Het riddergraf onder de linde van Dijksterhuis

Op 13 juni 1903 is de sloop van de borg Dijksterhuis in Pieterburen zo goed als voltooid en moeten alleen de fundamenten nog uit de grond worden gebroken, als het Nieuwsblad een opmerkelijke vondst meldt:

“Bijzonderheden zijn niet aan het licht  gekomen; alleen aan den kant van het slotplein is bij het vellen van een ouden  lindenboom, gedeeltelijk daaronder, een graf gevonden, bedekt met ongeveer een halve  meter puin, waaronder een skelet en fragmenten van een zijwapen. Of het de  overblijfselen zijn van den een of anderen roofridder, die hier werd weggestopt?  De fantasie heeft hierbij vrij spel…”

Met een zijwapen wordt een zwaard of degen bedoeld. Jammer dat zo’n vondst niet wat beter gedocumenteerd is.


Impressies Archeologiedag

De Dag van de Noordelijke Archeologie, waar Drenten, Friezen en Groningers het mirakels goed met elkaar konden vinden. Op de informatiemarkt allerlei kleine exposities, o.a. van pijpekoppen:
2013-04-20 007

Byfrost, het enige re-enactment gezelschap op de informatiemarkt:
2013-04-20 019

Toehoorders bij een lezing in de hal:
2013-04-20 032

Ridderspoor:
2013-04-20 039

Lezing over de Punt van Reide, in dit geval is conservator Egge Knol van het Groninger Museum aan het woord. Hij wijst het gewezen Nesserland aan:
2013-04-20 045

Aandacht voor stenen artefacten:
2013-04-20 053

In het panel van deskundigen dat ingebrachte bodemvondsten bekeek, zat Jan Zijlstra, specialist qua metaal uit de wierdentijd. Hij zocht even wat meer licht op voor een probleemgeval:
2013-04-20 077

Dit probleemgeval wat beter in beeld:
2013-04-20 078


Baksteen met boodschap

Maar welke?

2013-04-20 083

Deze werd getoond aan het panel van deskundigen op de noordelijke archeologiedag. Achter de tafel werd er getwijfeld of er überhaupt wel een zinnige boodschap op stond. Het handschrift deed mij 18e-eeuws aan, maar ik denk nu ik het wat beter kan bekijken, dat het net zo goed uit de 20e eeuw kan zijn.


Romeins brons

Te zien op de gratis toegankelijke Dag van de Noordelijke Archeologie, aankomende zaterdag in het gebouw van de Groninger Archieven, Cascadeplein 4 – voor het programma ziehier.

Ketelschroot:

2013-04-17 043

Hengsel met vrouwenkopje:
2013-04-18 004

Ingelegd sierschildje:
2013-04-18 008

Godsbeeldjes:
2013-04-18 012

Het schroot komt uit het Noordelijke Archeologisch Depot in Nuis, en het overige spul uit het Gronings Museum. Maar uiteindelijk komt alles uit wierden.


Leonidas, graaf van Sparta, een ‘Grieks fondsenwerver’ in de Nederlanden

david-leonidas-at-thermopylae1

Hij noemde zich Joanni Nicolai Leonidas, graaf van Sparta en hij verscheen in het najaar van 1825 te Groningen. Naar eigen zeggen had hij als officier te Morea, dus op de Peloponnesos, gevochten voor de zaak van de Grieken, “zijne landgenoten”.

Op dat moment voerden de Grieken al vier jaar lang hun vrijheidsoorlog tegen de Turkse overheerser.  Het zag er slecht voor ze uit en er gingen geruchten dat de Turken alle overlevende Grieken zouden deporteren naar Ethiopië, waarbij ze dan de Ethiopiërs in Griekenland zouden vestigen. Maar de kansen zouden keren. Europa koos massaal partij voor de Grieken, die opeens als christelijke broeders werden herkend, en begon ze geld, wapens en vrijwilligers toe te sturen.

Leonidas, graaf van Sparta, zei in Groningen geld in te zamelen voor Griekenland. Hij wilde naar de Peloponnesos terugkeren, was al naar een haven aan de Middellandse Zee geweest, maar kon daar de reis nog niet ondernemen. Inderdaad beschikte hij over een pas, in Neurenberg afgegeven voor een reis naar Marseille. Volgens die pas was hij geboren in Pera, bij de Bosporus. Naast dit reisdocument en andere “schijnbaar echte papieren” toonde hij “werkelijke aanbeveelingen van achtingswaardige mannen in Duitschland”.

Dat zit wel snor, dacht een “aanzienlijk getal van geleerde en achtingswaardige mannen te Groningen” en zij gaven Leonidas onbekrompen steun “voor de zaak der Grieken”. Toen Leonidas naar het zuiden wilde vertrekken, gaven de Groningers hem zelfs een certificaat mee, een door hen ondertekende “algemeene aanbeveling (…), dienende, om het medelijden der weldenkende Nederlanders op te wekken”.

Nauwelijks had Leonidas met dit stuk zijn hielen gelicht, “of men werd uit ingewonnene berigten gewaar, dat men om den tuin geleid was”. Op het logeeradres van de “avonturier” trof men een door hem achtergelaten briefje aan, waarin men “de bekentenis van zijn bedrog” las.

