Ja, zo’n reisje langs de Rijn, Rijn, Rijn
Geplaatst op: 15 januari 2015 Hoort bij: Geschiedenis, Kunsten 2 reacties
De aartsvaderlijke Neptunus heeft een jong mokkel aan de haak geslagen en streelt achteloos haar blote rug. Zij houdt het gevleugelde wiel op hun beider schoot vast. Met zijn vrije hand wijst hij naar een salonboot met raderen, die van Mainz naar Keulen opstoomt over de Rijn. Het is 1896, La Belle Epoque.

Het gaat weer even goed met de mensen. Op de achterkant van de folder zien we dat de bovenklasse zich weer een reisje over de Rijn kan permitteren. Die mevrouw in het centrum van het beeld lijkt verdiept in een boek, maar schijn bedriegt, want het zal een reisgids zijn die ze raadpleegt om de fraaie omgeving te kunnen duiden. Haar dochter, zuster of vriendin kijkt even mee. De heren om hen heen zijn minder geïnteresseerd in het natuurschoon.
Landarbeidershuisjes
Geplaatst op: 14 januari 2015 Hoort bij: Geschiedenis, Kunsten 3 reactiesLandarbeidershuisjes, veel is er niet over gepubliceerd. Als ik merk dat het Neerlands Volksleven van de jaargang 1962 er een artikel over bevat, wil ik dat dus wel even lezen.
Dat stuk werd geschreven door Henk Braber, destijds de baas van de provinciale VVV hier in Groningen. Hij propageerde de ingebruikneming van landarbeidershuisjes als tweede woning, vooral in de noordelijke kuststreek.

Het Oude Veerhuis, Zoutkamp.
Hierin voelde Braber zich niet altijd even begrepen. “Iedereen haalde de schouders op en lachte”, schreef hij over het onthaal dat zijn gedachtengoed meermalen vond:
“Menigeen moest er om begrijpelijke sociale redenen niets van het nieuwe idee hebben. Lege landarbeiderswoningen dienden gesloopt te worden.”
In de jaren 50 hadden zulke huisjes een slechte pers. Ze waren vaak matig onderhouden en slecht bereikbaar en ze misten aansluiting op waterleiding en elektriciteitsnet, nutsvoorzieningen die al wel aanwezig waren in de dorpskom, net als telefoon. Destijds zijn er dan ook aardig wat van die huisjes gesloopt.

Dat het er nog niet meer zijn geweest, komt ongetwijfeld door de trek naar het platteland van de babyboom- en hippiegeneratie, in de jaren 1965-1980. Bij hen viel de propaganda van Braber c.s. erin als Gods Woord in een ouderling:
“Wat kunnen deze eenvoudige stulpen, vaak met hoge vlierstruiken en geboomte er om, een aardig accent vormen in het Groninger landschap!”
En:
“…een plekje zonder lawaai van het verkeer, zonder glurende buren, links, rechts en boven. Een stukje waarlijke vrijheid tussen het koren en onder een wijde hemel met allerlei vogels. Waar het nog bestaat dat fazant of patrijs in je tuin broeden en de hazen stoeien op de landweg.”
Tijdens het lezen van Brabers artikel probeerde ik te doorgronden wie de illustraties maakte. De signatuur liet zich niet ontcijferen, maar het handschrift kwam me ergens bekend voor. Aan het eind van het stuk gekomen, bleek waarom: de tekeningen zijn gemaakt door Nico Visscher, decennialang de cartoonist van het Nieuwsblad van het Noorden, Binnenlands Bestuur en de Oosterpoorter.

Ik wist niet dat Nico ooit topografica had gemaakt en toen ik hem erover belde, bleek hij de tekeningen zelf ook niet meer te hebben: “Heel vaak kreeg ik ze niet terug.” Hij had er nog meer gemaakt, vertelde hij. Hopelijk bevinden ze zich nog in het archief van de Provinciale VVV – ik kan me haast niet voorstellen dat iemand zoiets weggooit.

Een gerieflijk gemak voor de borgvrouw
Geplaatst op: 14 januari 2015 Hoort bij: Geschiedenis 1 reactieSe non e vero…
Briefje met anekdote, 20e-eeuws typoscript, aangetroffen in een fotomapje uit een familiearchief, geeft een onverwacht inkijkje in de Menkemaborg te Uithuizen.
Bij die borg had je ter weerszijden voor de brug twee torentjes staan. Het verhaal gaat dat dit zogenaamde plonsplees waren, waar de bewoners hun behoefte deden, die dan beschaafd getoonzet in het stilstaande water van de gracht gleed.
De laatste borgbewoners, jonkheer Jean Francois Lewe van Nijenstein en zijn uit Hellevoetsluis afkomstige vrouw Charlotte Servatius, zouden een eeuw geleden nog gebruik van deze hygiënische voorziening hebben gemaakt.
Charlotte was het in stadshuizen wellicht wat minder primitief gewend. Vooral ‘s winters vond ze het maar koud, op zo’n plee te zitten. Echter, daar werd iets op gevonden en het vrouwelijke huispersoneel werkte gaarne aan de oplossing mee.
Elke avond diende de dienstmeid zich aan bij mevrouw met de boodschap:
“Mevrouw, ’t is zo wied”.
Mevrouw repte zich dan op een holletje naar buiten om op de plonsplee te gaan zitten. De dienstmeid had deze terdege voorverwarmd.
De Pluimgraaf, raskippenblad voor sjieke lui
Geplaatst op: 11 januari 2015 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen
Een andere mooie vondst, deze week, was dit nummer van De Pluimgraaf uit 1904. Het betreft een weekblad voor liefhebbers van vooral kippen en daarnaast zang-, sier-, en volièrevogels, uitgegeven door Vincent Loosjes te Haarlem. Van dit blad zijn weinig andere exemplaren bekend. De kopletters en de omlijsting van de tekening zijn typisch Jugendstil, van de tekening zelf zou ik dat niet durven beweren, die lijkt gemaakt door iemand die anders wel sprookjesboeken illustreerde.
Om dit nummer zit nog een postbandje met de naam van de post-abonnee, W.C. Alberda van Ekenstein in de Oude Boteringestraat te Groningen. Dat was een jonkheer en inderdaad blijkt dat het fokken van pluimvee aanvankelijk, zo vanaf 1880, vooral een zaak van voorname lui was, die uit esthetische en nationalistische motieven een voorkeur hadden voor vaderlandse pluimveerassen. Pas na de Eerste Wereldoorlog, toen het plebs op zaterdagmiddag vrij kreeg, zonk dit cultuurgoed naar lagere standen, die meer naar de opbrengst in eieren en minder naar esthetische aspecten keken en die daarom ook buitenlandse kippenrassen niet versmaadden.
