Esser veldnaam Kloes wijst op kluizenarij

In mijn stukje over het veldnamenlandschap van Essen moest ik iets in het midden laten. Want uit streektaal-woordenboeken en het WNT kon ik maar niet gewaar worden wat die veldnaam Kloes of Kloese betekende. Daarom schreef ik Rudolf Ebeling, gepensioneerd naamkundige van de RUG, en legde hem de vraag voor:: “Heeft u misschien een idee?”

Inmiddels weet ik dankzij hem wat dat Kloes betekent. Achteraf verbaast het me dat ik
er zelf niet op kwam, want ik zat er al zo dichtbij, dat het bijna niet te missen viel. Het betekent inderdaad: kluis. Ebeling wees me namelijk op het middelnederlands clûse of kluse voor: kluis, kluizenarij of bergengte. En aangezien die laatste woordverklaring hier bij gebrek aan steile hellingen niet in aanmerking komt, blijven de twee eerste over.

Volgens het Middelnederlandsch Woordenboek dat de Taalbank op internet zette, verbreedde de betekenis van cluse zich weliswaar tot elke afgesloten ruimte, maar was de eerste en voornaamste betekenis toch:

“Kluis, het eenzame en afgezonderde verblijf eens kluizenaars, kluizenaarshut, monnikskluis.”

Afgaande op de veldnaam Kloes of Kloese, die Wieringa er in de jaren 1970, 1980 noteerde, heeft er achterop het terrein van het klooster Essen,  op de grens van de bewoonde wereld met de laaggelegen wildernis ten oosten van het klooster, waarschijnlijk een kluis van een kluizenaar gestaan. Of beter: van een kluizenares, want dat lijkt meer in overeenstemming met het vrouwenklooster hier.

Tussen de middag sprak ik er even over met Jan van den Broek, mediëvist en oud-stadsarchivaris, en hij wees me op een kluizenaar in het Hareholt, die vanaf 1479 een flink stuk Hereweg voor de stad Groningen onderhield (d.w.z. de al te diep ingereden wagensporen dichtmaakte)  en in ruil daarvoor de beschikking kreeg over een huisje, twee koeien, een paard en een stortkar, met nog 12 gulden toe.

Het fenomeen kluizenaar was hier in de omgeving dus niet onbekend. In de stad Groningen had je een kluizenares, die de Martinikerk de arm van Sint Jan bezorgde, een kostbaar reliek, waar de Groningers eer mee inlegden en hun stad toeristen mee trok. Bovendien woonden er kluizenaars bij de dorpskerken van Usquert en Stitswerd.

Intussen blijkt uit het voorbeeld van de kluizenaar uit het Hare- of Harenerholt, een bos aan de noordkant van het dorp Haren, dus dichtbij Essen, dat niet alle kluizenaars (m/v?) zich lieten inmetselen. Sommige hadden kennelijk werkzaamheden buiten de deur.

Nog iets over de verspreiding van toponiemen als Kloes, Kloese of Kluse – volgens Ebeling is het  vrij zeldzaam, al komt het in Noordwest-Duitsland wel iets vanker voor dan in Noord-Nederland:

“Vroeger zag ik wel eens langs de B70 in het Emsland een plaatsnaambord KLUSE, en ook bij Varel, Landkreis Friesland, is er een KLUS, waarvan bekend is dat “hier früher eine Klause” stond. Uit Westfalen zijn enkele veldnamen KLUSE bekend. Een Westfaals kluse was niet overal een complete kapel, maar kon ook een eenvoudig processiehuisje of -kruis zijn.”

Dat het toponiem in een streek als Westfalen vaker voorkomt dan in Noord-Nederland, lijkt geen wonder. In Noord-Nederland maakte de calvinistische reformatie rond 1600 een eind aan het kluizenaarswezen, terwijl de praktijk in het overwegend katholieke Westfalen nog wel even kon voortbestaan. Daar kreeg het toponiem, kortom, meer kans om te beklijven.


Het veldnamenlandschap van Essen

De veldnamen van Essen, zoals Wieringa die in de jaren zeventig optekende, geprojecteerd op de kadasterkaart van omstreeks 1825, zoals HisGis die ons biedt.

Centraal op het kaartje de Olle Hof, waarmee bedoeld wordt het ooit geheel door een gracht omgeven, rechthoekige terrein van het middeleeuwse klooster Yesse. Ten tijde van het eerste kadaster staan er drie boerderijen op dat terrein. De meest zuidelijke boerderij, de Hemmesheerd, staat buiten de voormalige kloosterhof, net als een noordwestelijk gelegen boerderij.

Op het kloosterterrein wordt de grond in 1825 voornamelijk benut voor moestuinen (paars) en boomgaarden (middelgroen). Voordat hier in 1215 een klooster kwam, lag er al een es (bouwland) met een gehucht, zo bleek vorig jaar bij een opgraving. Het klooster bracht waarschijnlijk de tuinen, die er in 1825 nog steeds zijn, zij het niet noodzakelijkerwijs op dezelfde percelen. De twee witte stukjes bouwland op het oude kloosterhof zullen ook nog wel relatief vruchtbaar zijn, maar dat geldt wellicht wat minder voor het centraal achterop het terrein  gelegen, lichtgroen gekleurde stuk weiland. Hoeveel steen zit daar in de grond?