Een van de bedrogenen was het invloedrijke statenlid Jan Remees Modderman, die in 1813 als onderprefect van Oost-Groningen persoonlijk de Russsiche kozakken had binnengehaald, en die in 1823 de genius was achter een boerenpetitie tegen onbeperkte graaninvoer. Deze strijder voor de belangen van de boerenstand stuurde op 29 oktober een uitgebreide bekendmaking naar de Opregte Haarlemsche Courant, indertijd nog de grootste krant van Nederland, die Moddermans tekst op 3, 5 en 8 november plaatste.

Modderman wilde met zijn bekendmaking “het Nederlandsch publiek” waarschuwen tegen Leonidas, wiens signalement hij niet gaf, maar wiens papieren hij wèl beschreef:

“Deze waarschuwing moge dienen, om voortekomen, dat niet meerdere goedhartige menschen worden misleid, en, zoo mogelijk, het certificaat, beginnende met de woorden: alle weldenkende Nederlanders, in deze maand aan LEONIDAS afgegeven, en door den ondergeteekende eigenhandig geschreven, worden ingetrokken en aan den ondergeteekenden teruggezonden; waarmede men hem en zijne medeteekenaren ten hoogste zal verpligten.”

Gesteld dat Leonidas een oplichter was, zoals Modderman wilde, dan had diens fancy naam toch argwaan kunnen en mischien wel moeten opwekken. Leonidas noemde zich immers naar de koning van Sparta die de held van Thermopylae was, zo’n beetje hèt icoon van de strijdende Grieken. De schilder David had een beroemd schilderij van Leonidas bij Thermopylae gemaakt, bovendien figureerde de Griekse held in populair drama, en leende hij ook nogal eens zijn naam aan schepen. De naam lag dus nogal voor de hand. Dat de ‘Groningse’ Leonidas desondanks heren als Modderman, die niet helemaal achterlijk waren, wist te bedotten, pleit dan ook voor diens overtuigingskracht of toneeltalent.

Modderman besloot zijn advertentie met de mededeling dat Leonidas volgens berichten het laatst gezien was in Zwolle, op 27 oktober. Op de dag dat hij zijn waarschuwing schreef, 29 oktober, was Leonidas echter ’s nachts  al gearresteerd, en wel in IJsselmuiden door de politiecommissaris van Kampen, dit op verdenking van daar “gepleegde opligtingen”. De procureur-generaal bij het Hooggerechtshof in Den Haag bepaalde dat Leonidas in Groningen terecht zou moeten staan, en naar die stad werd hij in december overgebracht.

Op 1 mei 1826 verklaarde de Groninger Rechtbank van Eerste Aanleg “Joanni Nicolai Leonidas, zich noemende Graaf van Sparta, en volgens zijn verklaring 28 jaren oud, geboren te Pera, laatst woonachtig in Horea, officier bij een Grieksch corps” schuldig aan:

“valschelijk te hebben vervaardigd en nagemaakt een acte op naam van een minister van het Grieksche Gouvernement, strekkende om de welwillendheid op te wekken, zoo voor hem als voor de Grieksche natie en dezelve onderstand te verschaffen, alsmede zich van die acte te hebben bediend…”

De rechtbank veroordeelde Leonidas tot een half jaar gevangenisstraf, plus 50 gulden boete en de proceskosten, begroot op 90 gulden. Helaas is hier geen procesdossier bewaard gebleven, maar het vonnis – en dat was voor deze tijd vrij uitzonderlijk – kwam ook terecht in de Groninger en Haagse couranten:

“De beruchte Joanni Nikolai Leonidas, zich noemende graaf van Sparta, en voorwendende afgezonden te zijn door den Griekschen senaat, om ten behoeve van de zaak des vaderlands in Europa inzameling van bijdragen te doen, is heden bij vonnis van de regtbank van eersten aanleg hier ter stede, in zake correctioneel, veroordeeld tot eene gevangenis van zes maanden en eene boete van vijftig gulden.”

Leonidas ging echter in hoger beroep, een appèl dat op 3 juli 1826 voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Leeuwarden diende. De stukken daar heb ik nog niet kunnen bekijken, maar afgaande op een wat later tijdschriftartikel drongen zijn slachtoffers, “de persoonen zelve die hij bestolen had” er op zijn vrijlating aan,

“althans zij waren huiverachtig in het geven der vereischte verklaring. Zij wilden den bedrieger niet ongelukkiger maken dan hij reeds was, en veroorzaakten daardoor dat hij op vrije voeten kwam, en welligt tot inkeer geraakte.”

Door dat intrekken van de eerdere getuigenverklaringen, oordeelde de Leeuwarder rechtbank dat artikel 161 van het Wetboek van Strafrecht, de onderlegger van het Groninger vonnis, niet van toepassing was. Leonidas kon dus niet schuldig worden verklaard aan het daarin genoemde “wanbedrijf” van oplichting met vervalste overheidspapieren en moest dientengevolge worden losgelaten.

Dezelfde maand dook hij op in Rotterdam. Tenminste, dat laat zich afleiden uit de advertentie die hij de 18e in de Rotterdamsche Courant  plaatste:

“De ondergetekende werd in het jaar 1823 van den Griekschen Senaat naar Europa gezonden, om er ondersteuning voor de ongelukkige natie intezamelen, doch werd in Kampen gearresteerd en na een onderzoek van negen maanden op den 3 Julij door de Regtbank van Leeuwarden in appel onschuldig verklaard en vrij gesproken.

