Een doodslager van Gasselternijveen

In de zomer van 1738 wordt op de Friese kust het stoffelijk overschot van een schipper uit Gasselternijveen gevonden. Zijn hals is afgesneden en hij heeft zware wonden aan zijn hoofd. Na onderzoek valt de verdenking op zijn eveneens uit Gasselternijveen afkomstige knecht. Omdat die knecht, een grote, blonde, maar verlegen vent, niet op het gebruikelijke tijdstip in het najaar thuiskomt en ook verder onvindbaar blijft, zet de Etstoel, de hoogste Drentse rechtbank, begin 1739 een advertentie met zijn signalement in de Amsterdamse Courant. De doodslager krijgt een prijs op zijn hoofd:

Also het doode lichaem van Klaes Alberts , Schipper van Nieuw Gasselter Veen, gelegen in het Landschap van Drenthe 6 uuren van de stad Groningen, in den voorleden somer 1738 gevonden is aen de Friesche kusten, zynde deszelfs strot afgesneden, en aen zyn hoofd bevonden meer als één dodelyke wonde , ook uyt d’informatien en andere omstandigheden gebleken is, dat hy Klaes Alberts vermoord is geweest door zyn knegt, genaemt Klaes Eyberts, die toen ter tyd by hem voor knegt heeft gevaren, meede van Nieuw Gasselter Veen geboortig , oud omtrent 25 jaren , kloek , lang en sterk van Postuur, hebbende geelachtig hair, bleek van aengezigt, doorgaens voor hem neer ziende, aen het voorhoofd eenigzints verbrand, het welke hy veeltyds met de hoed of muts bedekt, kort van hals en styl in de schouders, hebbende ongemeene lange en swaere beenen en voete. En vermits de Justitie zonderling aen gelegen is, dat gemelte doodslager gerake in handen van de Justitie, en wegens zyne gruwelyke moord na regte werde gestraft, so heeft het Hoog Ed. Geregte van welgem. Landschap van Drenthe een praemie van een honderd daelders belooft aen die geene welke den voorn. Klaes Eyberts zal weeten aen te wyzen dat in handen van Justitie gerake; zullende des aenbrengers naem (des begeerende) werden gesecreteert.

Bron: Amsterdamse Courant 24 februari 1739.


Groningse dienstbode bestal prinses-regentes

In oktober 1727 komt uit dat Freerkje Pabes, afkomstig uit de buurt van Nienoord in Stad & Lande, niet alleen haar werkgeefster heeft bestolen, maar ook haar collegaatjes. Het gaat om servetten, kleding, een gouden ring van een collega en (waarschijnlijk) divers zilverwerk uit de eetkamer van mevrouw. Freerkje was wel erg dom bezig, want haar werkgeefster is beslist niet zo maar iemand, maar prinses Maaike Meu, die als regentes de stadhouderlijke waardigheden in Friesland, Groningen en Drenthe waarneemt voor haar zestienjarige zoon Willem IV. De prinses resideert afwisselend in Leeuwarden, Groningen en Soestdijk, en bezit bij die laatste residentie ook de ambachtsheerlijkheid Baarn. Uit de gevangenis van die jurisdictie weet Freerkje, die zowel in Leeuwarden als in Soestdijk toesloeg, te ontsnappen.  Prompt zet de prinses een prijs op haar hoofd van 100 gulden, zo’n tweederde jaarloon voor heel veel mensen. In de Amsterdamse Courant laat de prinses deze bekendmaking zetten met het signalement van Freerkje en een omschrijving van het vermiste zilverwerk:

Also eene Freerkjen Pabes, geboortig uyt de Provintie van Groningen, omtrent de Heerlykheyd van Nieuwen Oort, oud omtrent 24 jaren, lang van postuur, blaeuwe oogen bruyne wynbrauwen, bruyn hair, lang en volslagen van tronie, een lange neus, gekleed op zyn Vries-boers, te weten, krage mouwe met drie plootjes op de armen, een Iarsje met een roode onderrok, coleurde koussen, een zilver ooryzer, met een so genaemt Duyts kant mutse op ’t hooft en een blauwe wolle schorteldoek, zig niet ontzien heeft, niet alleen van haer Hooght. Mevr. de Furstinne Douarière van Oranje en Nassau, Servetten, maer ook van verscheyde van hare Cameraden, so tot Leeuwaerden als op Soesdyk, volgens eygene bekentenisse, verscheyde kledingen te steelen, als ook een gouden Ring, en verscheyde andere effecten, en dat deezen Freerkjen Pabes, door ’t Geregt van Baaren in hegtenisse genomen zyndt, zig met de vlugt daer uyt heeft weten te salveren op den 22 October 1727 en dat er op verscheyde tyden aen ’t Hof van hoogstged. haer Hooght., so tot Leeuwaerden als op Soesdyk, zederd eenige maenden herwaerds is weggeraekt het volgende Zilverwerk, tot Leeuwaerden, den 3 July 1727 ’s avonds, een Tafelbord weegt 37 loot, den 13 dito ’s avonds, twee Saladieren weegt het stuk 32 loot, op Soesdyk, den 10 october ’s middags, een Saladiere à 23 en 1 quart loot, den 11 dito ’s avonds, een Tafelbord à 37 loot, den 19 dito ’s middags, een kleyne Schotel a 48 loot, alles getekent met het wapen van Orange en Nassau van boven , en van onder staet het merk van den Zilversmit met de letters J. E. M. en een Leeuw met een Oyevaer, en nog op de schote! van agter getekent 11 en 1 quart duym, ’t welk zy Freerkjen Pabes na alle aparentie ook zal hebben ontvreemt; so werd by dezen, aen den geenen die haer weet aen te brengen dat ze in handen van de Justitie, ’t zy waer ’t wil, geraekt, belooft een premie van 100 Caroli gulden, en des begerende zal zyn of haer naem gesecreteert werden; en so iemand eenig van ‘t gestolen Zilver weet aen te brengen, so zal hy ook na proportie van de waerde beloont werden.

Bron: Amsterdamse Courant 4 november 1727.


Kidnap uit het Zwijneparadijs

Er was eens een Gronings jongetje, dat mee moest met ‘Boze Griet’. Dankzij de Courant kwam Jacob uiteindelijk uit Breda terug, maar niet heelhuids. Hij maakte een akelig sprook­je mee. 1)

“Het word bekent gemaakt”, meldt een advertentie in de Groninger Courant van 1 augustus 1749, “dat er een kind word vermist”. Het gaat om de vijf jaar oude Jacob Abrahams, die dan al ruim een maand spoorloos is. Zoals gebruikelijk geeft de advertentie ook een signalement van de vermiste: “aan hebbende een bloemt rokkje en een bloemd buisje, een zwart fluwele bonnètje op het hoofd, hebbende geel krul hair”.

Over de toedracht van de vermissing zegt de advertentie dat de kleine blonde krullebol uit de stad meege­nomen is door ene Maria, “een oude vrouw”, “die aan heeft een bruyne borst-rok, hebbende een doek om den mond”. Lezers die deze gesluier­de vrouw en de jongen gezien hadden, kregen het ver­zoek dat te melden bij couran­tier Sipkes.