Kijken we naar het gebied rond de Olle Hof, dan valt ten eerste een strook geelgekleurde hooilanden op. Dit zullen de laagste en drassigste gronden zijn geweest, en de veldnamen De Zulten en De Onlanden duiden er ook op dat dit niet de duurste grond was.  Zult betekent: zout, zilt. Misschien kwam er wel eens zout water over De Zulten, misschien was de grond hier op sommige plekken zelfs nog ziltig.  Teysinga noteerde omstreeks 1730 ter plaatse van de Onlanden dat het “gemeen”” (= gewoon), respectievelijk “leeg” (laag hooiland was waar “veel pijpgras“” groeide, dat is een plant die veel van water houdt. Afgezien van het winnen van hooi of het weiden van vleesvee of paarden kon je dus weinig met de Onlanden beginnen. Ik vermoed dat Zulten en Onlanden en de tussenliggende gele percelen samen de westgrens van de middeleeuwse es markeren.

Ten noorden van de Olde Hof zien we verder een Zwienven – een laaggelegen weiland waar zwijnen hun gang mochten gaan -,  Molenmaten en een Molensloot. Op de kaart van Teysinga  uit 1730 heet die sloot nog De Olde Schipsloot, er was dus ooit een (bescheiden) scheepvaartverbinding met het Schuitendiep (nu Winschoterdiep), en/of eerder misschien met de Hunze. Die scheepvaart werd onmogelijk toen er bij de uitmonding van de sloot op het Schuitendiep een watermolen kwam, die het water van de laaggelegen Esser landen moest lozen.  Vandaar de naamsverandering van de sloot. Overigens kan der naam Molenmaten ook slaan op een korenmolen, die ooit op de grens van Helpman en Essen stond. Ten noorden van De Zulten noteerde Wieringa een Meulenbaargien, daar moeten we die molen situeren. 

Ten oosten van de Olle Hof lagen er diverse kampen: de Noorderkaamp, twee Zuderkaampen, een Hoogkaamp en een Rieskaamp. Een kamp behoorde niet tot de oorspronkerlijke es, maar was er een uitbreiding van. Als de kampnamen inderdaad oud zijn, dan hebben we hier de oostgrens van de middeleeuwse es te pakken. Op de Rieskaamp werd rijshout opgekweekt voor vlechtwerk – bijvoorbeeld in wanden – of aanwending op tuinen. De Kooikampen verwijzen naar een eendenkooi, waar waterwild een soort fuik ingedreven werd. Ook zo”n eendenkooi kon je van van rijshout bouwen – als lokatie komt vooral het donkergroene bosje op de rand van de kaart in aanmerking.

Interessant is een wat hoger gelegen strook grond tussen de Noorder- en de Zuiderkampen, die mogelijk ooit de Middelkamp(en) heette.  Van west naar oost zien we daar staan:  Roggenstukkies, Ruivenstukkie en Kloes (volgens Wieringa ook wel Kloese). Op de Roggenstukkies zal rogge verbouwd zijn en  op het Ruivestukkie de beroemde Hoarender knollen, ruiven of roefies, kleine gele herfstknolraapjes die in het Groningse ooit als een delicatesse golden.  Wat een Kloese was heb ik nog net mogen ontdekken, maar waarschijnlijk hangt de naam samen met kluis en close, en moeten we er ons een dichte omheining bij voorstellen.

Tot slot nog weer even terug naar de Olle Hof – op het noordoostelijke deel daarvan tekende Wieringa de veldnaam Hoppentoene aan, en daar zal dus ooit hop verbouwd zijn, voor verwerking in bier. Vooral Peize stond bekend om de hopteelt in de 17e en 18e eeuw, maar ook elders in de omgeving waren er wel hoptuinen. Overigens is dit wel de eerste keer dat ik iets van deze teelt in Groningerland bespeur.

Zie verder: Esser veldnaam Kloes wijst op kluizenarij


1955

De nieuwe plaatjes-uploader van WordPress mag als de zoveelste blijmoedige software-mislukking worden beschouwd. Kan geen diaserie meer maken, plaatjes moeten er een voor een in, en dan bepaalt WordPress wel even op volkomen willekeurige wijze de volgorde voor je. En waarschuwen dat ze de zaak overhoop gehaald hebben, is er natuurlijk weer niet bij. Want als software-ontwikkelaar weet je alles beter en ben je zo autistisch dat je nooit hoeft te communiceren.


De laatste korhoenderjacht

Berichtje uit de Friese Koerier van 13 januari 1955 toont aan dat er toen nog op korhoenders gejaagd werd vlakbij mijn geboortedorp. Het is op heden tevens het laatste berichtje in de krantenbank van de KB, dat het woord korhoenderjacht bevat.