—
Bron van het stuk: RHC Groninger Archieven, Toegang 2063 (archief van de familie Alberda van Ekenstein) inv.nr. 63.
Over de geschiedenis van de georganiseerde raspluimveeteelt zie men ook het proefschrift van Bart Mombarg uit Peize (RuG 2000).
“Duyzend maal de groetenis van mijn” – Een soldaat van Napoleon schrijft zijn moeder in Groningen
Geplaatst op: 10 januari 2015 Hoort bij: Geschiedenis, Oosterpoort 7 reacties
Kijk, dit is iets bijzonders. Van officieren in het grote leger van Napoleon zijn er wel dagboeken, memorialen en brieven bewaard gebleven, maar van gewone manschappen is er zo goed als niets aan ons overgeleverd. Van zo iemand is dit is een brief. Extra speciaal is deze door het naieve voorgedrukte briefhoofd, dat een soldaat in een legerkamp voorstelt en ingekleurd is met waterverf.
De brief dateert van 23 augustus 1811 en is geadresseerd aan de 64-jarige weduwe Jacob Iepes (ook wel Ypes), die destijds buiten het Kleinpoortje te Groningen woonde. Dat was in een klein strookje lintbebouwing aan de oostkant van het (oude) Winschoterdiep. Over die weduwe ben ik weinig te weten gekomen, eigenlijk alleen dat zij en wijlen haar man in 1774 trouwden, waarbij hij van Hellum en zij uit Onnen afkomstig bleek. Tot 1801 woonde zij nog aan de oostkant van de Oosterweg, dus buiten de Groninger Oosterpoort, maar dan niet in een moeskerij of groentekwekerij zoals de meeste bedijven aldaar destijds.. Ze was ook weer niet onbemiddeld, want ze bezat haar eigen huis en twee éénkamerwoninkjes die ze dat jaar liet verkopen om te verhuizen naar het Winschoterdiep, waar ze waarschijnlijk een kleinere huurwoning betrok.
De brief kwam van haar zoon Egbert (26), zeesoldaat of marinier bij een Hollands regiment dat onder het bevel stond van ene Stuart. Egbert lag in het Camp de Boulogne, dat Napoleon acht jaar eerder liet inrichten voor een uiteindelijk afgelaste invasie in Engeland. Over zijn leven hier was Egbert eigenlijk best tevreden. Toch vertelt hij zijn moeder ook over een zeegevecht met de Engelsen dat bijna een jaar eerder plaatsvond. Het kostte de Hollanders 9 doden en 12 gewonden, terwijl hun ‘broeders’ de Fransen nog veel meer manschappen verloren. Toen ze weer aan wal kwamen, mochten ze voor de Keizer paraderen en een eresalvo afvuren. Napoleon bleek heel tevreden over ze, en tracteerde ze royaal. Egbert was blij dat hij dat meegemaakt had.
Egbert Jacobs was bepaald geen veelschrijver, zoals blijkt uit het feit dat in augustus 1811 nog eens verslag deed van een gevecht dat al in september 1810 plaatsvond. Zijn handschrift, of dat van de kameraad die hij de brief dicteerde, is onbeholpen, evenals de poging tot het volgen van briefconventies, om over de interpunctie maar te zwijgen, want die ontbreekt. Egbert had dus bijna een jaar niets van zich laten horen, maar was toch bang dat hij zijn moeder nooit meer zou zien. Blijkbaar kwam hij te weten dat het minder goed met haar ging, en reageerde daarop. Hij wilde graag op verlof bij haar langskomen, maar had daar mogelijk de bemiddeling bij nodig van een “mijn heer” die hij goed kende van vroeger. Impliciet blijkt uit de brief dat die meneer een officier was die in of nabij Groningen woonde. Egbert vroeg zijn moeder immers om bij die heer langs te gaan, of anders zijn zuster die heer een brief te laten schrijven. En aangezien Egberts brief zich in een recente, nog niet via internet toegankelijke aanvulling op het archief Clant van Hankema bevindt, moet dat haast wel de (oud)officier Pieter Bindervoet geweest zijn, sinds ongeveer 1807 de borgheer van Hankema in Zuidhorn. Mogelijk wilde Egbert het contact met Bindervoet ook wel herstellen voor wat extra geld, omdat de soldij van twee stuivers daags bepaald geen vetpot was.
Hieronder laat ik de brief van Egbert volgen, waarbij ik interpunctie en witregels heb toegevoegd, veel hoofdletters heb verkleind, maar de spelling heb gelaten zoals die was. Alvast een waarschuwing: vele malen staat het woordje ‘en’ voor ‘een’. Egberts taal lijkt een beetje Hollands voor een Groningse jongen, wat kan komen door beïnvloeding, als het inderdaad geen kameraad was die de brief voor hem opschreef. Van de derde briefpagina waren helaas stukjes van de rand af, daar heb ik in mijn transcriptie zo mogelijk aanvullingen gegeven tussen vierkante haken.
Camp de Boulogne, le 23 augustus 1811
Waarde moeder, zuster en swager,
Ik heb u brieff in goeden welstand ontfangen en daaruit verstaan als dat u alle nog vris en gezond ben, hopen van u ’t zelven, was ’t anders om te hooren ’t zou mijn uit hert en ziel leed zijn. Maar waarde moeder, het doet mijn grood leed als dat ik u moed laten weten als dat ik in zoo en naren omstandigheden heb bij geweest en daar wij den 19 september slaag ben geweest met de Engelsen van des namiddag 2 uer tot 5 uer en daar hebben wij en man off 8 dooden bij gehad en 12 geblesseerd en ook en schip bij verlooren met 50 soldaten, maar dat was van de Fransen. Maar waarde moeder, ik ben er door Gods goedheyd goed hen? of gekomen. En wen wij van den ree aff kwammen, toen moesten wij voort revue maken voor de Keyzer maken en vueren en toen wij dat gedaan hadden, waar den Keyzer daar wel heel meeden kontent was, en toen kregen wij en goed traktaad van hem en nue zijn ik blijd, waarden moeder, als dat ik dat bijgewoond heb.
