ter oorsake van de ingewikkelde beschuldigingen en gissingen welke doorgaans met sodane gewaande betoveringen en onttoverringen zijn verbonden.

Als er min of meer iemand werd aangewezen die voor de betovering verantwoordelijk zou zijn, dan kon dat forse sociale gevolgen voor zo iemand hebben, zeker in een bijgelovige omgeving. Als hij of zij daar niet boven stond, dan kon hij of zij naar de rechter stappen met de eis, dat de beschuldiging openlijk zou worden herroepen door degene die haar in de wereld hielp. Mogelijk had de drost daar in zijn civiele rechtspraak ervaring mee. In elk geval vond hij het voeden en misbruik maken van zulk bijgeloof een misdaad van dien aard,

dat ofschoon deselve kan worden begrepen gene absolute materie op te leveren voor een regelmatig crimineel proces, egter ten hoogsten de attentie der goede policie moet na sig trekken, ten einde ook aan de maatschappij van die kante de benodigde veijligheid te doen erlangen, temeer daar deselve is gepleegd door een persoon, welke volgens zijne eygene confessie reeds twee malen in het departement Friesland in regtshanden is geweest.

Hoewel dat meermalen opgepakt zijn van Scharenslijper nog niet betekende dat hij ook veroordeeld was, laat staan voor eenzelfde vergrijp, suggereerde de drost hier dat hij een recidivist was. In de drost zijn ogen mochten de termen voor een regelrechte strafzaak dan ontbreken, maar hij maakte wel korte metten met de wonderdokter, door hem bij akte te veroordelen tot teruggave aan de kopers van het geld dat zij hem voor de drankjes hadden betaald. Bovendien werd Scharenslijper voor acht dagen op water en brood gezet in de toren van Midwolde, waarna gerichtsbedienden hem over de grens van de jurisdictie Westerkwartier zouden zetten met de aanbeveling

om sig in het toekomstige buiten deselve te houden, bij poena van nadere dispositie.

Of Scharenslijper, die toen al 56 was, zich inderdaad nooit meer in het Westerkwartier gewaagd heeft, is de vraag. In elk geval lijkt hij voorlopig zijn werkterrein naar Drenthe te hebben verplaatst, want daar veroordeelde de Etstoel (hoogste rechtbank) hem op 6 december 1808 tot een levenslange verbanning uit Drenthe en het daarmee gecombineerde Overijssel. Als hij zich aan beide ontzeggingen hield, en al  eerder ook in Friesland veroordeeld was wegens soortgelijke praktijken, dan zal dat alles zijn actieradius aanzienlijk hebben beperkt.

Bronnen:

  • RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (gerechten Westerkwartier) inv.nr. 611: criminalia 20 en 27 oktober 1808.
  • Klaas R, Henstra, Duivelbanners en wonderdokters in de Wouden (Leeuwarden 2007) 83-84. Bron van de laatste was uiteindelijk een verhaal dat in 1985 in de rubriek ‘Noorder Rondblik’ (NvhN) heeft gestaan, en waarin ten onrechte sprake is van een veroordeling in, en verbanning uit Groningen, waar slechts het stuk uit het Westerkwartier bedoeld kan zijn.

Plakkaat tegen nachtbidders

NOTIFICATIE

De Ondergetekende, drost der Jurisdictie van het Westerquartier, brengt bij dezen ter kennis van de Ingezetenen, dat nu voortaan stiptelijk zal moeten worden voldaan aan de inhoud der Staatsresolutie van den 15 May 1716 en wel bepaaldelijk het verbod in dezelve Resolutie vervat –

“dat niemand eenige vreemde bedelaars in haare huisen of schuiren vermag te herbergen, of aldaar slaapplaats verlenen, bij breuke van twe dalers tot profijte van de roderoede, welke zodane bedelaars in de huizen of schuiren komen te vinden.”

Wordende mits dezen de gerichtsbedienden dezer Jurisdictie gelast hierop naukeurig acht te geven, en voorts speciaal de roderoeden, dat zij van nu voortaan dagelijks, ieder in zijn district, zullen hebben rond te gaan om alle vreemde bedelaars en stropers te verjagen buiten dit district, om voorts alle voorkomende ongeregeldheden te beletten en toe te zien dat alle bevelen, welke tot handhaving der goede order rechtswegen worden gegeven, behoorlijk werden agtervolgd. Ter uitvoering waarvan ieder roderoede zig zal hebben te voorsien van een manvaste hond, sabel, en zodane verder geweer als hiertoe word vereischt, zullende in cas van verzuim of nalatigheid tegens die geene, welke zig daaraan mogt schuldig maken, ten strengsten werden geprocedeert.
Afgegeven tot Zuidbroek d. 22 Juny 1803.

Was get[ekend[
A.P. Driessen
Drost

Het weer onder de aandacht brengen van een bijna honderd jaar oude rechtsregel geeft niet de indruk dat die regel nog sterk leefde. Uit vonnissen van enkele jaren later blijkt, dat de vernieuwing toen ook al niet meer erg nageleefd werd – soms ten koste van de onderdakverschaffers zelf. Het medelijden met nachtbidders (bedelaars die om nachtlogies vroegen) bleek vaak te sterk om er niet aan toe te geven.

