De doofstomme aanrander

Kloosterburen, 1 januari 1818, zes uur ’s avonds. Bij pikkedon­ker loopt een dagloonster naar huis. Opeens duikt een man op, die haar probeert te kussen. Zij weert hem af, maar hij houdt aan en ze glijden uit in de klei. Daar slaat hij haar de rokken over het hoofd en ontbloot zo haar onderlichaam. Terwijl hij boven­op haar kruipt, schreeuwt en vecht ze uit alle macht. Omdat hij niet zo sterk blijkt dat hij haar met één arm in be­dwang kan houden, krijgt ze tot vier maal toe haar rokken weer omlaag. Dan, ein­de­lijk, daagt er hulp op. Met een laatste krachtsin­spanning vlucht ze in een huis. Maar ook daar belaagt hij haar nog. Minuten­lang beukt en schopt hij tegen de deur aan, tot hij er al brom­mend vandoor gaat.

De verdachte, Berend Jans Smid uit Groningen (28), is gauw gevat. Want in de omgeving kent men hem wel. Al jaren komt hij er zo nu en dan bedelen om voedsel, drank en nachtverblijf. En omdat hij doofstom is, heeft hij daar redelijk succes mee, want voor doofstommen koestert men medelij­den, zeker als ze zo schrander zijn als Berend.

Maar Berend zat niet lang op school, getuige zijn verhoor door Charles Guyot van het Groninger Doofstommeninstituut, die het gerecht ook een rapport over Berend levert. Een blauwe maandag was Berend leerling op ’t in­sti­tuut, maar telkens liep hij weg. De laatste keer ontsnapte hij zelfs dwars door het dak. En steeds ving zijn moeder hem op. Volgens Guyot ver­troetelde die moeder Berend. Bij haar, de geschei­den vrouw van een turf­schip­pers­knecht, is Berend ook nog regelmatig thuis, als hij niet rond­zwerft.

Guyot acht Berend toerekeningsvatbaar. En inderdaad blijkt Berend schuldbe­wust. Hij bekent dat hij “zijn geweer” al bij “de schaam­te” van de vrouw had, maar dat hij hem er niet in kon brengen, doordat ze zo tegenstrib­belde.

Wegens aanranding met geweld veroordeelt het Hof van Assissen hem tot twee jaar tuchthuis.


Sint Maarten in Heveskes (ca. 1920)

“S.: Met Sint Maarten liepen we met een uitgeholde biet…

De B.: Altijd met een uitgeholde biet! Om vier uur begonnen we daarmee buiten het dorp. Als het dan een beetje donker werd, kwamen we ermee in het dorp. Bij bepaalde huisjes, zoals bijvoorbeeld bij Heddema, gingen we drie of vier keer aan.

S.: Ja, die had het toch niet in de gaten.

De B.: Dan stond je wel met tien man bij de deur, hè, en ging je zo… zo… je hand uitsteken en dan kreeg je er een oude appel in, of een peer…

S.: Ja je zong… geef me n appel of een peer…

De B. Of een cent, maar ook niet méér dan een cent! En dan kwam er weer een nieuwe groep en als kwajongens gingen we daar ook weer mee. (…)

[Afdwaling naar ander onderwerp.]

De B.: Om nog even op Sint Martinus terug te komen: je ging toch meer naar de welgestelde mensen toe. De middenstand en de boeren. Bij de arbeidersbevolking kwam je beslist niet. Later is dat veranderd. De arbeiderskinderen liepen wèl mee.”

Bron: B. de Boer Rzn. (geb. 1910) en A. Smedema-van Clooster (geb. 1911), ‘Onze jeugdjaren in Heveskes’ in Corrie A. de Groot-van der Meulen (red.), Weiwerd, Heveskes, Oterdum: de verdwenen dorpen van de Oosterhoek (Bedum 1991) pag. 204/205.


Hoe de exploitatie van ons aardgas begon (1963)

Beeld en Geluid heeft een stel aardgasvideo’s online gezet. Groningen komt daarin uiteraard nogal eens ter sprake.