Maar waarde moeder, ’t doet mijn grood leed en verdried als dat u, mijn waarde moeder, zoo en grood verdried heb gehad wegens dat u zoo ziek is geweest, maar ik hoop als dat God u helpen zal, waarde mnoeder. Ik wenste wel als dat ik u nog in en gezondheyd mag ontfangen als ik rijs avond off morgen nog rijs langs mog komen bij u mijn waarde moeder.
Wad mijn hier aangaad, ben ik heel wel kontend meden, ik heb er nog geen verdried in wat mijn hier aangaad.
Maar waarde moeder, schrijft mijn tog eens hoe ’t in Groninge gaad met de rekwisiesie gaad.
En nue heb ik en versoek aan u off u mijn tog zieto en brieff wil terüg stueren, wand ik ben heel verwonderd hoe ’t daar toegaad bij u aan huys.
En, waarde moeder, ik heb en verschoek aan u off u tog reys bij mijn heer wil aangaad hoe hij het tog heeft en laad hij mijn tog eens schrijfen hoe hij het heeft, wand het verwondert mijn dat ik geen brieff van hem terugkrijg. Nu is mijn versoek waard moeder [off] mijn suster en brief naar hem wil [stueren] off hij dan zoo goed is en wil mijn en weg […] stueren dat Stuad in zijn eygen wil waar […] U Edle weeet wel hoe ’t gaad met en zoo [een] die en beetje geld heeft, dat is gou weg, en voor iemand die voor ’t eerst onder dienst komt, schoon ik tog nog geen gebrek heb maar en soldaat die van zijn traktement moed bestaan, die is ongelukkig. U Edle kan wel begrijpen: van 2 stuyvers kan men nied vet teeren.
Waarde moeder, ik weed tot dus verders niet meer tee schrijfen, als duyzend maal de groetenis van mijn aan alle goeden vrienden en zuster en zwager en aan de kinderen en aan Pieter Julsing, Kier (?) Medenbroek, Kuff met de Kin maar tog nooyd off immer met mijn hert, verblijff u toegenegen zoon Egbertis […] tot in der dood.
(Post scriptum)
Waarde moeder als u mijn schrijft sit[o] mijn dan tog een off ik met verloff [naar/bij] u zal komen voor een week off 8 off […] en zoo ik ofer zal komen bij u, soo schrij[ff] mijn dan het in de brieff.
Hoe een koejongen de dood vond bij Usquert
Geplaatst op: 30 december 2014 Hoort bij: Geschiedenis 4 reactiesOp dinsdag 8 juli 1794 werd tussen tien en elf uur ‘s avonds een Garmt Klaassens aangetroffen op een binnenweg ten westen van Usquert, vlakbij “Ludemaas uitvaart”. De twaalfjarige jongen lag daar in deerniswekkende toestand naast een akker met bonen:
“geheel en al spraakloos en sonder verstand (…), gevende met het spiren syner handjes nog eenige geringe tekens van leven te kennen…”
Op zijn rug zat
“de bloem van een koestaart, waaraan hij was vastgebonden geweest, en hetgeen door sterk rukken van dat beest aldus moet syn afgescheurd.”
Die koeiestaart had oorspronkelijk aan zijn middel vastgeknoopt gezeten, maar was met de “geringe kledinge” van de jongen tot onder diens armen opgeschoven. Ook hing de broek van de jongen los om diens onderbenen. De koe had dus de jongen, toen die zich niet staande wist te houden, een eind voortgesleept, tot haar staartpunt het begaf. Waarschijnlijk bokte ze daarbij hevig, in elk geval onderging de jongen een afschuwelijk lot.
Garmt werkte en woonde als “koejonge” bij Hans Arends in Usquert, maar zijn moeder woonde in Warffum. Op haar verzoek werd hij daarheen overgebracht. Hij leefde nog ruim een dag – op donderdagochtend 10 juli kwam hij te overlijden.
Het gericht van Usquert hoorde weldra van het geval en startte een onderzoek. Garmts bazin, de vrouw van Hans Arends, vertelde dat ze die avond tot ongeveer 9 uur nog bezig waren geweest met het zwelen van walhooi. Onderweg naar huis waren hun wegen gescheiden. Zij was binnendoor gegaan en ze had de jongen opdracht gegeven om de koe en vijf schapen op te halen, die een eind verder bij de binnenweg stonden te grazen. Ze waren gewoon dat vee ’s nachts binnen te halen, vandaar.
Om precies te zijn bevond deze levende have zich tussen “Harmke kinders huis” en “Hijbel Cornellis plaatse”. Op die laatste boerderij woonde en werkte een iets oudere jongen, namelijk Berend Jacobs, voor ongeveer 17 jaar geboren te Uskwert. Als habituele plaaggeest van Garmt Klaassens raakte Berend al snel bij het Gericht in beeld.
Op de vrijdag en zaterdag na het overlijden van de koejongen was Berend wezen hooien in het land van zijn werk- en kostverschaffer. Tegen een arbeidersvrouw de daarbij hielp, was hij vertrouwelijk geweest en had hij een “eene openhartige belijdenis” gedaan. ’s Zondags kwam hij haar weer tegen bij haar huis. Inmiddels had de rechter haar en anderen gesproken. Dat meldde ze Berend met de vraag:
“Jonge hoe moet het nu, wie hebben voor het regt geweest.”
“Ik ga niet weg”, was Berends antwoord:
“Ik wil liever dat sy mij met seven paarden van elkanderen trekken.”
Daarmee zinspeelde hij op vierendeling, een straf op moord met voorbedachten rade. De uitlating kon als een verkapte bekentenis worden beschouwd en Berend raakte erdoor in het gevang.
We weten dat het Gericht ijverig bezig is geweest, maar helaas zijn de “ingewonnen informatiën , beëdigde verklaringen van getuigen en gehouden examina” niet bewaard gebleven. Wel vernemen we dat Berend voor zijn arrestatie goed was geïnstrueerd door zijn vader en enige anderen – hij moest de Richter maar aan de praat houden en niets meer zeggen dan dat hij Garmt Klaassens op de binnenweg was tegengekomen, waarbij de koejongen “de stok in de regterhand en de staart in de linkerhand” had gehad, op een moment dus, dat er nog helemaal niets loos was geweest.
In de eerste verhoren hield Berend zich keurig aan deze instructie. Na confrontatie met een getuige die kennelijk wat meer had gezien, gaf hij echter toe dat er inderdaad wat meer was gebeurd op de avond dat het “ongeval” plaatsvond. Bij hun ontmoeting op de binnenweg had hij Garmt gevraagd
“of hij nog wel eens voor hem runnen wilde en dat hij door denselven met jaa was beantwoord mits dat gedet[ineer]de hem dan niet slagen soude.”