Let overigens eens op de bijzondere rol van de roderoeden (of veldwachters): ze mochten blijkbaar huizen en schuren doorzoeken, en vingen 3 gulden van een eigenaar die betrapt was op het onderdak geven aan een bedelaar. Zo’n breuk of boete vormde een mooie aanvulling op het karige inkomen van de roderoeden, meestal mannen uit een arbeidersmilieu. Voor hun bewapening moesten deze echter zelf zorgen. Met name de “manvaste hond” zal indruk hebben gemaakt.

Bron: RHC Groninger Archieven Toegang 735 (archief gerechten Westerkwartier) inv.nr. 729: publicaties, notificaties etc..


Vrouw belaagt lantaarnopsteker

Kennelijk kreeg Aduard eind 1810 zijn eerste straatverlichting. De koopman Hendrik Jans Kremer vertelde kort nadien immers dat hij belast was

met het ansteken der lantaarns, nu onlangs te Aduart gezet.

Het ging om een bijbaan – op dat moment zullen er op hooguit enkele strategische punten langs de hoofdstraat van het dorp olielantaarns hebben gestaan, die meestal vanzelf uitgingen. De lantaarnopsteker moest zorgen voor voldoende raapolie in de lantaarns en omtrent zonsondergang ook de pitten aansteken, waarvoor hij met een ladder rondsjouwde. Helemaal zonder gevaar was dat werk niet. Zo vertelde Kremer dat hij op 29 december

bezig zijnde om de lamp te vullen in het lantaarn, staande bij de behuyzinge van Jan Klasens te Aduart, was angevallen onder veel schelden en dreygementen door de vrouw van dezelve Jan Klasen, die hem, terwijl hij nog op de ladder stond, een slag met een stok had toegebragt, en dat hij, naer beneden gaande, nog een slag had gekregen.

Eenmaal beneden probeerde Kremer met zijn ladder de stokslagen van de woedende vrouw af te weren, maar dat had je reinste slapstick tot gevolg, want de vrouw begon te trekken aan het andere uiteind van de ladder en “om alle verdere dadelijkheden te vermijden” had Kremer zijn ladder aan haar moeten overlaten. Deze nam ze eerst mee naar haar huis. Blijkbaar vertelde iemand haar, dat dit niet kon en ook strafbaar was en dus bracht ze die ladder naderhand naar de lantaarnopsteker terug.

Intussen had Kremer de vrouw al aangeklaagd bij het gerecht van het Westerkwartier in het naburige Zuidhorn. Hij vroeg “reparatie tegens de laesie hem klager hierover aangedaan”, zulks ook

tot conservatie van de rust en algemene veyligheid.

De drost maakte er een snelrechtzaakje van, dat hij agendeerde voor de eerste week van het nieuwe jaar. In die zitting liet de vrouw van Jan Klasens geen verstek gaan. Zij ontkende het akkefietje niet en gaf ook redenen voor haar “rustverstorend gedrag”, maar in de ogen van drost waren die onvoldoende. Daarom hoopte zij van haar kant op diens clementie als ze wat “mogt hebben misdreven”.

De drost

inagtnemende dat diergelijke verregaande baldadigheden niet ongestraft kunnen worden toegelaten, sonder de algemene veyligheid en order in gevaar te brengen, bijsonder te Aduart, waar diergelijke rustverstorende daaden meer dan op andere plaatsen worden gepleegt,

veroordeelde haar tot het betalen van maar liefst 6 ducatons (bijna 20 gulden) aan de diaconie van Aduard en 6 daalders (9 gulden) aan de gebelgde lantaarnopsteker, waarmee dan de beledigingen aan diens adres zouden zijn goedgemaakt. Binnen acht dagen moest ze de kwitanties voor beide betalingen tonen aan de wedman van Aduard. Bleef ze in gebreke, dan werd ze gestraft met acht dagen op water en brood in de toren van Midwolde, de gebruikelijke opbergplaats voor vandalen, vechtersbazen, kruimeldieven en andere kleine criminelen in het Westerkwartier. Ook kwamen de kosten van ‘t geding voor haar rekening,

wordende eindelijk aan de klager en de beklaagde gerecommandeert, om in het toekomstige zich voor alle anleiding tot ongenoegen sig sorgvuldig te wagten, zullende alle verdere overtreding der order rigoureuslijk worden gestraft.

Deze waarschuwing gold dus uitdrukkelijk ook voor de lantaarnopsteker, die door de drost blijkbaar niet helemaal vrij werd geacht van het gebeurde.

Wat nu eigenlijk de aanleiding was voor het hevige ongenoegen van de vrouw, blijft bij dit alles in het ongewisse. Misschien stoorde het haar, dat Kremer vanaf zijn ladder haar huis in gluurde?

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (jurisdictie Westerkwartier) inv.nr. 611: criminalia, maandag 7 louwmaand (januari) 1811.