Het korhoen staat als “ernstig bedreigd” op de Nederlandse rode lijst.  In 1960 waren er nog enige duizenden hanen,  in 1976 nog 400,  de laatste jaren hooguit enkele tientallen.  De korhoenderjacht bestond eind jaren tachtig alleen nog als nostalgisch verhaal op avonden voor ouderen. Een herintroductie van het korhoen in de jaren negentig mislukte.

Bolderende korhaan.


Stichters veenbrand gezocht

Willem de Lille, advocaat, patriots politicus, grootgrondbezitter en een van de rijkste ingezetenen van Drenthe, woonachtig in het pas door hem opgeknapte landhuis Terheijl onder de klokslag van Roden, was niet bepaald blij op vrijdag de 5e  juli 1799. Die ochtend stak een groep kerels  uit de richting van Een een groot perceel turf in brand op zijn Zevenhuister veenlanden. Ook richtte de groep vernielingen aan. Er was grote schade, en er bestond zelfs even de vrees dat de brand Zevenhuizen zou bereiken.

Waarschijnlijk ging het om een grenskwestie, zoals wel vaker in de venen. In elk geval kreeg de invloedrijke De Lille niet vanzelf te horen wie de daders waren, zodat hij zich vijf dagen later gedwongen voelde om een beloning uit te loven. Zijn advertentie stond alleen in de Ommelander Courant, die in deze regio kennelijk meer lezers had dan de Groninger:

“Alzo moedwillige Lieden, gekoomen van de kant van Een uit het voormalig Landschap DRENTHE, ten getaale van 12, 13, of meerdere persoonen, op vrydag den 5den july ll. des voor de middags tussen 10 en 11 uuren zig hebben onderstaan, in een groot perceel turf, gegraaven uit de verkogte en verhuurde Ter Heylsche Veenen, en staande op des ondergetekende’s eygendommelyker grond op Zevenhuyzen ten westen van de zogenaamde Drentsche gruppel in de jurisdictie van VREDEWOLD, in den brand te steeken, en twee andere kleyner perceelen aan stukken te houwen en te vernielen, zig na het pleegen van deeze brandstigting en geweld wederom derwaards begeeven hebbende van waar zy onverhoeds gekoomen waaren, zonder zig eenigzins meer aan de gevolgen deezer daad te bekreunen, laatende het door hun ontstooken vuur voortbranden, en zig wyd en zyd verspreyden, zodanig, dat niet alleen de oppervlakte eener groote uitgestrektheid van veen daardoor is weggebrand, maar dat ook de korts bezaayde boekweytenveenen, rypende rogge, gestuikte turf en brandzooden, ja de bosschen en wooningen der Zevenhuyster ingezeetenen een ogenschynelyk gevaar geloopen hebben, van by voortduurende droogte, en het omloopen van den wind, te worden aangestookcn, en in de assche gelegd – om welke brandstigters en geweldenaars te kennen niet alleen der JUSTITIE, maar ook den ondergeteekenden, als daar door een enorme schaade lydende, ten hoogsten aangeleegen legt – zo beloofd dezelve by deezen een praemie van VYFENTWINTIG ZILVERE DUCATONS aan den geenen, welke de daaders van dit feyt aan hem zal weeten naamagtlg te maaken, zodanig dat zy daarvan in regten overtuygd, na verdiensten gestraft, en tot schaade-vergoeding aangesprooken zullen kunnen worden. Actum. TER HEYL den 10 july 1799. W. DE LILLE.”

Omgerekend kwamen die 25 zilveren ducatons neer op een kleine 80 gulden, een bedrag waar iemand een half jaar kost en inwoning voor kon hebben. De Lille was dus niet krenterig in zijn premie.

Veenbranden konden dan ook enorme verwoestingen aanrichten   In Zevenhuizen zouden ze daar in 1833 eens mee te maken krijgen, maar eerder hadden de meeste veenstreken in het noorden er wel eens mee van doen.

Wat er trouwens gebeurde als zo’n brandstichter gepakt werd, en het gerecht zijn schuld bewezen achtte, heb ik hier al eens beschreven.

In dit geval bleven de daders hoogstwaarschijnlijk buiten schot. Het zwijgen was sterker dan de premie van de havezathebezitter.


De zilverschat van Essen

Aldus de Groninger Courant de dato 22 februari 1871. Navraag leverde op dat deze zilverschat van Essen zich niet in de collectie van het Groninger Museum bevindt. Dat heeft weliswaar enkele munten, afkomstig uit Essen, maar die hebben niets te maken met deze schat. De voorganger, het Museum van Oudheden, bestond nog niet en een stedelijke verzameling richtte zich vooral op plaatselijke munten. Hooguit zou een deel van de schat zich nog in particulier bezit kunnen bevinden. Maar omdat de munten onherkenbaar waren, is de kans  veel groter dat ze allemal omgesmolten zijn. Hetzij om sieraden van te laten maken voor eigen gebruik, hetzij na verkoop voor de zilverprijs.