Toen Garmt al rennend een bepaald punt bereikte, had Berend hem toegeroepen
“hij hadde nu genoeg gerunt, hij soude daar mede maar ophouden.”
Blijkbaar liet Berend de jongere Garmt wel vaker hardlopen, en gaf hij hem een pak slaag als hij niet voldeed.
Verder wenste Berend niet te gaan. Zo ontkende hij “volstrekt” dat hij Garmt aan de koeiestaart had vastgebonden.
Ander bewijs voor zijn betrokkenheid bleef ook uit. Na drie maanden besloot rechter Amsing daarom een eind aan het proces te maken. Amsing overwoog dat er weliswaar “seer sterke praesumtiën” tegen Berend Jacobs bestonden, maar dat die “niet genoegsaam” waren voor het opleggen van een bepaalde straf. Daarom liet hij Berend “bij provisie” vrij, waarbij Berend hem “onder handtastinge” moest beloven zich bij het Gericht te melden als hij een oproep kreeg. Zoniet, en nam hij de benen, dan werd hij alsnog verantwoordelijk geacht voor de dood van Garmt Klaassens.
Hoewel Berend dus bij gebrek aan doorslaggevend bewijs op vrije voeten kwam, veroordeelde Amsing hem nog wel tot betaling van de rechtskosten.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 136 archief (Hoge Justitie Kamer) inv.nr. 1987: vonnissen vreemde gerichten, de uitspraak d.d. 5 september 1794 door de richter van Usquert (fo. 217-219).
Een volksgericht in Middelstum
Geplaatst op: 25 december 2014 Hoort bij: Geschiedenis 1 reactieHet eerste wat aan het vonnis opvalt: ze vierden Groningens Ontzet in Middelstum, eind achttiende eeuw. Nog mooier: het vonnis vertelt over een volksgericht en hoe Ommelanders dat destijds opvatten.
De slachtoffers van dat volksgericht waren een Helena Hindriks, woonachtig in de dorpskern van Middelstum, en een Hindrik van de Burg, die bij de borg van Middelstum (Ewsum) in dienst was als hovenier. Dorps- en streekgenoten ergerden zich aan het “slegt gedrag” van Hindrik en Helena en vermoedden dat beiden er een “onbetamelijke conversatie” op na hielden. Men beraamde het plan om ze
“op de karre te krijgen en ter spot langs ’t loeg te krooden”.
Dat laatste woordje doet ten onrechte vermoeden dat het stel met een kruiwagen door het dorp gevoerd werd – uit het vervolg blijkt dat waarschijnlijk toch wel een grotere (mest-)kar is gebruikt.
De hoofdverdachte in dit drama was een Harm Willems, 31 of 32 jaar oud en geboren in Westeremden, maar eveneens wonend in Middelstum. Helaas staat zijn beroep niet in het vonnis, maar ik heb zo’n idee dat het een boerenarbeiders of boer was – in elk geval ging het om een sterke kerel. Hoewel het vonnis ook enkele namen van zijn kameraden noemt, kregen die geen crimineel proces aan de broek. Wellicht zijn die boetstraffelijk aangesproken.
Op zondag 28 augustus 1785,
“als wanneer er ter vieringe van Victorie wegens het verlaaten van Groningen in ’t loeg swarvers wierden opgestooken en afgesmeten” (voetzoekers HP),
vervoegde de hoofdverdachte zich ’s avonds voor het huis van Helena Hindriks bij zijn kameraden. Ze klopten aan bij Helena met de smoes dat ze een pijp tabak wilden aansteken en “onder conditie dat haar geen kwaad wilden doen”, liet Helena ze binnen,
“met dien gevolge, dat onder het schermutzelen de lampe is uitgeraakt”.
Kennelijk was de hoofdverdachte, Harm Willems dus, toen ergens anders nodig want hij begaf zich naar buiten, “onder de zamengerotte menigte der menschen”. Sommigen wezen hem op de hovenier, die een eindje verder op een publiek toegankelijk paadje stond te praten met iemand. Hoewel de hovenier “voor een sterken weerbaaren man gereputeert wierde”, wist Willem de man te overmeesteren door hem
“onverhoeds van agteren aan te tasten, op de grond te smijten en zodanigh vast te houden dat dezelve hem niet reppen off roeren konde”.
Die houdgreep bleek echter precair en Willems riep naar jongens in de “ommestaande en vergaderde menigte” dat ze hem moesten helpen. Dat hadden ze hem toch beloofd, “als het ertoe kwam”? Hij moest ze herhaaldelijk aan die belofte herinneren, maar toen schoten ze hem te hulp. Met vereende krachten kregen ze de hovenier op “de karre” die ze naar het huis van Helena Hindriks reden. Onderweg wist de man nog te ontsnappen. Ze achterhaalden hem, maar kregen hem niet weer op de kar.
Willems kameraden hadden Helena intussen nog steeds niet uit haar huis gekregen. Zij hield zich onder de bedstede schuil voor hun “insultes”. Met hulp van een schippersknecht sleurde Willems haar onder die bedstee vandaan,
“zodat zij in handen van de vergaderde menigte uit het huis en in de karre is gebracht”.
De hovenier dwong men vlak achter de kar te gaan lopen. Dat hield men vol tot voor de borg van Middelstum, waar hij er in slaagde te vluchten en de borg te bereiken, waar hij zich onttrok aan verdere “fachinante omstandigheden”.
Rechter overweegt
Als voornaamste belhamel werd Harm Willems door het lokale gericht opgesloten, eerst mogelijk in de toren van Middelstum, maar naderhand in een cel van de Hoge Justitiekamer aan de Oude Boteringestraat in de stad Groningen. Daar zat hij begin december 1786 nog steeds, toen de kerkeraad van Middelstum en een behoorlijk aantal “voorname ingesetenen” een rekest bij de rechter indienden, waarin ze zeer de nadruk legden op het “anders onbesproken gedrag” van de zondaar en pleitten voor diens spoedige vrijlating.
De rechter overwoog dat Willems “zich misschien door een onbezonnen drift heeft laten vervoeren en hem laten gebruiken” voor het overmeesteren van de hovenier en het buitenshuis krijgen van de weerloze Helena, die hij “ten prooije van ’t volk” overgaf. Waarschijnlijk nam men, aldus de rechter, “de voorhebbende karrevaart”, eerst niet serieus,
“als wordende zulks ten platten lande, zoals ten meeremaalen gebleken is voor eene, hoeverregaande ook, boerterie en spelletje beschouwd en gereputeert”.