‘Gewone jodeneed’

Als de fiscaal (aanklager) van de jurisdictie Westerkwartier eind 1804 Simon Benjamins uit Ezinge oproept om een verklaring onder ede af te komen leggen, blijkt dat Simon niet de gebruikelijke landrechtelijke eed zweert, “maar den gewonen Jodeneed”. Deze eed was zo gewoon, dat ik hem nog nooit eerder in een rechterlijk archief ben tegengekomen – noch in dat van de stad, noch in die van het Oldambt, Delfzijl, Oosterdeel-Langewold en Drenthe. Hier volgt het curiosum:

Gij zweert bij den levendigen God, die den Hemel en de Aarde geschapen heeft, dat Gij de waarheid (zo veel Gij weet) in de zaak, waarnaar de Fiscaal dezer Jurisdictie r[atione] o[fficii] onderzoek doet, zeggen zult, en generlei valsch bedrog of onwaarheid daar in gebruiken ofte inmengen; en zo Gij onrecht zweert, dat Gij eeuwig vermaledijd en vervloekt zijt, en U zal verteren het vuur dat Sodoma en Gomorra overging, en alle vloek in de Thora en de Wet geschreven, U overkomen, ook U de Aarde insluiten gelijk Dathan en Abiram, ja dat ook Uwe vrouw en weduwe en Uwe kinderen wezen worden. – Alzo helpe des alles en jeder de ware God Adonai.

Amen.

Bron: RHC Groninger Archieven 735 (jurisdictie Westerkwartier) inv.nr. 610 (criminalia) woensdag 14 november 1804.


Baldadige jeugd eeuwig probleem

Woensdag den 21 wintermaand 1809
De anklagte van het Gemeente Bestuur van Ezinge, houdende kennisgeving van de verregaande baldadigheden door jongens aldaar bij de straat wordende gepleegt, en ’t aldaar plaats hebbend dobbelen en spelen, is gestelt in handen…” [van de fiscaal].

Of die fiscaal (aanklager) er veel mee heeft gedaan, is de vraag. Verder horen we niets meer over deze klacht..

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (gerechten Westerkwartier) inv.nr. 611, criminalia.


Debitum conjugale

Grietje Riemts uit Zuidhorn was vijf weken getrouwd met Jan Jurjens, maar of alles koek en ei was in deze wittebroodsweken, mag je betwijfelen. Op 27 mei 1810 vertelde Grietje bij de drost van het Westerkwartier dat ze

thans wel wenschte dezen echt wederom te hebben verbroken om redenen dat gem[elde] haren man buiten staat is het debitum conjugale te vervullen…

De man kon dus niet aan zijn huwelijkse plichten voldoen, daarom wilde ze van hem af. Ze zou hierover “de volledigste opening” geven in een hoorzitting, die wat haar betreft het doel had ”den band des huwelijks” tussen haar en Jan Jurjens te verbreken.

De drost vroeg Jan om zijn kijk op de zaak. In de hoorzitting lichtte Jan die visie toe en beloofde hij dat hij

zich door de stads physicus betreklijk zijne lighamelijke gesteltenis, om behoorlijke conjugale ommegang bij een vrouw te kunnen hebben en zijn manlijk vermogen daartoe, zal doen onderzoeken.

Hij moest na het onderzoek een attest van de stadsdokter overleggen aan de drost, die dan een nieuwe sessie zou beleggen.

Grietje echter, had geen geduld. Ze diende nog dezelfde dag een nieuw verzoekschrift in. Er zou wel eens veel tijd kunnen verstrijken voordat het beloofde doktersattest er lag, zo voerde ze aan, en al die tijd duurde de inwoning en gemeenschap van goederen voort. Ze was bang voor “aanhoudende oneenigheden” en vroeg daarom, hangende het uiteindelijke besluit over een scheiding van tafel en bed, alvast om een verdeling van de gezamenlijke  spullen van Jan en haar. Dit stond de drost toe.

Noch het doktersattest, noch de scheidingsuitspraak heb ik kunnen vinden. Maar misschien dat Trijntje haar belangrijkste doel al bereikt had?

RHC Groninger Archieven Toegang 735 (gerechten Westerkwartier) inv.nr. 728: rekesten, die van 27 bloeimaand 1810.


Een ongenode kostganger te Opende

In de winter van 1810 stond Jurrien Alles binnen bij de drost van het Westerkwartier. Anderhalf jaar eerder, zo vertelde hij daar, had hij een boerenplaatsje in Opende gehuurd van de erven Jan Jans Heller. Een van die erfgenamen, Luitjen Jans Heller, stond zo’n tien weken geleden opeens voor zijn deur. Deze vroeg of hij zijn kabinet en nog wat andere meubels bij Jurrien mocht stallen, omdat hij er even mee omhoog zat. Ook wilde hij graag even komen logeren bij Jurrien. Het was maar voor een paar dagen.

Sindsdien had Jurrien deze Luitjen Heller menigmaal verzocht om weer weg te gaan, maar steeds tevergeefs. Heller bleef zitten waar hij zat, en dat was bij Jurrien in huis. Dan weer had hij de uitvlucht dat hij voor zijn aandeel het plaatsje niet met de andere erven meeverhuurde – iets wat aantoonbaar onjuist was – dan weer beweerde hij dat hij bij Jurrien als boerenknecht werkte.

Jurrien had wedman Hartsema al eens gevraagd met hem mee te gaan naar zijn huis, om te kijken of die Heller kon overhalen te vertrekken, en Jurrien “in het geruste posses van het verhuurd plaatsje te laten”. Ook dit had geen enkel effect. Heller weigerde op te krassen.