Pastorie in de storm, door het dienstmeisje

Tantje Bruins was negentien, toen ds. Ader van Nieuw-Beerta haar vroeg om dienstmeisje te worden in zijn pastorie, waar joodse onderduikers zaten. In een gesprek met Engel Lameijer vertelt ze over het leven in die pastorie gedurende de laatste oorlogsjaren.

De clip maakt deel uit van Lameijers documentaire ‘Littekens’. Lameijer werd begin 1945 geboren op een steenworp afstand van de spoorlijn in Nieuweschans, waarover ruim honderdduizend mensen naar de kampen in het oosten werden afgevoerd. Die geboorteplek vormt in Littekens het uitgangspunt voor een zoektocht naar de pijn en de onmacht die de deportatie achterliet. Littekens komt naar verwachting nog dit jaar gereed.


Schilderswerkplaats

2014-10-25 021

2014-10-25 024

2014-10-25 025

2014-10-25 026

2014-10-25 029

2014-10-25 031

2014-10-25 048

2014-10-25 050
In Steenhuis Iwema te Niebert. Waar ook een kapperswinkeltje, een schoolklasje, een kroegje en een bakkerij geëvoceerd worden. Leuk museum, maar vandaag – de laatste zaterdag van het seizoen – was het er wel erg druk dankzij een actie van de regionale RABO.


‘Blijf kalm, eerst denken, dan doen’

Bij een vooronderzoek voor een Koude Oorlogproject stuit ik op deze envelop met BB-voorlichting:
2014-10-21 001
De envelop dateert uit 1961 en is verspreid in Winschoten, maar bij ons thuis in Drenthe stond er precies zo een in het standertje met belangrijke post. Ik denk dus dat het een landelijk ding was.

In de envelop zitten twee vouwbladen van redelijk stevig papier, voor de snelle naslag:
2014-10-21 003
De beschermingswenken gaan in op wat er gebeurt als de bom valt:
2014-10-21 004
Terwijl het vouwblad voor de eerste hulp de meest voorkomende kwetsuren behandelt, zulks onder een motto dat de hedendaagse Nederlander zich ook wel eens mag aantrekken
2014-10-21 008
Het leukst is de toegevoegde brochure die een en ander nog wat uitvoeriger uitlegt:
2014-10-21 013
Als de bom valt kan je het best met je gezin onder de keldertrap gaan zitten:
2014-10-21 017
Wat voor risico je loopt, hangt natuurlijk van de afstand af:
2014-10-21 021
Mocht je op je werk zitten, dan kan je altijd nog schuilen onder je bureau:
2014-10-21 024
Zo’n stevig metalen bureau – maken ze dat nog ergens?


De Koude Oorlog in Finsterwolde: “Je had echt geen revolver nodig”

Mijn grootvader had nog een andere neef die bestuurder was: Harm Tuin, van 1945 tot 1956 burgemeester van Finsterwolde en nadien nog een poos van Slochteren.

Als Harm Tuin in die laatste gemeente met pensioen gaat, staat er een afscheidsinterview in de krant dat voor het leeuwendeel over zijn periode in Finsterwolde gaat. Dat was tevens het dorp waar hij geboren en opgegroeid was als zoon van de anarchistische landarbeider die hier al menigmaal ter sprake kwam. In Finsterwolde schopte Harm Tuin het voor de oorlog van gewoon ambtenaar tot gemeente-secretaris. Hij kende er zijn pappenheimers.

In Finsterwolde gold burgemeester Harm Tuin, zelf sociaal-democraat, als de vastberaden rots in de branding der felle communistische agitatie. In die rol werd hij een BN-er. Toen de regering in 1952 de door de CPN gedomineerde raad op non-actief stelde, trad Harm Tuin aan als regeringscommissaris.

