Horeca van de havenstad Delfzijl

horeca Delfzijl blogje

Alleen het Kacheltje staat er niet op, een hoerekitje achter het Commandeurshuis. Verder bevat dit kaartfragmentje alle negen herbergen en logementen van Delfzijl in de Franse Tijd (ruim tweehonderd jaar geleden). In totaal waren er tien horecagelegenheden op een bevolking van 811 zielen. Het zal duidelijk zijn dat de herbergen vooral mikten op de passanten die de haven met zich meebracht.

Ze bevonden zich allemaal langs de doorgaande route Marktstraat – Oude Schans. Als je een kroegentocht wilde houden in het Delfzijl van 1800, werd je in elk geval niet moe van het lopen.

Een kluster van tweederde der kroegen bevond zich bij de Waterpoort, waarachter je de haven had en de Turfbrug. Hier legden de beurtschepen van en naar Emden aan. Het dichtste bij die poort zaten dan ook Het Raadhuis van Emden en Hotel Emden, met uithangborden die de reizigers van over de Eems de voordelen van kalme herkenning en voorzichtige acclimatisering beloofden. Hier zal gegolden hebben wat voor Groningers in Amsterdam gold.

Helemaal aan het andere uiteind van het loopje, dat onnoemelijk veel keren door de pakkedragers van Delfzijl gemaakt moet zijn, had je bij de Farmsumerpoort en het Damsterdiep het Wapen van Stad & Lande.  Die naam was ook niet voor niets: de provinciale trekschuiten naar de stad staken er van wal bij de snikketrap, als het klokje op die poort had geluid.

Bron van het kaartfragmernt is de kaart die als bijlage gevoegd is bij Jaap Bottema, Delfzijl in de Franse Tijd (Bedum 2004). Bottema gaat voorbij aan deze samenhang in de Delfzijlster horeca van destijds.

 

 


Delfzijl – de bekendheid van en de waardering voor zijn vesting en zijn haven

Uiteraard komen we Delfzijl ook tegen in geografische compendia en reisbeschrijvingen uit de achttiende eeuw, zoals die op Google Books te vinden zijn. In totaal vond ik 25 verschillende  meldingen. Wat zeggen die over Delfzijl?

Eerst maar even een kleine bloemlezing, die bestaat uit vier voorbeelden.

In de jaren 1720 kwamen meerdere edities uit van het Reisboek door Jan Claesz en later zijn zoon Timotheus van Hoorn. Over Delfzijl zegt het:

“Delfzyl leit aan de rivier de Eems een groot uur boven Damme; ze heeft een voortreffelyke Haven en zwaare schutsluizen en [is] derhalven van groot belang, èn als een bolwerk voor Oostvriesland, Groningen en Ommelanden, waarom de Prinsen en Heeren altyd gepoogd hebben dezelve tot een verzekering der gemelde landen te versterken en wel te bewaren ”

Noemen de Van Hoorns zowel de vesting als de haven, de Duitse geleerde Uffenbach beperkte zich in 1753 in zijn Merckwürdige Reise tot de vesting. Daarbij kraakt hij een kritische noot:

“Delfzijl is een middelgroot, maar verder eenvoudig dorp, met zes bolwerken, de wallen zijn laag en zeer smal, zodat nauwelijks twee mensen er naast elkaar overheen kunnen gaan. We logeerden tamelijk sober in de Kroon.”

Een zeer bekend werk is nog steeds de Tegenwoordige Staat van Stad & Lande uit 1794 van de toen ambteloze bestuurder Albert Joan de Sitter, de patriotse oud-drost van het Oldambt. Enerzijds prijst hij de nautische voorzieningen van Delfzijl. Deze plaats, zo zegt hij, beschikt over de “beste haven en reede van alle de Nedcrlanden, naar ’t oordeel van velen”. Anderzijds memoreert hij dat de haven minder diep is dan in de zeventiende eeuw. Ze is verland. Over de vesting weet hij te vertellen dat ze rond 1700 “aanmerkelyk versterkt en vergroot” is door Van Coehoorn.

En dan hebben we nog de Duitse predikant en letterkundige Hoche, die Delfzijl in 1798 bezoekt. Hij schrijft naderhand:

“De haven lag vol schepen. We moesten ons er bijna doorheen wurmen. Vooreerst trokken een oorlogsschip en een groenlandsvaarder (…) mijn opmerkzaamheid. De haven is veilig en qua diepte van de vaargeul gemakkelijker te bereiken dan die van Emden.”

Delfzijl zelf noemt hij:

“…een klein en rein oord, nederig gebouwd in Hollandse smaak. De straten zijn breed, wèl geplaveid en goed verlicht. De haven is de inkomstenbron voor het grootste deel der inwoners. Zij zit nu echter bijna geheel verstopt, sinds de Nederlandse handel zozeer terneer ligt. “

Dominee Hoche noemt weer niet de vesting. Om eens te kijken hoe de vesting en de haven er in het algemeen afkomen in de al met al 25 aardrijkskundeboekjes en reisbeschrijvingen uit die tijd die Delfzijl noemen, heb ik twee kruistabelletjes gemaakt. Eerst maar even de vesting:

De vesting:

  Totaal aantal: Genoemd: Percentage: Positief : Percentage:
Voor 1725

4

3 75 % 1

33 %

1725-1749

4

4 100 % 2

50 %

1750-1774

4

4 100 % 1

25 %

1775-1799

13

12 92 % 2

17 %

Totaal

25

23 92 % 6

26 %

In  23 van de in totaal 25 geschriften  wordt bij Delfzijl de vesting genoemd (92 %). Slechts in 6 van die 23 gevallen gaat dat gepaard met een positieve waardering (26 % van de meldingen).  De bekendheid van de vesting is bij de schrijvers van geografische vademecums en reisboekjes dus hoog, wat niet zo is voor de waardering. Die lijkt na 1725 zelfs af te nemen