Jurrien gaf bij de drost aan dat hij het niet al te breed had – hij “was het zijne ten hoogsten nodig”. Aan de inwoning van Heller had hij niets en wilde hij niets hebben ook. Hij had een vrouw, twee kinderen en de derde was een dezer dagen op komst. Van Heller had hij nog geen duit gekregen voor de kost en inwoning. Hij was

ten hoogsten verlegen met dit sujet waarvan bovendien niet de beste renomé gaat.

Hij verzocht de drost beleefd om een eind te maken aan zijn probleem.

En dat deed de drost. Hij gaf de wedman van Opende opdracht om de persoon van Luitjen Jans Heller uit de behuizing van Jurrien Alles te “delogeren” – tenzij Heller binnen drie maal 24 uur kon aantonen, dat hij het recht had om daar bij in te wonen.

Het ziet er niet naar uit, dat Heller hierin slaagde.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (gerechten Westerkwartier) inv.nr. 728, rekest 31 Louwmaand (januari) 1810.


Geschut schaap blijkt dure kostganger in Grootegast

Simon Andreas Krausz (1770-1825), Liggend schaap. Collectie Rijksmuseum.

Hindrik Alberts woonde, waarschijnlijk als herbergier, in het voormalige rechthuis van Grootegast. Maar ook al zetelde daar al jaren niet meer het gerecht met al zijn lucratieve aanloop, er zat nog wel steeds een schutstal bij, waar mensen loslopend vee konden heenbrengen, dat de eigenaar er dan kon ophalen tegen betaling van het voergeld en wellicht een kleine boete. Doorgaans zullen die eigenaren zich snel genoeg hebben aangediend voor hun vermiste levende have, maar begin 1808 had Hindrik Alberts een probleem, en wel met met een schaap. Hij begaf zich op weg naar de drost in Zuidhorn, en vertelde deze hoogste gezagsdrager van het Westerkwartier dat

zedert een geruime tijd door Wolter Sipkes, mede te Grotegast woonachtig, bij hem een schaap in schutting is gebragt, zonder dat tot hiertoe de eigenaar is bekend, of dienaangaande eenige order is gesteld…

Aan de tijd van kost- en inwoning zat kennelijk geen limiet:

daar nu het verschuldigde voergeld reeds verre de waarde van opgemeld schaap overtreft.

Bij eventuele verkoop van het schaap kreeg Hindrik dus een deel van zijn geld niet terug, en aangezien het niet van hem gevergd kon worden

het nadeel hieruit resulteerende te moeten dragen, zo is deszelvs submis verzoek dat gem[elde] Wolter Sipkes mag worden gelast het verschuldigde voergeld aan rem[on]s[tran]t te voldoen en teffens dezelve dienaangaande voor het vervolg securiteit te geeven.

De waard wilde dus eindelijk boter bij de vis en alleen nog dat schaap in zijn schutstal houden als Wolter (zich) borg zou stellen voor de kosten in de toekomst.

De drost krabde zich eens achter de oren en belegde een hoorzitting voor een week later. Bij die gelegenheid erkende Wolter Sipkes,

dat hij het schaap op order der boerrigters aldaar in de schutstal heeft gebragt.

Mocht Wolter menen dat hij zich zo vrij kon pleiten van de kosten, dan bedroog hij zichzelf. De drost beslechtte het geschil in dier voege dat Wolter inderdaad het voergeld van het schaap aan Hindrik moest voldoen. Hij zou dan de beschikking krijgen over het schaap en moest daar verder maar de boerrichters van Grootegast over aanspreken.

Ik denk dat Wolter tegen de boerrichters gezegd heeft dat ze zulke schapen in het vervolg zelf maar naar de schutstal moesten brengen.

Bronnen: RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (gerechten Westerkwartier) inv.nr. 727: rekesten, die van 20 en 28 januari 1808; idem inv.nr. 415: commissieboek, 28 januari 1808.


“Poincten van order voor de secretarie dezer Jurisdictie”

Johannes Tavenraat,, Secretaris van Westerlo, 1841. Potloodtekening. Collectie Rijksmuseum.

Op 10 Hooimaand 1810 stuurde de Landdrost van het Departement Stad en Lande van Groningen het nieuwe huishoudelijk reglement voor de secretarie van het Westerkwartier op naar Zuidhorn, de hoofdplaats van deze jurisdictie. Daar liet de rechter het op 1 Oogstmaand door en voor de klerken afschrijven. Ook kwam het nieuwe reglement in de secretarie te hangen, misschien wel in een mooi lijstje. Hier volgen de artikelen van dat dat reglement:

Art. 1
De secretarie moet alle dagen behalven op zon- en feestdagen, des voordemiddags van 9 tot 12 uuren, en ‘s nademiddags van twee tot vier uuren open zijn en gehouden worden, gedurende welke tijd de klerk of klerken aldaar moeten praesent blijven, zowel tot verrigtingen van het secretariewerk, als om de ingezetenen, welke acces mogten begeren tot de publieke prothocollen of andere zaken hun betreffende, aldaar hebben te verrigten, behoorlijk te gerijven. Welke secretarie tijd egter verlengt wordt indien bij extra-ordinaire bezigheden zulks door den regter of secretaris nodig mogt worden geoordeelt.