JOANNI NiCOLAI LEONIDAS, Graaf van Sparta

De man ging dus door met zijn fondsenwerving. Intussen was er in Noord-Nederland echter een brede, officiële collecte voor de Grieken geweest, die in Groningerland via de predikanten verliep. Dat nam particulieren als Leonidas hier de wind uit de zeilen, en waarschijnlijk zocht hij daarom zijn toevlucht in het zuidelijke deel van het Koninkrijk, het huidige België. Dat zijn vrijspraak in Leeuwarden daar weer leidde tot geloofwaardigheid bij gulle gevers, kan je opmaken uit enkele nummers van De Argus, een soort van opinieblad dat in onze toenmalige hoofdstad Brussel verscheen. Het Argus-nummer van 4 oktober 1826 duidt Leonidas aan met een verfranste naam – Jean-Nicolas Léonidas – en verwijst denkelijk naar de Rotterdamse advertentie waar het schrijft:

“In een der dagbladen zijn er, betrekkelijk dezen gelukzoeker, eenige daadzaken opgegegeven, waaruit men scheen te moeten opmaken, dat hij een Griek van geboorte en van eerbaar gedrag was, willende al verder daarmede te kennen geven, dat deze Helleen, die men in Holland had gevangen gezet, een geheel ander onthaal zou verdiend hebben.“

De Argus had echter inlichtingen ingewonnen,

“waaruit het zeker blijkt, dat Jean-Nicolas Leonidas geen Griek, maar een Duitscher is. In 1824 moet hij zich te Harderwijk voor de militaire dienst in Indië hebben laten aannemen. Zijn gedrag was nogtans zoo schandelijk, dat men hem moest afzonderen en opsluiten, en wel zoo lang, tot dat men de gelegenheid vond om hem, wegens infirmiteiten, te doen ontslaan.”

Je zou toch zeggen dat zo’n ontslagen soldaat zich niet zo gauw toegang zou kunnen verschaffen tot de hogere kringen, maar het blijkt dat hij zelfs bijna nog de Koning te spreken kreeg:

“Hij heeft (…) de onbeschaamdheid gehad, op het Loo te komen en zich ter audiëntie aan te melden; dan hij werd door zijn gewezen overste toevallig herkend en drong er toen niet verder op aan den Koning te spreken. – Later leefde hij van afzetterij en bedrog…”

De Argus memoreert dan de arrestatie in Kampen, en meent abusievelijk dat Leonidas al voordat het tot een proces kwam nog in Kampen vrijgelaten werd, dankzij de “overmaat  van goedheid” bij zijn meelijdige slachtoffers.

“Het blijkt alzoo dat hij geenszins op eene onredelijke gestrenge wijze, maar veeleer met alle mogelijke toegevendheid is behandeld geworden.”

In een vervolg-artikel in de editie die op 25 oktober 1826 uitkwam, zet ‘t blad de puntjes wat meer op de i en doet het alsnog de juridische procedure uit de doeken waaraan de “pseudo Griek” onderworpen was. Het commentaar:.

“Men was voorzeker te zeer overtuigd van den bedriegelijken handel des gewaanden graafs van Sparta, dan dat hij toegevendheid of bescherming verdiende. Wanneer men slechts een oog slaat op het aanzienlijk getal van geleerde en achtingswaardige mannen, te Groningen en elders die uit waren deelneming voor de zaak der Grieken, van zijnen aanslag de dupe werden, en wijders zijnen handel en wandel, die beneden den waarde van een fatsoenlijk man was, in acht neemt, dan is het te bejammeren dat men zoodanige overtreders straffeloos hunnen weg moet laten gaan.”

In Brussel bleef Leonidas ook niet lang meer. Het laatste bericht dat ik over hem vond, stond in de Overijsselsche Courant van 20 november 1827:

“Groningen, den 15 November. In het begin dezer maand is te Leipzig een bedrieger gearresteerd, die zich voor een graaf Leonidas, uit Griekenland, uitgaf en de inwoners geld aftroggelde. Denkelijk is deze dezelfde Leonidas, die alhier dergelijke rol gespeeld heeft.”

In dat jaar, 1827, wonnen de Grieken de facto hun vrijheidsstrijd, mede dankzij een zeeheld uit Zuidlaren, die ze liefkozend bébé (vader) noemden. Ze hadden de steun van de Europsese grootmachten Frankrijk, Engeland en Rusland. Voorlopig hoefden er geen collectes meer voor de Grieken gehouden te worden en daarom kon een charity wrecker maar beter een andere naam kiezen, dan een Griekse. Vandaar dus ook, dat Leonidas oploste in de nevelen van de tijd.


De prins op bezoek in Termunten (1773)

2013-04-12 001

Als prins Willem V en zijn gemalin in augustus 1773 Stad en Lande bezoeken, waar de verjaardag van Wilhelmina wordt gevierd, maken ze ook een tweedaagse rondreis door het oosten van de provincie. Een eerste reisdoel is hier Zuidbroek, waar in de drostenborg “gedejeuneert” wordt bij Raadsheer Ficco Berghuis, de drost van het Oldambt. Dezelfde dag, 9 augustus, inspecteert de prins de vestingen aan de grens, zoals Bourtange. In Nieuweschans brengen hij en zijn vrouw de nacht door, waarna ze in de ochtend van 10 augustus Nieuwstatenzijl en de Dollardpolders bekijken. Opnieuw wordt er “gedejeuneert” bij een zetbaas van de stad, dit keer Hendrik Berghuis, de ambtman van het Klei Oldambt in Termunten. In deze plaats maakt de prins een wandelingetje over de Dollarddijk tot Termunterzijl. Omstreeks het middaguur komen hij en zijn vrouw te Delfzijl aan.