De haven:

  Totaal aantal: Genoemd: Percentage: Positief: Percentage:
Voor 1725

4

1 25 % 1

100 %

1725-1749

4

4 100 % 4

100 %

1750-1774

4

2 50 % 1

50 %

1775-1799

13

8 61 % 4

50 %

Totaal

25

15 60 % 10

67 %

De haven van Delfzijl blijkt wat minder bekend dan de vesting – ze wordt slechts in 15 van de 25 gevallen genoemd (60 %). In 10 van die 15 gevallen is de waardering echter positief (67 %). De waardering voor de haven is dus hoger dan die voor de vesting. Wel blijkt de waardering voor de haven in de tweede helft van der achttiende eeuw een stuk lager dan voorheen. Er is dus sprake van een achteruitgang in waardering.

Conclusies:

  • Delfzijl is als vesting in de achttiende eeuw bekender dan als haven.
  • De waardering voor de haven overtreft echter die voor de vesting
  • Het aantal positieve uitspraken over de vesting en de haven neemt in de loop van de achttiende eeuw af. Vooral bij de haven valt die achteruitgang in de waardering op.

 

 


De Paap en zijn Hond

Paaphond 1806 v

De Paap is een zandbank ten noorden van Delfzijl, waarvan ik zo’n idee heb dat hij met de Hond aan het wandelen is. Ooit lag de Hond een heul end van de Paap af, maar in 1807 althans, leken ze onafscheidelijk.

Ik zag dat de naam ook al op een kaart van 1736 voorkomt. Je vraagt je af wanneer de Paap voor ’t eerst zo genoemd werd. Moet haast wel uit de tijd zijn dat het in Emden krioelde van de Nederlandse geuzen. Paap, zegt het WNT, is

“sedert de Hervorming dikwijls als schimpwoord opgevat en daarom bij de Roomschen in onbruik geraakt.”

De schippers die de Eems bevoeren, hadden zo hun reden om de zandbank zo te noemen. Als je op de Paap stuitte, was je gesjochten. Neem Roelf Jans in 1782. Zijn thuishaven was Delfzijl en je zou toch zeggen dat hij dan wel uit de buurt van de Paap zou blijven. Maar nee, hij verging er met man en muis:

“Delfzyl, den 18 Maart. Tusschen den 12 en 13 dezer is op de Paap verongelukt het schip van Roelf Jans van Delfzyl, die zyn ballast aldaar had ingenoomen. op welke 9 perzoonen geweest zyn, van welke men tot nog toe geene ontdekt heeft, dus allen zyn omgekomen. Het schip is ten eenemaal geheel verbryzeld, men kan het wrak by leeg water hier daaglyks zien….”

Dit gebeurde tijdens een zware zuidwesterstorm die omsloeg in een even zware noordwesterstorm. Het eerst zakkende water kwam in een half etmaal drie meter opzetten.  Wat de sterkste stijging van water in de hele achttiende eeuw was, althans in Amsterdam bij het IJ. In de Eems zal het niet anders geweest zijn.

Ook elders vergingen die nacht schepen:

“By Schevening is gisternagt een kist met plunje komen aandryyen; uit een daarin gevonden boekje sustineerd men dat dezelve yan een Zweedsch of Deensch vaartuig is…”

Naschrift 25 oktober 2021

Jan-Pieter Koers wees me erop dat de Paap en de Hondt al voorkomen op een kaart uit ca. 1584 van de Oostfriese en Groningse kust in Spieghel der Zeevaerdt van de Enkhuizer stuurman Lucas Jansz Waghenaer, wiens boekwerk bekend staat als de eerste zeeatlas ter wereld. De namen van beide zandbanken in de Eems bestonden dus al in de zestiende eeuw. NB: het onderstaande kaartje is gedacht vanuit zee, met het zuiden boven, het  noorden onder, het westen rechts en het oosten links. Duidelijk is dat de Paap en de Hond toen nog één geheel vormden, met ook een grotere oppervlakte dan ruim twee eeuwen nadien.


Topstukken van het Damster stadsmuseum

Vanmiddag naar Delfzijl gefietst en onderweg het Museum Stad Appingerdam aangedaan. Ziehier een selectie van enkele topstukken.

Hoofdprijs van de vogel- of papegaaischieterij van 1546. De schutterskoning kreeg deze aan een lint of iets dergelijks om zijn hals:
a - 060
Gevelsteen om te herdenken dat abt Dico de Groninger in 1561 een nieuwe poort liet bouwen bij het plaatselijke Augustijner klooster:
b - 041
Publicatie waarmee het stadsbestuur de nieuwe tijdstippen voor de beide jaarmarkten bekend maakte (1658):
c - 058
Een waag voor het wegen van bijvoorbeeld boter:
d - 072
Portret door een Hauck van Alegonda van Sijsen (1750-1829), de vrouw van Campegius Hermannus Gockinga. Ze was de dochter van een Groninger burgemeester en haar man was eveneens een vooraanstaand bestuurder, onder meer als lid van de Nationale Vergadering, zeg maar het parlement van de Bataafse Republiek. Kennelijk werd in zulke kringen nog klederdracht gedragen:
e - 047
Etensbord met de konterfeitsels van Willem V en zijn gemalin Wilhelmina van Pruisen. Zij had de broek aan, maar haar borst lijkt uit haar decolleté te piepen:
f - 083
Houten schooltas, beschilderd:
g - 087
Hazewind, detail schilderij (waarvan ik de maker vergat te noteren):
h - 037


Het groene kerkhof was niet louter voor de armen

Laatst beweerde ik hier dat het groene kerkhof te Delfzijl voor de armsten bestemd was. Die bewering valt te controleren aan de hand van de Delfzijlster diaconierekening , zoals die vanaf 1777 bewaard is. De diaconie beurde namelijk 6 stuivers voor een graf op het groene kerkhof, terwijl de opbrengst van de begrafeniscollecte, ongeveer tegelijkertijd in de diaconierekening geboekt, iets zegt over de status van de overledene. In het open bekken, door de diaconie opgesteld bij een begrafenis, legde namelijk enerzijds de familie een ronde somma, zo groot als ze het aan haar stand verplicht vond, terwijl anderzijds de bezoekers van de begrafenis kleinere sommen gelds bijdroegen. Beide componenten samen vormen een prima indicatie voor de status en het aanzien van iemand in de lokale samenleving. Hoe hoger de stand en hoe meer bezoekers, hoe groter het gecollecteerde bedrag bij een begrafeniscollecte.