Een en ander nam niet weg dat Willems het volksgericht op gang hielp, iets wat een “welgestelde jurisdictie” niet ongemerkt voorbij kon laten gaan, maar streng bestraffen moest. Het verzoekschrift van de Middelstummer dorpshoofden wilde de rechter echter wel mee laten wegen, en zo kwam het, dat Willems zijn inmiddels ruim vijftien maanden durende voorarrest als straf opgelegd kreeg, waarbij hij de gerechtskosten tevens voor zijn rekening moest nemen.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 136 (archief Hoge Justitie Kamer) inv.nr. 1986: vonnissen vreemde gerichten, het vonnis d.d. 9 december 1786 door richter D.J. Nauta van Middelstum.
Sellingen in licht en schaduw
Geplaatst op: 21 december 2014 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsenAls de verlichte Zuidhorner dominee Johannes Ernestus Winter (1751-1841) in de preek ter gelegenheid van zijn vijftigjarig ambtsjubileum terugkijkt op zijn leven, verwijlt hij ook even bij Sellingen, zijn eerste gemeente, waar hij van 1775 tot 1778 stond:
“nooit konde mij in die levensomstandigheden en staat van gezondheid een beter lot der bedieninge zijn te beurt gevallen, dan mij in het af- en hooggelegen Zellingen, in het landschap Westerwolde, gebeuren mogt. Lieve Zellingen! alwaar de lucht zoo schoon, zoo zuiver is, alwaar de inwoners zoo rustig zijn van ligchaam, als zuiver van hart en eenvoudig van zeden. Zellingen! dat de pogingen van eenen drieëntwintigjarigen jongeling niet slechts (…) met een dankbaar genoegen beaamde, maar zelfs met een gretig welgevallen opnam en al de zwakheden des jongelings liefderijk inschikte. Zellingen! alwaar ouden en jongen, en bij den winter éénmaal ’s weeks eene geheele Kerk volks mijne onderwijzingen zochten.”
Winter vertelt dan dat het niet het hogere tractement was dat hem naar zijn tweede en laatste gemeente lokte. Hij had
“eene behoefte die al de gezondheid der landstreek en al de goedheid van derzelver bewoners (…) niet konden bevredigen – de behoefte aan uitgebreidere verkeering onder meer beschaafde menschen, de onweerstaanbare trek naar verstandig onderwijs ter mijne verdere volmaking.”
Die behoefte kon Zuidhorn vervullen, zo dicht bij de stad Groningen met zijn academie.
Een conflict over zorgkosten in de ‘goede oude tijd’
Geplaatst op: 20 december 2014 Hoort bij: Geschiedenis 2 reactiesWelmoed Clasen woonde nog geen acht jaar in Noordhorn en daarom wilden de lokale diakenen (armvoogden) van deze ernstig zieke vrouw af. De aangewezen bestemming was Feerwerd, waar zij bijna 39 jaar eerder in de buurtschap Bolshuizen als Welmtje Clasen geboren was.
Eerst zonden de Noordhorner diakenen een brief naar hun ambtgenoten in Feerwerd, dat ze voornemens waren om Welmoed naar Feerwerd te sturen. Of de diakenen van Feerwerd dan voor haar opvang wilden zorgen. Die waren dat echter niet van plan. Per kerende post, nog met de brenger van de brief, lieten ze de Noordhorner confraters weten “dat mensch” niet voor hun rekening te willen ontvangen, “als vermeenende daar van allezints vrij te zijn”.
Niet lang daarna, op vrijdag 30 juni 1781, stuurden de Noordhorner diakenen de “alumna” toch op naar Feerwerd, en wel naar het huis van diaken Willem Hylkes. Die was op dat moment afwezig, evenals zijn collega. Volgens de verbolgen Feerwerders handelden de Noordhorners “op een clandestine manier”, op eigen gezag en zonder de benodigde toestemming van de rechter. Bovendien was Welmoed bij Willem Hylkes thuis
“tegen wille en dank van deszelfs domestiquen in de peerdestalle op stroo en eenig beddegoed neder gelegd”.
De Feerwerder diakenen meenden dat deze “ongehoorde manier” om hun armenkas met de zorg voor een patiënt op te zadelen, niet kon en mocht bestaan in een land “alwaar justitie vigeert”. Op dinsdag 3 juli reden ze het “vrouwsperzoon” weer terug naar Noordhorn, waar ze in aanwezigheid van de wedman (gerechtsdeurwaarder) hun ambtgenoten vroegen haar weer over te nemen, wat die echter pertinent weigerden. Daarom vervoegden de Feerwerders zich reeds de volgende ochtend in het rechthuis van Oosterdeel Langewold in Zuidhorn, waar ze de rechter vroegen om beide partijen te horen en dan een beslissing te nemen. De rechter willigde dit verzoek in.
Op 4 augustus, dus een maand later, vond de hoorzitting plaats. De diakenen van Noordhorn meenden geen zorgplicht voor Welmoed te hebben, maar beweerden ook, “noyt order of last te hebben gegeven om dit mensch alzoo te transporteeren”. Nu had de rechter intussen mede Johannes Tjeerts uitgenodigd, de voerman die de zieke Welmoed met zijn wagen naar Feerwerd had vervoerd. En hij
“protesteerde zulks niet op zijn eigen authoriteit te hebben gedaan, maar op order van de Diaconen van Noordhorn zoo hem van zijn nabuursvrouwen was overgebracht.”
Kennelijk leverde zo’n informele, gemoedelijk-dorpse opdrachtverstrekking gewoonlijk nooit problemen op, maar kreeg de voerman het dit keer op zijn brood gesmeerd. Hoe dan ook, hangende een eventueel gerechtelijk onderzoek naar het ziekentransport (dat nooit uitgevoerd is), besloten beide partijen – ongetwijfeld op stevige aandrang van de rechter – gezamenlijk Welmoeds levensonderhouds- en zorgkosten voor hun rekening te nemen, en wel elk voor de helft.
Beide partijen moesten dit nog wel eerst met hun kerkeraden overleggen – want verstrekkende beslissingen in armzaken namen diakenen zelden op eigen houtje – maar op 9 januari 1782 kon de rechter inderdaad aantekenen, dat het compromis zowel in Noordhorn als in Feerwerd geaccepteerd was.