Blijft de bewering van die Spanjaard, dat hier ergens in de buurt nog voor een miljoen verborgen zou liggen. Nu niet allemaal tegelijk gaan graven…

.


Krantenbezorgers’ heil en zegen

Dat kranten- en folderbezorgers met oud en nieuw kaartjes aan deuren afgeven in de hoop op fooien, is niet iets van de laatste jaren, zoals men mischien denkt. Het gaat om een traditie van eeuwen her, die nieuw leven ingeblazen is.

Zo bevindt zich bij de Groninger Courant van 2 januari 1789,  die de KB op internet zette, een mee ingebonden Nieuwjaarswensch der bestellers van nieuwstydingen. Volgens de ondertekening van dit stuk op rijm werd het afgegeven door “de knegtjes uit de boekwinkel van J. van Groenenbergh”. Ongetwijfeld hebben deze loopjongens, die de klanten van de boekhandelaar hun kranten en tijdschriften thuisbrachten, daarvoor van die klanten nieuwjaarsgiften ontvangen.

Het gedicht van de toenmalige krantenjongens zou nu op de lachspieren werken, want het ademt een nogal lijdzaam-gereformeerde, om niet te zeggen bevindelijke geest.  Niets is de verdienste van de mens, alles komt van God, er valt geen mus van het dak zonder dat die het daarop aangestuurd heeft:

“Wy zeeg’nen U Gods gunstgenooten,
Als of ’t nu was ons laatsten tyd,
Uit een vol liefden hert gesproten:
Want Gy ons waart en dierbaar zyt.

Die God heeft door zyn Geest herschapen,
Daar ’t oude is voorby gegaan,
Zoo dat Gy nieuwe vrugt kont rapen,
In ’t nieuwe leven voort te gaan.

Jehova zy u ligt en leven,
Gods Zoon u Borg, u Heil, en Heer,
Zyn Geest zy rykelyk U gegeven,
Hy maak U groot tot zyner eer.

Hy hoede U voor stoot en vallen,
En leide U door d’effen baan,
De Heere zy U al en allen,
Om regt ten Hemel in te gaan.

Hy zegene U in al uw werken,
Met goed’ren van zyn rechterhand,
en maak U pylaars in zyn kerke,
Doe groijen U aan alle kant.

Het kruis dat Hy U toe zal schikken
Doe Hy U al ten goede zyn,
God wil en zal u ziel verquikken,
Terwyl u vlees leid smert en pyn.

Hy zegene U met rust en vrede
In huis, en hert, ja over al,
Ook zy de Heer in alles mede,
Waar gy u handen aanslaan zal.

Gy doe U Hem altyd behagen,
Tot Hy U leid ter Hemelschaar,
waar niemand van gebrek zal klagen
Dit wenst myn ziel U tot nieuw Jaar.”

Intussen wenst de bezorger van dit weblog alle lezers veel heil en zegen in 2012!


Groninger ijsgekte

Over ijsgekte gesproken, in Groningen kon men er ook wat van:

“ULRUM, 24 december. In deze streken bestaat nog altijd het gebruik, dat hij, die het eerst over ijs op schaatsen een herberg bezoekt, getrakteerd wordt op een “halfoort” jenever, soms met een metworst bovendien. Dientengevolge waagt menigeen zich zeer vroeg over ’t ijs en krijgt niet zelden, in plaats van ’t “halfoort” een duchtig nat pak, zoo niet erger.

Gisteren beproefde schipper D. van een kastelein den gebruikelijken prijs te behalen. Bijna had hij het doel bereikt, toen hij door het brosse ijs zakte. Zonder hulp ware hij gewis verdronken. Gelukkig werd zijn geroep om hulp gehoord en hij gered. Zijn lust naar ’t zoo moeijelijk te winnen “halfoort” zal door ’t koude bad wel aanmerkelijk zijn afgekoeld.”

Bron: Groninger Courant 28 december 1870


‘Friesland is in de war’

“Uit Friesland schrijft men het volgende aan de Dr. Ct. (Drentsche Courant, HP): “Friesland is in de war; de vorst, welke de wateren met eene gladde ijskorst overdekt heeft, is hiervan de oorzaak. Vooral die dorpen en steden, welke met vaarten doorsneden zijn (en dat zijn de meeste plaatsen onzer provincie), vertoonen bij het tegenwoordige schoone winterweder eene ongewone drukte en bedrijvigheid. In menige school wordt alleen ’s voormiddags les gegeven en dan wel een uur langer dan gewoonlijk; ’s namiddags zijn de kinderen op schaatsen.