Omdat de status van vrouwen en kinderen een afgeleide was van die van mannen, over wie ook veel meer bekend is, besloot ik mijn steekproef op voorhand te beperken tot volwassen mannen met een eigen huishouden. Wat dat betreft is het begraafregister een betere bron dan het diaconieboek, omdat het meestal de nagelaten familierelaties noemt. Over de jaren 1777-1794 bevat het Delfzijlster begraafboek de namen van 128 van zulke mannen, die ik wat betreft de collecte-opbrengsten bij hun begrafenissen onderverdeelde in zeven groepen:

a 5 Opbrengsten bekkencollectes bij begrafenissen van 128 volweassen mannen in Delfzijl 1777-1724

Voor de onderste categorie, zeven mannen groot, staat er dus geen begrafeniscollecte-opbrengst genoteerd. Deze kleine groep bestond vooral uit katholieke militairen. Bij hun begrafenis collecteerde niet de hervormde diaconie van Delfzijl, maar liet die dat mogelijk over aan de katholieke gemeente van Appingedam.

Meer dan niets, maar minder dan een gulden was de opbrengst bij het gros van de armen. Verder treffen we in deze groep aan een soldaat, een knecht, een schippersknecht, matrozen en een trekarbeider. Deze groep vertegenwoordigt vooral de dienstbare stand.

In de groep waarbij het bekken na afloop van een begrafenis een tot drie gulden bevatte, zitten nog twee uitzonderlijke armen. Verder treffen we hierin veel kleine middenstand aan: een kleermaker, een timmerman, een smid, een tapper, een schipper, een bode, een administrateur en, qua garnizoen, een luitenant en een plaatsmajoor.

Tot de midden-middenstand , met drie tot zes gulden in het bekken, behoren een wedman (deurwaarder en ordehandhaver), een commies, een smid  met wellicht wat meer kapitaal en de schoolmeester.

Met zes tot tien gulden in het bekken behoren een commissaris van de trekschuiten, een schipper en een arts tot de hogere middenstand, terwijl een bakker, commies, burgerhopman en collector, een andere medisch doctor en een vestingcommandant met hun opbrengst van tien tot twintig gulden daar weer iets bovenuit stijgen.

Maar de echte elite van de Forteresse Delfzijl brengt meer dan twintig gulden op in het doodbekken. Deze bestaat onder meer uit een tweede hopman van het burgerregiment, drie volmachten/landdagcomparanten, een hervormde predikant en – waarschijnlijk – een grote koopman.

Nu het gebruik van het groene kerkhof. Bij al deze 128 mannen noteerde ik dus tevens, of er 6 stuivers waren betaald voor een graf op die laag-geklasseerde begraafplaats. Dit zijn de percentages voor elk van bovenstaande groepen:

a 5 Pervtage 6stuivers voor het groene kerkhof

Verrassend lage percentages zien we aan de onderkant van de grafiek. Dat komt doordat de diaconie in deze gevallen de zes stuivers voor het openen van een graf op het groene kerkhof meestal kwijtschold, zoals in enkele gevallen ook expliciet gemeld wordt. Maar een dergelijke kwijtscheldingsregeling gold niet meer voor de hogere strata. Van de kleine middenstand kreeg 71 % een graf op het groene kerkhof, van de midden-middenstand 37 %, van de hogere middenstand 60% (!) en van de sub-elite 37 %. Dat zijn toch considerabele percentages. Alleen bij de echte elite van Delfzijl was de animo om zonder steen onder de groene zoden te liggen gering. Toch bleek er ook hier een uitzondering te zijn: de koopman (?) Olpman Jans (1780).

De conclusie moet zijn dat er niet louter armen en minvermogenden uit de dienstbare stand op het groene kerkhof werden begraven. Ook veel middenstanders en zelfs mensen uit relatief aanzienlijke kringen vonden daar hun laatste rustplaats. Het zou kunnen zijn dat de nabestaanden hier een rol in speelden, begrafeniskosten (die hoger waren op het gevloerde kerkhof en in de kerk) verminderden immers de erfenis. Ik vermoed echter dat het vooral een keus van de overledenen zèlf was, waarbij naast zuinigheid, bijvoorbeeld calvinistische soberheid een rol kan hebben gespeeld.

Hoe dan ook was het groene kerkhof niet louter voor de armen bestemd. Ook meer gegoeden lieten zich er wel begraven.


Dure kostgangers

011

Bijna elf miljoen gulden, zoveel kostte het verblijf gedurende exact een jaar (1795/1796) van de 25.000 man Franse troepen die ons van het Oranjeregime kwamen verlossen. Met een bevolking van 2,1 miljoen mensen kwam dat neer op ruim 5 gulden per inwoner. Bij een gemiddeld mansloon van een halve à een hele gulden per dag, moest een Nederlander dus minstens 5 à 10 dagen werken om de Fransen te onderhouden. vrouwen nog langer. Met niet-werkende kinderen is hier nog niet eens rekening gehouden.