Volgens hem gingen de communisten er “zeer agressief en intimiderend” te werk. Ze zeiden dat er arbeidersbloed aan zijn handen kleefde en maakten hem uit voor verrader en fascist. En dat terwijl hij in de oorlog in Vught gevangen had gerzeten. Toch maakte hij er zich niet al te druk om, zei hij in het interview:

“Bepaalde dingen kunnen zo vaak gezegd worden, dat zij hun zeggingskracht verliezen.“

Hij vond ook niet dat hij gevaar liep, zoals velen meenden.

“Ik heb me in die tijd nooit bedreigd gevoeld. Ik durfde op elk uur van de dag en de nacht wel overal naar toe. En dat deed ik ook. Je had echt geen revolver nodig in Finsterwolde: allemaal onzin. (…) “. „Nee, een handgemeen heb ik nooit gehad. (…) Een heleboel geschreeuw, anders was het niet. (…) in Finsterwolde is het altijd bij woorden gebleven”.

In dat interview neemt hij zelfs nog op voor Finsterwolde – de herrie in de gemeenteraad vond hij niet representatief:

“Het hele dorp werd daardoor in een verkeerd daglicht gesteld. Men moet de bevolking van Finsterwolde niet lager taxeren dan die van alle andere plattelandsgemeenten. De mensen in Finsterwolde waren alleen lichter te beïnvloeden en ze gingen met de extremen mee.“

Ondanks alles koesterde Harm Tuin geen rancune jegens de communisten van Finsterwolde:

Wij zijn heel schappelijk uit elkaar gegaan op die raadsvergadering, waar ik afscheid nam”.


Rottumeroog 1915 – genocide op de sternkolonie

Dat Rottumeroog in de Eerste Wereldoorlog een redelijk forse bezettingsmacht had van 125 man Nederlandse troepen, is een weinig bekend feit. Erik Bouwmeester, zelf luitenant-kolonel b.d. der Grenadiers,  schetste in de onlangs verschenen Stad & Lande de geschiedenis van dit detachement, dat vanaf december 1914 bestond uit mariniers.

Deze jongens hebben nooit hoeven vechten, en hun werk bestond voornamelijk in het koekeloeren naar water en lucht: of er mischien schepen, luchtschepen of vliegtuigen met het vaderlandse territorium schonden. Erg vaak gebeurde dat niet en verveling lag dus op de loer. Natuurlijk: er waren boeken. Geregeld deed men aan gym. Ook had het detachement een voetbalteam, dat onder meer tegen teams uit Noordpolderzijl, Warffum en Uithuizen speelde. Er kwamen militaire toneelgezelschappen langs en tevens orkesten. En men had zelfs een eigen krant.

Maar de jongens gingen ook wel de natuur in, om eieren te zoeken waarmee ze hun rantsoen aanvulden. En deze activiteit zorgde voor een relletje.

Eind 1915 bereikte de Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten, de beschermster van het eiland, namelijk een klacht dat de volledige sternkolonie door het eierrapen was verdwenen. En dat terwijl iemand van Natuurmonumenten vlak voor het broedseizoen nog een lezing met ‘lichtbeelden’ voor alle manschappen op het eiland had gehouden, waarin hij ze wees op de funeste gevolgen van het eierrapen.

Natuurmonumenten vroeg Toxopeus, de eilandvoogd, of en in hoeverre de melding klopte. Die berichtte dat het zeker niet alleen militairen lag, maar dat ook het hoge water in mei veel eieren had meegenomen.

Het Hoofdkwartier van de Opperbevelhebber van Land-en Zeemacht stelde op verzoek van Natuurmonumenten alsnog een onderzoek in, dat uitmondde in een verbod op het rapen van eieren. De mariniers protesteerden en schreven dat het juist de beide knechten van Toxopeus waren die zoveel eieren raapten, zeker 750 per dag. Die knechten hadden er een mooie bijverdienste aan, want ze deden de eieren voor 7 cent per stuk van de hand aan de mariniers. Indirect waren die dus wel schuldig aan de genocide op de sternkolonie.