Van het voor hem zeer vererende bezoek schrijft ambtman Berghuis een kort verslagje in zijn civiele rechtdagenprothocol, onder de titel “Posteritati et in perpetuam rei memoriam” (voor het nageslacht en te eeuwiger nagedachtenisse):

“Dat het sijn Doorlugtigste Hoogheyd Prins Willem de Vde van Orange en Nassauw gunstiglijk behaagt heeft den tijnden Augusti 1700 drie en zeventig bij gemelten ambtman in ’t ambthuis te dejuneren, komende van de Nieuwe Schans. Sijne Hoogheyd trad bij de molen uit de koets, wandelde na ’t ambthuis, en [na] aldaar enige ververschingen te hebben genoten, ging de buitendijk langs na Termunterzyl, en na die bezigtigt te hebben, alsmeede daar zijnde gerecipieert door des ambtmans dogter Engelina bij de hand te vatten, reed verder met de koets na Delfzijl.”

Om de ambtman te ondersteunen in zijn doel, heb ik zijn notitie hier maar overgenomen.

Bron: RHC Groninger Archieven, toegang 731 (rechterlijk archief Klei-Oldambt) inv. nr. 6343, notitie d.d. 10 augustus 1773; deze notitie is als bladvulling opgenomen in de Groningsche Volksalmanak van 1898, pag. 24. Met dank aan Jona van Keulen voor de tip.


Meester Guikema en de jeugd van tegenwoordig

Anno 1835 kreeg de onderwijzer nog vaak de  schuld van de “ruwheid, onbeleefdheid en baldagigheid” der kinderen, iets wat meester Guikema van Dorkwerd zeer verdroot. Daarom schreef hij namens een onderwijzersgezelschap een artikel, dat het niet alleen opnam voor de onderwijzers, maar ons ook het een en ander leert over de informele socialisatie van de Groninger plattelandsjeugd.

Guikema, als verlicht man een vooruitgangsoptimist, vond veel klachten over de jeugd onrechtvaardig.  Van enkel een “achteruitgang van zedelijke beschaving, vooral bij het opkomend geslacht”, zoals de klagers die zagen, was volgens hem zeker geen sprake. Natuurlijk waren bepaalde deugden verdwenen, maar de jeugd bezat weer deugden, “die onze voorouders niet eens bij name kenden”.

Guikema wijst diverse typen klagers aan. Een deel bestond uit orthodoxe en bevindelijke calvinisten die een hekel aan alle spel hadden en die vonden dat een kind stil met een stichtelijk boekje in een hoekje moest zitten. Van dit slag mensen bestond ook een min of meer ontkerstende variant: de “zedekundige sophisten” die vonden dat iedereen aan hun maatstaven moest voldoen.  Dan had je nog de liefhebbers van een overdreven etiquette, en niet te vergeten de ouden van dagen die graag rust aan hun hoofd wilden hebben – hier had Guikema nog wel mee te doen.

Volgens hem wees de hekel aan jeugd vaak op fysiek ongemak:

“Men vindt in de menschelijke zamenleving veel menschen, die door hunne zittende leefwijze, of uit andere oorzaken, aan zwartgaligheid en miltziekte laboreeren, of tenminste een ziekelijk ligchaam rondslepen. Deze zijn gewoonlijk ten uiterste zwaarmoedig, zittende altijd met een looden muts op, en omdat zij zelve gemelijk, onvergenoegd en ontevreden met hun lot zijn, meenen zij dat de geheele wereld niet deugt.”

Guikema geeft toe: natuurlijk zijn er “zedelooze kinderen”. Maar lang niet zoveel als de habituele klagers ons wijs proberen te maken.  Helaas was de onderwijzer vanouds de ”wrijfpaal van het volk” en kreeg hij de schuld. Terwijl hij hooguit vier uur per dag, twintig uur per week en dus dertig etmalen per jaar met zijn leerlingen doorbracht,

“en dat nog meest uitsluitend in het leervertrek, waar weinigen ruwheid en onbeleefdheid, veel minder  baldadigheid laten blijken”.

Buiten de school kwamen de kinderen met andere mensen in aanraking, en volgens Guikema moest je bij die mensen toch vooral de schuld zoeken, als het verkeerd ging met de jeugd.  Hij spreekt van “bedorvene huisgezinnen” waar kinderen het tegenovergestelde leren, van wat de meester ze probeerde bij te brengen, maar wijdt hierbij wijselijk veel minder uit over de ouders, die hem schoolgeld verschuldigd waren, dan over het (inwonende) personeel.