Bron: Collectie RHC Groninger Archieven, Toegang 1 (archief Staten van Stad en Lande) inv.nr. 812.


Getuigschrift voor een chirurgijnsknecht

“Betuige dat persoonlijk voor mij gecompareert is de heer J.E. Reetzel, medicinae practicus en chirurgijn woonagtig in dese Fortresse en bij mij Rigter bekend, dewelke verklaarde, dat toonder deses, Eijso Jans Hakkelblok, geboortig van Delfzijl, by hem als leerknegt van maij 1700 tot dato deses hadde gewoond en sowel bij sieken als in de chirurgie met veel loff seer oplettende hadde geweest, en dus ook thans verre in dien tijd in de geneeskunst en chirurgie was gevordert. Naardien nu genoemde Eijso Jans Hakkelblok hiervan een certificaat hadde verzogt en hem altijd eerlijk en getrouw, ook tot des comparants volle genoegen gediend hadde, zo hadde hem dit zijn billijk verzoek niet willen nog konnen weigeren, maar na suivere waarheid afgegeven, hopende en verwachtende, dat deselve op alle plaatsen, alwaar gesien ofte gelesen werde, sal worden gerespecteert en daardoor aan hem Eyso Jans Hakkelblok alle hulpe en dienst toegebragt worden, welke men gewoon is te doen aan personen met een behoorlijk certificaat zijnde voorsien. In waarheids oirconde hebbe ik, Rigter opgemeld, op versoek van meergemelde Eyso Jans Hakkelblok en na gedane verklaringe van den heer comparant J.E. Reetzel desen met het aanhangen van mijn gewoon zegel bevestigt en nevens den heer comparant met onse namen eigenhandig vertekent.

Actum den 29ste april 1700 seven en seventigh,

(Was getekent:)

J.E. Reetzel

H. Helperi, Rigter”

Noot: Best mogelijk dat Hakkelblok zijn opleiding bij een elders praktiserende chirurgijn wilde vervolgen – misschien wel in Den Haag waar een broer van hem zat – maar hij stierf in 1785 te Delfzijl, als wees. Zijn baas Reetzel, oorspronkelijk afkomstig uit het Zuid-Duitse Merklingen, maar in 1761 getrouwd te Delfzijl,  overleefde hem, want die overleed een jaar later.

De vesting Delfzijl intussen, lijkt in de vroegmoderne periode steeds van medische beroepsbeoefenaren voorzien. Elders op het noordelijke platteland was dat wel anders.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 733 (rechterlijke archieven Fivelingo) inv. nr. 100 (verzegelingen door de richter van Delfzijl).


Waarom de otter impopulair was

Amman - otter

Von dem Otter

Der fette Otter gut Fisch frisst,
Wie ein Biber er gformiert ist.
Beim Wasser er sein Wesen hat,
Sein Haar is wie ein Feder glat.
Sein Höl er künstlich machen thut,
Wie der Biber mit Ast und Ruth.
Darinn er sitst mit guter ruh,
Die Fisch lauffen ihm selber zu.
Als viel daß er nicht selber kan
Fressen, als dan ein gstanck komt von
Der faulen Fisch, den Luft vergifft,
Die Fischer geben diesen bericht.

Over de otter

De otter vreet zich vet aan vis
Als een bever hij uiterlijk is.
Hij voelt zich helemaal thuis in ‘t nat
Zijn pels is als fluweel zo glad.
Met tak en twijg bouwt hij zijn nest,
Als een bever verstaat hij die kunst heel best.
In dat hol wordt hij zeker niet moe,
De vis komt immers vanzelf naar hem toe.
Zoveel dat hij lang niet alles verorberen kan,
zodat de restanten erg stinken gaan dan.
De rottende vis vergiftigt de lucht,
Daarom is de otter bij vissers berucht.

Bron: Georg Schaller, met houtsneden van Jost Amman, Ein neuw Thierbuch. Eigentliche und auch gründliche beschreibung allerley vier und zweifüßigen Thieren etc. in teutsche Reimen gefaßet (1569).


Pekela en haar scheepvaart, een vroeg getuigenis

“Pekel Aa. Er zyn twéé aanzienelyke volkplantingen van dien naam; de Boven of Nieuwe en de Beneden of Oude Pekel, van welke wy hier spreeken; zy stooten onmiddelyk aan den anderen en maken dus één geheel.

De kronkelende Aa, door menigvuldige doorgravingen op veele plaarzen met aarde gevuld, en in ‘t Hoofddiep geleid, houdt op zommige [plaastsen] nog haren ouden loop. Dit heeft ten gevolge, dat in beide Pekels zommige huizen gedeeltlyk tot ’t Oldambt, gedeeltlyk tot Westwoldingen behooren.

(,,,)

De beide Pekels vertoonen een zeer aanzienelyk vlek. Aan weerzyden van de Aa of het Hoofddiep staan huizen, meestal naast malkanderen of met kleine tusschenruimten ter lengte van twe en een half uur. Jammer is ‘t, dat men wegens de doorsnydingen telkens bruggetjes (hier batten genoemd) over het water heeft moeten leggen, welk den doortogt ongemakkelyk maakt. Te Veendam en Wildervank heeft men dit beter begrepen, en dit ongemak met twee diepen te graven verhoed.

De scheepvaart is alhier aanmerkelyk. Eén- of twee-en-twintig-honderd vaartuigen gaan jaarlyks uit ‘t verlaat; ze zyn van verschillende grootte en takelagie. Praamen en tassen brengen turf naar Stad en Lande en tot in het Oostfriesche. Kleine tjalken voeren die brandstof naar Emden, Norden en andere oorden van Oostfriesland. De groore tjalken vaaren met turf op Hamburg; daar worden ze bevragt met greene en eiken balken, kromhout, koren en andere Duitsche waaren, de Elve afkoomende en te Hamburg ontscheept. Deze Pekelaars lossen hunne laadíngen in Holland of Friesland en keeren gemenelyk ledig naar huis.