Art. 2
Alle het secretariewerk moet so veel mogelijk op de hierboven bepaalde tijd en uuren op het locaal van de secretarie zelven worden verrigt, kunnende ter expeditie daarvan buiten de gesworen klerk of klerken geen ander persoon worden gebruikt zonder expres consent van den regter.

Art. 3
De klerken ter secretarie bemoeyen zich gedurende de secretarietijd met geen ander hoegenaamde zaken, dan alleen met het secretariewerk, daar niet onder begrepen het werk betreklijk de introductie der nieuwe belastingen, hetwelk afzonderlijk en buiten de secretarietijd moet worden geëxpedieert.

Art. 4
Als de secretaris niet in de hoofdplaats praesent is, zullen de klerken zig niet buiten de hoofdplaats mogen absenteren zonder expresse permissie van den regter.

Art. 5
Tot de bedieninge ter secretarie word gebruikt een der gerigtsbedienden op de hoofdplaats, welke de secretarie ieder morgen te halv negen, en ‘s nademiddags te halv twee uuren zal ontsluiten, en gedurende de winter zorgt, dat des smorgens te negen uuren aldaar het vuur brand, en voorts de boodschappen ter secretarie in de hoofdplaats vallende, waerneemt.

Art. 6
Alle originele concepten voor het Gerigte beleden, en waarvan de belijïngen door den regter zijn vertekent, moeten in een behoorlijk order, en voorzien van een nauwkeurig register op de secretarie der jurisdictie worden bewaart, opdat men ingevalle er in het afschrijven, of registratie der alzo beledene instrumenten enig abuis mogte zijn begaan, daartoe in allen gevallen kan recurreren.

Art. 7
Alle kopijen en verdere ter secretarie in train gebragte belijïngen, sententën en andere instrumenten worden eer en bevorens dezelve ter vertekeninge aan het Geregte worden voorgelegt ter secretarie nauwkeurig nagesien en gecollationeert, blijvende den nalatigheid hierin ter verantwoordinge van de secretarie.

Bron: RHC Groninger Archieven Toegang 735 (archief gerechten Westerkwartier) inv.nr. 729: publicaties, notificaties etc..


Vrouw komt uit tuchthuis, man wil scheiding

Hij noemde zichzelf Knels Jans en “huisman”, oftewel boer, te Grootegast. Maar als Cornelis Jans de Vries staat hij later ook wel te boek als arbeider. Alleen al die familienaam laat zien dat hij van Friese komaf was, net als zijn vrouw, maar in het Westerkwartier was (en is) dat natuurlijk niet zo opmerkelijk. Wel bijzonder was dat die vrouw, Janke Alberts,

door haar slegte daden bij het E.E. Gerichte van Friesland publiek is gegeesseld en in het Tuchthuis is geconfineert en gebannen…

Jankes gevangenisstraf zat er de 25ste februari 1807 op en Knellis maakte daarom ruim op tijd, op 14 januari, zijn opwachting bij de drost van het Westerkwartier. Hij voorvoelde en had ook gehoord dat zijn vrouw weer bij hem in Grootegast wilde komen wonen, maar dat zag hij helemaal niet zitten vanwege haar delicten “en meer andere, blijkens attestatie van nabuuren”. Hij kon niet meer “met haar als man verkeeren”, zo had hij besloten. Daarom verzocht hij de drost om een scheiding van tafel en bed, met overleg over de bijkomende regelingen.

Op 20 januari motiveerde Knellis zijn verzoek nogmaals. Het werd hem ingegeven doordat hij

vreesde dat zijne vrouw, die zeer boosaardig was, weder tot hem sou komen, en [hij] niet gaarne wenschte met zulk een weder te cohabiteren.

De drost stelde zijn beschikking op het rekest echter uit tot de vrouw werkelijk uit Leeuwarden terug zou zijn gekomen, zodat ook zij haar zegje kon doen. Op 26 maart bleek dat Janke niet aan de oproep gehoor had gegeven. Vandaar dat de drost Knellis de verzochte “separatie ad thorum et mensam” toestond. Voorlopig stelde het gerecht de boer ook in het bezit van de gezamenlijke boedel van hem en zijn vrouw, op voorwaarde dat deze zou gaan zorgen voor hun kind. Als Janke het netjes vroeg, moest Knellis haar wel meteen haar “lijves toebehooren” meegeven.

Bronnen: RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (jurisdictie Westerkwartier) inv.nr. 726: rekestboek, 14 januari en 26 maart 1807; idem inv.nr. 766: commissieboek, 20 januari 1807.