In de kerken wordt ’s zondagmiddags meestal niet gepreekt, omdat de gemeente toch niet opkomt. De ouders blijven meestal tehuis: het zijn hunne kinderen en dienstbaren die zich steeds met schaatrijden amuseren. Bij den boerenstand heeft het soms groote moeite in ’s avonds het vee gevoederd en gemolken te krijgen. ’t Heeft wat in, dat dit, beurt om beurt, door de inwonenden geregeld wordt, waarbij de heer des huizes niet zelden beslissend tusschen beiden moet komen. De ouders die hunne kinderen alle dagen opnieuw van zakgeld moeten voorzien, klagen er al spoedig over, dat het ijs zooveel geld kost. De dienstbaren nemen van hun loon op  en krijgen voorschot.”

Berichtje uit de Groninger Courant van 6 januari 1871. Toch jammer dat Driek van Wissen, die zich als verklaard anti-Fries een en andermaal over de gekte der Friezen heeft uitgelaten, geen kennis meer kan nemen van dit logje. Hij zou zich verkneukeld hebben over de eerste regel van het bericht, die koren op zijn molen vormt en dat nog wel vanuit een Friese koker.


Schaatswedstrijd voor meisjes gestaakt (1808)

In de onlangs verschenen Canon van het Oldambt, hebben de samenstellers zich, wat sport betreft, beperkt tot de voetbalvereniging THOS uit Beerta. Een in meerdere opzichten aanvechtbare keuze. Als het überhaupt al voetbal moest zijn, had ik voor WVV gekozen, de Winschoter club van Klaas Nuninga, Jan Mulder en Arie Haan. Maar waarom zou je het bij voetbal moeten houden? Ik denk dat schaatsen een veel bredere sport was, die in het Oldambt ook nog eens de roemruchte Oldambtrit voortbracht. Een sport bovendien, die hier qua wedstrijden kan bogen op een traditie van tweehonderd jaar.

Wel begon deze traditie met een vreselijk valse start. In de Groninger en Ommelander Couranten van 23 december 1808 leek het nog zo mooi:

Het vrouwenschaatsen zat duidelijk in de lift. Drie jaar eerder organiseerden herbergiers in Leeuwarden de allereerste wedstrijd, waar wel 10 à 12.000 mensen op waren afgekomen. Een deel van de attractie bestond eruit, dat de dames omwille van de areodynamica in hun ondergoed reden. Waarschijnlijk was dit ook in Zuidbroek weer het geval, want ook hier werd het hartstikke druk, evenwel met funeste gevolgen, getuige het wedstrijdverslag dat de Ommelander Courant op 30 december afdrukte:

“Zuidbroek den 27 December. Het aangekondigde ysvermaak het welk alhier op gister zoude plaats hebben, is in geenen deele naar wensch uitgevallen. Men had zich van dit onschuldig en inderdaad Nationaal Volksfeest de heerlykste uitwerking beloofd. Alles was uitmuntend ingerigt en behoorlyk voorbereid. Het weder was by uitstek schoon. Vyftien meisjes hadden zich aangemeld, en stonden gereed om naar den prys te dingen, en duizenden van aanschouwers waren van alle kanten te zamen gevloeid, om den wedstryd by te woonen. Dan, niettegenstaande de gestelde orders en geaffigeerde waarschuwingen van het Gemeente-Bestuur – niettegenstaande al de aangewende moeite, om de toeschouwers van het ys af te houden, en er aan weerszyden van het ysveld genoegzame plaats was om den wedloop te zien, waren evenwel de beide banen zoodanig met menschen bezet, dat de wedloopsters niet ongehinderd konden voortryden. Herhaalde reizen heeft men getracht, om het ryden een aanvang te doen nemen; doch men was naauwelyks begonnen, of men moest het weder staken. Allerhande pogingen, zoo van vrlendelyke en bedaarde overreding, als van ernstige bedreiging, werden aangewend; doch alles tevergeefs! De menigte drong weder op de baan voort, het ys begon op sommige plaatsen te breken, het water kwam op deszelfs oppervlakte, en men was genoodzaakt, om, ter voorkoming van verdere onaangenaamheden en onheilen, een einde aan het schouwspel te maken, tot groot leedwezen van de commissarissen en deelnemers, die eenig vertrouwen hadden gesteld op de discretie van het publiek, doch zich daarin, ten aanzien van eene groote menigte, op eene zeer onaangename wyze vonden teleurgesteld.”

Vervolg


Smokkel bij de Matsloot

Bij het noordelijkste puntje van Drenthe, tussen De Poffert en Matsloot, daar waar je nu het bedrijventerrein Westpoort hebt, werd er nog wel eens gesmokkeld in de 18e eeuw. In Drenthe had je andere belastingtarieven dan in Groningerland en dan loonde dat de moeite.

Je zou zeggen dat de kans op betrapping vrij klein was, omdat je over de lage hooilanden mijlen in het rond kon kijken. Je zou zeggen dat je dan de controleurs al van verre aan kon zien komen.