Hunne grootste vaartuigen zyn koffen en smakken. Zy worden hier wel gemaakt en maaken zeil naar ander landen, maar kunnen noyt naar huis wederkeeren. De reden is omdat de zoogenoemde Staatenzyl van boven gedekt is en dus den doortogt belet. Dit brengt groote belemmering aan de scheepvaart toe, en schoon men menigmaal gezogt heeft van dit ongemak ontheven te worden, altyd is zulks om staatkundige redenen, zegt men, tevergeefs geweest. Deze schepen zyn dus genoodzaakt, in Holland, Friesland, Delfzyl of Groningen den winter op te leggen.

De kleinste smakken worden în Holland of Friesland bevragt op Noorwegen, zy brengen vandaar (meest van Drontheim) noordsch hout enz. De grootste smakken of koffen, die doorgaande 60 of 70 lasten voeren (een last wordt op ses-en-dertig-honderd ponden gewigts gerekend) worden in Holland en Friesland bevragt met allerleie waaren en stukgoederen. Zy vaaren op Koppenhage, Stettin, Dantzig‚ Elbingen, Koningsbergen, Memel, Riga, Nerva, Petersburg en verdere havens van de Oostzee. Terugkeerencle brengen zy mede rogge, tarwe, lyn- en hennipzaat, hennip, vlas, yzer, pik, potasch enz. Ook vaaren ze wel op avontuur naar de Oostzee en nemen daar vragt aan op Fransche havens aan ’t Kanaal, Duinkerken, Brest, en anderen; zelfs naar de bogt van Frankryk, Nantes en Bourdeaux, alwaar zy onderscheidene Fransche goederen – wyn, suiker enz. – op Holland  of de Oostzee laaden.

Nog vaaren er veele Pekeler scheepen in ’t voor- en najaar met haver op Londen, Leverpool en Edenburg, vanwaar zy, met steenkoolen enz. bevragt, wederkeeren.

De scheepvaart wordt hier nog vermeerderd door twee kalkbranderyen, welke door Oostfriesche motten (een soort van vaartuig) van schillen, dat is schelpen voorzien worden, en de kalk naar Bremen, Hamburg enz. vervoeren.

Het is dan niet te verwonderen, dat men hier veeIe en groote scheepstimmerwerven vindt; ik heb er veertien geteld.

(…)

Ik ben hier wat breedvoerig geweest; het behoort tot de belangen van ’t Vaderland, en het is der moeite waardig deeze plaats te kennen. Waarlyk, een vreemdeling moet verbaasd staan, wanneer by aan het einde van dit gewest, op den zoom van ons Gemeenebest, naby Westfalen, zulk eene schoone en bloeiende volkplanting vindt.

De oprechtheid en goedwilligheid der achtingwaardige Pekelaars, daar weelderige overdaad minder bekend is, en eene gelykheid van staat en levenswys vry van allen overmoed het leven veraangenaamt, doen my dikwyls denken met hoeveel genoegen ik aldaar onze Paasch- en groote Zomerrust doorbragt, en vriendschap van braave burgers genoot.”

Bron van de citaten: pag 249-256 uit Jacobus de Rhoer, ‘Eene plaatselyke beschryving van Westwoldingerland, beneevens de dorpen Bellingewolde en Blyham en ’t gene verder tot dien rechtstoel behoort’, pag 229-280 in: Verhandelingen ter nasporinge van de wetten en gesteldheid onzes vaderlands .(…) door een genootschap te Groningen Pro Excolendo Iure Patrio, deel IV tweede stuk (Groningen 1809).

NB: Getuige een opmerking op pag. 279 van dit deel is de tekst in 1790 geschreven.


Zelfs met een blok aan haar been bleek ze niet te houden

Verzoekschrift, dat de kerkeraad van Delfzijl op 28 oktober 1788 indiende bij het gerecht van die plaats:

“Geeft UEdel Mog. op ’t ootmoedigste en met diep respect te kennen de kerkenraad in de Fortresse Delfzijl, hoe dat de E. Cornelisjen Ludolphs, dogter van wijlen Ludolph Pieters en Lijsbet Harms echtelieden, gedoopt den 8 maij 1746, naa de dood van haar vader, met haar moeder eenige jaaren door onse diaconie is gealimenteert, zoo alderslegts haar gedragen heeft, dat sij bij ’t leven van haar moeder een onegt kind gebaart heeft, en na derselver beide dood een tweede onegt kind, ’t welke overleden zijnde, tegen alle vermaninge, bestraffinge en bedreiginge van ons angewent, in hoererie voortleeft. Nu voor eenige weeken, Edel Mog. Heeren, is zij weggelopen geweest en heeft haar linnen en wollen goed dat zij aan ’t lijf hadde, verkogt, zoodat zij bijna nakent wederom is gekomen, waarover zij geklopt is, een blok met een kettinge aan ’t been gesloten is, egter met al haar goed dat zij hadde, zondagh den 6 julius met ’t blok aan ’t been is wederom weggelopen, na Gronigen gereist, daar haar nigt, zoo men segt,van eenig goed vervreemt, en dus vresende voor kwaad te begaan, bloot te staan.

Tevens UEdel Mog. zeer gedienstig verzoekende UEdel Mogend gelieven te veroorzaken dat genoemde Cornelisjen Ludolphs gratis mogte in ’t Provincie Tugthuis mogte geplaatst worden ’t zij voor eenen zekeren tijd, of voor al hun leven, om met hun handen werk de kost te gewinnen.”