De advertentie was bij de Courant opgegeven door de grootvader van de jongen, omdat die het verdriet van de moeder, zijn schoon­dochter Frouke, weduwe van de soldaat Abraham Jacobs, niet langer kon aanzien. Samen met haar vermiste zoontje woonde deze Frouke Abrahams in bij een oudere weduwe, onmid­dellijk buiten de Kranepoort aan de stadsgracht. Vanwege de morsigheid heette die plek – nu het uiteind van de Melk­weg – ook wel “’t Swijne­pa­ra­dijs”. 2)

Sowieso leefde een solda­ten­weduwe al in bekrompen omstandigheden en toen haar zoontje Jacob eind juni een zweer aan de hals had, ging Frouke er dan ook niet mee naar een dure chirurgijn, maar naar een vrouw die sinds kort in her­berg De Toren van Babel aan de Laan logeerde en daar Neu­ren­berger zalf verkocht. Deze kwakzalfster nu, was de Maria waarover de adver­tentie in de Groninger Courant spreekt. Maria had Frouke binnen de kortste keren ingepalmd. Ze woonde eigen­lijk in Oldehove, vertelde ze Frou­ke, en had daar net zo’n “jonkje” verloren als de kleine blonde Jacob. De kleer­tjes van dat overleden jochie bewaarde ze nog in huis, die zouden Jacob vast wel staan. Ze was net van plan om weer even naar Olde­hove te reizen, dan kon Jacob mooi mee om die kleren te passen. Met acht dagen kreeg Frouke hem terug, be­loofde ze. En Frouke stemde toe.

Dat zou vrouw Abrahams berouwen, want Maria hield zich niet aan de afspraak. Toen haar zoontje na die acht dagen nog steeds niet terug was, ging een zeer ongeruste Frouke zelf naar Oldehove om hem te halen. Maar in Oldehove bleek niemand Maria te kennen. Wel hoorde Frouke nader­hand in de stad dat “dat vrouw­mensch” en Jacob in Drenthe gezien waren. Ook Dren­the had ze daarom afgezocht. Tevergeefs, ze bleven onvindbaar. En omdat Frouke erg “ver­legen” was om haar kind, en er “zeer om kreet”, be­sloot haar schoon­vader om die adver­tentie in de courant te zetten. Dat kostte hem een lieve duit, maar die krant kwam wèl op veel meer plaat­sen in den lande, dan Frouke bereizen kon.

Zo bereikte de Groninger Courant ook Breda. En al leverde de adver­tentie ook daar dan geen onmiddellijk resultaat op, haar inhoud bleef er wel hangen. Dat bleek maar liefst acht maanden na de ver­missing van Jacob Abrahams, in maart 1750, op een steenkou­de avond in herberg de Prince Tafel op het Bredase Nonne­veld.

Het was vlak voor Vastenavond. In de jachtweide van de Prince Tafel tracteerde de waard, Johannes Meel, zijn buurman­nen omdat zij dragers waren geweest bij de begrafe­nis van zijn schoonmoeder. Om half elf ging Meel naar boven, waar een vrouw, en naar hij van haar aangenomen had haar zoon­tje, samen al een paar dagen op een kamertje bivakkeer­den. Op de trap voor de bewuste kamer vond de waard het jochie “in zijn naakte hemt” en ver­stijfd van de kou. De hele avond al was het ventje buiten­gesloten geweest.

Meel haalde zijn echt­genote Mar­tijn­tie erbij en op haar aandringen bracht hij het ver­kleumde kind naar bene­den, waar hij een nieuw vuur aan­legde om het op te warmen. Bij dat vuur verzorg­de Martijntie Meel enige wonden van de jon­gen, die sterk mishan­deld was. Ook maakte de waardin een doek los, die de arm van de jongen stijf op zijn lijf bond. En anders dan Martijntie verwachtte, bleek er met die arm eigenlijk helemaal niets mis.

Terwijl Martijntie hem verzorgde, deed het blonde ventje zijn relaas. Hij zei dat het helemaal zijn moeder niet was, die daar op die kamer sliep. Die “mooi” (moei, opoe) had hem meegeno­men. Ze waren samen in Maas­tricht en Bergen op Zoom ge­weest en onder­weg had ze hem al menigmaal “deer­lijk” geslagen. Ster­ker nog, ze bond zijn arm steeds weer strak aan zijn lijf vast om die “lam te doen worden”.

Het nog veel ernstiger letsel aan zijn neusje ver­klaarde het jochie met de gruwelhistorie, dat de vrouw hem daar met een schaar het  “middelk­bot” uitgeknepen had. Met ’t neustussen­schot was een stuk van zijn verhemelte meegekomen. Tegen de mensen zei “de mooi” steeds dat hij aan kanker in zijn neus leed en zwaar verlamd was, dit om hun medelij­den op te wekken. En “zo was zij met hem gegaan overal te bede­len”.

Toen Martijntie Meel, de waardin van de Prince Tafel, dit bizarre verhaal ’s ochtends vroeg aan haar buren vertelde, wist één van hen weer, dat er precies zo’n kereltje in de krant had gestaan en dat het van de echte moeder gesto­len was. Martijntie werd zo hellig, dat ze haar kostgangster stante pede de deur uitsloeg. Daar had de waardin beter even over na kunnen den­ken, want buiten de deur kreeg de uitgestoten vrouw van iemand uit de volksoploop te horen, dat er al een “dien­der” voor haar onder­weg was. IJlings nam ze de benen. Ongezien ver­liet ze Breda.

De waard en waardin van de Prince Tafel kwamen er al gauw achter dat de adverten­tie in de Groninger Courant had gestaan, en schre­ven een brief naar de courantendrukkerij in het verre Gronin­gen. Vanaf de Grote Markt seinde couran­tier Sipkes de moeder van het jochie in. Frouke Abra­hams bleek intus­sen ver­huisd naar de Lelie­straat, waar ze bij haar zuster en zwager woonde. Die zwager kreeg van de diaconie wat reis­geld los, waar­mee Frouke dadelijk naar Breda kon gaan om haar zoontje op te halen.

Het werd een weerzien, “dat de moeder en het kind beyde zeer ont­stel­de”. Temeer daar Frouke natuurlijk meteen zag, hoe verminkt het aangezicht van haar kind was. Tegen haar weldoe­ners in de Prince Tafel, en ook tegen de Bredase aankla­ger verzweeg Frouke dus maar, dat ze haar kind eerst om wat kleren meege­geven had. De ontvoer­ster, vertel­de ze, had haar Jacob met een “stuijver koek­je” meege­trog­geld vanuit school.

Het Bredase gerecht deed wel moeite om de ontvoerster te vinden, maar alle naspeuringen bleken tevergeefs. Als de vrouw dus niet zo dom was geweest om zich opnieuw in Breda te verto­nen, waar ze nota bene met hetzelfde voorwendsel opnieuw een jochie ontvoerde, dan zou ze nooit gepakt zijn. Haar recidive in uitge­rekend die stad was Gode verzoe­ken. Het duurde dit keer dan ook niet lang, of ze liep tegen de lamp.

Dat gebeurde anderhalf, twee jaar nadat de Frouke Abrahams haar geschonden zoontje weerzag. Op zaterdagavond 13 november 1751 nam de ont­voer­ster haar intrek in een andere Bredase herberg, die van Jan Bos aan de Oosterpoort. Daar logeerde ook een jonge­tje waar de waardin op paste omdat zijn moeder even naar Middel­burg was. Tegen de waardin zei de nieuwe gaste dat ze dat jongetje wel kende, “en terwijl het zoo naekt en slegt in de kleeren was, zy ’t selve andere kleeren zoude besorgen”. Een wijnkoop­man uit de Nieuwstraat had haar kinderkleren be­loofd, ze moest er binnenkort heen, dan kon die jongen mooi mee om die kleren te passen. En ’s maan­dag­ochtends kreeg de vrouw de herber­gier­ster inder­daad zover, dat ze haar oppas­kind voor dat doel meegaf.