Toch liet Leentje Willems (43), de vrouw van Derck Cornellis, en met deze man wonend op De Pannekoek,  zich op 16 juli 1769 snappen met tien pond gekerfde tabak die ze “van het Raadjehuis in den Landschappe Drenthe” had opgehaald. Dat Raadjehuis, later gewoonlijk het Raadhuis genoemd, was zo’n beetje de noordelijkste boerderij van Drenthe. Deze hoeve viel vanaf de Pannekoek te bereiken als je ter hoogte van de huidige scheepswerf het Hoendiep overstak. Daarna moest je een paar honderd meter lopen door een paar stukken hooiland, als je niet met een bootje langs een tochtsloot ging.

Leentje, oorspronkelijk van Tolbert, was de tweede vrouw van Derck Cornellis, die al sinds 1751 op De Pannekoek woonde. Met zijn eerste vrouw, net als hij uit Roden, kocht hij dit goed indertijd van de diaconie van Hoogkerk. Van zijn eerste vrouw hield hij  een stuk of wat kinderen over en daarvoor zorgde Leentje.

Ze bekende vlot. Dat kon ook moeilijk anders als je op heterdaad betrapt was.

Ze had “alzo de gemeene middelen bekort en den Lande gefraudeert”. Daar stonden strenge straffen op. Het college van Gedeputeerde Staten, dat in zulke belastingzaken recht sprak, gaf “uit overweginge van des gedetineerdes behoeftige omstandigheden” echter de voorkeur aan “gratie voor rigueur van reghten”. Daarom werd Leentje bij vonnis van 27 juli vrijgelaten, onder toekenning van de elf dagen voorarrest als straf.

Ze kwam dus met de schrik vrij, maar de heren gaven haar nog wel een ernstige waarschuwing:

“van zich schierkomstig van diergelijke Landsdieverijen wel zorgvuldig te hoeden, zullende andersins, wanneer te eeniger tijd zich daaraan wederom mogt komen schuldig te maken en in handen van Justitie te geraken, op het strengste en zonder de minste gratie naar de ordre van den Lande worde gestraft.”

En opdat ze dit vonnis niet zou vergeten, kreeg ze het op een briefje mee, toen het haar in het cachot aan de Boteringestraat voorgelezen was.

Bron: RHC Groninger Archieven, Archief Staten van Stad en Lande, inv.nr. 1352, de sententie d.d. 27 juli 1769. Met dank aan Jan-Paul Wortelboer.


Vruchten des velds als alternatief

In zijn stukje van vorige week vertelt Tony van der Meulen hoe hij als  jong verslaggever van het Nieuwsblad van het Noorden bij een perslunch eens naast Molly Geertsema mocht zitten, in die jaren niet alleen fractievoorzitter van de VVD in de Tweede Kamer, maar ook, net als Rutte, ” het prototype van de goedgemutste VVD-er”. Bij die lunch hield Geertsema een pleidooi voor de afschaffing van alle uitkeringen. Op de vraag hoe de mensen dan aan eten moesten komen, luidde zijn antwoord: “Van de vruchten des velds”.

Ik weet niet hoe Geertsema zich dit heeft voorgesteld, want de plantkundige kennis zal bij veel uitkeringsgerechtigden vast niet hoog ontwikkeld zijn geweest, ook toen al niet. Twee eeuwen eerder, in een tijd dat er nog nauwelijks uitkeringen bestonden, en mensen wat vaker noodgedwongen hun toevlucht moesten nemen tot de “vruchten des velds””, vergisten ze zich ook wel eens deerlijk in de eetbaarheid daarvan. Giftige planten willen nog wel eens sterk lijken op consumabele, zoals een bericht uit de Groninger Courant van vrijdag 12 april 1743 duidelijk maakt:

“Groningen den 11 April. Deezer daageni is hier een zeldzaam dog teffens ongelukkig geval gebeurt, door het eeten van groen Moes, waar door twee Jonge Kinderen van ses tot agt jaaren schielyk gestorven zyn en de lichaamtjes op ordre van de Regering geopend zynde, heeft men het binnenste vlies van de maag zeer geïnflammeert, en het gedarmte uyttermaaten geëxtendeert of opgeswollen bevonden; de Ouders die er meede van gegeeten hebben bevonden zig zeer ongemakkelyk; er word gepresumeert na men uyt het overschot van het moes kan verneemen, dat er Cieuta of dulle kervel onder geweest is; Deeze kruyden waaren door de vader zelfs opgezogt.”

Een van de gezichtsbepalende figuren van het Occupy-kampje hier in Groningen, hoorde ik laatst beweren dat hij wilde proberen om zonder uitkering te leven, van produkten die hij in de natuur kon vinden. Dan mag hij eerst wel even zijn warenkennis opvijzelen. Voor honderdduizenden mensen lijkt het me helemaal geen optie. Jaarlijks zullen er tientallen en wellicht zelfs honderden doden vallen. Geertsema was gelukkig alleen een virtuele borreltafelmoordenaar.


Naberplichten in Hoogkerk (1812)

Bij maire (= burgemeester) Franke van Hoogkerk kwamen in het voorjaar van 1812 klachten van ingezetenen binnen over “de gebrekkige regulering der buurtpligten bij sterfgevallen”. Daardoor konden die naberplichten niet worden afgedwongen bij sommige nalatigen. Reden voor de maire, om een reglementje op te stellen.