Zo heeft hij het gemunt op de jongste vrouwelijke dienstboden, de kindermeisjes. Deze zorgden voor de jongste kinderen in huis, maar waren daarbij nogal eens “de voornaamste opvoeders” van de iets oudere kinderen, met wie ze veel tijd doorbrachten:

 “Deze [kindermeisjes] zijn, tenminste verweg het grootste gedeelte, kinderen uit de geringste, onbeschaafdste en ruwste volksklasse, die veelal zonder onderwijs in de school te ontvangen (…) zijn opgegroeid als paddestoelen op den mesthoop. Haar eenigste weten bestaat gewoonlijk in het kennen van spookverhalen, in zoutelooze, of smaak- en zedebedervende liedjes, terwijl in alles wat zij doen of zeggen de grootste ruwheid, onbeleefdheid en zedeloosheid doorstraalt”

Ook van de oudere vrouwelijke en mannelijke dienstboden ging volgens Guikema een funeste invloed uit.  Zo maakten die deel uit van een groep welke altijd in het dorp bijeenkwam, zeg maar de jeugd in bredere zin:

 “In elk dorp van eenig aanbelang heeft men bijna alle avonden vele jongelingen, die na den volbragten arbeid tezamenscholen om wat nieuws te hooren, te vertellen, of zich door boert en scherts wat te vermaken. De in deze vergaderingen gehoord wordende gesprekken loopen gewoonlijk over niets anders dan over de voortplanting van het menschelijk geslacht, over slagerijen, kloppartijen over gepleegde baldadigheden aan huizen, hoven, tuinen en personen, over vrijerijen enz., doormengd met zoovele walgelijke vuiligheden, dat men zijne ooren ervoor stoppen zou (…). Ja hier is de grootste leerschool der zedeloosheid van allerlei aard, hier hoort men in overvloed vloeken, zweeren, schelden, pogchen, zwetsen , lasteren, zoutelooze scherts en zoutelooze boert.”

Volgens Guikema werden passanten vanuit zo’n groep nogal eens bespot, uitgescholden, gehoond en uitgelachen. Vooral meisjes en vrouwen kwamen er met moeite langs.  De aanvoerders van de groep haalde je er zo uit:

“Die zich hier laag en zedeloos gedraagt, wordt door den grooten hoop het meest toegejuicht. Om deze gezelschappen nu, verzamelt zich eene menigte schoolkinderen, en deze hooren en zien alles wat er gezegd wordt en gebeurt met de grootste oplettendheid, belangstelling en inspanning aan. Wordt er gelagchen, zij lagchen mede. Verstaan zij nog niet alles, zij vragen zoo lang, totdat zij het gewaar worden, en hier behoeven zij slechts eenige lessen te ontvangen, of zij zijn  reeds in staat eenigermate te kunnen mededoen, en waar zij zich ook bevinden, verbreiden zij het geleerde verder, ja waar zich daartoe maar eene gelegenheid aanbiedt, brengen zij alles in beoefening.”

As ouders toestonden dat hun kinderen zich bij zulke groepen voegden, moesten ze vooral niet klagen over de meester, aldus Guikema, die min of meer gelijksoortige bijeenkomsten bij mensen thuis zag plaatsvinden:

“Wanneer de heeren en dames op de dorpen eene avondvisite afleggen, dan vergadert eeene groote schaar dienstboden en groote kinderen van beiderlei sekste in dat huis waaruit mijnheer en mejufvrouw afwezig zijn. Hier worden dan straatliederen gezongen, hier wordt gedanst geschaterd, gevloekt enz. totdat men allerlei laffe spelen, welke enkel eene kortstondige vereeniging der beide seksen ten doel hebben, verzint, die tooneelen zoolang voortzettende totdat mijnheer en mejufvrouw tehuis komen. Dat het op deze vergaderingen ook niet zoo kiesch en zedig toegaat (…) laat zich gemakkelijk begrijpen. De kleine kinderen worden gewoonlijk te bed gebragt, dog de groote deelen in alles mede en zwelgen ook hier het gift der zedeloosheid met volle teugen in.”

En alsof dit nog niet erg genoeg was, namen veel ouders hun kinderen ook nog eens mee naar kermissen, boeldagen, harddraverijen en andere volksvermaken op het platteland:

“Niet zelden ziet men hier in de herbergen de zoontjes boven aanzitten als aanzienlijke heeren. Rooken, klinken, drinken, schreeuwen, tieren, springen, ja wat niet al meer, hoort en ziet men daar van kinderen, waarom de ouders veelal lagchen, ja, waarop zij wel eens grootsch zijn (…). Daar blijft men dan vaak laat in de nacht. Vader is er ook nog, zeggen de kinderen, wij gaan ook nog niet. Hier zien de kinderen nu niet slechts hunnen vader, maar een legio ruwe en onbeschaafde menschen die drinken, schreeuwen, zingen, vloeken, zwetsen, ja, niet zelden stevige kloppartijen enz. “

Van één zo’n feestavond ging volgens Guikema zoveel invloed uit, dat een onderwijzer het er in een jaar niet uit kreeg.

Als man die beschaafde muziek en zang een warm hart toedroeg, stoorde Guikema zich bijzonder aan de inofficiële muziekpraktijk bij zulke gelegenheden:

“de zoutelooze, smaak- en zedenbedervende straatliederen, die door hunne veelal bevallige zangwijzen het oor en hart van den jongen mensch streelen en daarom door hem het schielijkst van alles geleerd, het meest gebezigd en het langst onthouden worden. Deze mogen voorzeker beschouwd worden als de zoetst smakende, maar tevens als de krachtigst werkende vergiften voor de zedelijkheid”

Volgens Guikema gaven kinderen tussen de 14 en 20 jaar – dus pubers en adolescenten – de meeste problemen.  Die gingen al helemaal niet meer naar school, de onderwijzer had er niets meer mee te maken en trof dus geen blaam. Temeer niet, daar hij zich helemaal niet met de openbare orde op straat bemoeien mocht, geen vertegenwoordigende politieke en kerkelijke functies mocht bekleden, en zelfs geen al te dure kleren mocht dragen.