Bij de wijnkoper werden de vrouw en de jongen die dag niet gezien. Wel bij ver­schil­lende andere huizen in Breda, onder meer dat van een gerefor­meerde diaken. Aan de deur van deze armvoorstander vertel­de de vrouw dat ze gereformeerd lidmaat was en een lamme arm had. Thuis zat ze met vijf gebrekkige kinde­ren, zei ze. Het jonge­tje dat ze aanwees was er één van, die kon dus niet praten en was stom. Omdat ze met haar eigen handicap en al die ongelukkige kinde­ren zelf onmogelijk de kost kon verdie­nen, vroeg ze de diaken om een aalmoes uit de diaconie­kas. De diaken geloofde haar verhaal en gaf haar twaalf stuivers, het equiva­lent van een be­schei­den dag­loon.

Van tevoren had de vrouw het jongetje toegebeten, “dat sig moeste houden als stom”. Gezien het succes van de bedeltocht bracht ze hem niet terug naar de herberg aan de Oos­terpoort. De rijke­lijk gegeven munt die ze die dag uit het mede­lijden sloeg, spendeerde ze ’s avonds in de Pas­baan, een derde Bre­daas loge­ment, waar ze “zeer hard kreedt en lamme­teerde” over haar gebrekkige kroost, en enige soldaten op bier trac­teerde, voordat ze “beschon­ken en zat” haar bed opzocht.

De volgende dag, dinsdag 16 november, ging ze met het jongetje langs de aalmoezenier van Breda. Hem deed ze ongeveer hetzelfde verhaal als de diaken en kreeg daar zes stuivers mee los. Ook bij een pastoor kwam ze aan de deur. Toen de prelaat weigerde iets te geven, gaf ze hem “quaadt bescheijt” en dreigde haar kinderen voor zijn deur achter te laten. Dit èn het feit dat ze andermaal bij de diaken was komen zeuren om een offi­cieel bedelbrief­je, deed haar de das om. Dezelfde avond nog kon ze haar zonden overdenken in de Bredase Gevangen­toren.

Bij de eerste twee verhoren voor de Schepenbank onder voorzit­terschap van mr. Rombert Melchior Damisse, plaats­ver­vangend Drost der Stad en Baronie van Breda, gaf ze haar meest recente delicten in grote lijnen toe. Die feiten waren ook te vers om te ont­ken­nen. Interes­sant zijn deze verhoren vooral door de biografische gegevens van de vrouw. Voluit heette ze Anna Maria Stu­arts, weduwe Jan van den Berg, en net als haar Groningse slacht­offer Frouke Abra­hams was ze met een soldaat getrouwd geweest. Ze werd 48 jaar eerder gebo­ren in Venlo, waar wijlen haar vader Jan Stuarts, die bij het regi­ment Stuart opklom van soldaat tot sergeant, in garni­zoen lag. In een andere Zuid-Nederlandse ves­tingstad met een Neder­land­se bezet­ting, Iepe­r, groeide ze op, kenne­lijk zonder veel onderwijs, want ze tekende haar verhoren steeds met een kruis­je. In Ieper trouwde ze met die sol­daat Johann van den Berg. Toen haar man daar in het mili­taire hospitaal over­leed, ver­trok ze naar Antwer­pen, waar ze bij het Cas­teel­plein een huis­je kon huren. Ze voorzag er in haar levens­onder­houd met het venten van groente. Maar dat bracht blijk­baar te weinig op, want ze reisde ook wel naar de Noorde­lij­ke Neder­landen om er te gaan bedelen. Zo bezocht ze in de eerste weken van november Rotter­dam en Dordrecht, van­waar ze op zaterdag de dertiende in Breda gear­riveerd was.

Gelijk al bij ’t allereerste verhoor werd Anna Maria Stuarts gecon­fronteerd met Martijn­tie Meel, de waardin van de Prince Tafel, die bevestigde dat het Stuarts was, die om­trent Vasten­avond 1750 met een jongetje in haar herberg logeerde. Stuarts gaf toe dat ze twee maal in Breda verbleef, de eerste keer in de Prince Tafel. Inderdaad had ze destijds een jongetje bij zich van een jaar of vijf, zes, Jacob genaamd. De moeder had het haar meegegeven “om een week off drie dae mede te gaan bede­len”. Dat jongetje had ze niet mishan­deld, zei ze, maar ze had er ook niet goed opgepast. Moeder en kind kende ze van Gronin­gen, waar ze negen dagen in De Toren van Babel verblijf hield om Neurenberger zalf te verkopen.

Omdat mr. Damisse, de Bredase aanklager, zonder Groninger hulp niet veel verder kwam met de bewijsvoering inzake de ontvoe­ring, mishandelingen en verminking van Jacob Abrahams, stuurde hij een brief naar zijn Groninger ambtgenoot waarin hij de zaak uitge­breid uit de doeken deed. Dat Anna Maria Stuarts de zeer belastende verklaring van Martijntie Meel tegensprak, zat hem duidelijk hoog. Hij ver­zocht zijn collega in het hoge noorden dan ook om Frouke Abra­hams “te onderhouden of haar kind Jacob niet tegens haar wil haar ontsto­len is, en met wat gebre­ken zij ’t zelve hier wederom van Breda heeft afgehaalt”. Van haar “gebuuren” ont­ving Damisse even­eens graag verkla­ringen onder ede. Boven­dien vroeg hij zijn Gronin­ger confrère om een exem­plaar van de Groninger Courant, waarin Jacob Abra­hams’ sig­nalement had ge­staan. Om alle vergis­singen uit te sluiten gaf Damisse zelf een beschrijving van Anna Maria Stuarts: “Dit vrouws­persoon is lang en rede­lijk gezet van postuir, draagt een doek om ’t hooft en bedekt daar mede verscheyde sneden of quetsuur­en in haar tronie, twijfele niet oft zal aan de moeder van dit kint wel bekent zijn.”

Die moeder, Frouke Abrahams, bleek inmiddels echter naar Amsterdam verhuisd, waar ze volgens een gerucht als min de kost verdien­de. Een nader adres konden haar zwager, schoonzus en een buurvrouw in de Lelie­straat niet geven, “als hebbende met haar gene verke­ring” meer. Kennelijk liet Frouke na haar vertrek niets meer van zich horen, misschien was ze door een onechte zwangerschap met haar familie gebrouilleerd geraakt. Maar de zwager, schoonzus en buur­vrouw legden wel verklaringen af, waaruit zonneklaar bleek dat Frouke haar “jonkje” Jacob had meegege­ven om het kleren aan te passen, en dat Anna Maria Stuarts het kind vervolgens ont­voerde. Ook de verminking van Jacob was deze Groninger getui­gen allerminst ontgaan. Na zijn thuiskomst had het jonge­tje zijn ontvoerster zelfs “Boze Griet” genoemd, alsof hij gefigu­reerd had in een akelig sprookje.

Begin december ontving mr. Damisse de stukken uit Groningen. Omdat die hem zo wel voldoende houvast boden, liet hij geen naspeuringen meer verrichten naar Frouke Abrahams in Amster­dam. Dadelijk confronteerde hij Anna Maria Stuarts met het ontvangen bewijsmate­riaal. Ze ontkende dat ze Jacob Abrahams met wat lekkers van school had meegelokt, en zei nu dat ze het kind voor veertien dagen had meekregen, zij het niet om te bedelen, nee.