Door de Staat van Beleg zal het militaire verbod op eierrapen ook gegolden hebben voor Toxopeus’ knechten. Die waren hun leuke handeltje dus kwijt. Maar dat Toxopeus hun rol in zijn rapport verdoezelde, moet de bestuurders van Natuurmonumenten toch te denken hebben gegeven.


Lieuwerderwolde

De alleroudste geografische naam voor de omgeving van Hoogkerk is, in de meest waarschijnlijke transcriptie:

2 Lieuwerderwolde

Deze streeknaam duikt voor het eerst op in een goederenlijst, eigenlijk een lijst met Friese aanwinsten, van de Duitse abdij Werden uit de jaren 1030-1050.

De hele Middeleeuwen door is die naam Lieuwerderwolde gangbaar geweest, nog tot diep in de vijftiende eeuw. Nadien raakte ze in de vergetelheid, zodanig zelfs, dat allerlei geleerden zich er naderhand het hoofd over hebben gebroken waar dat Lieuwerderwolde nou eigenlijk precies lag. De consensus is nu dat het zowel Leegkerk, als Hoogkerk omvatte, en mogelijk ook een gebied ten zuiden van Hoogkerk dat later bij de stad Groningen ging horen: het westelijke deel van het Gelkingeland.

Als we die naam Lieuwerderwolde wat beter gaan bekijken, en hem ontbinden in factoren, dan ontdekken we dat de naam uit drie delen bestaat. Van achteren naar voren:

  • wold
  • werd
  • Liuwe

Bij elk van die drie delen wil ik even stilstaan.

Wold

Om met dat Wold te beginnen, dat was niet een woud of een bos. Nee, verre van dat, het ging om een veengwildernis, die in het noorden aan de rafelige rand van de kwelder tussen Dorkwerd en Leegkerk begon en die helemaal naar het zuiden naar de latere Eelder en Peizermaden doorliep. Bij de kwelder en langs de beekjes en geulen die zoet water vanaf het Drents plateau naar de kwelder afvoerden, bestond dat veengebied voornamelijk uit rietmoeras en armetierig, drassig onland met grassen en russen. Wellicht was er op wat hogere zandrugjes naar het zuiden wat meer kreupelhout te zien, en nog verder naar het zuiden zag je wellicht broekbos, in elk geval was het niet iets wat je je bij een woud met majestueuze bomen voorstelt:

Broekbos bij Dwingeloo 2014-06-20 072

Lieuwerderwolde was hierin overigens volstrekt niet uniek, want een groot deel van de provincie Groningen bestond uit dergelijke biotopen. Als je de daar bovenuitstekende Hondsrug met de stad Groningen en Haren voorstelt als het lijf van een vlinder dan waren die woldgebieden de vleugels van die vlinder, die zich naar het westen uitstrekten tot diep in het Westerkwartier en naar het oosten tot diep in Duurswold (de streek rond Slochteren) en de latere veenkoloniën. Aan al die moerassigheid hier dankte de stad haar strategische positie als bruggehoofd tussen Drenthe en de hogere kleigebieden van Hunsingo en Fivelingo.  Als je naar die rijke Friese Ommelanden wilde, kon je nauwelijks om de stad heen. Ze lag zogezegd op een veenpas.

Namen met wold en wolde komen in de omgeving van Hogkerk veel voor. Ik wijs op Peizerwolde, Paterswolde, Roderwolde, Foxwolde, Leutingewolde, Oostwold, Midwolde en niet te vergeten Vredewold of Fredewalda, het zustergebied van Liuvurtherowalda.

Werd

De mens ging deze woldgebieden zo vanaf de tiende eeuw in gebruik nemen en ontginnen. En daarmee kom ik op het middenstuk in de naam Lieuwerderwolde: het element ‘werd’. Ongetwijfeld was dat een wierde of terp. En aangezien archeologisch onderzoek heeft aangetoond dat Lieuwerderwolde vanaf het noorden is ontgonnnen, zullen we die wierde daar moeten zoeken. Lichtendag, een onderzoeker die een fantastisch proefschrift schreef over de ontginning van de Groningse woldgebieden, wees erop dat de aanwinstenlijst van het klooster Werden ook de naam Liuvurd bevatte, dus Lieuwerd, en dat die wierde en het bijbehorende Lieuwerderwold dicht bij elkaar moeten hebben gelegen.  Hij ging er vanuit dat het toponiem Lieuwerd de aanduiding was voor Kleiwerd, de wierde tegenover Slaperstil aan de andere  kant van de Friesestraatweg.