Friezen willen oude Groninger dijk afslichten

Medio juli 1806 leverden enkele Friese boeren uit de streek voorbij grensrivier de Lauwers een rekest in bij de drost van het Westerkwartier:

Geven met verschuldigde eerbied te kennen de ondergetekende landgebruikeren woonende onder den dorpe Buirum in Buirummerland,
hoe dat de Oude Dijk als tot eenen weg verstrekkende, loopende van de oostzijde van Visvliet naar Pieterzijl, van daar na de Hooge Dam en Leegte, weegens de smalte derzelver bij sommige tijden volstrekt niet bruikbaar [is] om met een rijtuig te passeeren en vooral in tijde wanneer de slooden bijlangs dezelve gegraaven of opgehaakt zijn, met de eene zijde de rijdtuigen meenigmaalen over en door de hoekselpollen moeten passeeren, en alzo in het uiterste gevaar om alle ogenblikken een ongeluk te zullen krijgen.
En daar nu deeze dijk of weg op eene zeer gemakkelijke wijze zoude kunnen worden verbeeterd, in dier voegen, dat dezelve zoverre wierde afgesligt dat de rijdtuigen malkanderen kunnen passeeren – gelijk reeds door het wijs besluit van Uw[el]E[del]gest[renge] met die van Nyzijl na Commerzijl deezen jaare is geschied – zoude deeze verbeetering niet voor ons alleen, maar zelfs in ’t algemeen voort alle die dezelve moeten passeeren van de grootste nuttigheid zijn –

De Oude Dijk tussen Visvliet en Pieterzijl waar het hier om gaat, heet tegenwoordig Pieterzijlsterweg, alleen is het tracé daarvan (deels) rechtgetrokken. Het vervolg voorbij Pieterzijl is de Brugstraat. De Leegte, op de grens met Friesland, bevindt zich halverwege Pieterzijl en Warfstermolen, terwijl de Hoge Dam daar de Lauwers afsloot.

Deze Oude Dijk was waarschijnlijk nog van een model, dat voor 1717 gangbaar was: vrij steil oplopend en relatief smal van onder en van boven. Vooral als de sloten aan weerszijden werden schoongemaakt en er uitgehaalde pollen waterplanten en slijk op het ongeplaveide karrespoor lagen, zorgde dat voor gevaarlijke hobbels op de weg. Vandaar dat de Friezen voor een bredere, beter begaanbare en minder gevaarlijke weg een stuk van de kruin van de dijk wilden afhalen. Of beter gezegd: laten afhalen, want Groningers moesten het werk doen! Hun verzoek kwam er namelijk op neer dat de eigenaars of gebruikers van de Oude Dijk – te weten Bote Teekes, Itte Jans,en Romke Klaassens, alle wonend onder Pieterzijl –

mogen worden gelast om de voornoemde dijk in dier voegen te verbeeteren dat dezelve op een behoorlijke wijze met rijdtuigen kan worden gebruikt ofwel in dier voegen als Uwe Wijsheid het zal goedvinden om te behooren.

Van de in totaal 13 ondertekenaren kwamen de eerste 3 uit Burummerland, waar het verzoekschrift ook geconcipieerd was, terwijl het zich laat aanzien dat de andere 10 uit Munnekezijl afkomstig waren.

De drost liet eerst de situatie onderzoeken, waarna hij een hoorzitting zou uitschrijven. Een verslag daarvan heb ik echter (nog) niet kunnen vinden. Misschien is de procedure bij de drost ook niet vervolgd, omdat de Oude Dijk niet direct onder diens competentie viel. De bewuste dijk stond immers onder toezicht van het Dijk- en Buurrecht van Visvliet en Pieterzijl. Of de bestuurders daarvan oren naar het plan hadden, is onzeker. Inderdaad was de al even steile dijk tussen Niezijl en Kommerzijl in 1806 afgetopt om de bovenkant breder en beter begaanbaar te maken voor rijtuigen, en dat na een soortgelijk verzoekschrift aan de drost van het Westerkwartier, maar daar kunnen weer andere omstandigheden hebben bestaan dan in Pieterzijl. Het is dus niet gezegd dat het voorbeeld werd gevolgd. Overigens waren volgens het kadaster van ca. 1830 (waarop ‘t bovenstaand kaartje is gebaseerd) hele repen op de flanken van deze dijk in gebruik als tuin, maar ook dat zegt nog niets, lijkt me, over een eventuele afslichting vanwege het rekest in 1806.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (jurisdictie Westerkwartier) inv.nr. 726: rekestboek, 17 juli 1806.


Hoe Trijntje Soldaats haar zoon verloor

Tot halverwege de negentiende eeuw werden mensen op het Groninger platteland nog bij voorkeur aangeduid met patroniemen, achternamen afgeleid van hun vaders voornamen. Voor ons hebben die namen het nadeel dat ze niet zo onderscheidend zijn: ze lijken allemaal op elkaar. Vandaar ook, dat het even duurde voordat ik de naam van Trijntje Alberts herkende. Maar ze kwam uit Ezinge en kort geleden had ik daar in de Torenstraat nog een plaquette gefotografeerd, die haar herdenkt. Daardoor viel, denk ik, het kwartje alsnog: het rekest dat ik ’s middags zonder herkenning gezien had, bleek ’s avonds van Trijntje Soldaats, de bekende sprookjesvertelster. En uit haar biografie werd ook duidelijk, dat dit verzoekschrift nog nooit eerder opgemerkt was.

Voor wie Trijntje Soldaats niet kent: als huisnaaister en oppaster vertelde ze tussen 1800 en 1804 sprookjes aan een paar buurtkinderen, waarvan er een die verhalen uitschreef in een schriftje dat zijn nazaten zo bijzonder vonden, dat ze het van generatie op generatie bewaarden. In 1928 gaf de folkloriste mevrouw Huizenga-Onnekes de sprookjes uit in een fraai verzorgd boek, met houtsneden van Johan Dijkstra en gedrukt door H.N. Werkman.