Dat ze Jacob na die termijn niet terugbracht, kwam doordat “zy te ver van huis was en om dat zy dogt daer nog mede een stuyver­tie kon verdienen”. In de acht maanden dat ze Jacob bij zich hield, bedelde ze met hem in respectie­ve­lijk Drenthe, Twen­the, Maas­tricht, Antwer­pen, Rotterdam, Middel­burg, Bergen op Zoom en Breda. De jongen had dus heel wat van het land gezien; in het oosten en zuiden denkelijk vooral vesting­plaat­sen, die Stuarts, afkom­stig uit een solda­ten­mi­lieu, moet hebben gekend van garni­zoens­wisselin­gen of verha­len.

In al die tijd, beweerde Stuarts, had ze twee maal een brief naar de moeder laten schrijven, te weten uit ‘Harme­lo’ en Bergen op Zoom. Maar daar had ze nooit ant­woord op gekre­gen. Het kind zou heus wel weer bij zijn moeder terug zijn gekomen, bezwoer ze, daar “zy van intentie was, het kint selvers na huis te bren­gen, omdat zy niet van gedagte was het langer by haar te houden”.

Stuarts bekende dat ze het kind dikwijls sloeg, maar dan wel “opt gat met een roeij en op de rug”, wat blijk­baar minder erg was. De zogenaamde lamme hand van Jacob ge­bruikte ze inderdaad met het doel “om daer door meer te krij­gen”. Dat hij zijn neus­tussenschot kwijtraakte was helemaal geen opzet geweest: “Dat zy eerst het kint een slag voor de neus heeft gegeven dat het bloeyde, en doe na het neussie heeft gekeken, en met de vin­gers aen het middel­schot gevoelt, dat het aen de vingers bleeff hangen, maer dat zulx by onge­luck is geschiet”.

Damisse verhoorde ook nog alle Bredase getuigen in beide ontvoeringszaken en vond het toen tijd om korte metten te maken met Anna Maria Stuarts. In zijn strafpleit voor de Schepenbank achtte hij haar “verregaande mishandelin­gen” van Jacob Abrahams voldoende bewezen, en ook haar “falsite­ijten en mis­bruijken der publique aalmoesen en fonsen, die alleen voor waare arme en gebrekkelijke luijden zijn gefun­deert”. De manier waarop ze beide jongens meekreeg, noemde hij “haare sinis­tre practij­ke”. Het ontvoeren of stelen van min­der­jarige kinderen mocht, wist hij, met de dood worden bestraft. Exodus 21:16, Deute­rono­mium 24:7, Keizer Karels Blijde Inkom­ste (1549) en de latere Costumen van Bra­bant waren daar duide­lijk over. Daarom eiste Damisse de dood­straf tegen Anna Maria Stuarts, te voltrekken met het koord aan de wurg­paal, waarna haar lijk op een rad tentoon zou worden gesteld, tot het door weer en wind was vergaan.

Helaas voor Damisse volgde de Schepenbank hem niet in die eis. De Schepenbank achtte op 14 december 1751 de kinder­ontvoe­ringen, mishandelin­gen en “God tergende falsiteiten” weliswaar bewezen, maar streek toch de hand over het hart, waarschijnlijk omdat Anna Maria Stuarts nooit eerder gestraft was geweest. Ze werd dus alleen maar streng gege­seld en gebrand­merkt, bij welke lijfstraffen ze een strop om haar hals droeg. Vervol­gens ging ze voor twaalf jaar het tuchthuis in, om er met eigenhan­dige arbeid haar kost te verdienen. Als ze daar nog levend uit kwam, dan bleef ze levenslang uit de Stad en de Baronie van Breda gebannen, en kwam ze onverhoopt toch nog terug, dan dreigde alsnog de wurgpaal. 3)

 —

NOTEN

1) Dit verhaal  verscheen eerder  in Stad en Lande, Cultuur-historisch tijdschrift voor Groningen, jaargang 2004 nr. 3. Het is grotendeels gebaseerd op twee procesbundels: a) Groninger Archieven, Rechterlijke Archieven III (Stad) ll (Aanklachten en ingewonnen informatiën) 1751/90, met brief dd 21/11/1751 van mr. R.M. Damisse uit Breda en de daarna opgenomen verklaringen van Izak Smit, Jurjen Brants wed., Trintje van Agten, en Johanna Engberts. b) Stadsarchief Breda, Archief Schepenbank, procesbundel R. 147 – 8.

2) Het Zwijneparadijs buiten de Groninger Kranepoort bestond later uit twee koemelkerijtjes onder één kap. Zie de Gronin­ger Courant van 24/10/1826 en vervolgens het kadaster. De huidi­ge lokatie is het uiteind van de Melkweg, nabij de Hofstede de Grootkade. Op de eerste kaart van Haubois (1634) is hier nog geen pand aanwezig. Op de zogenaamde Kleine Hau­bois echter (1652) staat er een kleine boerde­rij. Als huisplaats dateerde dit Zwijneparadijs dus uit de tussenliggende periode. Overigens waren er nog twee Zwijneparadijzen binnen de wallen van de stad Groningen. De eerste bevond zich bij Achter de Muur, een lange achterafstraat. De tweede lag aan het Zuiderdiep.

3) Schepenbank Breda, Archief I – 1b R 116, Register Crimine­le Vonni­sen Stadt en Lande van Breda 1750 – 1775 ; fo. 10 senten­tie dd 14/12/1751.


Groningen kende in 17e eeuw al aardbevingen

1640:

1692:

Bron: Kronyk van Groningen ende Ommelanden (Groningen 1743) de pagina’s 232 en 268.

Vervolg


Stuutsiekoornwinkel

Stuutsiekoorn Winkel from GAVA on Vimeo.

Van dezelfde maker: stuutsiekoornfebriek


Een blijk van totale intolerantie

De roomschgezinde landlieden, die sederd de tyden der Reformatie geen kerk in de Oldampten of Westwoldingerland gehad hebben, maer allen ter verrichtinge van hunnen godsdienft naer Sapmeer moeten gaen, ten welken einde zommigen hunnег wel zeven of acht uuren moeten reizen aleer zy daer zyn, hadden nu onlangs voorgegeven verlof bekomen te hebben om een kerk te mogen stichten, en ten dien einde een huis by Winschoterzyl, op de kant van het riviertje de Aa, dat het Oldampt en Westwoldingerland van elkanderen scheid, van binnen tot hunnen dienst laten bekwaem maken; het welk zy op den 1. der voorleden grasmaend lieten inwyen.

Doch zulks geschiedende, had zich op het gerucht daervan een menigte protestante landlieden derwaert begeven, en vergaderde in die nieuwe kerk terwyl de preekheer zyn dienst verrichtte, rukten, nadat hy geëindigd had, hem het choorkleed af, scheurden het in stukken, en smeeten dezelven, nadat zy er steenen in gewonden hadden, in het bovengemelde riviertje. Vervolgens smeeten zy de beelden en andere kerkcieraden van boven neder en aen brokken, en wierpen die, nevens de boeken en alles wat zy vinden konden tot de kerk te behooren, by het bovengemelde choorkleed, terwyl de godsdienstoeffenende kerkgangers hunnen yver met een dragt slagen en andere mishandelingen te ondergaen, betalen moesten.

De Procureur-Generael dezer Provintie heeft zich op het gerucht van die feitelykheden naer de bovengemelde kerk begeven, en wegens de omstandigheden zich nauwkeurig geïnformeerd, terwyl men verwagt dat de een en ander daer over eerstdaegs geactioneerd zal worden.

Aldus de Nederlandsche Jaerboeken van 1753 in een bericht (p. 545-546), waarboven als plaatsbepaling Winschoten staat, door de redactie voor onwetende lezers gedefinieerd als “een steedje in het kleene Oldampt, ruim 5 uuren van Groningen”.