Ik moet zeggen dat ik daar wel enige twijfels bij heb. Weliswaar lijken de namen Lieuwerd en Kleiwerd wel wat op elkaar, je zou dus kunnen veronderstellen dat de tweede uit de eerste ontstaan is, maar de naam Cleywerd is al vrij oud en komt al voor in het middeleeuwse cartularium van Selwerd. Siemon Reker, die ik er naar vroeg, kent ook geen voorbeelden van namen, waar een k vooraan geplakt is. Voorlopig houdt ik het er daarom op dat we die wierde moeten zoeken in de omgeving van Leegkerk. Het gaat dan wel om een vroege wierde voor die omgeving, waar de meeste wierden, getuige archeologisch onderzoek, uit de twaalfde en dertiende eeuw stammen.  Als ik een gissing mag doen, dan zou ik de wierde aanwijzen waarop de kerk van Leegkerk staat.

In elk geval is het onzin om te veronderstellen dat Lieuwerderwolde vanuit het Drentse Lieveren gekoloniseerd zou zijn, want tussen Lieveren en Hoogkerk heb je nog de oude Drentse dorpen Roden en Peize, en die zouden zich echt niet de kaas van het brood laten eten door een zuidelijker gelegen zusje.

Liuwe

Tot slot van deze ontleding van Lieuwerderwolde nog even dat Liuwe. Hiermee hebben we de vroegst bekende inwoner van deze streek te pakken, de oervader, zeg maar, van Leegkerk en Hoogkerk.

En dat was een Fries! Want de naam Lieuwe is een Friese naam. In dit verband doet het terzake dat er enige twijfel bestaat of Lieuwerderwolde oorspronkelijk nou bij de Friese Ommelanden of bij het Gorecht en daarmee bij Drenthe hoorde. En inderdaad zijn er wat aanwijzingen dat het gebied van origine Drents was. Zo is er een handvol stokleggingsbrieven voor Lieuwerderwolder percelen bewaard gebleven uit de periode rond 1400. Een stoklegging was een Drents ritueel bij eigendomsoverdrachten: door in aanwezigheid van getuigen een stok met een formule op de grond te leggen, deed de verkoper afstand van de grond, terwijl de koper die grond in eigendom aanvaardde door die stok met een soortgelijk prevelementje op te pakken. In Friese streken gebruikte men dat stokleggingsritueel niet.

Ook had de Groninger prefect en schulte begin veertiende eeuw nog enige zeggenschap in Lieuwerderwolder zaken, iets wat ophoudt raadselachtig te zijn als je veronderstelt dat Lieuwerderwolde ooit deel uitmaakte van het Gorecht en daarmee Drenthe. Van sommige namen in Lieuwerderwolde zijn bovendien twee varianten bekend, een Friese en een Drentse. Zo heette Elmersma ook wel Elmersink en Hoiting Hoitum. Eind veertiende eeuw echter, blijkt Lieuwerderwolde duidelijk verbonden met Hunsingo en het is daarmee Fries. Als de grond ooit Drents is geweest, dan werd hij vanuit de Friese Ommelanden door Friese kolonisten ontgonnen, vanaf de hoge oeverwallen langs de kwelder bij Leegkerk en dat zou dan de overgang van Drents naar Fries kunnen verklaren.

(Het bewerkte eerste deel van een lezing over de veldnamen van Hoogkerk, die ik binnenkort opnieuw ga houden.)