Als een kind een grief had, dan ging het vaak net als bijna twee eeuwen later:

“…oogenblikkelijk zijn de meeste ouders gereed om in tegenwoordigheid dezes kinds hunnen vitlust tegen den onderwijzer bot te vieren”

Bron: Tijdschrift voor onderwijzers en ter bevordering der huiselijke opvoeding III (Groningen 1835) pag. 93-107.


Hommelstommel en nachtmerrie

Anders dan ik meende, bleek de hommelstommel wel degelijk inheems in Groningerland. Ook de radicaal-verlichte Marten Douwes Teenstra schreef namelijk over dit paardmens als incarnatie van de duivel, al kwam die volgens hem qua uiterlijk niet met een omgekeerde, maar met een normale centaur overeen:

“Dit groote Phinxachtig gewrocht der verbeelding noemt men in het Oldambt, alwaar het ook spookt, hommelstommel en in het Westerkwartier hompelstompel. Men ziet dit wangewrogt hier en daar ook als een paard zonder kop, zoals er onder andere nog een bij Oldersum loopt, gaande steeds van het zuiden naar het noorden.”

Overigens jammer dat Teenstra zich in zijn boek niet beperkte tot Groningerland, de Marne, of nog beter: zijn woonplaats Ulrum. Hij heeft er van alles en nog wat uit de wijde wereld bijgesleept, en zo werd dat boek een omgevallen kaartenbak. Bovendien was Teenstra een ongedisciplineerd schrijver, die veel te veel zijpaden bewandelde. Zijn vooropgezette meningen over bijgeloof en cocksianen stonden een fundamenteler begrip in de weg.  Toch zitten er prachtige krenten in de pap, en de gedeelten over Ulrum e.o. zouden samen met allerlei bronnenmateriaal over de Afscheiding een mooie historisch-antropologische studie van dit stuk Groningerland in het decennium 1830-1840 op kunnen leveren.

Om terug te komen op de hommelstommel, een collega van dit plaagbeest was de nachtmerrie. Want onder nachtmerrie werd niet alleen de angstdroom verstaan, maar ook een paard-, aap-, of mensachtig wezen dat je op onheuse wijze in je slaap bezocht. Tegen de menselijke variant bestond echter een weermiddel, aldus Teenstra:

“Om te ontdekken of iemand al of geen Nachtmerrie was, namen de waarzeggers met zekere meelspijzen, vooral pannekoeken, de proef, welke proefneming alphimantie genoemd wordt. Een Jan in den zak (ketelkoek of meelpuil) konde in het bijzijn van een nachtmerrie van binnen niet gaar worden, dit was ook het geval met tulband en pofferd. En waar pan, trom, zak noch pot alsdan niet wilden laden – dat is dat het gebak niet in deszelfs geheel wilde loslaten – moest ongetwijfeld eene nachtmerrie in huis zijn.”

De opsomming van meelspijzen doet mij sterk denken aan de namen van de drie herbergen bij het Hoendiep op de grens van Hoogkerk en het Vredewold. Mogelijk speelde hier ook een nachtmerie parten, toen dominee Potter er iets kwam nuttigen.

Bron: Marten Douwes Teenstra, Volksverhalen en legenden van vroegere en latere dagen  (Groningen 1840) met name de pagina’s  26, 27 en 80-82.


Hoe de duivel aan Groningers verscheen

“Dat in de provincie Groningen de oude verscheen in de gedaante van eenen hond of van een kalf, wisten wij sedert langen tijd, maar thans ontdekken wij, dat dezelve zich in het Oldambt dikwijls aan het bijgelovige volk vertoont in eene andere gestalte, aan welke men den naam van hommelstommel geeft. Dit verschijnsel is van boven als een paard en van onderen als een mensch. Tevens bespeuren wij nu eerst, dat in het Gooregt en in Drenthe de heksen dikwijls en zeer algemeen in de gedaante van hazen verschijnen. De verhalen welke nopens deze omwandeling en veelvuldige verschijningen onder het volk in omloop zijn, zijn zo buitensporig en beuzelachtig, dat het waarlijk zeer gunstig op de lachspieren werkt, wanneer men dezelve hoort vertellen.”

Bron: W. in Antiquiteiten (1823) pag. 140, 141.

Commentaar: Behalve de hond, komen me al deze verschijningen onbekend voor. Wat mij betreft lijkt het er dan ook op, dat de schrijver (Nicolaas Westendorp) zijn eigen ‘buitensporige beuzelachtigheden’ projecteerde op het volk. Als ik het wel heb speelde zijn klassieke achtergrond hem hierbij parten – zo is de hommelstommel het omgekeerde van een centaur.

Het vervolg.


Naar Groningen ging je meest met Groningers

vd Venne - Dordtse beurtvaarder BrM

“Het veer op Groningen is omtrend het begin der voorige eeuw opgerecht, en meer dan honderd jaaren lang alleen door Groninger schippers bevaaren , die ruim veertig sterk waren, totdat de regeering van Amsteldam in ’t jaar 1716 besloot ook van haare zyde vier veerschippers aan te stellen, welken tegenwoordig tot op drie verminderd zyn. De Groninger beurtman vertrekt alle donderdagen en zondagen met het opengaan der boom.”