Curieus aan dit rekest is de E. voor Cornelisje, de eerste keer dat die voornaam valt. Zo eerzaam was Cornelisje immers niet in de ogen van de kerkeraad. Als ondersteunde van de diaconie kreeg ze tot twee maal toe een onecht kind en ondanks alle maatregelen bleef ze “in hoererie” voortleven. Meermalen liep ze weg, zelfs met een blok aan haar been, en verkocht dan de kleren die ze van de diaconie gekregen had, terwijl ze ook nog haar Groningse nicht zou hebben bestolen. De kerkeraad was bang dat het van kwaad tot erger zou komen en verzocht daarom haar opsluiting in het tuchthuis. Een beetje vreemd is de laatste regel van het citaat. Daarin gaat de kerkeraad of zijn advocaat over op een meervoud en lijkt er sprake van overname van een formule uit gerechtelijke vonnissen.

Of Cornelisje inderdaad naar het tuchthuis ging, is nog even de vraag. Gedeputeerde Staten, die als bestuurders van het tuchthuis dit rekest het eerst voor ogen kregen, verwezen de kerkeraad op 17 juli al naar het lokale gerecht, mogelijk ook om niet zelf voor de kosten op te hoeven draaien. Richter Helperi van Delfzijl vroeg op 29 oktober, een dag na de indiening van het rekest, aan Cornelisje om op de aantijgingen te reageren. Dat moest ze binnen acht dagen doen, maar in het civiel-rechtelijke prothocol zag ik geen vervolg. Mogelijk is er een vonnis in het strafrechtelijke prothocol, dat ik nog moet bekijken. Dat recidiverende ongehuwde moeders naar het tuchthuis werden gestuurd, was echter niet zo ongewoon, dat gebeurde wel vaker.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 733 (gerechten Fivelingo) inv.nr. 74.


Wat de doodgraver van Delfzijl verdiende

Is met eenparigheit van stemmen geresolveert, dat Jan Mäser, die door den Kerkenraat tot dootgraver aangestelt is, voor een oud mensche graf in de kerk zal genieten een gulden en 10 st[uivers] en van twee verdiepingen twee guld[en[ 10 st., van een jonge dode half zoveel als van een oude. Op het gevloerde kerkhof een guld. 4 st. en twee verdiepingen eens zo veel. Op het groene 18 st. Voor een jonge dode op ieder plaatse boven gespecificeert de helft. Ook zal de dootgraver gehouden zijn alle jaar precijs het gelt op te halen van het gevloerde kerkhof wegens het onderhout, en hij zal geen graven openen op het groene, of hij zal eerst zes stuiver voor ieder oude dode aan den boekhouder brengen , en van een kind vier stuiver, dog militairen zullen vrij zijn. Voorts zal de dootgraver het gevloerde kerkhof wieden en continueel schoonhouden, en zo daar gaten in vallen, wederom sligt en egaal vloeren. Zullende des dootgravers tractement jaarlijks vijftien gulden zijn.

Er waren anno 1765 dus drie begraafplaatsen voor Delfzijlster hervormden/gereformeerden:

  1. in de kerk,
  2. op het met zerken “gevloerde” kerkhof en
  3. op het groene kerkhof.

Waarschijnlijk lag, zoals je het nu nog in Zuurdijk kunt zien, het gevloerde kerkhof aan de zonnige zuidzijde van de kerk en het groene kerkhof aan de beschaduwde noordkant. Dat groene kerkhof was voor de armsten, het gevloerde voor de middenstand. Alleen ‘rijke stinkerds’ kwamen in de kerk te liggen, maar hun erfgenamen moesten daarvoor ook het meest betalen. Verder gold in elke tariefklasse: kinderen half geld.

Naast het “openen” van graven – waaronder we het graven van grafkuilen moeten verstaan en niet, zoals tegenwoordig, het openen van een reeds bezet graf – moest de doodgraver het onkruid tussen de stenen op het gevloerde kerkhof wieden, terwijl hij dat kerkhof ook moest schoonhouden en “slichten” of vlak maken als er gaten invielen. Hiervoor moesten de erfgenamen hem betalen, tenminste als hij er op tijd bij was – hij diende dat geld jaarlijks bij ze op te halen. Voor de diaconie beurde hij tot slot kleine bedragen die nabestaanden aan dit armenfonds moesten betalen voor een graf op het groene kerkhof.

De doodgraver kreeg dus een vast tractement van 15 gulden, dat hij aanvulde met ‘stukloon’.  Dat laatste is ook wel te becijferen. Getuige het begraafboek van Delfzijl werden er in 1765 in totaal 23 mensen  begraven: 10 volwassenen en 13 kinderen. Uitgaande van het laagste tarief van 18 stuivers voor een volwassene en 9 voor een kind, leverde dat bijna 300 stuivers, of nog eens 15 gulden op.

Maar bij de doden zaten ook ettelijke middenstanders en zelfs de oud-hopman van de Delfzijlster burgerwacht. Een 20 à 25 gulden lijkt me dan een betere schatting van het stukloon in totaal.  Met dit werk verdiende de doodgraver dan al met al 35 à 40 gulden per jaar, waar dan nog het geld voor het wieden, schoonhouden en gelijkmaken van het gevloerde kerkhof bij kwam. Laat het in totaal eens 50 gulden zijn geweest. Eerder becijferde ik hier eens dat de minimale kosten van levensonderhoud destijds  een 128 à 150 gulden bedroegen. Het zal duidelijk zijn dat de Delfzijlster doodgraver alleen van dit werk niet kon bestaan. Het ging om een bijbaan.

Bron van het citaat: Acta consistorii Delfzijl 9 januari 1765.