En zo eindigde dan toch vrij vlot een van de vele juridische procedures, waarbij lokale diaconieën elkaar hulpbehoevenden in de maag probeerden te splitsen.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (gerechten Westerkwartier) inv.nr. 3: civiel rechtdagenprothocol van Oosterdeel Langewold.
Roderoede ontpopt zich als oproerkraaier
Geplaatst op: 18 december 2014 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsenEen bekende aanduiding van patriotten voor prinsgezinden was: oranjekraaiers. Ik had dit altijd figuurlijk opgevat, maar kwam nu een gevalletje tegen waarbij er letterlijk sprake is van kraaien door een oranjeklant.
Het deed zich voor in Aduard, op woensdag 10 juni 1795. Kort na de middag kwam Jacob Jans (52), “benevens eenig ander volk, dat met hem uit visschen was geweest” langs de Aduarderstraat. Aan die straat woonde de patriotse koopman Sjabbe Derks. Nabij diens huis daagde een van de visgezellen Jacob Jans uit door te zeggen “dat eens zoude kraayen”. Jacob Jans ging hier graag op in, getuige het feit dat hij
“hierop eerst het gekraaij van een haan heeft nagemaakt en vervolgens twee maalen Oranje boven geroepen heeft.”
Een maand later raakte Jans gedetineerd in het rechthuis van Aduard. Het lokale gericht hoorde getuigen, liet ze hun verklaringen onder ede beamen en verhoorde meermalen de verdachte. Eerst ontkende Jacob Jans. Vervolgens kon hij zich niets van het geval herinneren, omdat hij dronken was geweest. Toch getuigden “diverze personen” dat ze “op de publicque straat” uit zijn mond uitdrukkingen hoorden die bij placcaat van 26 februari 1795 streng verboden waren.
Zoals blijkt uit zijn vonnis, zat de richter van Aduard en onderhorige dorpen er enigszins mee in zijn maag. Aan de ene kant had het gekraai van Jans “geen verdere en rust verstorende gevolgen”. Ook had Jans naar eigen zeggen
“niet een opzettelijke en voorbedagtelijke toeleg, om daardoor samenloop van volk en onrustige beweegingen te verwekken…”
Het kwam doordat hij dronken was, wat de rechter als een verzachtende omstandigheid wilde opvatten. Daar stond echter een nogal verzwarende omstandigheid tegenover. Jacob Jans was namelijk de roderoede of veldwachter van Aduard, en als zodanig verplicht om tegen onrust te waken. Het stond hem absoluut niet vrij, zo overwoog de rechter, om
“in dronkenschap uitdrukkingen voor den dag te brengen waardoor de gemoederen des volks aan het gisten gebragt en zamenrotting van hetzelve veroorzaakt, onrustige bewegingen aan den gang gebragt en langs dien weg de openbaare rust en veiligheid gestoord zouden kunnen worden”
In dit opzicht maakte Jans zich aan “strafbare disobediëntie” schuldig en overtrad hij het placcaat. Daarom veroordeelde het gericht Jacob Jans op 27 juli 1795 tot 14 dagen op water en brood in dezelfde cel van het rechthuis, waar hij al enkele weken lang in voorarrest vertoefde. Tevens moest de roderoede de proceskosten betalen. Of hij zijn baantje daarna nog behield, is onbekend, maar hoogst twijfelachtig.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (gerechten Westerkwartier) inv.nr. 179: ‘crimineel gerigstprothocol van Aduard’ 1769-1795.
Het ontslag van een snikkejongen
Geplaatst op: 17 december 2014 Hoort bij: Geschiedenis 1 reactie
Fragment uit een prent van Isaac la Fargue van Nieuwland, Vaart met trekschuit (1763), Rijksmuseum.
Op 13 februari 1782 liet Jan Luitjens zich aandienen bij het gericht van Oosterdeel-Langewold in Zuidhorn. Hij vertelde er hoe hij zijn zoon aan het werk hielp bij een schipper van een trekschuit:
“…hoe gepasseerde Maaii zijn zoon Luitjen Jans heeft verhuurt bij Hidde Berents om als snikke jonge te dienen op het veer van Noordhorn na Groningen en vice versa geduurende de tijd van Maii tot Maii voor de summa van 20 Gls. en het builgeld daar en boven”.
Met dat builgeld zal een deel van de fooien bedoeld zijn. Het vaste tractement van 20 gulden lijkt weinig, maar de zoon, in het vervolg ook wel “zoontje” genoemd, was nog jong en moest nog van alles leren. Bovendien bleef Luitje niet thuis wonen, maar kwam hij in de kost bij de snikkevaarder. Zij het niet voor lang, want op de zondag na Nieuwjaar , dus geruime tijd voor het aflopen van het arbeidscontract, zegde Hidde Berents dat op, met de mededeling aan Luitje “om voortaan niet weer te zullen rijden”. Een reden voor het ontslag gaf Berents niet en ook kreeg Luitje zijn loon niet mee. Redenen voor diens vader om naderhand bij Hidde Berends langs te gaan, die ook hem echter weigerde motief en loon te geven. Daarom stapte de vader naar de rechter.
Die belegde drie weken later inderdaad de door Luitjes verzochte hoorzitting met de voormalige werkgever van diens zoon. Nu gaf Hidde Berents wèl een reden voor de ontijdige ontbinding van het dienstverband, te weten: “dat de jongen was uitgebleeven op een dag als zij bij open weder na de stad hadden willen vaaren”. Met dat open weer wordt waarschijnlijk open water bedoeld – bij flinke vorst kon men immers niet varen vanwege het ijs en kennelijk was er net een vorstperiode geweest.
Na enige gepraat over en weer, bleken beide partijen “veerdig te zijn deeze zaak in der minne bij te leggen“. Bij deze schikking verklaarde Berents dat hij bereid was een rekening van 19 gulden en 5 stuivers ten laste van Jan Luitjes door te halen. Mogelijk betrof het geld dat de snikkevaarder voorschoot voor kleding en schoeisel, want daarvoor bleven ouders formeel nog jarenlang verantwoordelijk, ook al hadden ze hun kind bij een kost- en werkbaas uitbesteed. Maar het zou natuurlijk ook om vrachtlonen kunnen gaan, we weten het niet. Met het kwijten van dat bedrag betaalde Berents impliciet ook het loon van zijn voormalige snikkejongen. Bovendien gaf hij diens vader nog een douceurtje van een gulden en vijf stuivers “in de hand” en beloofde hij de proceskosten te betalen. In dat laatste zat waarschijnlijk zijn grootste pijn – zoiets beliep al gauw enige tientallen guldens. Berents was dus duidelijk de verliezer van het proces, al schoten Jan Luitjes en zijn zoon er als winnaars maar bitter weinig mee op.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (Gerechten Westerkwartier) inv.nr. 3 (rechtdagenprothocol van de rechtstoel Oosterdeel-Langewold).