Trijntje Soldaats (1749-1814), die zo ruim een eeuw na na haar dood alsnog bekendheid verwierf, was geboren en getogen in Ezinge als dochter van een kuiper. Haar moeder kwam van een boerderij in het naburige Feerwerd. Volgens Jurjen van der Kooi, die haar sprookjes onderzocht, moet ze die hier in de omgeving hebben opgedaan. Hij noemde ze “echte Groninger sprookjes”. Ze kwamen dus niet uit Hessen, zoals ook wel eens is beweerd.

Uit Hessen was de man afkomstig met wie Trijntje in 1787 in de stad Groningen trouwde: de tien jaar jongere Andreas/Andries Cramer, ook wel Kremer, Greulingen, Kreuling en Krieling geheten. Vanwege deze soldaat – hij was in ’s Lands dienst – kreeg Trijntje haar bijnaam. Vlak na de doop van hun oudste dochter, begin 1788, verhuisde het paar naar Hessen, waar het weldra nog twee kinderen kreeg: een meisje en een jongen. De laatste, Gerhard, geboren circa 1790, staat hierna centraal.

In 1793 overleed Trijntjes man en keerde zij met de kinderen terug naar haar geboorteplaats Ezinge. Ze zou er in 1798 nog eens trouwen, nu met een twintig jaar jongere boerenzoon uit Fransum, Wybe Wybrands. Bij het opmaken van hun huwelijkscontract traden twee diakenen van de hervormde gemeente Ezinge op als getuigen, vrijwel zeker een teken dat Trijntje door hen bedeeld werd en dat zij deze mannen dus ook om toestemming voor haar huwelijk had moeten vragen.

Dan nu Trijntjes rekest. Op 1 februari 1806 werd Trijntjes ongeveer vijftien jaar oude zoon Gerhard Andries Krieling ter aarde besteld op het kerkhof van Ezinge. Vier dagen later maakte Trijntje met een advocaat, mr. Nauta Muntingh, haar opwachting bij de drost van het Westerkwartier met dit verzoekschrift, dat ze met een kruisje tekende, omdat ze het schrijven blijkbaar niet machtig was:

Geevt eerbiedig te kennen Trijntje Alberts, hoe dezelve met wijlen haar eheman Andries Krielinge twee nog minderjarige kinderen heeft verwekt, waarvan het eene, genaamd Gerardus, bij Jan Jans op Den Ham als knegt diende, en het zelve haar op donderdag den 23 jan[ua]ry l.l. in een aller ongelukkigste omstandigheid is te huis gebragt. Bij welke geleegenheid men haar verhaalde dat Gerardus stroo op de balk draagende, was komen te vallen, en dat Jan Jans zijn zoon had bevoolen, nadat het reeds drie daagen geleeden was, om hem op een paard na zijn ouders huis te brengen. Dan de zoon van Jan Jans zoude (in plaats van hem bij zijne ouders te brengen), hem bij Suttum van het paard hebben afgezet, waarop hij door menschen digt bij Suttum woonende is in huis geborgen, die daarvan aan mij kennis gaaven, en waarop (zonder eenige tijding van de boer Jan Jans nog iemand zijnentweegen te hebben ontvangen) Duurt Alberts te Suttum mij hem met een waagen te huis heeft gebragt, hebbende dat alles ten gevolge gehad, dat hij op de daaraanvolgende maandag is overleeden.

Met andere woorden, Trijntjes zoon diende als knecht bij een boer Jan Jans in Den Ham, zo’n 6 kilometer ten zuiden van Ezinge. Gewoonlijk verdiende zo’n jonge boerenknecht kost en inwoning met een paar gulden en wat kleding of schoeisel toe; dat zal ook hier het geval zijn geweest. Die paar gulden zullen dan, zoals te doen gebruikelijk, naar zijn moeder zijn gegaan. Gerhard droeg, waarschijnlijk via een ladder, stro naar een berging of zolder op de balken in Jan Jans zijn schuur. Bij dit karwei was hij naar beneden gestort. In zulke gevallen namen mensen niet vaak een dokter in de arm en dat deed ook nu de boer niet. Na het drie dagen te hebben aangezien, gaf hij zijn zoon opdracht om de patiënt op een paard naar in Ezinge te brengen, Gerhards moeder moest hem dan maar verder verzorgen. Het kan zijn dat de boerenzoon de tocht te lang vond duren, maar misschien leed Trijntjes zoon ook wel teveel pijn, zo rijdend op dat paard. In elk geval werd hij er bij Suttum, een gehucht halverwege Den Ham en Ezinge, al afgezet door de boerenzoon. Daar werd hij opgevangen door mensen die Trijntje bericht gaven. Je kunt je voorstellen dat Trijntje, die van de boer nog helemaal niets over het geval had gehoord, zich wezenloos schrok. Ze zal meteen naar Suttum zijn gegaan, waar ze een Duurt Alberts – geen familie – vroeg haar zoon op een wagen naar haar huis te brengen, en daar overleed de jongen na enkele dagen.