Slachtoffers van de Maartens- en de Kerstvloed

Plaats

Maartensvloed   (1686)

Kerstvloed   (1717)

 

Oldehove

7

Niehove

13

Garnwerd

1

Ulrum

73

Vierhuizen en Zoutkamp

18

41

Hornhuizen

4

117

Leens

182

Nijenklooster

7

Kloosterburen

11

Wehe

25

Zuurdijk

55

Warfhuizen

63

Niekerk

1

73

Vliedorp

7

48

Wierhuizen

40

Pieterburen

70

172

Eenrum

3

126

Westernieland

60

79

Saaxumhuizen

10

30

Den Andel

4

43

Baflo

21

Raskwerd

27

Tinallinge

12

Breede

1

Warffum

22

63

Usquert

41

44

Uithuizen

72

67

Uithuizermeeden

313

208

Oosternieland

4

20

Oldenzijl

5

Zandeweer

10

Eppenhuizen

6

Rottum

5

Kantens

2

Toornwerd

9

Westerwijtwerd

4

Huizinge en Menkeweer

3

Bedum

4

Onderwierum

9

Ter Laan en ‘t Reidland

1

Wetsinge

3

Winsum en Bellingeweer

12

Ranum

8

Maarhuizen

4

Mensingeweer

31

Maarslag

11

‘t Zandt

9

47

Godlinze

53

18

Spijk

104

53

Bierum

61

67

Holwierde

37

20

Uitwierde

9

4

Delfzijl

1

Farmsum

17

4

Oterdum

97

2

Heveskes

11

Termunten

223

Borgsweer

17

Woldendorp

37

Wagenborgen

27

Siddeburen

4

4

Garmerwolde

1

Westeremden

1

2

Garsthuizen

5

Loppersum

5

Wirdum

10

Leermens

15

Oosterwijtwerd

13

Krewerd

1

13

Katmis en Oldenklooster

10

Marssum

2

Losdorp

6

Solwerd

6

8

Nieuwolda

13

Nieuw-Scheemda

4

Oostwold

10

Finsterwolde

8

Eexta

1

 

TOTAAL

1394

2091

De vijf meest getroffen plaatsen waren in 1686 Uithuizermeeden (313), Termunten (223). Spijk (104), Oterdum (97) en Uithuizen (72).

De vijf meest getroffen plaatsen waren in 1717 Uithuizermeeden (208), Leens (182), Pieterburen (172), Eenrum (126) en Hornhuizen (117).

Uithuizermeeden was de gevaarlijkste plek om te wonen. Toch vermoed ik dat Termunten in 1686 relatief nog zwaarder getroffen werd – er kunnen maar weinig bewoners die ramp hebben overleefd. Verder maakte de Maartensvloed vooral slachtoffers in volkrijke plaatsen langs de Eemskust, terwijl de Kerstvloed vooral dergelijke plaatsen langs de kust van De Marne trof.  Relatief weinig slachtoffers vielen er beide keren in het Oldambt.

Bronnen: RHC Groninger Archieven, Toegang 1 (archief Staten) inv.nr. 817 – Slachtofferlijst van de Maartensvloed; en Johannes Adrianus Mobachius, Groningerlands zeer Hooge en Schrikkelyke Watervloed, Ter  Overstrooming van een groote menigte van Menschen, enz. op Kers-tyd den 25 Decemb. 1717 (Groningen 1718), de lijst achterin.


De taken van een hondenslager

De E. Kerkenraat heeft eenparig Jakob Pieters aangestelt om:

  1. De honden uit de kerk te weren en die er mochten ingeslopen zijn, zo ze bassen of geraas maken, weer uit te jagen.
  2. Om het oog te houden op de jongens, die op de kerke-solder – of gelijk men ’t noemt: het beuntje – zitten, teneinde die geen ijdelheit of baldadigheit mogen bedrijven, en in dezen wel op te passen, zo in predikatiën als catechizatiën.
  3. Om gedurende de predikatie en catechizatie ’s winters de kerkdeuren toe te houden, en in de zomer dezelve open te houden, volgens ordre en goetvinden van den predikant.

En zal Jakob Pieters opgemelt tot tractement weekelijks genieten tien stuivers.

Aldus een besluit van de Delfzijlster kerkeraad uit 1749. Volgens deze instructie moest de ‘hondenslager’ die erop aangesteld werd (dat ”slagen’ staat voor slaan en niet voor ‘slachten’) dus alleen honden uit de kerk jagen als ze blaften of op een andere manier lawaai maakten. Getuige een post actum zorgden de jongens van art. 2 echter voor een ernstiger vorm van overlast, want de aangestelde Jakob Pieters moest de kerkeraad uitdrukkelijk beloven dit artikel goed uit te voeren.  Dat de man bovendien een functie had wat betreft de temperatuur in de kerk, blijkt uit artikel 3, dat hem in dezen ondergeschikt maakte aan de predikant. De 10 stuivers per week waarvoor Pieters het werk aannam, waren zo ongeveer het dagloon van een ongeschoolde arbeider en zullen een welkome aanvulling op ‘s mans inkomen zijn geweest.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 213 (archief hervormde gemeente Delfzijl) doos 10 Acta consistorii Delfzijl d.d. 26 november 1749, art. 2.


Gered uit de ijzige Eems, bij vliegende storm

“Delfzyl den 15 february. De storm die gepasseerden zondag woedde, heeft zig ook alhier, met het vergaan van drie koopvaarders, allertreurigst gekenmerkt. Eene waarvan geen naam niet word opgegeeven, was geladen met stukgoederen; de 2de gevoerd door Hartman L. Franken met wyn van Embden, en de 3de gevoerd door Geert H. Klompien was beladen met garst. Den grootsten lof meet men toezwaaien zo aan ons eigen zeevolk, als die der vreemde natiën hier ter rheede leggende, door welker activiteit en stout bestaan de schipbreukelingen allen gered en nog een gedeelte der ladingen geborgen zyn.”