Zoals al het goede, bestond dit uit drie delen. De eerste afdeling regelde de indeling van de gemeente Hoogkerk in buurten, de tweede bepaalde wie tot wat verplicht was en welke sancties er stonden op nalatigheid, en in de derde stonden artikelen over het buurtbestuur, de inning en administratie van de boetes en de jaarlijkse potvertering.

De 113 huizen van de gemeente Hoogkerk werden verdeeld in zes buurten. Deze waren niet allemaal even groot, en waarschijnlijk speelden onderlinge afstanden tussen de huizen een grote rol bij de verdeling. De eerste drie buurten lagen in Hoogkerk zelf, en de vijfde in Leegkerk. Naast deze homogene buurten waren er twee heterogene: de vierde buurt strekte zich uit over Hoogkerk en Leegkerk, terwijl de zesde Dorkwerd omvatte, naast een drietal huizen in Leegkerk.

Bij ieder sterfgeval was de allernaaste naber verplicht om de drie verdere naaste buren in te schakelen voor het afleggen van de dode. Als iemand niet kon, moest de volgende buur invallen. Kon een huishouden niemand leveren, dan verbeurde dat 6 stuivers boete.

Een van de naaste buren moest de verste nabers van de buurt aanzeggen dat ze de dode moesten verluiden. Dit klokluiden gebeurde op de eerste ochtend na de sterfdag en duurde een half uur voor een kind tot twaalf jaar en een heel uur voor oudere mensen. Nabers die er niet aan meededen verbeurden 8 stuivers boete.

De allernaaste naber moest de doodskist bestellen bij een timmerman of kuiper. Als die de kist klaar had, haalden de zes naaste mannelijke buren het ding op. Als dit per paard en wagen gebeurde, dan diende de naaste buur met paard en wagen deze te leveren. Tegelijkertijd maakten de zes naaste buurvrouwen in het sterfhuis het doodshemd. Een dode man werd gekist door zijn buurmannen, een vrouw door haar buurvrouwen. Verzuim kwam in dit geval te staan op een boete van 10 stuivers.

Op de ochtend van de begrafenis lieten de acht naaste buren zich om 11 uur in het sterfhuis vinden om de dode naar de begraafplaats te brengen. Als dit per paard en wagen gebeurde, gold dezelfde regel als bij het halen van de kist. De vier buren die volgden op de acht naaste moesten het graf delven, en dat “in tijds gereed hebben”. Deze vier moesten gedurende de begrafenis ook de kerkklok luiden. Nalatigheid in dezen werd gestraft met een boete van 12 stuivers.

Drie van de vier naaste buuurmannen deden bovendien binnen drie dagen na het sterfgeval aangifte bij de maire, die tevens de ambtenaar van de burgerlijke stand was.

Bij al deze taken mochten de nabers vervangers sturen, dus kinderen of dienstboden, “mits een geschikt persoon zijnde”.

Weduwnaars hoefden alleen aan de mannelijke naberplichten te voldoen, terwijl weduwen alleen gehouden waren tot de vrouwelijke.

Alleen bloedverwanten tot in de vierde graad van de overledene waren vrijgesteld van deze naberplichten. Ook iemand die ziek was hoefde niet mee te doen of boete te betalen, maar dan moest de naaste naber wel op tijd van die ziekte op de hoogte worden gesteld, terwijl de ziekte ook “genoegzaam” moest blijken.

In elke buurt stelde de maire een buurtmeester en een opvolger voor de buurtmeester aan, die tot Hemelvaartsdag van het volgende jaar in functie zouden blijven. Op die dag trad de buurtmeester af en volgde de opvolger hem op. De buren kozen dan tevens een nieuwe opvolger uit de mannelijke gezinshoofden, met uitzondering van de “behoeftigen”.

De opvolger of bijzitter van de buurtmeester deed het zwaarste werk. Hij inde alle boetes en bracht die naar de buurtmeester, die er een administratie van bijhield.

De invordering van de boetes kon geschieden bij pandhaling. Als iemand dus niet kon of wilde betalen, dan werd er een stuk huisraad in beslag genomen, dat de debiteur dan tegen betaling van het verschuldigde bedrag weer kon inlossen.

Als de buurtmeester en zijn opvolger zelf niet bij een begrafenis konden zijn, dan moest een van de naaste buren van het sterfhuis aantekening van de verbeurde boetes houden en dat stuk naar de buurtmeester brengen.

Jaarlijks legde de buurtmeester op Hemelvaartsdag aan de hele buurt rekening en verantwoordiing af van de geïnde boetes. Dat mocht in zijn eigen huis, of anders in een “geschikt locaal”. Bij deze gelegenheid betaalden nieuwe buren ook hun 12 stuivers entreegeld – mensen die het wat breder hadden mochten meer betalen naar hun “genereusiteit”. Wat er dan in de pot zat aan boetes en entreegelden, konden de buren gezamenlijk en “in behoorlijke order” verteren.