Zoveel is duidelijk uit het bericht, dat tolerantie nog ver te zoeken was in Oldambt en Westerwolde, medio 18e eeuw. Terwijl de katholieken in de stad Groningen, Appingedam en Kleinemeer al wel kerken hadden, was dat in het verdere oosten van de provincie nog niet het geval. De katholieken daar, de lange voettochten naar Kleinemeer beu, kregen in 1752 of begin 1753 eindelijk toestemming – althans dat beweerden ze – om zelf een kerk te mogen hebben. Ze richten daartoe een huisje in op de oever van de Westerwoldse Aa, pal op de grens van Oldambt en Westerwolde. Op 1 april 1753 zou deze kerk worden ingewijd, zo wist al gauw iedereen in de wijde omgeving. Op die dag liet zich “een menigte protestante  landlieden” in de nagelnieuwe katholieke kerk vinden. Ze waren nog wel zo netjes om de afloop van de wijdingsmis af te wachten, maar gingen toen over tot iets wat je een religieus volksgericht, een rituele plundering of een beeldenstorm zou kunnen noemen. Ze rukten de priester zijn kazuifel af, rolden er stenen in en smeten dit pakket in de Westerwoldse Aa. De heiligenbeelden en andere opsmuk in de kerk gingen tegen de vloer aan diggels. Mèt de kerkboeken en al het overige losse kerkspul verdwenen de brokstukken eveneens in de Aa. De katholieke aanwezigen werden geslagen en mishandeld. Justitie stelde een onderzoek in, de verwachting was dat de kopstukken van deze reboelie binnenkort  zouden moeten voorkomen om een boete tegen zich te horen eisen.


Epilepticus drinkt bloed onthoofde

Als op 17 juni 1754 de Damster Aaldrik Bruns wegens veediefstallen, heling, bigamie en mishandeling buiten de Groninger Herepoort onthoofd wordt, maakt het Nederlandsche Jaerboek daar uitgebreid melding van (pag. 602 e.v.). Per slot van rekening was het de eerste kapitale executie in opdracht van Hoge Justitiekamer, het nieuwe oppergerechtshof van Stad en Lande. Er kwamen nieuwe procedures aan te pas en daar schonk de Jaerboek-redactie graag aandacht aan. Maar bovendien ging de onthoofding gepaard met een ontstellend incident dat tot grote ophef had geleid, en dat waarschijnlijk niet alleen in Groningen.

Aaldrik Bruns kreeg op die zomerdag zijn doodvonnis door een secretaris van de Hoge Justitiekamer voorgelezen. Hij was bang geweest dat de heren hem, “met meer schande”, op zouden laten hangen, en bedankte ze meermalen voor de “genadige sententie” dat ze hem door het zwaard aan zijn einde lieten komen. De knechten van de scherprechter hielpen hem op de wagen, zodanig dat hij achteruit reed en de knechten vooruit. Naast Bruns zat de predikant van het Tuchthuis. Voor de wagen liepen een detachement soldaten en een afdeling ruiterij, na de wagen volgde weer een detachement voetvolk en helemaal achteraan kwam de wagen van de scherprechter en diens zoon. De stoet stopte bij de gerechtsplaats aan de Hereweg (ter hoogte van het Van Mesdagasiel), waar Bruns de wagen werd afgeholpen, en twee predikanten uit de stad hem “een lange poos” op het sterven voorbereidden…

…waer na hy gebragt werd voor het zandbergje en hem bevolen te knielen. Zoo ras hy nederlag werd hy met een doek geblind, en ’t gebed voor hem gedaen door dnus. Zwyghuizen. Toen de leeraer eenigen tyd gebeden had, betuigde de patiënt aen den scherprechter dat hy dus op zyne knieën niet langer zitten kon, en de doek voor zyn gezicht afgleed. Het gebed werd dan kort afgebroken; de scherprechter nam het zwaerd in handen, en sloeg, na wel gemikt te hebben, den veroordeelden in éénen slag het hoofd van de schouderen.

Normaal zou een dergelijk verslag met de verdere lotgevallen van het stoffelijk overschot eindigen, maar hier deed zich dus dat curieuze voorval voor:

Dicht by den nedergeknielden zag men, tot verwondering van velen, een Jongeling van veertien of vyftien, anderen willen zestien of zeventien jaren oud, in deze stad woonachtig, met een kop of kommetje in de hand, waerin hy, onmiddelyk naer het onthalsde lichaem toeschietende, een goed gedeelte bloeds ving, dat hy schielyk geheel en al opdronk. Toen liep hy, zoo ras en snel als de adem lyden en de beenen zich bewegen konden, henen; met een drift, die hem het afgudsende zweet deed uitbreken.

Bij het publiek heerste ontsteltenis:

Een grote menigte der aenschouweren, onbewust van ’t gene hier mede bedoeld werd, stond niet weinig verzet over deze schynbare ontmenschtheid: maer ook waren er anderen, die ’t raedsel wisten uit te leggen, en verzekerden, gelyk het ook de waerheid is, dat deze daed tot oogmerk had om den jongeling , door het drinken van verschgestort menschenbloed, te ontheffen van de Vallende Ziekte, die hem kwelde, en dat dit hulpmiddel geene gewenschte uitwerking hebben kon, tenzy het ten allerdpoedigsten verzeld ging van eene sterke lichaemsbeweginge.

Over die lichaamsbeweging is het Jaerboek niet zo uitvoerig. Het zegt alleen:

…dat de Jongeling, onderweg weder een aenval van zyne kwale gehad heeft, hoewel met mindere hevigheid.

In het dagboek van ooggetuige David Stheman, een aankomend predikant, staat eveneens een verslag over dit “notabel geval”, dat dankzij een A. Kamping uit Winschoten in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde van zaterdag 6 april 1940 terechtkwam. Stheman, zelf nog niet zo oud, schatte de ‘bloeddorstige’ jongeman veel jonger dan het Jaerboek dat deed en ook rept hij van een medisch aandoende begeleiding van de jongen door mensen die hem schoonmaakten en ijlings met hem de gerichtsplaats verlieten:

Een jonge van meer of min 11 a 12 jaaren, seer heftig en dikwijls geplaagt met de vallende siekte, stont niet verre van den hoop zant (waarvoor de misdadiger op de knien sat) met een steenen kop in de handen, en so dra de delinquent het hooft was afgehouwen, heeft hij het bloed, hetgeen hij in den kop had opgevangen, tot op den bodem uitgesopen; dit gedaan sijnde, sijn twee personen toegetreden, en hem de kin, de mont en de klederen (waar bij langs het bloed, wegens het seer schielik slorpen voorbijgelopen, was neergestort) hebbende afgewist, seer schielijk met hem door een ontelbare schaare van anschouwers sijn heengedrongen, en na 4 uuren agtereen gestadig geloopen te hebben, soo hart als de patient eenigszins konde bijbrengen (opdat het ingeslorpte bloet niet mogte ’t saamronnen, maar verteert, en met sijn bloed en spiritus animales verenigt worden) met hem binnen de stad wedergekeert, en hem terstont hebbende te bed gebragt, tot smoorens toe toegedekt, opdat de patient, alreede door loopen afgemat, nog al meer en meer soude sweeten.

Ook Stheman brengt een en ander in verband met epilepsie. Bij geruchte had hij vernomen wie de begeleiders van de jongen zouden zijn:

Men segt dat dit middel soo en in dier voegen geappliceert, een kragtig remedie is of ter geheele wegneminge van de vallende siekte, of ter inteugelinge van de benautheid en hevige trekkingen en volteringen in de stuipen, dog ik voor mij telle sulke remedie totnogtoe onder de fabels, ook komt mij seer suspect voor ’t gerugte, dat de medicinae professores sulx souden hebben geordonneert, hoewel men tegenswoordig bij dees gelegenherid verspreit, dat sulken remedie te Dantsig en op dees en gene plaatsen in Duitsland van succes geweest is.