Aldus de Groninger Courant van 17 februari 1804 in een bericht dat weinig specifiek is over de precieze omstandigheden en nogal de nadruk legt op de lading van de schepen. Vaak zijn dergelijke berichten in de verschillende kranten vrijwel eensluidend, zo niet echter in dit geval. De Ommelander Courant van dezelfde datum heeft namelijk een veel uitvoeriger bericht, waardoor de lezer zich ook een veel beter beeld van de afschuwelijke situatie kan vormen. Zo blijkt de storm een zeldzaam ijzige uit het oostzuidoosten die opspattend water vrijwel meteen deed bevriezen:

“Delfzyl den 15 february. Gepasseerde zondag was men alhier ooggetuige van de bitterste ellenden, maar tevens ook van menschlievende ondernemingen! Kapt. Hartman L. Fransen was met zyn onderhebbend schip de Vrouw Oosting de vorige avond alhier voor de haven ten anker gekomen en wierde des nagts door een vliegende storm uit het O.Z.O, vergezeld van een strenge vorst, waardoor al het water, ’t welk gestadig op en over het dek sloeg, tot ys wierde, overvallen. De schipper des nagts om 12 uur bemerkende dat syn schip lek was geworden, en niet lange daarna ondervindende dat, reeds 3 à 4 voeten water in het schip hadde, nam des morgens om 7 uur, terwyl het water op het laagste was, het besluit, om met een jongetje van 14 jaren de vlugt te nemen naar een nabyleggend schip. Zulks gelukte hem, doch de schipper ziende dat door zyn stuurman niet wierde gevolgd, ging wederom tot aan de arms in het water en slik om zyn stuurman te redden! Dan, dezelve niet meer kunnende beseffen wat tot zyne redding nodig was, moest door den schipper worden agtergelaten teneinde zyn eigen leven te redden. Zodra nu het water begon te wassen, sloeg het schip opzy en zonk vervolgens. De agtergebleven stuurman zogt zyn leven in de mast te redden en hield zich aan de touwen van dezelve vast, met welke hy gestadig onder water wierde geslagen. Men zag dit akelig toneel van hier met betraande ogen aen, elk was vaardig den ongelukkigen te redden, dog weer en wind gedoogden het niet. Twee chaloupen ondernamen zulks echter, dan kwamen, heiaas!, onverrigterzaak terug. De menschlievende en brave kapt. Tjapke Roelfs van Hamburg, liggende met zyn onderhebbend schip, de Vrouw Margaretha, alhier in de haven, begaf zich, schoon oud van dagen, in zyn chaloup en wierd door zes andere brave mannen gevolgd. Deze de harde wind en holle zee trotseerende, en met brandende yver bezield zyn in doodsgevaren verkeerende medemensch te helpen, roeyde met zyn onderhebbende manschappen naar den ongelukkigen en redde denzelven, die, schoon als dood aan de wal gebragt, echter door de vlyt van den doctor wierde gered.

Niet minder akelig was het gene des nademiddags voorviel. Kapt. Geert H. Kompien was mede de vorige avond alhier op de rhede ten anker gekomen en had – boven zyn stuurman – zyn vrouw, een jongetje van vyf jaren en een passagier aan boord. Nadat des nagts en volgende dag in het grootste gevaar van hun leven te verliezen hadden doorgebragt, en wegens menigvuldigheid van ys geen kans zynde hun leven te redden, namen eindelyk het noodlottig besluit, hun anker te kappen, teneinde, waar het mogelyk, hun leven op het strand te redden. Zodra aan strand waren, nam de passagier een touw, bond hetzelve om zyn arm en kwam gelukkig aan strand. Hierop ontbrak het ook geenzints aan menschenvrienden. Het touw door den passagier medegenomen wierd aan een op strand liggend tros gestoken, teneinde door de schipper aan boord te kunnen worden gehaald. Deze hetzelve aan boord hebbende, bond eerst zyne vrouw, daarna zyn jongetje met gemeld touw vast, die door de op strand zynde menschenvrienden door het water wierden gesleept en gered. Intusschen verdiend kapt. Hindrik Janssen alle lof, die zich niet heeft ontzien, toen het arme kind van boord wierde gehaald, zich tot aan het midden in het water te begeven, teneinde hetzelve te redden. Op de wyze als voorschreven zyn ook de schipper en stuurman gered; alle schoon door de strenge koude bevangen, zyn door de nodige verkwikking, hun van alle kantea toegebragt, gelukkig gered.

Dank zy derhalven de menschlievende kapt. Roelofs. Dank zy alle de gene die hunne menschlievende daden zo meesterlyk aan den dag hebben gelegd.

Ook is hier een schip beladen met stukgoederen in de haven gezonken. Er zyn meer ongelukken gebeurd, teveel om te melden. Intusschen zyn alle menschen gered.”


Een onverwachte verschijning in de haven van Delfzijl

“Groningen den 12 April. (…) Noch is ons tyding gezonden, dat gister, des morgens ten 5 uur te Delfzyl, by het uithaalen van den veerman, door den knecht van het schip van Willem Wyndels, in den haven, met de schippershaak is gevangen, een levendige cabeljaauw, lang 3½ voet. Niemand heugd dat er ooit een cabeljaauw in deze haven wierd gevangen, en dan noch wel op zulk eene zeldzaame wyze.”

Bron: Ommelander Courant 13 april 1790.

Commentaar: kabeljauw, de bron van onze kibbeling en lekkerbekjes, zwemt meestal op minstens twintig meter diepte. Zo diep was (en is) de haven van Delfzijl bij lange na niet. Het exemplaar van omgerekend ruim een meter dat daar aan de bootshaak geslagen werd, was weliswaar bovengemiddeld, maar niet extreem groot.