Maar wat beoogde Trijntje met dit verzoekschrift? Ze bracht het geval ter kennis van het gerecht, zei ze, omdat ze graag wilde dat de drost het zou laten onderzoeken:

De rem[on]s[tran]te vermeende zulks aan het E.E. Gerichte bekend te moete maaken, en verzoekt zeer submis, dat het E.E. Gerichte hierop (gratis) na behooren informatiën gelieve in te winnen of anders in deezen te doen, zoals zal vermeenen te behooren.

Zat er een luchtje aan de valpartij? Was haar zoon van de ladder of de balk afgeduwd? Hoe dan ook, uit de kantbeschikking blijkt dat de drost er meer van wilde weten. Hij ontbood voor de volgende ochtend, om precies te zijn donderdag 6 februari om 11 uur, de Ezinger heelmeester Melle Sikkes Rijtema, die kennelijk de jongen nog voor diens dood had onderzocht, wat dus in het huisje van Trijntje gebeurd moet zijn.

Op Rijtema’s verslag belegde de drost bovendien nog een zitting voor donderdag 13 februari, om zowel Trijntje te horen als Duurt Alberts, de boer uit Suttum die haar zoon naar huis had gebracht. Beiden vertelden daar nog eens hetzelfde verhaal, met wat meer bijzonderheden :

verklaarden dat des rem[onstran]tes overledene zoon op donderdag 23 januarii l.l. door den zoon van Jan Jans met het paard was gebragt tot Suttum en aldaar neergezet bij het schut van een vrouw Geeske genaamd. Dat dezelve met vele moeite in het huisje van laatstgenoemde gekomen zijnde, deze vrouw daarvan had kennis gegeven aan de rem[onstran]te, die terstond den 2den comparant Duurt Alberts had verzogt om haar zoon met de ley te huis te brengen, gelijk denzelve zulks dan ook gedaan had. Dat zij voorts geen gejammer van haar zoon gehoord hadde, maar dat dezelve niet bij zijn verstand had geschenen te zijn. Verzoekende voorts het verdiende loon en klederen van het huis van Jan Jans te mogen afhalen,…

De jongen was dus niet naar Trijntjes huis gebracht met een wagen, maar met een “leij” of lai (ook wel loijke of bodde geheten), een soort van paardenslee met een bak erop die destijds heel vaak op kleiwegen werd gebruikt. Thuis gekomen, gaf Gerardus geen kik. Hij leek alleen niet goed bij zijn hoofd en had mogelijk een zware schedelbasisfractuur, waaraan het ruwe vervoer beslist geen goed zal hebben gedaan. Van verdachte omstandigheden was nu geen sprake meer. Het enige wat Trijntje nog wilde, waren de kleren en het loon van haar jongen. Blijkbaar durfde ze zonder rugdekking van de drost niet naar de boer op Den Ham, om die op te halen.

Hoewel de drost nogmaals een zitting agendeerde, waar hij Jan Jans en diens zoon mede zou horen, heeft die zitting nooit plaatsgevonden. Waarschijnlijk kreeg Trijntje inderdaad de kleren en het loon van haar zoon, waarbij de Hamster boer mogelijk wat meer over de toedracht zal hebben verteld. Voor Trijntje hoefde daarna die nieuwe zitting niet meer zo. Ze had al geld genoeg uitgegeven aan advocaat en gerecht en haar zoon kreeg ze er niet mee terug.

Bronnen:

  • RHC Groninger Archieven Tg. 735 (Gerechten Westerkwartier) inv.nr. 725: rekestboek, notities van woensdag 5 en donderdag 6 februari 1806; en idem inv.nr. 766: commissieboek, notitie van donderdag 13 februari 1806.
  • Wija Friso & Jurjen van der Kooi, Trijntje Soldaats en de Torenstraat (Bedum 2001) met name p. 61-80 en 97.

Storm blaast huis om

Het verzoekschrift:

Geevt eerbiedig te kennen Pieter Jacobs, woonagtig te Lutkegast, hoe de onderget[ekende] is beswaard met een armoedig huisgezin van vrouw en drie onweerbare kinderen, zijn eigen woning heeft gehouden, dan daar gem[elde] woning in de laadste stormwinden bijna geheel is geremoveerd, zoo was zijn eerbiedig verzoek, teneinde UW[el]Ed[ele] aan hem gelieve te verleenen een acte om de jurisdictie te mogen rondgaan om de goede ingezetenen te verzoeken om een aalmoes tot opbouw van zijn bijna omgevallen woning.

/get[ekend/
Pieter Jacobs

De apostille (kantbeschikking) van de drost:

Wordt een den remonst[rant] de vrijheid gegeven om in de gewezenen jurisdictie van Westerdeel Langewold voor de tijd van agt daagen ten verzogten einde te moogen rondgaan.

Kortom: Pieter Jacobs en zijn gezin hadden het absoluut niet breed, maar Pieter had nog wel zijn eigen huis weten te behouden. Toen kwam er die storm en viel dat huis om, nou ja: bijna om. Reden voor Pieter een crowdfundingsactie te beginnen met een bedelbrief, gevraagd en gekregen van het bevoegd gezag. Hij mocht ruim een week aalmoezen vragen, maar alleen in de omgeving van Lutjegast en niet in heel het Westerkwartier, zoals eerst in zijn bedoeling lag.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (rechterlijke archieven Westerkwartier) inv.nr. 725: rekest 13 maart 1806.