Bij verschil van mening tussen de buren hakten de buurtmeester en zijn assistent de knoop door. Kwamen zij er niet uit, dan werd de kwestie voorgelegd aan de maire.

Binnen vier maanden was het zover en maakt de maire nog wat aanvullende artikelen.  Bij het afleggen kon het aantal opgeroepen naaste buren uitgebreid worden tot vijf. De boete op absentie bij het afleggen ging omhoog van 6 naar 12 stuivers. Kennelijk omdat de volgorde van de buren al eens discussie had gegeven, stelde de maire vast dat de nummers van de huizen hierin bepalend waren. Terwijl weduwnaars met meerderjarige dochters gehouden werden om deze in te zetten voor vrouwelijke naberplichten, en weduwen met zoons deze zoons moesten laten helpen bij mannelijke doden.

Bron: RHC Groninger Archieven toegang 1493 – Gemeente Hoogkerk, inv. nr. 1546:
Reglement op de “buurtpligten” (1812 ).


Slak, reizend als pelgrim naar Santiago

In de leggers van de Groninger Courant uit de achttiende eeuw kan je soms advertenties aantreffen voor totaal vergeten boekjes, zoals de Historie van de Slak, reysende als Pelgrim na St. Jacob. Het betreft een werkje in octavo dat gedrukt is door de Rotterdamse boekverkoper Adriaan Obreen, en dat in het najaar van 1743 en de zomer van 1744 onder meer in de boekwinkel van de Groninger courantier Jacob Sipkes te koop was voor 6 stuivers. Welk bedrag misschien erg bescheiden lijkt, maar dat voor veel mensen in die tijd een dagloon vertegenwoordigde. Reden om voorzichtig te zijn met de betiteling ‘volksboekje’.

Over de inhoud van de Historie van de Slak worden we uit de advertenties alleen gewaar dat het een fabel was met een anti-katholieke strekking. “Op een aerdige en boertende wyze” en door middel van dialogen tussen dieren stelde het namelijk “de bedrieglykheden en listigheden des pausdoms” aan de kaak. De slak die de hoofdrol speelde, had op zijn reis naar het bedevaartsoord Santiago de Compostella “allerley aardige ontmoetinge”, maar maakte ook avonturen mee waardoor hij dikwijls in levensgevaar verkeerde. Uiteindelijk echter, was hij “gelukkiglyk en behoude gerepatrieert”.

Ik wilde wel wat meer weten over dit boekje,  maar mijn zoektocht leverde niets op. Via de STCN is het niet te vinden, en ook eventuele Engelse en Duitse varianten lijken van de aardbodem te zijn verdwenen, als ze ooit al hebben bestaan. Maar misschien komt er op dit logje ooit nog eens een reactie met een vindplaats.

Bron: Groninger Courant 8 oktober 1743 en 14 juli 1744.

Naschrift 8 juli 2017: Het werkje wordt ook gemeld in de catalogus van de boekenveiling Beucker Andreae, Leeuwarden 1829,


Schipper krijgt diverse kapers aan boord

“Groningen den 14 September. Schipper Jetse Wouters voerende het kofschip de Juffrouw Hendrina schrijft uit Crouswyk, werwaarts hy gedestineert is om Zout te laaden, van den 28 Augustus, dat hy digt by Heyzand eenen kaper heeft ontmoet, zynde na zyn vermoeden van Jarmeuth of Jarmueyn, dewelke hem een vierendeel booter met 50 ponden stokvis ontnoomen heeft, en drie loopende trossen, met een kooperen erwettenpot, zooals ze op het vuur stond te kooken, nog een kooperen theekeetel beneffens al zyn porcelein, met een gedeelte van zyn en zynes volks kleederen, tabak, drank, en allerhande kleynigheeden meer, zelfs hunne leepels daar ze meede eeten moesten. Daarenboven had de kaper nog het voorste spintwand in stukken, en eenen koegel in het zeyl en de mast geschooten. Ook wierden ze genoodzaakt hunnen boot uyt te zetten, die door het holle water geheel ontramponeerd is geworden. Nog had hem een Fransche kaaper by den Teems aangelant en hem 6 halve tonnen bier afgenoomen; zoodat het volgens zyn schryven slegt met hem voortaan zou uytzien, byaldien hem meer diergelyke ontmoetingen voor kwaamen.”

Aldus de Groninger Courant van 15 september 1744. Op dat moment was ons land betrokken in de Oostenrijkse Successie-oorlog, als bondgenoot van het Verenigd Koninkrijk. Nogal vreemd is het dan dat het schip van Jetse Wouters eerst wordt belaagd door een Engelse kaper uit Yarmouth. Kaapvaart was namelijk oorlogvoering in commissie en kapers vielen normaliter geen bondgenoten aan. Dat de tweede, wel degelijk vijandelijke, Franse kaper zich dichtbij de monding van de Theems vertoonde, mag gerust als een waagstuk worden betiteld.