Veel prikkelende bijdragen in Historisch Jaarboek 2014

jrbk omslag

‘De geschiedenis is een discussie zonder eind’ zei de befaamde historicus Pieter Geyl ooit en dit jaar doet het Historisch Jaarboek Groningen alleszins recht aan die gevleugelde uitspraak, want over de meeste bijdragen zal het laatste woord nog niet gesproken zijn.

Bij de meest prikkelende artikelen blijken de Middeleeuwen goed vertegenwoordigd. Neem de kwestie van het eiland, waarover de Hunsingoërs en de Fivelingoërs vanaf 1231 twintig jaar lang oorlog voerden. Waar lag het? Was het Rottumeroog of een kweldereiland dichterbij de kust? Door de 14C -dateringsmethode toe te passen op aangetroffen schelpen, geven Harm Jan Streurman en Hans van der Plicht de discussie een nieuwe wending.

Een ander debat betreft de vraag wanneer het Aduarderdiep gegraven is: rond 1400, of toch een eeuw eerder? De hele vroege waterstaatsgeschiedenis van de regio hangt ervan af. Cruciaal is een oorkonde uit 1313. Jakob Loer biedt een nieuwe interpretatie.

Tegendraads is ook de bijdrage van scheidend hoofdredacteur Maarten Duijvendak. Veel Groningers menen dat hun provincie totaal geen garen spon bij de aardgaswinning. Maar is dat eigenlijk wel zo?

Verder vraagt Kees Kuiken zich af, hoe de Rijksuniversiteit Groningen de laatste honderd jaar omging met haar erfgoed, met name de Hortus. Hoe kan het dat universitaire botanische tuinen elders in Nederland konden overleven, terwijl die in Haren in 2001 failliet ging?

Benoît Mater bespreekt de vier tentoonstellingen, die Noord-Nederlandse en Duitse regionale musea organiseerden in het kader van ‘Land van Ontdekkingen. De Archeologie van het Friese kustgebied’. Geslaagd project, of blijft er nog iets te wensen over?

Minder polemisch, maar zeker niet minder lezenswaard zijn de artikelen van Foskea van der Ven en Martinus van Hoorn. Van der Ven gaat in op het Groningse ‘proefproces Duut’ over de uitleg van de Kultuurkamerverordening in de oorlog. Hoe interpreteerden onze rechtscolleges deze Duitse oekaze?

Van Hoorn schetst de geschiedenis van stichting Het Groninger Landschap gedurende de eerste halve eeuw van haar bestaan, waarbij hij onder meer de felle discussies over het buitendijkse Dollardkanaal in de jaren 70 behandelt.

Traditiegetrouw besluit het Jaarboek met twee vaste rubrieken: een over erfgoed en de ander over de belangrijkste historische literatuur die vorig jaar verscheen.


De kleine genoegens van een gelovige plattelandsonderwijzer

Er begonnen weer stapels boeken op de vloer te groeien, tijd om in te grijpen. Wat plankjes opgeruimd, vooral door te ontdubbelen, elders nog wat extra ruimte gevonden, zodat de vloer nu weer vrij is.

Bij deze operatie dook ook De Oudjaarsavond op, een boekje van C.E. van Koetsveld. Oorspronkelijk verscheen het in 1840, maar mijn exemplaar, van de vijfde druk, kwam twintig jaar later van de pers. Hoe ik er aan kom, het is me een raadsel. Wellicht heb ik het ooit eens van Boekito gekregen of gekocht.

Terwijl ik het werkje doorbladerde, viel mijn  oog op een inliggend kalenderblaadje met een stichtelijke boodschap. Naderhand bleek er nog wat van die kalenderblaadjes uit het boekje. In totaal ging het om vier stuks, waarvan de helft voorzien was van een jaartal: 1941. Toen had iemand zo dus zo nog bladzijden gemarkeerd.

Bij nader inzien bleek er echter nog veel meer in het boekje te zitten:

Drie uitgeknipte vacatures voor hoofden van openbare lagere scholen te Harkstede, Garnwerd en Balinge, waarvan de eerste gedateerd was op 1915.