Mogelijk was er een medische publicatie? Het Jaerboek was even sceptisch over het middel als Stheman:

Of de genees- en natuurkundigen nu eenig begrip of kundigheid hebben van zulk een vreemd middel, dan of het rust op eene grillige vindinge, die menigmael onfeilbare kracht tegen ongeneeslyke Ziekten stelt in zaken, waer voor de natuur schynt te gruwen, weten wy niet. (…) Van den verderen uitslag word ons niet gemeld; doch gedyd deze niet ten bate, het zal ’t vooroordeel en der bygelovigheid aen geene uitvluchten noch redenen ontbreken, die de rechte genezinge dezer ziekte verhindert hebben.

Hoorde Stheman dat een dergelijke remedie eerder in meerdere Duitse steden epileptici had geholpen, ook in Nederlandse steden was ze niet onbekend. Zo blijkt het mij voorlopig oudst bekende geval (p. 24) zich voorgedaan te hebben bij de onthoofding van een doodslager in Utrecht anno 1593:

…snelde een lijder aan vallende ziekte toe, schepte met de holle hand driemaal het warme bloed van den onthoofde en dronk het op, in de vaste overtuiging dat hij daardoor genezen zou.

In Middelburg deed zich in 1754 een soortgelijk geval voor, dat gereleveerd wordt in hetzelfde Nederlandsche Jaerboek als dat van het Groningse geval melding maakt (pag. 817).

Buiten Nederland bestond de praktijk in het midden van de 19e eeuw nog. Zo is er in eind 1851 dit bericht uit het Zwitserse Porrentruy, ten noorden van Bern:

Bij de doodstraf (…) op een wegens moord veroordeelde volbragt, was een man, die toen het hoofd van den misdadiger was gevallen, een glas vulde met het uitstroomende bloed, en het dadelijk leeg dronk. Het was iemand, die aan vallende ziekte leed, en door dat verschrikkelijk middel hoopte zich te genezen. Het laat zich begrijpen, welk een vreeselijke indruk het aanwenden van zoo’n middel bij het akelige der gebeurtenis zelve op de verzamelde menigte maakte.

En dan is er dit verhaal uit Hannover, 1857, waarbij het opmerkelijk mag heten dat degenen die de executie uitvoerden de bloeddrinkers gewoon hun gang lieten gaan, wat echter wel politieke repercussies had:

Den 25 September is het bijgeloof oorzaak geweest dat er bij gelegenheid der onthoofding van eenen veroordeelde nabij Hannover grove ongeregeldheden hebben plaats gehad. Toen het hoofd van den schuldige viel, hebben eenige personen, aan vallende ziekte onderhevig , of bevreesd, dat zij er door aangetast waren, het schavot bestormd, om het nog warme bloed van den misdadiger te drinken , dewijl het bijgeloof er de kracht van genezing aan toeschrijft. De knecht van den scherpregter heeft het hun zonder moeite verleend. Dit afschuwelijk tooneel heeft eene groote sensatie in de hoofdstad gemaakt, en men hoopt, dat de Koning er in zal toestemmen dat de teregtstellingen niet meer in het openbaar plaats hebben welk verzoek hem reeds door de prov. staten van Osnabrück gedaan is.

Uit Zweden komen de berichten die alle andere in bizarriteit verre overtreffen.  Zo werd daar in 1843 de moordenaar, brandstichter en dief Alexander Dreitfeldt met een bijl onthoofd.  Hierbij maakte de scherprechter conform de lokale traditie gebruik van een blok, waarop de veroordeelde zijn hoofd moest neerleggen. Achter dat blok lag een kuil, waar het hoofd automatisch inviel  en naderhand “het verdere lijk” werd gedeponeerd. Net als in Hannover kon een lijder aan epilepsie hier gewoon zijn gang gaan, maar de praktijk werd hier zelfs door de vingers gezien door de overheid:

Zoo hier als in Noorwegen en Denemarken heerscht onder het volk een bijgeloof, dat het bloed van eenen onthoofden , inwendig gebruikt, een onfeilbaar middel tegen de vallende ziekte is, en het opvangen van dat bloed ten bedoelden einde wordt nog altijd door de overheid gedoogd. Zoodra nu het hoofd van Dreitfeldt was afgeslagen, zag men eene reeds bejaarde boerin, lijderes aan vallende ziekte, de onthoofdingsplaats naderen, om een stuk brood , hetwelk zij in de hand had , in het warme bloed te doopen; maar op het oogenblik van dit te zullen doen, overviel haar een harer toevallen en zij stortte dood ter neder in den kuil zelven , waarin het afgeslagen hoofd zoo even gevallen was.

Door alle krantenberichten kreeg de remedie uiteraard ook meer bekendheid. Bij een in 1851 in Zweden plaatsvindende dubbele executie was er zelfs sprake van een ware oploop van epileptici:

In Zweden heerscht nog altijd het volksgeloof, dat het bloed van een onthoofden misdadiger, versch gedronken, het ligchaam sterkt en van alle ziekten, bijzonder van vallende ziekte, geneest. Daar nu den 28sten Januarij j.l. te IJstad twee personen wegens moord zouden worden onthoofd (het eerste doodvonnis, sedert 1843 in Zweden uitgevoerd) stroomde uit den omtrek eene groote menigte toe met kopjes, kommen, glazen, zelfs ketels, om het bloed der veroordeelden op te vangen. Toen de hoofden vielen, konden de 600 soldaten, die rondom het schavot geschaard stonden, de aandringende menigte naauwelijks stuiten; er ontstond eene worsteling, waarin de militairen zich met de geweerkolven duchtig weerden. Onderwijl voerde de policie de lijken weg en deed den grond, waarop het bloed gestroomd was, omspitten. De menigte trok teleurgesteld af; omstreeks 200 personen waren meer of min zwaar gewond, en een nog grooter aantal anderen had kneuzingen bekomen.


Kloksmeer met nasmaak

Wert door D[omi]n[us] Mattersteck bekent gemaek[t] dat bij ’t versterff van de Heer Eusum Zijn Hoogh Ed[ele] nae oude gewoonte wert verluit, en doen daer in die kerck een vierdendeel bier van de luiders wert gedroncken, tot groote ergernisse van de predicant daer ter plaetse. Waerop is geresolveert dat Dn. Hackelenb[erg] en Dn. Reneman de gemeinte van haer onbehoorlickheit t overtuigen, en haer waerschouwen dat sulcx van haer niet weer geschiede, of dat men andersins daer verder in sou versien.

In 1683 sterft Christoffer van Ewsum, heer van de Englumborg onder Oldehove en lid van de Staten van Stad en Lande. Net als iedereen sinds jaar en dag, werd de jonker bij de begrafenis verluid. Alleen gebeurde dat klokluiden niet, zoals anders, door de koster-schoolmeester of de buren, maar door een groep mannen uit de gemeente, die in dit speciale geval ook wel wat langer aan de klepeltouwens zal hebben gehangen, dan gewoonlijk. Bij dit verluiden van jonker Van Ewsum kregen de mannen dan ook een kwart ton bier, wat bij de toenmalige tonnemaat neerkwam op een kleine 40 liter, een ferme slok als het inderdaad ging om kluin met 9 % alcohol. Over het verluiden en het bier op zich zal de predikant ter plaatse niet gevallen zijn. Wel moet hij zich hebben geërgerd aan het feit, dat de mannen hun kloksmeer in de kerk opslobberden. Hij klaagde over deze ontheiliging van zijn godshuis tegen de naberpredikant van Saaksum, die het geval op de classis, dat was de toezichthoudende predikantenvergadering, aanbracht. Twee van de collega’s werden vervolgens naar Oldehove afgevaardigd om de gemeente te dreigen met sancties, als dit nog eens zou gebeuren.