‘Volg uw overtuiging, waak voor uw karakter’
Geplaatst op: 13 december 2014 Hoort bij: Geschiedenis, Kunsten Een reactie plaatsenOp de begraafplaats Esserveld, aan de zuidelijke rand van de stad Groningen, bevindt zich het grafmonument van de socialistische voorman Johan Hendrik Schaper (1868-1934):

Met het beeld van voorover leunende, filosofisch voor zich uit kijkende arbeider, waaraan beeldhouwer Willem Valk tussen juli en september 1935 werkte:


Aan de voet van het beeld dit dubbele motto:

Meer info:
- NvhN-verslag over de uitvaart van Schaper (1934)
- NvhN-verslag over de onthulling van het Schaper-monument (1935)
- Staat in Groningen over dit monument
- Dodenakkers over dit monument
Vrouw, zwanger door jood, moet het dorp uit
Geplaatst op: 12 december 2014 Hoort bij: Geschiedenis 1 reactie“Op den requeste van de diaconen van Niezijl (…) van teneur hoe dat voor een geruimen tijd een zekere vrouwspersoon genaamt Voste (= Voske) Tonnes, geboortig van Visvliet bij hunnen (= haar) broeder Fedde Tonnes, alhier te Niezijl is koomen woonen, en na gerugten van anderen van een seekere jood bevrugt is geworden, waarop de kerkenraad van Niezijl heeft geoordeelt en goedgevonden dat de diaconen gemelde Voske Tonnes daar eens over zouden onderhouden, en wanneer zulks gebleek, om daar (= haar) dan mondelijk aan te zeggen om binnen 3 maal 24 uur ons caspel te ontruimen. Dit nu ondersogt en bevonden hebbende de waarheid te zijn, zo hebben wij deese onse orders ten uitvoer gebragt en van deese uitwerkinge zijnde dat sij tot op dit oogenblik deze onse beveelen blijvt weigeren. Hierom wenden wij ons dan tot het hoog Edele Gerigte en verzoeken ten dien einde dat het HE Gerigte ons hier in de nodige adsistentie mogte verleenen, dat wij met geen lasten bezwaart mogten worden, die ons niet aangaan.
Was geapostilleert/
Het EE Gerigte maakt dezen comm[issoriaal] om de supp[lianten] te verstaan.”
Aldus een matig afschrift in het civielrechtelijke prothocol van Oosterdeel-Langewold d.d. 14 oktober 1788. Ook in de Ommelanden (Westerkwartier, Hunsingo en Fivelingo) moesten de gereformeerde kerkeraden blijkbaar alert zijn op nieuwkomers die in de toekomst een beroep zouden kunnen doen op de lokale armenzorg. Dit werd verwacht van deze zwangere vrouw, of althans haar kind. Dat een jood de vrouw bezwangerde, maakte juridisch niets uit, de Niezijlster kerkeraad noemt dit waarschijnlijk vanwege de hoge zeldzaamheid en de taxatie dat de jood in kwestie ook maar arm was en niets zou bijdragen in de opvoeding van het kind.
Overigens is de hoorzitting, waarvan sprake is in de apostille of kantbeschikking, nooit gehouden. Blijkbaar koos de vrouw eieren voor haar geld en verliet ze Niezijl zonder dat de kerkeraad ter plaatse verdere stappen hoefde ondernemen.
Hoe een referendum in Nuis mislukte
Geplaatst op: 11 december 2014 Hoort bij: Geschiedenis 2 reactiesMedeburgers!
Wij Onderschrevene Leden van den Kerkenraad te Nuis hebben ingevolge Uwe Publicatie van den 31 Julius 1797 de Grondvergadering geregeld, de tijd en plaats der bijeenkomst bestemd, en behoorlijk aan de apparente stemgerechtigden doen aanzeggen, doch is behalven de Kerkenraad niemand verschenen dan één stemgerechtigde, welke betuigden zich bezwaard te vinden het ontwerp van Constitutie voor het Bataafsche Volk met ja of neen te beantwoorden, als niet genoegzaam daar omtrent verlicht zijnde.
H. Pelinck, predikant te Nuis en Niebert
Gegeven te Nuis den 8 August: 1797
H. Wisses, ouderl. te Nuis
Wisse Halbes, Diaken te Nuis
Bij het nationale referendum van 8 augustus 1797 kwam in Nuis dus zegge en schrijve één stemgerechtigde opdagen, die ook nog niet ja of nee had willen zeggen. Het was nogal een treurige uitkomst, die de voorzitter van de stemopnemers, ds. Pelinck, aan het provinciebestuur moest communiceren.
Bij dat referendum werd een eerste ontwerp-constitutie voor de Bataafse Republiek aan de stemgerechtigden in de grondvergaderingen voorgelegd. Dit ontwerp, bijgenaamd ‘het dikke boek’, was een moeizaam compromis, waarbij federalistische uitgangspunten de doorslag hadden gegeven, hoewel er op het punt van de ineensmelting der nationale schulden een concessie was gedaan aan de aanhangers van een eenheidsstaat.
Ondanks de kersverse scheiding van kerk en staat werd dit referendum in Groningerland op lokaal niveau meestal georganiseerd door de gereformeerde kerkeraden. Dit orgaan stond in de kerkelijke gemeente Nuis en Niebert onder voorzitterschap van de lokale predikant ds. Pelinck, zelf geen patriot of aanhanger van de nieuwe, patriotse orde. Hij stond namelijk niet op de lijst van stemgerechtigden, maar dat waren in Nuis en Niebert ook slechts vijf mannen, waarvan er vier behoorden tot één enkel gezin, te weten de dikke boer Halbe Wisses en diens zoons Wisse, Alle en Mense Halbes, waarvan er twee zich naderhand Offringa gingen noemen.
Er waren dus slechts twee huishoudens potentieel vertegenwoordigd in de grondvergadering van Nuis en Niebert. Als je nagaat dat Nuis en Niebert in 1795 samen 433 inwoners telden, wat zal neerkomen op een honderdtal huishoudens, dan viel de hang naar politieke medezeggenschap hier nogal tegen. Waarschijnlijk domineerde het orangisme in deze omgeving enorm.