Aldus Amsteldam en zyne geschiedenissen, in’t kort dl. IV (Amsterdam 1790) pag, 135.

Commentaar: In de Gouden Eeuw lag het gepriviligeerde vaste lijndienstvervoer over water tussen Amsterdam en Groningers uitsluitend in handen van Groninger schippers. Hun collegae uit Amsterdam wisten blijkbaar wel winstgevender bestemmingen, die hoefden niet zo nodig vast en onder allerlei condities op Groningen te varen. Pas toen het een tijdlang economisch slechter ging met Amsterdam, maakten Amsterdammer schippers gading naar een deel van de Groninger koek, maar zelfs toen bestond er geen wederkerigheid. De Groninger beurtvaarders bleven dominant op deze route. Naar Groningen ging je meest met Groningers.

NB: Het plaatje is van een Dordtse beurtvaarder en komt uit het schetsboek van Adriaen van de Venne dat in het British Museum berust. Van Groninger beurtvaarders zijn er bij mijn weten geen plaatjes, maar hun schepen zullen er niet veel anders hebben uitgezien. (Ja, de vlag was natuurlijk anders.)


Hoe een tjalk uit Leek bij Vlieland aan de grond liep en de schippersvrouw gered werd

Op den 31sten October 1797 raakte het tjalkschip De vyf Gebroeders, gevoerd by schipper Jan Hendriks, woonachtig te Leeg (= Leek HP) by Groningen, door tegenwind, zwaare storm en zeer holle zee, tusschen, Vlieland en Ter Schelling aan den grond, bleef vastzitten, en wierd verbryseld. Aan boord bevonden zich behalven de stuurman, een matroos en twee passagiers, ook des schippers huisvrouw Santje (= Jantje? HP) Claassen en deszelfs zusters dochtertje. Het schip, dat ten drie uuren in den namiddag vast geraakte, was reeds ten vier uuren, door de hooge en zwaare branding en de eene storting op de andere die zy over hetzelve kreegen, tot aan het dek vol water. De schipper, zyne vrouw en het gemelde meisje trachtende te redden, haalde dezelven uit het vooronder, daar zy reeds half onder water zaten, en bragt ze beiden naar boven.

Om half vyf vermiste men het dochtertje, en een half uur later lagen de schipper en zyne vrouw beiden als levenloos op het dek. Zy wierden daar door den stuurman met een stuk zwaar zyl overdekt en vastgemaakt, ten einde door de hooge zee en geweldige stortingen niet over boord geslagen te worden. Het was niet mogelyk den boot uittezetten. De ziedende golven intusschen, het schip meer en meer bedekkende, jaagden het overige volk naar het wand der masten, alwaar zy tot ’s avonds ten tien uuren zaten, wanneer de ebbe ten einde liep, en wind en zee een weinig begonnen te bedaaren.

Zy zetten toen de boot uit, werkten het schynbaar zielloos ligchaam der vrouw er in, verlieten hunnen dooden schipper, schip en goed, en kwamen, niet zonder het grootst gevaar ’s nagts ten eif uuren aan Vlieland. Zy sleepten het nu voor dood gehouden ligchaam der vrouw op strand, en verre genoeg van zee, dat het door de opkomende vloed niet konde weggespoeld worden. Zy spoedden vervolgens naar het dorp, een half uur van daar, om hulp te zoeken en eenen wagen te bekomen. Ten een uuren ’s nagts eindelyk, kwamen zy weder terug, leiden het vermeend lyk op hunnen wagen en voerden het naar het dorp, in de herberg de Morgenwekker.

De chirurgyn Joh. Hend. Kupperts, alreede daar zynde, vond het ligchaam yskoud, doodverwig wit van aangezigt, blaauw van lippen, met beklemden onderkaak, verwyde oogappels, half geslooten oogen, slap hangende leedemaaten, en zonder de geringste tekens van leven. Hetzelve ontkleed en in eenen zekeren afstand van een matig vuur, op eene dubbele wolle deken gelegd hebbende, plaatste hy onder de oxels gewarmde doeken, deed de voetzooien schuijeren met een styven borstel, het ligchaam vryven met brandewyn en zout, den Sp. Sal. Amm. onder den neus houden, den buik zagt drukken en ginds en weder beweegen.

Hier meede omtrent drie uuren lang aangehouden hebbende, deed er zig eenige hoope op tot redding. Eene geringe beweeging der beenen en eene diepe inademing wierden na eenen geruimen tyd gevolgd door meer gunstige tekens. Men deed nu van tyd tot tyd wat Hoffmans droppen en andere geestryke vogten in zeer geringe hoeveelheid tusschen de tanden door in den mond loopen. Vervolgens gaf men haar een braakmiddel, en eindelyk hoorde men des uchtends ten half vyf uuren den drenkeling eenig zagt brommend geluid, en een half uur later eenige verstaanbare woorden voordbrengen.

Het opgewekt leven met den tyd werkzamer wordende, begon zy circa 6 uuren des morgens zeer te schreijen en te roepen “myn man! myn man!” terwyl zy met verwilderde oogen de omstanders aanzag. Haar redder deed haar kort daarna in een gewarmd bed leggen. Eene zagte sluimering beving haar, uit welke zy des morgens om negen uuren by haare volkomen kennisse ontwaakte, haare meede schepelingen kende, en met eene zwakke en droevige stemme naar haaren man vraagde. Van het geen zederd zes uuren des voorigen avonds gebeurd was, wist zy niets.