Een klein opgevouwen specimen van een levensverzekeringspolis, in Jugendstil vormgegeven reclame van een bedrijf uit Utrecht:

kv 1

Vier ronde snoep- of bonbonpapiertjes (tenminste dat denk ik dat het zijn):

kv 2

Een soort garantiezegel voor sigaren, dat waarborgde dat de rookwaar voor de helft uit Cubaanse tabak bestond:

kv 3

En een controle-biljet in de vorm van een sigarenband, waarop een eventueel ontevreden roker verzocht werd zijn aanmerkingen achterop in te vullen, om die dan zo op te sturen naar de fabrikant:

kv 4

Dat merk Regal bestond zeker van 1915 tot 1938 en het had zo’n goede naam dat het nagemaakt werd. Mogelijk bewaarde de sigarenroker het biljet in een boek omdat hij het, net als die snoeppapiertjes, mooi vond of omdat het hem ergens aan herinnerde.

Goed, een van de vorige eigenaars van het boekje was dus onderwijzer en hij wilde rond 1915 hogerop. Hij snoepte en hij rookte, wat niet al te gezond was voor zijn gestel. Maar waarschijnlijk had hij een goede levensverzekering afgesloten, zodat zijn nabestaanden niet onverzorgd achterbleven. Ze hoefden de boeken van hun erflater niet op kostbaarheden te checken, toen zij deze van de hand deden.


De Leekster Courant, een korte historische introductie

Vanuit een depot van RHC Groninger Archieven komt het allereerste exemplaar van de Leekster Courant. Harry Perton vertelt over wat zaken die hem opvielen aan de allereerste edities van deze krant voor het Groningse Westerkwartier en het Drentse Noordenveld:

De clip is gemaakt door Tjerk Bekius en maakt deel uit van een wat langere film, die doorlopend draait op een tentoonstelling over de Leekster Courant. Deze zal vanaf zondag 5 oktober te zien zijn in de oranjerie van Museum Nienoord en wel op de zaterdagen 11, 18 en 25 oktober en 1 november* en 6 december*, daarna op de zondagen 21 en 28 december 2014 en 4 januari 2015, steeds van 11:00 tot 17:00 uur. De tentoonstelling is gratis toegankelijk. (* = in combinatie met de streekproductenmarkt bij Nienoord).


De eerste gemotoriseerden te Finsterwolde

2014-09-23 120

Potloodnotitie van het aantal auto- en motorbezitters in Finsterwolde d.d. 18 februari 1916, waarschijnlijk gemaakt met het oog op eventuele vorderingen door het leger.

Zoals men ziet was er nu bijna honderd jaar geleden maar één enkele auto in de gemeente, eigendom van de wegenbouw-aannemer J. Hommes, waarmee waarschijnlijk de zoon van de befaamde hotelhouder en socialistenvoorman bedoeld is.

Bij de vijf eigenaars van motorrijwielen is met name de welgestelde familie Mellema goed vertegenwoordigd. Kijken we naar de beroepen dan gaat het om twee boeren, een commissionair in granen, een graanhandelaar en de smid van de Ganzedijk.

Die smid is ook motorhersteller, zo blijkt een soortgelijk, maar dan getypt lijstje van 26 augustus 1919. Anders dan je zou verwachten zijn er dan geen auto’s meer in deze gemeente met zijn welvarende boeren, maar het aantal motoren is inmiddels wèl uitgebreid, tot negen. Eigenaren zijn dan, naast drie boeren en een commissionair: de gemeente-opzichter, de commandant van de Burgerwacht, de rijksveearts, de lokale kommies en een caféhouder. De uitbreiding van het aantal motorvoertuigen vond intussen dus vooral plaats bij de motoren en bij (semi-)overheidsdienaren.

Bronnen: Archiefbewaarplaats gemeente Oldambt in Scheemda, archief van de voormalige gemeente Finsterwolde, inv.nrs. 585 en 692.