Bronnen:

RHC Groninger Archieven, archief classis Westerkwartier (toegang 180) inv. nr.6 (acta 1676-1694) 3 september 1683; W.J. Formsma e.a., De Ommelander borgen en steenhuizen (Assen/Maastricht 19872) 307; W. Duinkerken, Sinds de Reductie van Stad en Lande II, lemma Abraham Martersteck (met dank aan collega Geert Braam voor zijn telefonische inlichting).

NB: het fotootje maakte ik in 1971 met een AGFA-cameraatje van de toren in Oldehove.


Geschiedenisdag drukker dan ooit

In de stand van het Streekhistorisch Centrum Stadskanaal: een koekjesblik voor Bruintje Beer biscuits van Branbergen uit Musselkanaal.

Een liefhebber van oude techniek:

Seth Gaaikema opende de Dag van de Groninger Geschiedenis met een kort optreden, waarin hij terugging naar zijn jeugd in Uithuizen:

Publiek tijdens dat optreden:

Op de infomarkt kon je bijna over de hoofden lopen. Het was vermoedelijk de drukste Dag van de Groninger Geschiedenis ooit:

Campy smartlappen van de Martino’s:

Mijn ouwe kameraad Wil Schackmann gaf me een tip mee voor mijn volgende lezing:

Poffertjeseters:

Een vreemd heerschap, naar men zegt uit Oostenrijk afkomstig:

Uitleg door Betty Jongejan van het OVCG. Dat zal over de oorlog gaan:

Jaap Beintema van de Vrienden der Martinikerk:

Doos met kleine archeologische schatten (vuistbijl, trechterbekerscherf, gouds pijpekopje, spinklosje, schrabber etc.):

De jongens van de stuutsiekoorn-modeshow:

Discussie over een lintje:

Een enthousiast deelnemer aan de Groninger Geschiedenis Quiz. Hij werd tweede, na oud-Nieuwsbladcorrector Renkema:

Afsluitende feestmuziek van Safari Joe:


Morgen

Morgen is de Dag van de Groninger Geschiedenis. Met ensceneringen, zoals van de heren van Harssens:

Museumstukken, zoals het wagentje van Sibrandus Stratingh:

Interessante lezingen over het thema Arm en Rijk:

En de Groninger Geschiedenis Quiz:

O ja, iedere bezoeker krijgt het themanummer ‘Arm en Rijk’ van Stad & Lande.

Het hele programma.


Vrouw wil dominee uit de weg ruimen

Sara Alleys, oud 30 jaaren, geboortig van Embden, alhyr gedetineerde, heeft vrijwillig zonder pijn en banden verklaart, dat tegens Reinder Alberts en Jan Oostvriese hadde gezegt hoe voornemens waar, de beyde regenwatersbakken van de eerw[aarde] heer pastor Stegnerus tot Noordbroek met rottekruid te willen vergeven, teneinde de pastor met zijn familie an kant zoude raaken, uit oorzaak dat de pastor en kerkenraad haar niet wilden permitteren, zig tot Noordbroek metterwoon te begeven, voor en aleer behoorlijke attestatie angaande haar vorige leven en wandel had angetoont. Daarenboven verdagt van hoererije en dieverije. Waarop Reinder Alberts en Jan Oostvriese tegen haar hadden gezegt dat van zodanig godloos voornemen moest afstaan, ofte dat daarin anders zouden voorzien tot haar leedwezen; en of zij wel wiste dat indien het gerigte zulks gewaar wierde, zij strengelijk daarover zoude worden gestraft, edog daarop door haar pertinaciter geantwoord, dat zij met den eersten haar voornemen wilde volbrengen, haar mogt overkomen wat wilde, de pastor zou van kant. Alle het welke zijnde zaaken van verren uitzigt, quaden gevolge en strafbaar. Zoo is ’t dat ik Drost uit naam en vanwegen de Ed. Moog. H. Heeren Borgemeesteren ende Raad in Groningen regt doende, haar gevangen condemnere, om andere ten exempel, an de kaak strengelijk gegeeselt te worden. Voorts banne haar in het provinciale tugthuis, om aldaar voor de tijd van 15 jaaren met handen arbeyd haar kost te verdienen. Die tijd geëxpireert zijnde, wort zij gebannen uit de provintie van Stad en Lande, Wedde en Westerwoldingeland, met bedreyging dat bij aldien alhyr wederom wort geapprehendeert, zij zwaarder an den lijve zal worden gestraft.

Actum Zuidbroek den 17 Febrij 1729
G. Schaffer
Drost

Om te voorkomen dat er een al te groot beroep op de lokale armenzorg werd gedaan, moesten de hervormde kerkeraden in het Oldambt erop toezien, dat zich geen armoedzaaiers in hun kerspelen kwamen vestigen. Lieden van buiten, moesten zichzelf kunnen onderhouden en een verklaring van goed gedrag tonen, voordat ze een huis konden huren. Zo waren de regels, en de kerkeraden waren er vrij veel tijd mee kwijt, om ze te handhaven.

Uiteraard namen mensen wier vestiging werd verhinderd, ze dat niet altijd in dank af. Zo dreigde ene Sara Alleys in 1729 de regenwaterbakken van ds. Stegnerus van Noordbroek met rattekruid te vergiftigen. Uit die bakken haalden de bewoners van de pastorie hun drinkwater, het ging dus om een intentie tot moord. En hoewel twee Noordbroekster diakenen Sara waarschuwden, hield ze stug vol haar snode plan te willen uitvoeren en wel zo spoedig mogelijk. Ook omdat ze verdacht werd van nog wat andere zaken, gaven de diakenen haar aan bij de drost van het Oldambt, die haar veroordeelde tot kaak, geseling en vijftien jaar tuchthuis, waarna ze voor altijd uit de provincie moest wegblijven.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (archief drost Wold-Oldambt) inv.nr. 5693.


Een smokkelbakkerij tussen Leek en Nietap

Op 27 januari 1682 vaardigden Gedeputeerde Staten van Stad & Lande twee heren uit hun midden af naar Leek. Daar moeten ze onderzoek doen naar “een huijs daer omtrent in ’t Landtschap Drenthe staende waer uijt veele sluijckerijen soude geschien”.

Elke provincie had nog een eigen belastingregime, en dus waren goederen in de ene provincie goedkoper dan in de andere, wat smokkel in de hand werkte. Dat zou ook hier in Leek het geval zijn. Vanuit het huis dat de heren op de korrel hadden, zouden waren in de provincie Stad & Lande zijn gebracht, zonder dat er de vereiste belasting over was betaald.

Op 3 februari rapporteerden de heren die naar Leek waren geweest. Ze hadden er “in oogenschijn genomen” de behuizing van een Jan Heres bakker, en een schuur die niet ver van diens huis in diens hof stond. Het huis bevond zich in de provincie Stad & Lande en de schuur in de landschap Drenthe. Zowel in het huis als in de schuur zag de commissie een oven. Zowel in het huis als in de schuur troffen de heren brood aan “gemaeckt nae de forme ende het gewichte in dese provincie (Stad & Lande HP) gebruijkelijck”. In de schuur lagen bovendien kleine vaatjes, die normaliter werden gebruikt voor het smokkelen van brandewijn.