Overigens zaten Halbe Wisses en zijn zoon Wisse Halbes ook in de kerkeraad – als ouderling respectievelijk diaken tekenden ze immers bovenstaand epistel van ds. Pelinck aan het provinciebestuur.
—
Bronnen: RHC Groninger Archieven, (het briefje) Toegang 1 (archief Staten van Stad en Lande) inv.nr. 877; (en het register van stemgerechtigde burgers) Toegang 2 (archief Ommelander Staten) inv.nr. 1040.
De schelmstukken van Lewe
Geplaatst op: 10 december 2014 Hoort bij: Geschiedenis, Kunsten 1 reactieDe woede tegen Lewe van Aduard kwam natuurlijk niet uit de lucht vallen. Zijn bejegening van de boerenvolmachten in Aduard gaf hoogstens een extra grief, bovenop allerlei andere.
Van die eerdere klachten zijn we goed op de hoogte dankzij een schimp- en hekelvers dat waarschijnlijk dateert uit de zomer van 1748: ‘Droom, wegens verscheide schelmstukken gepleegd by E. Lewe, Hr. van Aduwart’. Enkele jaren later verscheen dit poeem nog eens in het Dichtkundig praal-tooneel van Neerlands wonderen, een bundeling van politieke poëzie uit de omwentelingsperiode. Vooral Amsterdam komt daarin aan bod, maar dus ook Groningen, en zelfs Steenwijk, waar nog een orangist is opgehangen, die later eerherstel en een herbegrafenis kreeg.
In zijn droom over Lewe ziet de auteur deze machtigste staatsgezinde jonker van de Ommelanden voor de hemelpoort staan:
“Doch de poort was just gesloten,
Dies zo gaf hy dien een kink
Met een van zyn Lewe pooten,
Dat ze schier sprong uit de klink.”
Sint Pieter (of Petrus), zoals bekend de hemelpoortbewaker, ontlokte dit een ruwe basterdvloek:
“…akkermast!
Is dat kloppen, vent, wat zoek je?
Zeg, wat ben je voor een gast!”
Lewe maakte zich bekend als de staatsgezinde heer, en Sinte Piet begon de jonker uit te maken voor alles wat maar lelijk was:
“…ik ken je,
O die plaag van wees en weeuw.(…) eer-belieger, wees uitsuiper,
Onrust rokker in den Staat
Boer bedrieger, ampt bekruiper,
Zo is uwen naam verhaat.Wie heeft by u trouw vernomen?
Niemand; want gy hebt er geen:
Dan die zeker nooit met vromen,
Maar met schurken waart gemeen.”
Sint Pieter neemt het de “vervloekte Fiel” kwalijk dat hij niets te maken wilde hebben met de vromen en zich religieus afzijdig hield. Dan roert hij een aantal gevallen aan waarbij Lewe volgens hem ver buiten zijn boekje ging:
- Lewe zou zerken van graven hebben gestolen, “een raboutstuk dat hу suste”, door nieuwe zerken te leveren,
- Lewe zou iemand (een slachter) ten onrechte hebben vervolgd voor malversaties met lams- en schapenvlees. Met de 1500 gulden boete was de jonker financieel weer boven Jan.
- Lewe zou voor de afbetaling van schulden in de stad 3000 gulden hebben geleend van een bejaarde “sul” en weigerde dat bedrag terug te betalen.
- Hij had zich door list en leugen verzekerd van een schepperij in Friesland.
- Ook zou hij zich op bedriegelijke wijze meester hebben gemaakt van de halve schepperij van Farmsum.
Wat er van deze beschuldigingen waar was, valt zonder nader onderzoek niet te zeggen. In elk geval is Lewe nooit in rechte vervolgd. Dat gebeurde wel met zijn tegenhanger in de stad, burgemeester Geertsema, al werd dat staatsgezinde kopstuk in 1753 op alle punten van de politiek gemotiveerde aanklacht vrijgesproken.
Voor zijn belangrijkste grief tegen Lewe geeft de droom-auteur Sint Pieter twee coupletten in de mond. Deze hebben te maken met het beruchte sodomietenproces van Faan (1731), dat op touw gezet was door Rudolf de Mepsche, anno 1748 een voornaam aanvoerder van de Ommelander orangisten. Lewe was ook tijdens het sodomietenproces al diens voornaamste tegenstander geweest – zo had Lewe iemand uit handen van De Mepsche gehouden, zeer tegen de zin van Sint Pieter:
“Maar, o gruwelsmet der smetten,
Gy beschermde een sodomyt,
En verbrak d’Omlander wetten
Dat gy hem van straf bevryd,
Gy zyt wel van Lewen groeizel,
Doch der Lewen naam niet waard,
Liever noem ik u ’t gebroeizel
Van een slang en addren aart.(…)
Verder gaan uw schelmsche stukken!
Gy zoekt aan den Heer van Faan,
Die ’t gespuis zoekt te onderdrukken
Uw heillosen klauw te slaan,
Doch Gods wraak zal u niet missen,
Maar haast werpen van uw warsch
In de naarste duisternissen,
Met onlydlyk tandgeknarsch.”
Het staaltje Tale Kanaäns uit de laatste regels wijst er wellicht op dat we de auteur van de droom in bevindelijk-gereformeerde hoek moeten zoeken. In elk geval kwam Lewe bij hem de hemelpoort niet binnen. Sint Pieter verzocht de jonker naar de duivel te lopen, die zou Lewe dan wel een mooi plaatsje naast zijn broer Machiavelli geven.
Maar dat lokte Lewe niet erg aan. Hij kwam in de droom tot inkeer en beleed zijn schuld aan alle genoemde schelmstukken. Deze eerste tekenen van berouw bespeurend, gaf Sint Pieter de weg naar beterschap aan:
“Eerst zult gy de schaê vergoeden
Die gy Faan veroorzaekt hebt,
Door die guiten te beschermen.
Geef dan God wat Godes is.
Doe mildadigheid den armen,
Breng des Keizers in zyn kis.Laat gemeentens niet lang dolen,
Geef de boeren ieder ’t zyn,
Van ’t geen gy hun hebt ontstolen,
Dat dan overblyft zy dyn.
Schend geen mensch met fonderschouwen
Handel op de monstring wel:
Zo gy dit oprecht zult houwen,
KOM DAN EENS WEEROM, EN BEL.”
—
Bron: Dichtkundig praal-tooneel van Neerlands wonderen, deel II (Emden 1748 (1750)) pag. 35-40.

Recente reacties