Hondenkarren met mitrailleurs

Staatsieportret met muilkorven:

0 - hondenkar_29
Honderd jaar geleden werden ze ook echt gebruikt in de slag om Antwerpen:
1 - Eppegem_1914
Haastig onderweg:
2 - hondenkar met machinegeweer
Vermoeid van de strijd:
3 - Belgischehondenkarmet08

Niet alleen de Belgen, maar ook de Engelsen, de Fransen en de Duitsers hadden zulke hondbespannen mitrailleurs. Zelfs het neutrale Nederland vorderde honden voor dit doel.


‘Oorlogsellende & Alcoholellende’

5 feb b 2014-09-23 128

Briefkaartje, geschreven en afgestempeld op maandag 5 februari 1917 te Finsterwolde, en gericht aan de burgemeester van die plaats, met het verzoek om een vergunning voor het houden van een “vergadering voor geheelonthouding”. Deze bijeenkomst moest vijf dagen later, op zaterdag de 10e plaatsvinden in het café van Mellema, en Hendrik Kaspers zou er spreken over oorlogsellende & alcoholellende. Het verzoek werd ingediend door de secretaris van de plaatselijke geheelonthoudersvereniging H. Tuin.

Eerst dacht ik dat het mijn oud-oudoom Harm Tuin de anarchist was, die vanaf 1913 al optrad als voorzitter en secretaris van de lokale geheelonthoudersclub THOS, maar door de rare kriebel achteraan de handtekening ben ik gaan twijfelen. Die kriebel zou wel eens Jr. kunnen zijn. In dat geval gaat het om de zoon van de anarchist, na de Eerste Wereldoorlog gemeentesecretaris En na de Tweede, burgemeester (en regeringscommissaris) van Finsterwolde en Slochteren. Handschriftvergelijking met zijn handtekening onder akten burgerlijke stand levert opvallende overeenkomsten op.

In elk geval was de beoogde spreker geen onbekende in Finsterwolde. Deze Hindrik Kaspers (1869-1953) werd er geboren als zoon van een huurboer op de Reiderwolderpolder. Als jongeling gegrepen door de propaganda van Domela Nieuwenhuis, werd Kaspers in 1892 secretaris van diens socialistische partij SDB, afdeling Finsterwolde. Zich net als Domela in anarchistische richting ontwikkelend, trad hij wat later aan als financier, administrateur en redacteur van De Arbeider, een invloedrijk weekblad in Oost Groningen. Vanaf 1905 zat hij in het landelijke en regionale besturen van de Vereeniging Gemeenschappelijk Grondbezit (GGB). Bovendien was hij actief voor de anarchistisch angehauchte Algemeene Nederlandsche Geheelonthoudersbond (ANGOB). Tijdens de Eerste Wereldoorlog maakte Kaspers dienstweigeringspropaganda voor de Internationale Anti-Militaristische Vereeniging (IAMV), en gezien de werktitel voor zijn praatje in Finsterwolde lijkt het erop, dat hij daar zowel het geheelonthouders- als het anti-militaristische motief aan bod zou laten komen.

Beide motieven kwamen ook voor in een regionale ANGOB-brochure, die in 1914 verboden was in Finsterwolde en buurgemeenten. Toch vond burgemeester van Finsterwolde in 1917 geen reden om een stokje te steken voor het potentieel staatsondermijnende optreden van Kaspers, die hij  lichtelijk denigrerend een “anarchistisch aangelegd element” noemde. Nog op de dag dat Tuins episteltje geschreven en afgestempeld werd, stuurde de burgemeester een dito briefkaartje naar de Territoriaal Bevelhebber in Assen, dat er geen bezwaar bestond tegen het verlenen van de gevraagde vergunning. De Bevelhebber ging de 8e akkoord, diens briefje zal Finsterwolde waarschijnlijk pas op de dag van de vergadering hebben bereikt.

Bron: Archiefbewaarplaats gemeente Oldambt in Scheemda, Archief van de voormalige gemeente Finsterwolde inv.nr. 585: correspondentie, o.a. over stakingen en anarchisme (1914-1919).