De heren namen in overweging, dat de bewuste bakker aan de overkant van de provinciegrens nauwelijks brood kon verkopen, aangezien “de Ingezetenen van het Landtschap Drenthe (…) doorgaens haer eigen broodt waeren backende”. Ook verklaarde de belastinggaarder “op de Leecke” dat de belasting op het gemaal nog maar de helft opbracht, van wat er eerder bij hem binnenkwam. En dat kwam dus door die bakker, dat kon haast niet anders. Er moest wat gebeuren, want als de situatie zo bleef als ze was, bleef het voor de belastinggaarder onmogelijk om bij Jan Heres te controleren.

Op dit rapport besloten Gedeputeerde Staten dat de bakker op de grens van Leek en Nietap “tot voorkominge van frauden” zou moeten toestaan dat de belastinggaarder zowel in zijn huis als in zijn schuur controleerde. Ook mocht de bakker in zijn huis, schuur en hof, afgezien van de spullen die hij voor zijn ambacht nodig had, geen voorraden hebben van spullen waarover in Stad & Lande impost betaald moest worden. Zouden ze hem daar toch op betrappen, dan gaven de heren hem een beroepsverbod.

Bron: RHC Groninger Archieven, archief Staten van Stad en Lande inv. nr. 140 Actenboek GS 27.1 en 3.2.1682


Een laatste blik in het apotheekmuseum

Na 230 jaar verdwijnt de apotheek van het A-kerkhof. Het bedrijf, nog steeds genoemd naar de vorige eigenaars, Venema, verhuist naar het Kwinkenplein. Daar is de ruimte beperkter en dus moet een nieuwe plek gevonden worden voor de realia en archivalia in het particuliere apotheekmuseum. De eigenaar wil ze voor Groningen behouden en bovendien graag dat hier nog eens een expositie van het materiaal komt, en daarom keken de historisch conservator van het Groninger Museum en ik er vanmiddag op zijn uitnodiging rond.

Jugendstilkast voor de homeopatische medicijnen, een afdeling die al sinds 1899 bestaat:

Apothekerskast met vierkante laden:

Plantkundig boek met gekleurde platen. Links de hop, rechts de tamme kastanje:

In de Jugendstilkast onder andere een middeltje van een firma De Bruinvisch, injectievloeistoffen en vooral Edelzalf:

De Edelzalf is een anderhalve eeuw oud product dat Apotheek Venema zelf nog op ambachtelijke wijze vervaardigt. Ze wordt toegepast tegen onder meer luieruitslag, schaafwonden en kloofjes in handen:

Er lagen ook zaken uit andere apotheken, zoals dit flesje van apotheek Sissingh aan de Grote Markt, met een vignet dat bestaat uit een Martinitoren geplaatst op een vijzel:

Van Egberts & co, eveneens uit Groningen, een stuifdoosje met DDT tegen luizen en vlooien (“Daar gaan ze Jan!”). Concentratiekampslachtoffers werden ermee behandeld, kinderen tot ver na de oorlog evenzo:

Gebrandschilderd glas met vijzel en esculaap:


De treurige huishouding van Leisje Sleepkous

Veel oude lokale notariële archieven bevatten boedelinventarissen. Het zijn opsommingen van alle bezittingen van meestal een weduwe of weduwnaar die gaat hertrouwen, terwijl hij of zij minderjarige kinderen van haar overleden partner heeft. De inventaris moest de erfportie van die voorkinderen dan beschermen tegen de eventuele grijpgrage vingers van de stiefmoeder of -vader. Het opmaken van zo’n stuk was wettelijk verplicht in een tijd dat mensen lang niet zo oud werden als nu, in een tijd ook dat relatief veel kinderen half of helemaal verweesd raakten.

Boedelinventarissen zijn fascinerende stukken, omdat ze je als het ware in staat stellen rond te kijken in huishoudens uit een ver verleden. Je kunt zien wat voor ambacht of professie iemand uitoefende, of iemand arm of rijk was, of er boeken of schilderijen of muziekinstrumenten in huis te vinden waren. Door zo’n opsomming van  items krijg je een indruk van hun eigenaar. Als je een hele serie van zulke lijsten achter elkaar leest, heeft menige bezitter wel iets eigenaardigs.

De spullen moesten wel een economische waarde vertegenwoordigen, om op zo’n lijst terecht te komen. Klein kinderspeelgoed zoals bijvoorbeeld tollen vind je er zelden op terug, en ook katten schitteren door afwezigheid, terwijl we weten  dat zulk spul wel degelijk in huishoudens aanwezig was. Om dezelfde reden zullen versleten zaken niet gauw opgeschreven zijn, of het gebeurde onder verzamelnamen als ‘plunderij’ of ‘rommelarij’.

Hoogst curieus zijn daarom enkele coupletten uit het lied ‘De Vryagie en ’t Houwelyk van Jan Mankebil met Leisje Sleepkous, en den Inventaris van de Goederen‘ dat ik aantrof in de bundel Het vermakelyk Bagynhof of den Hollanschen Edelman uit 1739. De opsomming van Leisjes goederen is in feite een pastiche op een  boedelinventaris – ze bevat louter zéér gemankeerde spullen, want Leisje Sleepkous heeft geen nagel om haar kont te krabben:

Doen ging ik met behagen,
Met myn Bruid zeer net:
Te slapen tot schoon dagen,
De bloote onderlagen,
Dat was het Bruids bed.

Alle haar beste kleeren,
Waren geen schelling waart!
drie stoelen zonder matten:
Twee kreupele blinde katten,
Saten by den haart.

Een Tafel zonder poten,
Een kast zonder deur:
Twee blinde Schilderyen;
Gescheurt aan wederzyen,
Hongen aan de muur.

Zy had een ouden Spiegel,
Die was zonder glas!
Een Beezem en Luywagen,
Om de vloer aan te veegen,
Die ook stukken was.

Een Emmer zonder duygen,
Wastobben zeer lek:
Een Vuurtang zonder lippen,
Een Schaar die niet kan knippen,
Een oud Schottelrek.

Zy had nog een Pollepel,
die was zonder steel!
Haar Potten ende Pannen:
Haar Glazen ende Kannen,
Deugden ook niet veel.

Haar Pispot zonder ooren,
Koekpan met een gat:
Vyf stukkende Taljooren:
Een Asschop wilt aanhooren,
Die was zonder blad

Zy had een houten Heugel,
Een gescheurde Doofpot:
Hangyzer zonder beugel,
En nog een drie duyts Vleugel,
die was half verrot.


Mediawijsheid anno 1783

Wat hoord men in ons Land,
Een mond-gevegt uit de Courand;
Het meest is wat men praet,
Hoe ’t met den Oorlog gaet,
Het scheind wel een geleerden man,
Die maer de Crand grift leesen kan,
En als men ’t wel versind, Is ’t meestendeel maer wind.

Die veel uit Cranten praet,
Het meest met leugens ommegaet:
En meenig begrypt het niet
Het geen de crand bediet;
Een lompert die veel discoureert,
Verstaet de crand somtyds verkeert,
Nog wil hy in de schyn
De wyste syn.

Die vast aen de crand gelooft,
Is seeker van ’t verstand berooft,
Hy volgt de Sanger naer,
En meld leugens en waer,
Maer die wil weeten regt bescheid:
Vervoegt hem selfs na den streid
En helpt wie hy is gesind
Als een trouw vrind.

Eerste, tweede en vierde couplet van ‘Courant, of Mond-Gevegt ‘ een lied uit de bundel De Nieuwe Oostindische Rooseboom (1783) dat gezongen werd op de wijs van een oudere hit, namelijk  ‘Van de verrotte Schelvis‘.