Van nu aan herstelde zy, dog zeer langsaam, en was niet dan met het einde van november in staat na haar verblyf te Leeg in Groningerland te vertrekken.

De chirurgyn Johan Hendrik Kuppersz, ontving voor deeze redding de goude medaille.

Bron: Historie en gedenkschriften van de Maatschappy tot redding van drenkelingen, XIIIe stukje (Amsterdam 1800) 214-218.


Paasbeste sigaar

Paasbeste sigaar Senator NvhN 19 april 1957

Intussen is die sigaar op een onmogelijke manier in die rokersmond gehangen, of niet?

Bron:  Nieuwsblad van het Noorden 19 april 1957


Een vruchtbaar stel bij Leegkerk

“In het Westerkwartier, digte by Leegkerk, is in augustus van ’t voorleden jaar een vrouw gestorven van 85 jaren oud, zynde genaamd Sieben Jans, en wed. van Reinder Dirks, welke lieden uit hunnen echt gehad hebben 15 kinderen, 65 kindskinderen en 23 agter-kindskinderen; dus te zamen een getal van 103 personen uitmakende.”

Bron: Nieuwe Nederlandsche jaarboeken, of Vervolg der merkwaardigste geschiedenissen die voorgevallen zyn in de Vereenigde Provinciën […], deel  XX-1 (Leiden/Amsterdam 1785), 16-17.


Sichterman in de bakkerstrog was mystificatie?

Ik hoop niet dat ik jullie teleurstel, maar dat verhaal van gister over Sichterman in de bakkerstrog zou best eens een verzinsel  kunnen zijn.

Ten eerste komt het motief van de verliefde rijkaard  die zich moet verstoppen voor de quasi boze echtgenoot me nogal bekend voor. Ik vermoed dat het zelfs al te vinden is in de Decamerone of anders The Canterbury Tales.

Ten tweede blijken die memoires van Ludeman, waaruit het verhaal afkomstig is, helemaal niet door Ludeman zelf geschreven, maar door de jurist, mystificateur en oplichter Franciscus Lievens Kersteman.

Volgens zijn eigen memoires (uit 1792) had Kersteman de Bengaalse Sichterman inderdaad ontmoet ten tijde van de Roeters-affaire (1759), toen er in Amsterdam wegens achterstallige lijfrenten beslag gelegd was op Groningse eigendommen. Kersteman noemt de oud-VOC-Directeur  “de alomberuchten vrouwenbeminnaar” en vertelt dat Sichterman indertijd verblijf hield in Wildervank:

“alwaar hij op zijn prachtig buitengoed een vorstlijke stoet onderhield, en dagelijks voor allerhande vreemdelingen, die hem aldaar kwamen bezoeken, behalven vrij logement, toegang tot zijn tafel gaf.”

Sichterman zou Kersteman hebben overgehaald om een paar dagen op dat buitengoed te komen logeren, zodat ze Sichtermans Amsterdamse zaken goed door konden spreken. Kersteman merkt op dat hij dat niet kon weigeren aan

“zulk een vette kalant, die mij binnen korten tijd meer dan een half duizend guldens salaris in den zak joeg“.

Dat van die vette klant legde Kersteman ook in de mond van Ludeman, waar die Sichterman typeerde. Naar eigen zeggen verbleef  Kersteman tien dagen “in dat aangenaam buitenleven” te Wildervank. Na afloop van deze fijne werkvakantie zou Sichterman hem persoonlijk naar Groningen hebben gebracht

“…bij welke gelegenheid hij de goedheid had mij zijn kostbaar en overheerelijk gebouw, dat na een klein Koninglijk paleis geleek, en op de ossenmarkt stond, van binnen te doen beschouwen.”

Of dit dan wel waar was? De geciteerde beschrijvingen zijn tamelijk algemeen en geven niets wat niet algemeen bekend was. Bovendien kwam Kersteman net uit de gevangenis in 1759. Voor een tijd dat alles van de recommandaties aan elkaar hing, is het moeilijk voorstelbaar dat iemand als Kersteman werkelijk toegang tot Sichterman had, laat staan dat hij diens financiële belangen kon behartigen.

Maar misschien vergist ik me, en is er contact geweest.


Een lynx te Versailles

De lynx van Buffon

De lynx van Buffon

“VERSAILLES den 26 Juli. De Vicomte de Carbonnières had gisteren de eer van aen den Koning , de Koninginne en de geheele Koninglyke Famiellie te vertoonen en aan Zyne Majesteit te vereeren een Linx. Dit zeldzaam Dier, welk geslagt men reeds geloofde dat in Europa verlooren was, is gevonden in het Pyreneesche Gebergte, volgende deszelfs moeder, welke door een Boer met een snaphaanschoot gedood werd. Het was niet meer dan 8 of 10 dagen oud toen het in handen van den Jager viel, welke het omtrent 8 Maanden geleeden verkogt aan den Grave de Carbonniers. Dit Dier is volkomen gelyk aan de beschryvlnge, die de Graaf de Buffon daar van in zyne Natuurlyke Historie gegeeven heeft. De Koning heeft bevel gegeeven om het in de Menagerie te brengen.”

Bron: Groninger Courant 5 augustus 1777.